gewoonlijk Leervisch, door de Fransche kolonisten in Amerika
Chirurgien, Barbier en Porte-lancette, door de Engelschen Surgeon
genoemd (Acanthurus chirurgus), bereikt een lengte van 20 à 30 cM. De
donkerbruine of geelachtige huid van den romp is aan weerszijden
met verscheidene van boven naar onder gerichte, donkere strepen,
de rugvin op lichteren grond met zwartachtige lijnen geteekend;
de buikvinnen zijn zwart; de aarsvin is geelachtig met donkerder
zoom. De zeer sterk samengedrukte staartstekel heeft scherpe randen
en van achteren aan den wortel een doornvormig uitwas; hij is met het
onderliggende been door een gewricht verbonden en kan dus opgericht
en ook voorovergebogen (in een groeve of scheede geborgen) worden.
Deze soort is, naar het schijnt, niet ver buiten de Antillen-zee
verbreid; hier echter is zij overal veelvuldig, aan alle visschers wel
bekend. De kustbewoners vreezen hem weinig minder dan een Vergiftige
Slang; de wonden, die hij met zijn stekel slaat, zijn zeer pijnlijk
en genezen niet spoedig. Met uitzondering van den Barracoeda, die
wegens zijn vreeselijk gebit de wapens van den Leervisch niet behoeft
te duchten, schuwen alle overige roofvisschen dezen gevaarlijken
concurrent; ook met zijns gelijken voert hij strijd; men heeft
althans van een verwante, in de Roode Zee levende soort dikwijls twee
exemplaren gevangen, die met de stekels aan elkander vastgehecht waren.
De Bastaardmakreelen (Carangidae), die men vroeger met de Makreelen
vereenigde, worden thans door Günther als een afzonderlijke familie
beschouwd. Het stekelige deel van de rugvin is minder ontwikkeld
dan het weekstralige en dan de aarsvin; dikwijls is het zeer
onbeduidend. Ook de borststandige buikvinnen zijn soms rudimentair
of ontbreken geheel.
De Horsmakreelen (Caranx) kenmerken zich vooral door hun zijdestreep,
die geheel of gedeeltelijk bekleed is met gekielde schilden, welke
voor 't meerendeel ieder tot een stekel verlengd zijn. De beide
rugvinnen zijn door een kleine tusschenruimte gescheiden; de voorste
is verreweg de kleinste en wordt door 8 stekels gesteund; vóór de
aarsvin liggen 2 vrije stekels; achter de rugvin en de aarsvin treft
men geen bastaardvinnen aan; de schubben, met uitzondering van die
der zijdestreep, zijn klein.
De Hors, ook Ars, Hars en Marsbanker, in Amsterdam Noorderwind genoemd
(Caranx trachurus), gelijkt door zijn spoelvormigen romp, spitsen
kop en dikken staart op een grootvinnigen Makreel; zijn lichaam is
echter hooger en minder rank. Hij is ongeveer 30 cM. lang, van boven
blauwgrijs, van onderen zilverkleurig; de vinnen zijn grijsachtig.
Evenals de Makreel, wordt de Hors zoowel in de Middellandsche Zee als
in den Atlantischen Oceaan (met inbegrip van de Noordzee) gevonden;
in de Oostzee komt hij zeer zelden voor. Slechts enkele exemplaren
bezoeken van April tot Augustus de kusten van Nederland en Duitschland,
de westkust van Denemarken en de zuid-westkust van Scandinavië;
ter zelfder tijd vindt men ze in groote scholen op de kusten van
Groot-Brittannië. In Juli 1834 hielden zij zich een week lang in
ontelbare menigte bij Ierland op. Zoover het oog reikte, scheen de zee
in kokende beweging te zijn. De school kwam tot in de onmiddellijke
nabijheid van den oever; lieden, die op een eenigszins vooruitstekende
rots een plaatsje hadden gevonden, behoefden slechts de handen in 't
water te steken om Visschen te grijpen; iedere behendige greep bracht
er 3 of 4 in hun bezit; de bovenste waterlaag scheen meer Visschen
dan water te bevatten. Het was niet mogelijk de gevangen Visschen te
tellen of hun aantal te schatten; men rekende bij karrevrachten.
Ongelukkig is deze Visch veel geringer van kwaliteit dan de verwante
Makreel. De Engelschen en Amerikanen noemen hem Horse-Mackerel
(Paardenmakreel) om aan te duiden, dat zijn vleesch onbruikbaar of
althans onsmakelijk is. Zelden wordt hij op de markt gebracht; op vele
plaatsen van de kust wordt hij zelfs door de armste lieden versmaad.
Het Loodsmannetje (Naucrates ductor) vertegenwoordigt het slechts
weinige soorten omvattende geslacht der Loodsvisschen (Naucrates);
deze hebben een langwerpig eivormige gedaante en een stompen snuit;
de plaats van de eerste rugvin wordt door een gering aantal vrije
stralen ingenomen; de staart is aan weerszijden van een kiel voorzien;
het kleed bestaat uit kleine, ongelijksoortige schubben; de bek is
met korte, fluweelachtige tanden gewapend.
De blauwachtig zilvergrijze grondkleur van de genoemde soort wordt op
den rug donkerder en gaat naar den buik allengs in zuivere zilverkleur
over; de teekening bestaat uit 5 donkerblauwe, breede strepen,
die den romp ringvormig omgeven en zich ook over de rugvin en de
aarsvin voortzetten; de borstvinnen zijn zwartblauw, de buikvinnen
wit; de staartvin is aan den wortel blauw, aan 't einde donkerder
gezoomd. Lengte 20 à 30 cM.
De oude schrijvers maken melding van een Visch, dien zij "Pompilius"
noemden en waarvan Geszner zegt, "dat hij uitsluitend de diepe
zee bewoont en de aarde schijnt te haten, daar hij nooit bij het
land komt. Deze Visschen toonen een zonderlinge gehechtheid aan de
schepen, die op de zee drijven en zwemmen onophoudelijk er omheen,
tot zij den grond en de kust bespeuren. De zeelieden weten dit wel; het
achterblijven van deze Visschen, die het schip niet verder vergezellen
willen, is hun een bewijs, dat zij de kust naderen, hoewel deze nog
niet zichtbaar is. Even groot als de genegenheid dezer Visschen voor
de schepen, is hun afschuw voor den grond. De zeelieden beschouwen
de begeleiding van deze Visschen als een teeken van goed weer, van
een kalme zee en van een gelukkige reis." De meening, dat zij als
loods dienen voor de Haaien, is van nieuweren oorsprong; de ouden
gewagen hiervan niet. "Ik heb altijd," zegt Commerson, "dit verhaal
voor een fabel gehouden; nu ik het feit met eigen oogen gezien heb,
kan ik er de waarheid niet meer van betwijfelen. Dat deze "loodsen"
de brokken verslinden, die de Haai laat vallen, is te begrijpen; dat
hij hen zelf niet verslindt, hoewel zij altijd om zijn kop heenzwemmen,
begrijpt men niet. Dikwijls heb ik gezien, dat een Loodsmannetje naar
het stuk spek zwom, dat aan een haak bevestigd over boord geworpen werd
en daarna terugkeerde naar zijn Haai, die onverwijld zelf kwam. Als
men den Haai vangt, wordt hij gevolgd door zijne "loodsen", die eerst
vluchten, als men hem binnen boord hijscht. Als zij echter geen anderen
Haai vinden, houden zij zich aan het schip zelf en volgen dit dikwijls
verscheidene dagen lang." Hetzelfde berichten alle andere onderzoekers,
die van dezen Visch melding maken; Bennett voegt er nog aan toe, dat,
hoewel men één enkelen Haai geregeld door Loodsmannetjes vergezeld
ziet, deze even geregeld ontbreken, wanneer verscheidene Haaien te
zamen zwemmen.
Verschillende redenen zijn opgegeven voor de vriendschappelijke
betrekking tusschen de beide Visschen. Sommigen meenen, dat het
Loodsmannetje den Haai zijn prooi aanwijst, in de hoop er ook een
deel van te krijgen. Een andere, waarschijnlijker verklaring van het
feit is, dat het vischje zich in gezelschap van den vreeselijken
roover veilig acht voor de vervolgingen zijner ergste vijanden,
van behendiger roofvisschen, daar hij, om den Haai te ontkomen,
vlug en behendig genoeg zwemt. Duidelijk is het in allen gevalle,
dat er tusschen beide dieren een wederzijdsche betrekking bestaat,
dat niet alleen het Loodsmannetje op den Haai, maar deze ook op
zijn gids schijnt te letten. "Gedurende mijn reis naar Egypte,"
verhaalt Geoffroy Saint-Hilaire, "kwam eens bij windstilte een Haai
op het schip af; hij had twee Loodsmannetjes bij zich, die altijd op
een zekeren afstand bleven van hun grooten reisgezel; bij het schip
gekomen, onderzochten zij dit tweemaal van het eene einde tot het
andere; niets te bikken vindend, trokken zij af in gezelschap van hun
Haai. Intusschen had een matroos een stuk spek aan den haak geslagen
en dezen, aan een lijn bevestigd, in zee geworpen. De Visschen,
die reeds tamelijk veraf waren, hoorden den plomp, keerden terug en
begaven zich bij het zien van het spek naar hun geleider, die zich
intusschen vermaakt had met buitelingen en dergelijke spelen. Dadelijk
kwam hij nader, aan weerszijden vergezeld door een zijner vriendjes en
werd door deze letterlijk geleid naar het spek, dat hij niet bespeurd
scheen te hebben; hij beet eerst een stuk van het lokaas af, hapte
nogmaals toe, zat aan den haak vast en werd binnenboord getrokken;
2 uur later ving men ook een van de Loodsmannetjes, die het schip
nog niet verlaten hadden."
Het is verre van onwaarschijnlijk, dat er langzamerhand een zekere
gehechtheid tusschen de Loodsmannetjes en den Haai ontstaat,
daar men ook wel andere bewijzen van verstand bij de Visschen
heeft opgemerkt en soortgelijke bondgenootschappen onder hooger
ontwikkelde dieren van geheel verschillenden aard volstrekt niet
zeldzaam zijn. Ongetwijfeld draagt ook de gewoonte veel bij tot
versterking van den vriendschapsband, daar het Loodsmannetje met niet
minder trouw en volharding dan den Haai ook schepen volgt, zeilschepen
althans, en bovendien allerlei andere drijvende voorwerpen, balken,
wrakhout, vaten enz.; dit geschiedt waarschijnlijk niet, omdat het van
zijn Haai afgeraakt is, maar vermoedelijk met dezelfde bedoeling, als
waarmede deze bij het schip komt, n.l. in de hoop van door de bemanning
gevoederd te worden. In de noordelijke zeeën komt het Loodsmannetje
niet geregeld voor; wel heeft het zich herhaaldelijk laten verleiden
om de schepen tot in het Kanaal te volgen. Bennett verzekert, dat men
dit vlugge dier alleen na het vangen van een Haai kan bemachtigen. De
kleine, trouwe gidsen willen hun grooten beschermer niet verlaten,
zwemmen om hem heen, wanneer hij boven water opgetrokken wordt,
tot hij bezweken is, komen intusschen nader dan gewoonlijk bij de
oppervlakte, zoodat het niet veel moeite kost hen met een schepnet
aan een langen stok op te visschen.
Het vleesch van het Loodsmannetje is volgens hen, die het zeldzame
voorrecht hadden, het te proeven, niets minder in kwaliteit dan dat
van de Makreelen.
Een hoofdkenmerk van de kleine familie der Haanvisschen (Cyttidae)
is gelegen in de beweeglijkheid der kaken, die naar voren verschoven
en teruggetrokken kunnen worden; de romp is hoog, sterk zijdelings
samengedrukt; de buikvinnen zijn aan de borst geplaatst, de tanden
klein en kegelvormig; de kieuwspleet is zeer wijd.
Volgens de overlevering verkeerde de apostel Petrus eens, toen hij
tol moest betalen, in de noodzakelijkheid om niet in de beurs,
maar in het water te tasten; de bek van den Visch, dien hij er
uithaalde, bevatte de verlangde penning. Dit mirakel moet in de
open zee voorgevallen zijn; ook schijnt de apostel den bedoelden
Middellandsche-zee-visch flink aangepakt te hebben, daar deze op
elke zijde een zwarte vlek draagt, die, naar het verhaal luidt,
indruksels van vingers zijn. Vermoedelijk heeft het dier hieraan den
naam Sint-Pietersvisch te danken. Deze naam, dien men in de havens van
de Middellandsche Zee en ook wel bij ons hoort, is trouwens niet overal
in gebruik; op sommige kustplaatsen van Frankrijk heet dezelfde Visch
Poisson Saint-Christophe, bij de tegenwoordige Grieken Christo-psaro
(Christusvisch), bij de Spanjaarden Martinsvisch, bij ons wegens zijn
zijdevlek Zonnevisch of Spiegelvisch, bij de Noordduitschers eindelijk
Haringkoning, omdat hij op de Sardijnen (een soort van Haringen)
jacht maakt en hunne scholen volgt. Misschien te recht wordt zijn
geslacht in de wetenschap aangeduid met den naam van den oppergod
van den Olympus en stond hij reeds bij de ouden in hoog aanzien.
De Zonnevisch (Zeus faber) heeft twee gescheiden rugvinnen; het
vinvlies van de eerste wordt gesteund door lange stekels en loopt
daartusschen in lange draden uit; de beide aarsvinnen zijn minder
duidelijk gescheiden; de voorste wordt door 4 stekels gesteund;
onder de kleine, rondachtige borstvinnen staan groote buikvinnen. Aan
weerszijden van de achterste rugvin en van de aarsvin, voorts op
het midden van den buik, tusschen de buikvin en de aarsvin, komt
een reeks van beenplaten voor, die ieder een paar doornen dragen;
overigens is de romp met kleine schubben bekleed. De kleur is in
verschillende jaargetijden en zeeën ongelijk. In de Middellandsche
zee is de Zonnevisch dikwijls zuiver goudgeel (hieraan dankt hij zijn
Franschen naam Jaune doré, in 't Engelsch verbasterd tot John Dory),
in het noorden gewoonlijk grijsgeel. Het vinvlies van de voorste
rug- en aarsvin heeft een zwarte tint. Aan weerszijden komt op het
midden van den romp een ronde, zwarte vlek voor, die met een witten
en zwarten kring omzoomd is. Bij oudere dieren zijn deze kringen
meestal verdwenen en de vlekken zelf onduidelijker. Deze Visch kan
een lengte van meer dan 1 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. bereiken.
Van de Middellandsche Zee uit verbreidt de Zonnevisch zich over een
deel van den Atlantischen Oceaan, in noordelijke richting tot aan
de kusten van Groot-Brittannië, waar hij geregeld aangetroffen en
soms zelfs in aanzienlijken getale gevangen wordt. Aan onze kusten
ontmoet men hem zeer zelden en bijna altijd op grooten afstand van
het strand. In de eerstgenoemde zeeën behoort hij niet tot de gewone
Visschen, evenmin echter tot de zeldzame, althans gedurende den
zomer. Ook in de Middellandsche Zee geeft hij de voorkeur aan de open
zee boven het kustwater en komt hij meestal afgezonderd voor. Wegens
zijn gestalte zou men kunnen meenen, dat hij langzaam zwemt; toch
is dit het geval niet; hij beweegt zich zeer vlug en behendig, kan
de scholen van Sardijnen (Pilchards) goed bijhouden en maakt met
goed gevolg jacht op de Zeekatten of Gewone Inktvisschen, die zeer
waakzaam zijn en flink zwemmen. Deze dieren maken nevens kleine of
jonge Visschen en Schaaldieren zijn liefste voedsel uit. Tegenwoordig
wordt overal veel prijs gesteld op den Zonnevisch, daar zijn vleesch
zeer in den smaak valt; men krijgt hem echter meer bij toeval dan door
list in het net; wegens zijn ongezellige levenswijze is hij voor de
visscherij van geringe beteekenis.
Van den Koningsvisch (Lampris luna, L. guttatus) wordt reeds in de
Edda onder den naam van Gudlags (Godenzalm) melding gemaakt; ook thans
nog wordt hij in IJsland zoo genoemd en wegens zijn smakelijk vleesch
hoog geschat. In vorm gelijkt hij eenigszins op den Zonnevisch; de
omtrek van het zijdelings samengedrukte, maar toch dikke lichaam is
eirond; het kan een lengte van 2 M. en een gewicht van omstreeks 100
KG. bereiken. De bek kan minder ver vooruitgestoken worden; de tanden
en ook de doornen op den staart ontbreken. De rugvin, die boven de
borstvinnen begint, en zich tot dicht bij de vrij diep gegaffelde
staartvin uitstrekt, wordt door onduidelijk stekelvormige, buigzame
stralen gesteund en is grootendeels laag; haar voorste gedeelte verheft
zich tot een 5-maal zoo hooge punt, die sikkelvormig naar achteren
gebogen is; de aarsvin komt in vorm en stand overeen met het lage
gedeelte van de rugvin. De halvemaanvormige buikvinnen zijn ongeveer
op de helft van de lichaamslengte aangehecht en zijn ongeveer even
groot als de borstvinnen. De schubben zijn zeer klein en dun en vallen
zoo licht uit, dat men ze bij gevangen exemplaren zelden aantreft. De
kleur van den Koningsvisch is niet minder prachtig dan die van vele
om deze reden beroemde Visschen van zuidelijker zeeën. De staalblauwe,
met alle tinten van den regenboog schitterende kleur van de bovendeelen
gaat op de zijden allengs in violet en van onderen in rozerood over;
op dezen grond prijken talrijke eivormige, vrij regelmatig verdeelde,
melkwitte, als zilver glinsterende vlekken; de vinnen zijn prachtig
koraalrood; het oog is glanzig goudgeel.
Deze Visch, van welks levenswijze men bijna niets weet, schijnt vooral
de noordelijke zeeën te bewonen. Wel werd hij in de Middellandsche Zee,
aan de noordkust van Frankrijk, bij onze kust (1822, 1840), bij die
van Denemarken en Noorwegen gevangen; overal is dit echter slechts
2 of 3 malen geschied; vaker kwam dit voor bij Groot-Brittannië,
het meest bij IJsland.
De Braam, dikwijls ook Zeebrasem, in Frankrijk Castagnole genoemd
(Brama Raii), is minder zeldzaam dan de vorige soort; hij wordt
in de Middellandsche Zee zelfs vrij menigvuldig gevangen; vooral 's
winters is zijn vleesch smakelijk. Ook langs de kusten van de Noordzee
ontmoet men dezen dof zilverkleurigen Visch met bruine rug-, staart-
en aarsvinnen niet al te zelden (bij ons nu en dan); eenige malen heeft
men hem zelfs op de Pommersche kust buit gemaakt; zuidwaarts strekt
zijn verbreidingsgebied zich tot aan de Kaap de Goede Hoop uit. Hij
kan ongeveer 70 cM. lang worden en is dan ruim half zoo hoog. Het
geheele lichaam is met schubben bekleed en eivormig van omtrek. De
mondspleet is schuins naar boven gericht; de onderkaak steekt voorbij
de bovenkaak uit; beide zijn met tanden gewapend. De rugvin, die geen
duidelijke stekels bevat, neemt het grootste deel van den rug in en
vormt naar voren een driehoekige punt, dubbel zoo hoog als het overige
gedeelte. De aarsvin heeft een soortgelijken vorm, doch is kleiner.
De Goudmakreelen (Coryphaenidae) hebben een langen, zijdelings
samengedrukten romp; aan hun zeer steil afhellend voorhoofd danken
zij hun wetenschappelijken naam (die van een woord, dat "bergtop"
beteekent, is afgeleid en door "Stompkoppen" vertaald zou kunnen
worden); de rugvin wordt door buigzame, onduidelijk stekelige
stralen gesteund; zij strekt zich van den kop tot dicht bij de diep
gevorkte staartvin uit; ook de aarsvin is meestal sterk ontwikkeld;
de buikvinnen ontbreken soms of zijn klein; de kaken zijn met
hekelvormige, de tong en de kieuwbogen met fluweelachtige tanden bezet.
Voor ons doel kunnen wij volstaan met de beschrijving van een
enkele soort, en die het geslacht der Glinstervisschen (Coryphaena)
vertegenwoordigt, de oude gaven haar den naam van Delphinus of Dolfijn;
ook thans nog wordt zij door de zeelieden dikwijls zoo genoemd;
beter past op haar den naam Dorade, dien zij met den Goudbrasem deelt.
De Goudmakreel of Onechte Dorade (Coryphaena hippuris) bereikt
een lengte van 1 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. Zijn kleur,
van welks wonderbaarlijke pracht, volgens het getuigenis van alle
onderzoekers, een beschrijving slechts een flauwe voorstelling kan
geven, verschilt al naar de wijze van verlichting. Bennett zegt:
"Als de Goudmakreel bij windstilte dicht bij de oppervlakte van 't
water zwemt, schittert zijn prachtig blauwe of purperen kleur met
alle denkbare metaalachtige tinten, welker afwisseling bij iedere
beweging met die van licht en schaduw samengaat; alleen de staart
behoudt zijn goudgele kleur. Nadat de Visch uit het water gehaald
en op het dek gebracht is, worden deze kleuren door andere, niet
minder prachtige vervangen: voor het gloeiende purper en het goudgeel
komt een glanzige zilverkleur in de plaats, die op den rug nog de
oorspronkelijke purperen en gouden tinten vertoont. Geruimen tijd
houdt dit kleurenspel aan; langzamerhand vermindert het in sterkte;
ten slotte verbleekt de huid en wordt dof lederachtig grijs."
De Goudmakreel behoort in de warme zone thuis; van uit de
keerkringszeeën begeeft hij zich echter zoover noord- of zuidwaarts,
als de warme zeestroomingen dit veroorloven. De rijtijd en de
vervolging van de scholen Visschen voeren hem in de nabijheid van
de kusten; voor 't overige blijft hij op tamelijk grooten afstand
van het land en in de open zee. Ten onrechte wordt zijn komst in de
nabijheid van het schip door vele zeelieden als een voorteeken van
storm beschouwd. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine Visschen,
vooral uit die, welke de bovenste waterlagen bewonen, voor een groot
deel dus uit de zoogenaamde Vliegende Visschen. Bennett vond in de
maag van Goudmakreelen ook Koppootige Weekdieren, n.l. Inktvisschen en
Argonauten. Hun roofzucht is wel niet de eenige, maar toch een zeer
dikwijls voorkomende reden van het boven water komen der Vliegende
Visschen. Behalve dezen buit verslindt de Goudmakreel allerlei afval
uit de schepen; in vraatzucht doet hij voor een Haai niet onder. De
maag van een met den speer gestoken exemplaar bevatte eenige ijzeren
spijkers van 12 cM. lengte.
Tegen den herfst begeven de Glinstervisschen zich naar de kust
om kuit te schieten. In de Middellandsche Zee zoeken zij hiervoor
steeds rotsachtige oevers uit, maar vermijden vlakke. Daarom vangt
men ze wel op de kust van Provence en niet op die van Languedoc;
hier maakt men bijna uitsluitend gebruik van netten. In de volle zee
bevestigen de zeelieden als lokaas aan den haak een nabootsing van een
Vliegenden Visch, in den regel echter eenvoudig een witte of althans
licht gekleurde lap, dien zij aan een lange lijn achter het schip aan
laten sleepen, of aan een korte lijn met doelmatige bewegingen van de
armen naast het schip op en neer laten dansen. Pechuel-Loesche heeft
exemplaren, die in volle zee gevangen werden, op verschillende wijzen
toebereid gegeten en vond hun vleesch niet onaangenaam van smaak, maar
hard, vast en bijzonder droog; volgens hem veroorzaakt het gebruik
van deze spijs soms om onbekende redenen onaangename en zelfs zeer
nadeelige gevolgen: hevige en pijnlijke stoornissen in de werking der
spijsverteringsorganen, die verscheidene dagen lang aanhouden kunnen.
Een niet onbelangrijk aantal flink gebouwde Visschen met spoelvormig,
zijdelings samengedrukt lichaam, welks dikte naar het staarteinde
sterk afneemt, gewoonlijk met kleine, nauwelijks waarneembare schubben
bekleed is en daarom naakt schijnt, vormen te zamen een natuurlijke
familie, die men, naar de meest bekende soort, Makreelen (Scombridae)
noemt.
Daar de Makreelen de open zee van alle lengte- en breedtegordels
bewonen, is het verbreidingsgebied van iedere soort meestal zeer
uitgestrekt. Bijna alle bekende soorten, ten getale van meer dan
100, leven gezellig, enkele in tallooze scholen bijeen, vele op
aanzienlijke diepte, andere in hoogere waterlagen. Alle Makreelen
zijn uitmuntende zwemmers en zonder eenige uitzondering ook flinke
roovers; hun geschiktheid voor de jacht en hun roofzucht zijn echter
niet evenredig aan hun grootte, daar juist de grootste leden der
familie dikwijls met een zeer kleinen buit tevreden zijn.
De Makreelen vermenigvuldigen zich voor 't meerendeel snel en zijn
daarom voor de visscherij van zeer groote beteekenis. Enkele soorten
worden op sommige kusten als de belangrijkste van alle Visschen
beschouwd, andere staan in dit opzicht alleen bij de Haringen achter;
bijna geen enkele soort wordt door de kustbewoners versmaad.
Een slanke gestalte, twee ver van elkander verwijderde rugvinnen,
waarvan de achterste zich in een aantal zoogenaamde "valsche" of
"bastaardvinnen" splitst, een onduidelijke kiel aan weerszijden
van den staart, kieuwdeksels zonder spitsen, betrekkelijk kleine,
kegelvormige, puntige tanden, op één rij geplaatst langs een rand
der kaken, benevens een uit kleine schubben samengesteld kleed zijn
de kenmerken van het geslacht der Makreelen i. e. z. (Scomber),
voor welks belangrijksten vertegenwoordiger wij den gewonen Makreel
(Scomber scomber) houden. Door de kustbewoners wordt hij soms "Jonge
Tonijn" genoemd en met deze soort verward. Deze Visch is even fraai
van gestalte als van kleur; hij bereikt een lengte van 40 à 45,
hoogstens van 50 cM. en een gewicht van gemiddeld 1 KG.; van boven
is hij op helder blauwen, als goud glinsterenden grond met donkere
dwarsstrepen geteekend, van onderen zilverwit.
Op een dwaalspoor gebracht door de berichten van visschers en andere
onderzoekers, meende men vroeger, dat de Makreelen eigenlijk in de
IJszee thuis behooren en van hier uit ieder jaar groote reizen naar
lagere breedten ondernemen. Tegenwoordig is men tot een geheel andere
slotsom geraakt. Op een aanzienlijke diepte vangt men n.l. het geheele
jaar door Makreelen, zoowel in de Noordzee en de Oostzee als in den
Atlantischen Oceaan en in de Middellandsche Zee, waarbij echter op
te merken valt, dat zij naar 't oosten steeds minder overvloedig
worden en reeds bij Rügen niet meer geregeld voorkomen. Bovendien
verschijnen zij bijna ter zelfder tijd aan de noordelijke en aan de
zuidelijke kusten. Uit beide feiten blijkt, dat beide gedeelten van
de zee hunne eigenlijke woonplaatsen zijn en dat zij alleen met het
doel om kuit te schieten de diepte verlaten en naar de kust zwemmen,
gelijk ook de Haringen en vele andere Visschen doen.
De makreelvisscherij was reeds in de oudheid een zeer belangrijk
bedrijf en heeft ook thans nog een groote beteekenis. De komst van
deze Visschen aan de kust wordt daarom in de aan zee gelegen steden en
dorpen door oud en jong, rijk en arm met gejuich begroet. Honderden,
duizenden booten liggen gereed en vertrekken met den meesten spoed
om deze kostelijke Visschen te bemachtigen. Overal, in alle baaien
en inhammen, neemt men een ongewone bedrijvigheid waar. Ieder groot
visschersvaartuig wordt begeleid door verscheidene kleinere, die de
vangst zoo schielijk mogelijk ter markt moeten brengen; soms huren een
aantal visschers met hetzelfde doel voor gemeenschappelijke rekening
snel varende stoomschepen, die ten spoedigste volgeladen worden en
de gevangen Makreelen reeds 5 of 6 uren na de vangst op de markt
afleveren. Daar aan de versche Visschen het meest te verdienen valt,
gaat men alleen dan tot het inzouten over, als er geen kans bestaat
ze frisch aan den man te brengen. Op de markt te 's-Gravenhage komen
zij gedurende de zomermaanden niet zelden voor; zij zijn dan met kuit
voorzien; hetzelfde merkt men in andere kustplaatsen van Nederland,
Engeland, Frankrijk en Amerika op. De Makreelen moeten kort na de
vangst gegeten worden, daar zij spoedig bederven. In sommige jaren is
deze visscherij zeer, in andere veel minder winstgevend. Voor de eerste
bezendingen Makreelen kunnen zeer hooge prijzen bedongen worden; later
moet de visscher met aanmerkelijk lagere tevreden zijn. Soms kan een
vischschuit voor de vangst van een enkelen nacht f 1200 besommen; als
de vangst zeer overvloedig is, vermindert de opbrengst echter weldra.
Aan de Engelsche kust maakt men voor de makreelvangst gebruik van een
grondnet van 6 M. wijdte en 40 M. lengte. Ieder vischvaartuig is met
12 à 15 zulke netten voorzien, het eene wordt steeds aan het andere
bevestigd. Zoo zeilt men voor den wind weg en sleept de loodrecht in 't
water hangende, van voren geopende netten mede. De vangst geschiedt in
den regel gedurende den nacht. In de nabijheid van het land wordt de
Makreel ook wel met den hengel gevangen, daar hij gretig aanbijt. De
visschers aan de Atlantische kusten van de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika bedienen zich bij de makreelenvangst ook veel van het
zaknet, welks opening dicht getrokken wordt.
Aan de Britsche kusten verschijnt deze Visch reeds in Maart, soms
zelfs reeds in Februari; de eigenlijke vangst begint echter eerst in
Mei of in Juni, verder noordwaarts zelfs nog een maand later. "Onze
visschers vangen den Makreel slechts van tijd tot tijd, in de
maanden Juli en Augustus, wanneer er enkele scholen aan onze kust
voorbijtrekken. Hetzelfde heeft plaats aan de kusten van Jutland en
aan de zuidwestkust van Scandinavië. Hij komt ook in de Oostzee voor
en wordt er, ofschoon slechts bij uitzondering, in groote scholen
aangetroffen."
In zuidelijke zeeën heeft het kuitschieten in Juni plaats. Het aantal
eieren van een kuiter bedraagt ongeveer een half millioen.
De oude Romeinsche schrijvers maken dikwijls gewag van dezen Visch,
dien zij Scomber noemden. De Romeinen bereidden uit de ingewanden
en het bloed van den Makreel en andere Visschen of uit den geheelen
Visch een soort van saus, die zij voor zeer lekker hielden en zeer
duur betaalden. Zij werd, volgens Plinius "garum" genoemd, omdat de
Grieken, aan wie dit gebruik ontleend was, den Visch, die voor deze
bereiding diende, Garon noemden. De bereiding was, naar het schijnt,
eenvoudig een rottingsproces, waaraan de genoemde grondstoffen met de
noodige hoeveelheid zout in potten blootgesteld werden; het hierboven
staande vocht werd afgetapt en voor het gebruik bewaard. De Makreel
was voor dit praeparaat het best geschikt, omdat hij eerder bederft
dan andere Visschen.
Het voedsel van den Makreel schijnt uit jonge Haringen, Sprot,
Ansjovis en andere kleine Visschen te bestaan.
De Tonijnen (Thynnus) zijn reusachtige Makreelen, die de zuidelijke
zeeën bewonen; voor sommige kusten, vooral van de Middellandsche Zee,
was en is hun vangst een zeer belangrijk bedrijf. Van de Makreelen
i. e. z. onderscheiden zij zich, doordat hunne rugvinnen dicht
bijeengeplaatst en door een betrekkelijk groot aantal bastaardvinnen
gevolgd zijn; hun borstpantser is uit groote schubben samengesteld;
een kielvormig uitsteeksel komt voor aan weerszijden van den staart. De
Tonijn (Thynnus thynnus) is een der grootste en belangrijkste van zijn
geslacht; hij wordt gewoonlijk 2 à 3 M. lang en 150 à 200 KG. zwaar,
maar bereikt soms, naar men zegt, een lengte van 4 M. of zelfs meer en
een gewicht van 600 KG. De rug is blauwachtig zwart, het borstpantser
blauwachtig wit; de zijden en de buik hebben op grijsachtigen grond
zilverwitte vlekken, die zich tot strepen vereenigen; de eerste rugvin
en de aarsvin zijn vleeschkleurig, de valsche vinnen zwavelgeel met
zwarten zoom.
De Tonijn bewoont vooral de Middellandsche Zee; in den Atlantischen
Oceaan schijnt hij schaarscher voor te komen en door verwante
soorten vervangen te zijn. In vroegere tijden was men een andere
meening toegedaan en werd het plotseling verschijnen der Tonijnen
aan de kusten der Middellandsche Zee toegeschreven aan een periodieke
verhuizing dezer Visschen op ontzaglijk groote schaal. Men meende, dat
zij ieder jaar in grooten getale van uit den Oceaan door de straat van
Gibraltar naar de Middellandsche Zee zouden trekken. Volgens de thans
heerschende zienswijze houden zij zich, evenals zoovele andere leden
hunner klasse, tijdelijk in de diepte of in het midden van de zee op
en komen eerst tegen den voortplantingstijd nader bij de kusten. In
alle opzichten hebben de onderzoekingen van den laatsten tijd deze
meening bevestigd. Pavesi heeft aangetoond, dat de Middellandsche Zee
en vooral de Golf van Cadiz als de eigenlijke woonplaats van den Tonijn
beschouwd moet worden, dat dit dier gewoonlijk in de allergrootste
diepte verblijf houdt en in den voortplantingstijd omhoog stijgt,
zich dus hoofdzakelijk in verticale richting verplaatst om het ondiepe
water langs de kusten op te zoeken. Waarschijnlijk wordt hij door de
onderzeesche dalen, waardoor zijn weg leidt, genoopt standvastig een
bepaalde richting te volgen; een verhuizing in de vroeger aangeduide
horizontale richting komt stellig niet voor. Het kan wel zijn, dat
een aantal Tonijnen uit den Atlantischen Oceaan in de Middellandsche
Zee overgaan of van hier naar de Zwarte Zee trekken; het geheele
jaar door worden evenwel in de Middellandsche Zee Tonijnen gevonden;
hier komen zij in grooter aantal voor dan elders. Op alle plaatsen
aan de kust van den Atlantischen Oceaan, waar deze zeer gezochte
Visch gevangen werd, ontmoet men hem zeldzamer dan aan de oevers
van de Middellandsche Zee; slechts bij uitzondering dwaalt hij naar
noordelijker stranden af, vooral naar Groot-Brittannië, waar men hem
nog het veelvuldigst waargenomen heeft [2].
Wegens het belang, dat zeer te recht in den Tonijn gesteld wordt
in alle landen, die langs de Middellandsche Zee gelegen zijn,
heeft men hem nauwkeurig gadegeslagen gedurende den tijd, dat hij
zich in het kustwater ophoudt en hem in zijn zwerftijd goed leeren
kennen; toch is er nog veel in de levensgeschiedenis van dezen Visch,
waarover geen helder licht kan worden verspreid. Men heeft opgemerkt,
dat de trekkende Tonijnen in meer of minder talrijke troepen, soms
in scholen van eenige duizenden exemplaren zwemmen, zich zeer snel
en ook tamelijk behendig bewegen, vooral op Sprotten, Sardijnen en
andere kleine Visschen, bij uitzondering ook op Makreelen en Vliegende
Visschen jacht maken en ook wel Schelpdieren eten; men is vrij goed
bekend met hun voortplanting, heeft ervaren, dat de groote, zoowel als
de kleine exemplaren door Haaien en Dolfijnen vervolgd en gevangen
worden, dat zij daarentegen in goede verstandhouding leven met den
Zwaardvisch en daarom dikwijls met hem gemeenschappelijk reizen:
dit is echter alles wat wij van hen weten.
Er valt niet aan te twijfelen, dat de Tonijnen met geen ander doel
bij de kusten verschijnen, dan om kuit te schieten. De eieren van de
kuiters, die bij hun komst uit de diepte nog slechts weinig ontwikkeld
zijn, groeien daarna buitengewoon snel. Het aantal eieren is dikwijls
zeer aanzienlijk.
Een beschrijving van de vangst van den Tonijn mag in een
levensschets van dit dier niet ontbreken, omdat juist bij deze
gelegenheid de waarnemingen gedaan werden, waarop nagenoeg al
wat wij van zijn leven weten, berust. Reeds de Ouden hebben zich
zeer ijverig met de tonijnenvisscherij bezig gehouden, vooral aan
de beide eindpunten van de Middellandsche Zee, bij de straat van
Gibraltar en bij den Hellespont. De Phoeniciërs vingen de Tonijnen
hoofdzakelijk aan de Spaansche kust; hun winstgevend bedrijf werd
door de latere bewoners van deze kuststreken voortgezet tot aan den
tegenwoordigen tijd. Verscheidene vischplaatsen waren zeer beroemd;
uit eenige daarvan verkregen de Spaansche grandes het grootste deel
van hunne inkomsten. Langzamerhand is dit bedrijf aan de Spaansche
kusten achteruitgegaan, vooral na de vreeselijke aardbeving van
Lissabon in 1755, waardoor, naar men beweert, de toestand van vele
kustdeelen zoozeer veranderd is, dat de Tonijnen er geen geschikte
plaatsen voor het kuitschieten meer vinden. Tegenwoordig bestaan nog
tonijnenvisscherijen in de nabijheid van Cadiz, Tarifa, Gibraltar en
ook aan den tegenovergestelden oever bij Ceuta; bovendien worden deze
Visschen bij sommige kustplaatsen van Catalonië gevangen.
Het vangen van de Tonijnen geschiedt op verschillende plaatsen op
ongelijke wijze, in den eenen tijd van 't jaar zus, in den anderen
zoo. Op de kusten van Languedoc en ook in Istrië worden in den trektijd
der Visschen op hooggelegen plaatsen wachten uitgezet, die op de komst
van de Tonijnen letten en de richting aangeven, volgens welke zij de
kust naderen. Een groot aantal booten zijn gereed, steken van wal op
het eerste sein van den wachter, scharen zich onder het bevel van een
aanvoerder in een uitgestrekte, halvemaanvormige reeks, werpen hunne
netten uit, omsingelen de Visschen, vernauwen den kring hoe langer hoe
meer en dwingen de Tonijnen naar de kust te zwemmen. Als deze dicht
bij het land in ondiep water gekomen zijn, werpt men het laatste net
uit en trekt het met alle daarin aanwezige Visschen op den wal, waar
nu een vreeselijk bloedbad onder de gevangen dieren wordt aangericht.
Op veel grooter schaal heeft deze visscherij bij de Italiaansche kusten
plaats. Hier sluit men de wegen, die de Tonijnen gewoonlijk volgen,
met verbazend groote netten af en maakt in gunstige omstandigheden
duizenden Visschen te gelijk buit. De netten, die hiervoor dienen,
zijn als 't ware gebouwen, welker muren uit touw en mazen bestaan;
zij heeten "tonnaren" en worden, al naar hun plaatsing, in "voor"- en
"achter-tonnaren" onderscheiden. De zee moet op de plaats, waar een
van deze grootsche gebouwen opgericht wordt, een diepte van meer
dan 30 M. hebben; het net moet zoo breed zijn, dat het een diepte
van 50 M. zou kunnen bereiken, daar het de muren van een aantal
kamers moet vormen, die geen bodem hebben; een groot deel van het
net komt op den grond te liggen en draagt er toe bij om den muur
onbeweeglijk op dezelfde plaats te doen blijven. Alleen de zoogenaamde
"doodenkamer" is ook van onderen gesloten, omdat zij met de gevangen
Tonijnen opgelicht wordt; dit deel van het net is ook veel steviger
van maaksel, met nauwer mazen, uit dikker hennepkoorden geknoopt,
om weerstand te kunnen bieden aan het gewicht van de Visschen en aan
hunne wanhopige pogingen om zich te bevrijden. Aan weerszijden zijn
de beide zijwanden van het net volgens een buitenwaarts gekromde lijn
verlengd met het doel om de Tonijnen in het net te leiden. De eene,
de zoogenaamde "staart", leidt de Visschen, die anders tusschen het
net en den oever zouden kunnen ontsnappen, in de kamers,--de andere, de
"sleep", geeft de gewenschte richting aan de beweging van de Visschen,
die zich verderop in zee bevinden en de vangplaats voorbij zouden
kunnen zwemmen. Soms is het geheele net meer dan een zeemijl lang.
Op de kusten van Sardinië heerscht door de visscherij met de tonnaren
gedurende een deel van het jaar een buitengewone bedrijvigheid. Aan
de oevers bevinden zich overal, waar de vangst sinds lang met goed
gevolg uitgeoefend wordt, meer of minder groote en gemakkelijk
ingerichte gebouwen, die als plaatsen van bijeenkomst dienen voor
de visschers, kooplieden en toeschouwers. Tot in het einde van Maart
zijn zij ledig en verlaten; in het begin van April echter verandert
dit punt van de kust in een marktplaats, die door lieden van allerlei
stand bezocht wordt. Hier komen landzaten en vreemdelingen bijeen;
terwijl deze de huizen en winkels betrekken, verrijzen vele hutten aan
den oever en wordt de zee met tal van vaartuigen bedekt. Overal ziet
men beweging en drukte: hier zijn kuipers en smeden aan den arbeid,
daar sjouwerlieden, die tonnen voor het inzouten van den visch en alle
andere benoodigdheden aanbrengen, ginds een hoop volk, dat volop werk
heeft met het uitspreiden van verbazend groote netten, die opgelapt
en aaneengevoegd moeten worden. De patroon wordt geholpen door eenige
betrouwbare personen, die toezicht oefenen op de werkzaamheden en
voor het bekendmaken der verordeningen zorgen; de hoofdpersoon bij
de geheele onderneming en de belangrijkste van alle werklieden is
de "rëis" of opperbevelhebber der visschers. "Rëis", een arabisch
woord, beteekent "opperste" of "hoofdman"; uit dezen naam kan men
afleiden, dat de Arabieren zich eertijds druk met de tonijnenvangst
hebben beziggehouden. Voor alles wat tot dit bedrijf op de een of
andere wijze in betrekking staat, moet de rëis zorgen. Hij moet
een man van onkreukbare trouw zijn, buiten staat om zijn meester te
benadeelen door de belangen van een andere tonnare te bevorderen;
hij moet kennis van zaken en scherpzinnigheid hebben, volkomen op
de hoogte zijn van den aard der Tonijnen, van alles en nog wat, van
alle kuilen of verhevenheden van den zeebodem, van de kleur van den
grond op verschillende plaatsen, kortom, van alle omstandigheden,
die op de visscherij invloed kunnen oefenen; dit alles dient hij
vooraf onderzocht te hebben; bovendien moet hij in staat zijn om
het kolossale nettengevaarte snel en veilig in de zee op te bouwen,
zoodat het zelfs bij storm geen gevaar loopt. Na het verrichten van
dezen arbeid bestaat zijn taak in het houden van een voortdurend
toezicht op de tonnare, want van hem hangt het af, wanneer de
eigenlijke visscherij zal aanvangen. Met den voorspellenden blik
van een loods moet hij komende stormen tijdig kunnen aankondigen,
om niet gedurende den arbeid op een ongelegen tijdstip door zulk een
natuurverschijnsel overvallen te worden; bij de eigenlijke vischvangst
is hij de eenige bevelhebber. De goede uitslag van de onderneming
hangt grootendeels van zijn juist inzicht af. Hem valt daarom een zeer
voorkomende behandeling ten deel; zijn naam is dikwijls de eenige,
dien de vreemdeling hoort noemen. Gewoonlijk hebben zij, die tot zulk
een verantwoordelijke betrekking geroepen worden, de lessen aan een
school voor de visscherij gevolgd; die, welke op Sardinië werkzaam
zijn, komen meestal van Genua of van Sicilië.
De toebereidselen tot de vangst nemen de maand April in beslag. In
't begin van Mei wordt de tonnare afgepaald, d. w. z., een lijn in
de zee getrokken, die bij het plaatsen van het net als richtsnoer zal
dienen. Dit geschiedt door lange touwen, die in onderling evenwijdige
richting aan de oppervlakte der zee worden aangebracht. Den daarop
volgenden dag wordt het net, dat vooraf door de geestelijkheid op
plechtige wijze ingezegend is, op verscheidene vaartuigen naar zee
vervoerd en in alle richtingen aan ankers vastgelegd.
De Tonijn houdt zich bij het trekken aan vaste regels. Bij stil weer
zwerft hij niet en begeeft zich hoogstens om voedsel te zoeken op weg;
zoodra de wind de oppervlakte van de zee in beweging brengt, aanvaardt
hij de reis en volgt dan meestal de richting van den wind. Daarom is
men gedurende de tonijnenvangst zoomin op stormen als op windstilte
gesteld; iedereen wenscht, dat er wind zal komen en natuurlijk tevens,
dat deze uit zulk een hoek zal waaien, dat de tonnare waarbij men
geïnteresseerd is, er wel bij vaart.
De Visch, die op een van de netwanden stoot, komt eerst in de groote
kamer, waarvan de ingang steeds openstaat. Nooit, althans hoogst
zelden, komt het in den Visch op om terug te keeren; hij tracht
integendeel verderop een uitweg te vinden en verdwaalt zoodoende in de
volgende kamers, waar hij soms reeds eenige lotgenooten aantreft, of,
zoo dit niet het geval is, spoedig gezelschap zal krijgen. Bepaaldelijk
hiervoor aangewezen opzichters houden met hunne vaartuigen de wacht in
de nabijheid van het zoogenaamde "eiland" aan het begin van de kamer
en letten op het aantal Visschen, die in het net doordringen. Met
bewonderenswaardige scherpzichtigheid weten zij de Tonijnen onder water
te onderscheiden, ofschoon deze op zulk een groote diepte zwemmen,
dat hun beeld hoogst onduidelijk is; zij tellen ze, één voor één,
gelijk een herder zijne Schapen telt. Soms moeten zij of de rëis,
die iederen avond bij hen komt, allerlei hulpmiddelen aanwenden om
het zien onder water mogelijk te maken. Zij bedekken de boot met een
zwarten doek om de lichtstralen, die het zien zouden bemoeielijken,
af te schutten, of laten een steen met een wit been van een Tonijn, den
zoogenaamden "lantaarn", naar de diepte zinken om de hier heerschende
duisternis eenigermate te verminderen. Als de rëis bespeurt, dat een
van de voorste kamers te vol is, tracht hij, om plaats te bereiden
voor de later komende Visschen, de reeds aanwezige in de volgende
kamer te drijven. Dit geschiedt gewoonlijk door het uitstrooien
van een handvol zand, waardoor de uiterst vreesachtige Visch zoo
verschrikt wordt, "alsof de hemel hem op den rug valt." Als het zand
geen voldoende uitwerking heeft, laat men een als verschrikkingsmiddel
dienende schapenvacht naar de diepte zakken, en als ook dit niet baat,
maakt men als laatste redmiddel gebruik van een hiervoor bestemd net,
waarmede de bedoelde kamer vernauwd en de Tonijn tot het vervolgen
van zijn weg genoopt wordt.
Als er genoeg Visschen in het net gekomen zijn en de wind over
dag gaat liggen, is de tijd voor de slachting van de gevangenen
aangebroken. Alle bewoners van de naburige kust deelen in de spanning
en de opgewondenheid van de visschers; uit ver afgelegen oorden komen
voorname lieden om getuigen te zijn van dit opwekkend schouwspel. Op
alle tonnaren is het regel, dat iedere vreemdeling goedwillig
toegelaten, op de meest vriendschappelijke wijze behandeld en bij
zijn vertrek op vrijgevige wijze met geschenken bedeeld wordt. In den
nacht, die aan de slotscène voorafgaat, drijft de rëis alle Tonijnen,
die gedood zullen worden, naar de "voorkamer" of "goudkamer", een waar
voorportaal van het graf, "goudkamer" genoemd, omdat de visscher zich
van het bezit van den Tonijn, die dit deel van het net bereikt heeft,
even zeker acht als van het geld in zijn beurs.
Op den dag, die voor de slachting bepaald is, begeeft de rëis zich
vóór zonsopgang naar het "eiland" om de Tonijnen in de doodenkamer
te drijven, een arbeid, die soms bezwaren oplevert, en den rëis
in de grootste verlegenheid brengt, daar het allen schijn heeft,
dat de Visschen begrijpen, welke belangrijke gevolgen de overgang
uit de eene kamer in de andere na zich sleept. Intusschen kijken de
aan land gebleven visschers door verrekijkers voortdurend naar het
eiland en wachten op een sein van den rëis. Deze steekt een vlag uit,
zoodra alles gereed is, en veroorzaakt hierdoor aan den oever een
groote opschudding. Vaartuigen beladen met visschers en toeschouwers
stooten van wal, waar een bonte menigte dooreenkrioelt. Voordat de
schuiten het "eiland" bereiken, hebben zij zich geplaatst in de orde,
die zij bij het omsingelen van de doodenkamer zullen innemen; twee
vaartuigen, ieder met een onderaanvoerder aan boord, nemen het eerst
plaats, de overige gaan er tusschen in liggen. Te midden van de kamer
bevindt zich de rëis; hij voert het commando als een admiraal bij een
zeeslag. Onder voortdurend geschreeuw van de visschers begint men de
doodenkamer op te halen; dit geschiedt zoo gelijkmatig mogelijk, maar
uiterst langzaam. Hoe nader dit net bij de oppervlakte komt, des te
meer dringen de vaartuigen opeen. De kokende beweging van het water
in de afgesloten ruimte wordt voortdurend heviger, waaruit blijkt,
dat binnen kort de Visschen zich zullen vertoonen. Nu wapenen de
"doodslagers" zich met zware knodsen, aan welker einde een ijzeren
haak bevestigd is en gaan aan boord van de beide schuiten, van waar
voornamelijk de aanval op de Tonijnen zal uitgaan. Reeds voordat zij
dezen arbeid aanvangen, neemt men bij hen een groote opgewondenheid
waar.
Eindelijk geeft de rëis het bevel tot de slachting. Het is, alsof er
plotseling een storm losbarst, zoo heftig is de beweging veroorzaakt
door het rondzwemmen en opspringen der reusachtige Visschen, die,
aan alle zijden ingesloten en overal bestookt, het doodsgevaar
opmerken, waarin zij verkeeren; het hoog opschuimende water verheft
zich boven den rand der booten. Iedere visscher slaat, schreeuwt,
windt zich op en trekt den gedooden Visch zoo schielijk mogelijk
uit het water. Zoodra het aantal Visschen eenigermate afgenomen is,
komt er een oogenblik van rust; de kamer wordt iets verder omhoog
getrokken, de nog overige buit nauwer ingesloten; een nieuwe storm
steekt op, een tweede moordtooneel heeft plaats. Zoo wordt bij
afwisseling gestreden en het net opgehaald, eindelijk wordt de bodem
zichtbaar van de doodenkamer, waarin nog slechts een klein aantal
Tonijnen overgebleven is. Tot op grooten afstand heeft het bloed der
slachtoffers het water rood gekleurd. Na verloop van een uur is de
slachting afgeloopen. De vaartuigen, door roeiers of door den wind
bewogen, keeren naar den oever terug, waar zij met vreugdeschoten
van de aan land geplaatste kanonnetjes ontvangen worden.
Alleen bij het einde van het vischseizoen wordt het net geheel
geledigd; bij ieder voorafgaande vangst laat men, als 't ware om
andere Visschen te lokken, een honderdtal of meer Tonijnen er in
achter. Na verloop van eenigen tijd heeft een nieuwe slachting plaats;
dit gaat zoo voort, zoolang zich de Tonijnen aan de kust vertoonen,
bij Sardinië tot het midden van Juni. In sommige tonnaren hebben
ieder jaar acht slachtingen plaats, die ieder ongeveer 500 Tonijnen
opleveren; het komt echter ook wel voor, dat men 18-maal de doodenkamer
kan ophalen en telkens ongeveer 800 Visschen kan dooden; de opbrengst
aan visch is dus zeer aanzienlijk. Nadat de vischtijd afgeloopen is,
wordt de doodenkamer weer aan land gebracht; dikwijls laat men de
overige netten in de zee blijven.
De opbrengst van de vangst wordt dikwijls in verschen toestand
verkocht aan vreemde kooplieden en door hen gezouten. "Het is
ongeloofelijk," zegt Cetti, "hoe vele soorten van vleesch aan dezen
Visch voorkomen. Bijna op iedere plaats, op iedere diepte is het
spierweefsel verschillend, hier vaster, daar zachter; het eene stuk
gelijkt op kalfsvleesch, het andere op varkensvleesch." Iedere soort
wordt afzonderlijk ingelegd; het hoogst schat men het vleesch van den
buik. Het goed gesorteerde product wordt met zout in tonnen gepakt,
die men acht dagen lang buiten in de zon laat staan en vervolgens
weer uitpakt, waarna men het vleesch op hellende planken legt om uit
te lekken, het nogmaals in de tonnen bergt en hierin stijf vasttrapt;
nu wordt de ton gesloten, maar af en toe door het spongat met zout en
pekel aangevuld. Van de beenderen en de huid wordt olie bereid. Vijf
met verschillende soorten van vleesch gevulde vaten behooren bijeen.
Het versche en behoorlijk gezouten vleesch van den Tonijn is een gezond
voedsel; soms echter wordt het in bedorven toestand genuttigd en brengt
dan ziekte, in enkele gevallen zelfs den dood teweeg. Het bedorven
vleesch heeft roode graten en smaakt scherp, alsof het met peper
gekruid werd. In verscheidene Italiaansche havensteden heeft daarom van
overheidswege een keuring plaats van de visch in de schuiten, die zich
naar de markt begeven; vooral als de scirocco waait, is deze maatregel
noodig; de afgekeurde waar wordt onmiddellijk in zee geworpen.
Vóór het koken gelijkt het spierweefsel van den Tonijn op rundvleesch;
door de bereiding verkrijgt het een lichtere kleur. Ik heb het
herhaaldelijk geproefd, maar vond het niet smakelijk. Het kan de
vergelijking met de meeste overige voor spijs dienende Visschen van
de Middellandsche Zee niet doorstaan, daar het hard is en een groven,
tranigen smaak heeft. De welgestelden Italianen schijnen er ook zoo
over te denken; zij laten dit voedingsmiddel aan den minderen man
over; voor dezen is het wegens zijn lagen prijs van groot belang. De
kookkunst viert echter ook bij de toebereiding van dit artikel hare
triomfen. Het kan een uitmuntende soep en kostelijk gebraad opleveren;
het vormt gekookt, gestoofd, gerookt, enz. smakelijke gerechten.
Volgens de berichten van T. Tozzetti waren weinige jaren geleden aan
de Italiaansche kusten 48 tonnaren in werking. In de 7 tonnaren van
het visscherijdistrict Trapani (Italië heeft in 't geheel 22 zulke
districten) werden ieder jaar gemiddeld 19.000 Tonijnen gevangen;
gemiddeld wordt het gewicht van den Tonijn op 120 KG. geschat.
Een andere soort van hetzelfde geslacht is de aan alle zeelieden en
reizigers bekende Bonito (Thynnus pelamys). Deze komt in gestalte
met den Tonijn overeen, maar is aanmerkelijk kleiner; zelden bereikt
hij een lengte van meer dan 80 cM. De rug en de zijden hebben een
staalblauwe kleur met groenen en rooden weerschijn; de buik ziet
er zilverkleurig uit en vertoont bruine strepen (vier langs iedere
zijde), die zich van de keel tot aan de staartvin uitstrekken. Het
is niet mogelijk door een beschrijving een juist denkbeeld te geven
van den bewonderenswaardigen glans der kleuren van dezen Visch.
Het is niet met zekerheid bekend, of de Bonito ook in de Middellandsche
Zee voorkomt; in den Atlantischen Oceaan treft men hem veelvuldig
aan. In gezelschap van de Tonijnen volgt hij dikwijls geruimen tijd
het schip, dat hij als zijn wegwijzer door den Oceaan schijnt te
beschouwen, of dartelt, evenals de Dolfijnen, aan weerszijden voor
den boeg uit; naast zijne verwanten zwemmend, vormt hij regelmatig
gerangschikte scholen en reeksen. Als een van de ijverigste vervolgers
der Vliegende Visschen valt hij zeer in 't oog; deze maken het
hoofddoel van zijn jacht uit, hoewel ook andere leden zijner klasse,
Inktvisschen, Schaaldieren en zelfs plantaardige stoffen hem tot
voedsel dienen. De matrozen maken van zijn voorliefde voor Vliegende
Visschen gebruik als middel om hem te vangen: zij slaan een vischje,
een schel gekleurde lap of een met veeren beprikte kurk als lokaas aan
een haak en laten dit aan een touw boven het water zweven, terwijl het
schip in snelle beweging is; de Bonito springt wel 1 M. hoog naar het
lokaas en blijft aan den haak hangen. Men noemt het vleesch van dezen
Visch droog en niet bijzonder smakelijk; ook zegt men, dat het soms
vergiftige eigenschappen heeft. Van de voortplanting schijnt niets
anders bekend te zijn, dan dat de rijtijd in Juli valt.
Aan de Fransche kust, zoowel in de Middellandsche Zee als in den
Atlantischen Oceaan, vangt men, vaker dan een der andere soorten
van zijn geslacht, den Langvinnigen Tonijn, ook wel Germon en door
de zeelieden Albacora of Albicore genoemd (Thynnus alalonga). Van
den Gewonen Tonijn verschilt hij door de lengte zijner borstvinnen,
die driemaal op de lichaamslengte gaat; hieraan dankt hij zijn
wetenschappelijken soortnaam, die hem in Italië ook door het volk
gegeven wordt. Zelden wordt hij langer dan 1 M. en slechts bij
uitzondering 50 KG. zwaar. Zijn kleur is minder schitterend dan
die zijner verwanten: op den rug blauwachtig zwart, op den buik
zilverkleurig. Zijn verbreidingsgebied omvat de Middellandsche
Zee en een groot deel van den Atlantischen Oceaan en van de
Stille Zuidzee. Hier zoowel als daar schijnt hij tot aan den
voortplantingstijd op groote diepten te blijven. In 't midden van
Juni begeeft hij zich, bij scholen trekkend, naar de kusten, blijft
in haar nabijheid tot in October en keert dan naar diepe waterlagen
terug. Allerlei zeevisschen, die in scholen zwemmen, vooral Sardijnen,
Zeebarbeelen, Vliegende Visschen, enz., dienen hem tot voedsel. Aan de
Italiaansche kusten vangt men hem in de tonnaren, aan de Spaansche
en Fransche hoofdzakelijk met hengels, die met gezouten Aal of
met stukken doek als lokaas voorzien zijn. Een bewolkte lucht, een
frissche wind en een bewogen zee worden als bijzonder gunstig voor
deze vangst beschouwd; zij heeft in Juli en Augustus plaats.
Het vleesch van de Langvinnige Tonijnen is witter en smakelijker dan
dat van de Gewone. In de Golf van Biscaye worden er ieder jaar 30.000 à
40.000 buitgemaakt; de visschers verkoopen die, waarvoor liefhebbers te
vinden zijn, versch en leggen de overige als winterprovisie in 't zout.
Colombo, Dampier, Commerson en andere reizigers beweren gezien te
hebben, dat men aan de Afrikaansche en Amerikaansche kusten Visschen,
die in vaten met zeewater in voorraad gehouden worden, voor de vangst
van zeedieren gebruikt, door ze aan een lijn te bevestigen en in de
nabijheid van een Schildpad los te laten. Zij trachten te ontsnappen,
maar kunnen niet van de lijn loskomen, en hechten zich zoo stevig
aan de Schildpad, dat men deze zonder moeite op het dek van het schip
kan trekken. De wijze waarop de hier bedoelde Visch, die reeds aan de
ouden bekend was, zich aan schepen of groote zeevisschen vastzuigt,
heeft ongetwijfeld aanleiding gegeven tot het bovengenoemde verhaal.
Het belangrijkste kenmerk van de Zuigvisschen (Echeneis) is een
platte, langwerpig ronde schijf, die, boven de neusgaten beginnend,
zich over de geheele bovenzijde van den kop en ook nog over een deel
van den rug uitstrekt; deze schijf dient als hechtorgaan; zij heeft
een buigzamen rand en 12 à 27 beweeglijke, aan den bovenkant met
fijne tandjes bezette dwarsrimpels.
De meest bekende soort van dit geslacht, de Schildvisch (Echeneis
remora), wordt ook in de Middellandsche Zee aangetroffen en werd door
de ouden "vertrager" (remora) of "tegenhouder" (echeneis) van schepen
genoemd. Zij is zelden langer dan 20 à 25 cM.; de kleine schubben,
die haar van bruingeel tot donkerbruin varieerende huid bekleeden,
onderscheiden zich door haar kleverigen glans; haar zuigschijf heeft
in den regel 18 dwarsplooien.
Een verwante soort, die alle tropische en in 't algemeen alle niet te
koude zeeën bewoont, de Kopzuiger (Echeneis naucrates), kan een lengte
van meer dan 90 cM. bereiken. Zij is aan de bovenzijde olijfgroen
of bruinachtig grijs, aan de onderzijde witachtig van kleur; haar
zuigschijf heeft 21 à 25 dwarslijsten.
Alle Zuigvisschen hebben dezelfde levenswijze: evenals de Snottolven
en Kringbuiken hechten zij zich vast aan andere voorwerpen, bij
uitzondering aan rotsen en steenen, in den regel aan schepen en
Haaien. De laatstgenoemde, die men zelden zonder deze begeleiders ziet,
zijn er soms letterlijk mede bedekt. Waarschijnlijk verschaft de ruwe
huid van den Haai aan de Zuigvisschen een veilige aanhechtingsplaats
en hebben deze aan de beweeglijkheid van het groote dier, dat hen
medevoert, het voordeel te danken van telkens in ander water te kunnen
visschen. Met de Haaien en de schepen doorreizen zij uitgestrekte
gedeelten van de zee; evenals de Loodsmannetjes worden zij op deze
wijze soms naar zeeën overgebracht, waar zij eigenlijk niet thuis
behooren. Zoo rekent men den Zuigvisch van de Middellandsche Zee tot
de dieren van Engeland, omdat hij herhaaldelijk met schepen en Haaien
naar de kustwateren van Groot-Brittannië is afgedwaald; hierin is
de verklaring te vinden van de buitengewone uitgestrektheid van het
verbreidingsgebied dezer Visschen. De reden waarom zij zich aan schepen
en Haaien vasthechten, is trouwens nog niet volkomen duidelijk. Dat
zij zich aanhechten, kan men begrijpen, daar alle dieren van hunne
begaafdheden het juiste gebruik weten te maken; waarom zij echter
hiervoor beweeglijke voorwerpen uitkiezen, is moeielijk te verklaren;
zeer waarschijnlijk, maar nog onbewezen is de onderstelling, dat zij
het doen met het doel om aan hun eigen ongeschiktheid tot zwemmen
tegemoet te komen. Zelfs na hun dood blijven zij nog stevig aan
allerlei voorwerpen hangen.
De werking van de zuigschijf komt overeen met die van het bekende
zuigleertje. Na het neerleggen van de talrijke dwarsplooien wordt
de nu effene vlakte stevig aangedrukt tegen die, waaraan zij zich
moet hechten; door vervolgens de dwarsplooien weer op te richten,
ontstaat er tusschen de beide vlakken een ledige ruimte en wordt hun
uiteenwijken door de volle drukking van 't water tegengewerkt.
Hoewel de bewegingen van deze Visschen plomp en onbehendig schijnen
en uitsluitend op de werking van de staartvin berusten, is hun
zwemvermogen niet onbeduidend. Soms ziet men ze naast of vóór den Haai
zwemmen, of, wanneer zij aan schepen gehecht waren, betrekkelijk snel
en behendig er om heen dartelen. Niet licht zal men hen met andere
Visschen verwarren, want ook gedurende het zwemmen zien zij er uit,
alsof hun buik naar boven gericht is. Als de scheepskok het spoelwater
overboord werpt, verlaten zij bij dozijnen de wanden van het schip,
waaraan zij vastgehecht waren en kronkelen zich zoo vlug als Alen door
de golven om zich van de op het water drijvende vetdrupjes meester te
maken. Soms gelukt het, hen met een stuk spek aan een hoek van hunne
rustplaatsen weg te lokken en te vangen. Hun krachtig gebit wijst
op een roofzuchtigen aard; Bennett vond in hun maag niets anders dan
Schaaldieren en kleine Mossels; uit Van Beneden's onderzoekingen is
echter gebleken, dat zij (althans af en toe) ook Visschen vangen. Nadat
zij er een hebben buit gemaakt, keeren zij naar hun oude rustplaats
terug en zitten een oogenblik later weer even vast als vroeger. Wanneer
de Haai, waaraan zij vastgehecht zijn, gevangen wordt, blijven zij
gewoonlijk slechts zoo lang op hun plaats, als deze nog onder water
ligt, laten den Visch los, als deze opgeheschen wordt, en hechten
zich aan het schip.
De meeste reizigers laten zich door het onaanzienlijke voorkomen
der Zuigvisschen weerhouden om deze dieren voor de tafel te laten
toebereiden. Zij die dit vooroordeel trotseerden, noemen den smaak van
dezen Visch volstrekt niet slecht; sommige zeelieden roemen hem zeer.
De kenmerken van de Pietervisschen (Trachinidae), waarvan men ongeveer
100 soorten beschreven heeft, zijn: een mes- of trechtervormig lichaam,
welks voorste gedeelte, dat de lichaamsholte bevat, zeer kort is in
verhouding tot den ontzaglijk grooten staart, een ineengeschoven,
uitpuilenden kop met scheef naar boven gerichten mond en hoog
geplaatste oogen, fluweelachtige tanden aan beide kaken en aan het
gehemelte, twee rugvinnen, waarvan de eerste door de tweede als 't
ware naar voren gedrongen is en soms geheel ontbreekt, de buikvinnen
gewoonlijk vóór de borstvinnen aangehecht, de tweede rugvin en de
aarsvin in verband met de lengte van den staart buitengewoon groot.
Alle leden van deze familie bewonen den bodem der zee, bij voorkeur
vlakke, zandige plaatsen, niet zelden zulke, die bij laag water
tijdelijk droog vallen; hier loeren zij, tot aan den kop onder 't
zand bedolven, op dieren, die zwemmend of kruipend binnen hun bereik
komen. Voor deze wijze van jagen zijn zij door den eigenaardigen stand
van de oogen uitmuntend geschikt. Bij 't verschijnen van den buit,
die misschien aangelokt wordt door de beweging van de vinnen of van
andere aanhangselen, schieten zij plotseling uit hun hinderlaag in
't zand omhoog en op het slachtoffer toe, dat bijna nooit tevergeefs
belaagd wordt. Van de voortplanting dezer Visschen is weinig of niets
bekend. Ondanks hun smakelijk vleesch worden zij door de visschers
gehaat en gevreesd wegens hunne wapens; de stekels van de eerste
rugvin kunnen zulke pijnlijke wonden toebrengen, dat deze organen
sedert overouden tijd als vergiftig worden beschouwd.
De Sterrenkijkers (Uranoscopus) vallen zeer in 't oog door hun grooten,
dikken, wanstaltigen kop en den trechtervormigen, ronden romp. De
kop is even breed als lang, hard en ruw, als 't ware gepantserd, de
mondspleet loodrecht naar boven gericht. De borstvinnen onderscheiden
zich door haar grootte. Aan den schouder staat een dikke, gewoonlijk
gekerfde stekel. Er zijn soorten bekend uit den Atlantischen Oceaan,
de Stille Zuidzee en den Indischen Oceaan benevens een soort uit de
Middellandsche Zee. De laatstgenoemde, die aan het geheele geslacht
den naam gegeven heeft (Uranoscopus scaber), bereikt een lengte van 30
cM., heeft twee rugvinnen en een ringvormig uitsteeksel vóór de tong,
dat als middel tot het lokken van Visschen dient. Op den donkeren,
grijsbruinen grond, fijn wit gestippeld, alsof er meel op is gestrooid,
merkt men aan de zijden een reeks van onregelmatige, witte vlekken op;
de buik is wit, de eerste rugvin donkerzwart, de tweede grijsbruin
gevlekt; de buikvinnen zijn grijsgeel.
Men vangt dezen op modderige gronden verblijfhoudenden Visch gedurende
het geheele jaar; zijn onaangenaam riekend vleesch wordt echter alleen
door arme lieden gegeten.
In de Noordzee wordt de familie vertegenwoordigd door de Pietermannen
(Trachinus). Hun mesvormig lichaam is in verhouding tot de lengte,
zijdelings zeer sterk samengedrukt; de oogen zijn op den kop dicht
bijeengelegen; de kieuwdeksels dragen stekels, die echter minder te
vreezen zijn dan de stralen van de eerste rugvin, waaraan men zich
zoo gevoelig kan kwetsen, dat volgens een indertijd in Frankrijk
geldig voorschrift alleen Pietermannen met afgesneden rugvin op de
markt gebracht mochten worden.
In de Europeesche zeeën leven 4 zeer nauw verwante, maar door
standvastige kenmerken van elkander verschillende soorten, waarvan
2--de Pieterman (Trachinus draco) en de Kleine Pieterman (Trachinus
vipera)--ook in het noorden gevonden worden. Bij den eerstgenoemden
(ook Pietervisch, Groote Pieterman en, evenals de andere soort,
Steekvisch en Stekeltje genoemd) is het lichaam (zonder de staartvin)
6 maal zoo lang als hoog; de buik wordt begrensd door een flauw
buitenwaarts gekromde, de rug door een bijna rechte lijn. Wat
fraaiheid van kleur betreft, kan de Pieterman met vele andere Visschen
wedijveren. Zijn grootendeels roodachtig grijze kleur gaat naar de
rugzijde allengs in bruin, naar den buik in wit over en is overal
met zwartachtige wolkjes gemarmerd; hierbij komen in de oogstreek,
op de slapen, kieuwdeksels en schouders nog gekromde strepen van
hemelsblauwe kleur, op de zijden en den buik geelachtige strepen. Deze
Visch kan ruim 30 cM. lang worden.
De Kleine Pieterman verschilt van den Grooten door den platteren kop
en den meer afgeronden buik; bovendien is de eerste rugvin verder
van de tweede verwijderd. De roodachtig grijze kleur van den rug
gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over; de rug is bruin
gevlekt, de eerste rugvin zwart, de tweede, evenals de staartvin,
zwart gezoomd. Lengte 12 à 15 cM.
De Pieterman, die op vlakke, zandige plaatsen van den Atlantischen
Oceaan, de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee gevonden
wordt, geeft aan diep water de voorkeur boven ondiep; evenals zijn
kleinere verwant, leeft hij op, of liever in den bodem, tot aan de
oogen in het zand bedolven. Tegen Juni komt hij dichter bij het vlakke
strand om kuit te schieten en wordt dan bij eb ook op droog loopende
plaatsen gevonden. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Garnalen,
misschien ook uit kleine Visschen, die hij in zijn onmiddellijke
nabijheid laat komen, voordat hij uit het zand te voorschijn komt. Dit
geschiedt met verrassende snelheid; het blijkt dan, dat deze zoo traag
schijnende Visch zich uitmuntend kan bewegen. Niet minder vlug en
behendig kruipt hij na het vangen van zijn prooi weder onder het zand.
"De Pieterman," schrijft Schlegel, "behoort in ons land onder de
gewone Visschen, die langs onze kust, vooral in het voor- en najaar,
echter ook in de zomermaanden, wanneer de wijfjes met rijpe kuit zijn,
algemeen, ofschoon niet in zeer groot aantal gevangen wordt. Zijn
vleesch is goed, maar wordt niet bijzonder geacht. De Pieterman
wordt door elken visscher en kustbewoner gevreesd, uithoofde der
hoogst smartelijke en ernstige wonden, die hij toebrengt, wanneer men
hem aanraakt. Daar hij een taai leven heeft, zoo blijft hem, zelfs
nadat hij uit het water op het strand gebracht is, nog uren lang de
kracht, om aan de hand, die hem aanraakt, hetzij met den doorn van
het kieuwdeksel, hetzij met dien der harde rugvin, een steek toe
te brengen, die hevige pijnen en dikwijls het stijf worden van het
gewonde deel ten gevolge heeft [3], zooals dit uit vele voorbeelden in
onze kustdorpen blijkt. De oorzaak van de noodlottige gevolgen dezer
steken is moeielijk te begrijpen, vermits voornoemde stekels geheel
glad, niet doorboord zijn, en er ook geen werktuig tot afscheiding van
vergif aanwezig is, hetzij dan dat men aanneme, dat het slijm van den
Visch in de verscheuring, die door de met geweld toegebrachte wonde
ontstaat, zoodanige uitwerkselen teweegbrengt."
"De Kleine Pieterman houdt zich veel op geringen afstand van het
strand op zandbanken op, en wordt bij het visschen langs de kust,
met een door een paard getrokken net, met Garnalen en kleinen visch
aan het strand gebracht. Haar steek wordt evenzeer gevreesd als die
van de groote soort."
In de Oostzee vangt men de Pietermannen van Augustus tot October in
haringnetten, in de Noordzee gedurende het geheele jaar; deze Visch
wordt echter zelden op de markt gebracht, omdat er hier geen loonende
prijzen voor te bedingen zijn.
Tot de leelijkste en wanstaltigste leden van de geheele klasse behooren
de Duivelvisschen (Pediculati). Het belangrijkste kenmerk van deze
familie, die slechts een twaalftal soorten omvat, is gelegen in de
verlengde handbeenderen van de borstvinnen, die een soort van poot
vormen en ook werkelijk tot steun dienen; hierdoor zijn deze Visschen
in staat om op de wijze der Zoogdieren zich over een slijkerigen
bodem kruipend voort te bewegen. Voorzoover zij aanwezig is, bestaat
de voorste rugvin gewoonlijk uit niet door een vinvlies vereenigde
stralen; de buikvinnen zijn keelstandig. Zonderlinge aanhangselen,
dienende tot het lokken van andere Visschen, bevinden zich aan den
meestal kolossaal verbreeden kop; de kieuwdeksels laten voor den
afvoer van het ademhalingswater slechts een kleine spleet of een ronde
opening onder de borstvinnen vrij; de huid is in den regel ongeschubd,
bij enkele geslachten evenwel bezet met beenige knobbels of doornen,
die op een breede basis rusten. De bek is buitengewoon groot.
In de noordelijke zeeën leven slechts weinige soorten van deze
vooral in de tropische gewesten vertegenwoordigde familie. Eigenlijk
heeft men van niet meer dan één soort de levenswijze kunnen nagaan;
wat hiervan aan 't licht gekomen is, leert, dat het leven van deze
Visschen overeenstemt met hun gestalte, d. w. z. even vreemdsoortig
en eigenaardig is als deze.
Bij het geslacht der Zeeduivels (Lophius) is de kop buitengewoon
groot, breed, van boven naar onderen samengedrukt en stekelig, de
bek zeer ver gespleten en met vele spitse, binnenwaarts gebogen
tanden gewapend, die over de tusschen- en onderkaaksbeenderen,
de gehemelte- en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn. De eerste
rugvin bevat slechts drie onderling vereenigde stralen; hierbij
behooren echter ook nog verscheidene verder naar voren geplaatste
draden, ieder door een echt gewricht met haar steunbeen verbonden en
willekeurig beweeglijk. De borstvinnen zijn ver achter de buikvinnen
aangehecht. Het kieuwdekselvlies begrenst een groote, zakvormige
kieuwholte, die van achteren onder den steel der borstvinnen een kleine
opening heeft. Wegens de geringe grootte van de kieuwspleet kunnen deze
dieren geruimen tijd buiten het water verkeeren. Rondelet verhaalt, dat
een Zeeduivel, die, boven water liggend, een jongen Vos gegrepen had
en dezen tot den volgenden dag vasthield, in 't geheel 2 dagen in dezen
toestand bleef leven. De romp begint onmiddellijk achter den kop dunner
te worden en is bij het staarteinde sterk zijdelings samengedrukt.
De Zeeduivel (Lophius piscatorius) draagt allerlei aan zijn
zonderlingen vorm ontleende namen. De Grieken der oudheid noemden
hem Kikvorsch, de Romeinen Zeekikvorsch; bij de Engelschen heet hij
Visschende Kikker, Hengelaar en Wijdmuil; aan de Hollandsche kust
is hij veelal onder den naam van Hozenmond of Hozenbek bekend. De
bovenzijde van den kop is uitgehold en aan weerszijden voorzien van
een lijst, vanwaar, zoowel achter de oogen als bij de neusgaten,
puntige knobbels uitsteken. Op het midden bevinden zich drie lange,
vrije stralen: één aan het achterste deel van den kop, de twee andere
dichter bij elkander en bij den rand van de bovenkaak; de voorste van
deze loopt in een zacht, gevorkt vlies uit. De oogen zijn groot en
hoog geplaatst. De huid is glad en ongeschubd; langs de zijden van
het geheele lichaam en ook langs den rand der onderkaak komen een
menigte op één rij geplaatste, franjeachtige uitsteeksels voor. De
effen bruine kleur van de bovenzijde neemt slechts op de vinnen
een eenigszins donkerder tint aan; de onderzijde, met inbegrip
van de buikvinnen en de benedenvlakte van de borstvinnen, is wit,
de staartvin donkerbruin, bijna zwart. Dit dier kan bijna 2 M. lang
worden; zulke groote exemplaren zijn echter zelden gevangen.
De Zeeduivel komt in alle Europeesche zeeën voor, bijzonder veelvuldig
echter in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan; ook aan
de kusten van Groot-Brittannië is hij niet zeldzaam; aan onze kust
worden ieder jaar, vooral in het voorjaar, enkele exemplaren van
deze soort in de Buitenlek [4] gevangen. Bovendien heeft men dezen
Visch aan de Kaap de Goede Hoop en aan de westkust van Noord-Amerika
waargenomen. Hij ligt op den slijkerigen bodem der zee, heeft zich
hier met behulp van de borstvinnen onder den grond gewoeld en loert
te midden van het troebele water op buit. Zoodra deze zich vertoont,
beweegt hij de vrije stralen van den bovenkop met hunne aanhangselen
in verschillende richtingen, lokt hiermede het slachtoffer naderbij,
grijpt het na een vluggen sprong en begraaft het in zijn wijden muil,
onverschillig tot welke soort het behoort en hoe groot het is. Zelfs
wanneer hij zich reeds in het net bevindt, toont deze veelvraat
zijn onverzadelijken honger, door een aantal van zijne lotgenooten,
vooral Bot, te verzwelgen. Hoewel de visschers hem overigens gaarne
het leven schenken, omdat zijn vleesch niet bruikbaar is en hij als
een verdelger van den Hondshaai wordt beschouwd,--na zulk een roof
vindt hij geen genade; men snijdt hem open en haalt hem de Visschen
uit de maag. In de kuststreken van de Middellandsche Zee wordt deze
Visch soms door arme lieden gegeten.
Hoewel de Zeeduivel vele eieren legt en deze met een hard hulsel
voorzien zijn, vermenigvuldigt hij zich niet sterk, daar andere
Visschen zijne tot klompen vereenigde eieren verslinden. Volgens
Spencer F. Baird vindt men zijn kuit dikwijls als een slijmerige massa,
die een oppervlakte van 6 à 10 M2 bedekt, aan den waterspiegel.
De Vleermuisvisschen (Malthe) verschillen van de Zeeduivels vooral
door hunne ver vooruitstekende, als 't ware een slurf vormende
neusbeenderen, waartusschen in een holte een terugtrekbare tastdraad
ligt, voorts door het ontbreken van de eerste rugvin, door de harde,
met knobbels bedekte huid en de meer bovenwaartsche plaatsing van de
kleine, ronde kieuwopening.
Bij de Zeevleermuis (Malthe vespertilio) is de mondspleet betrekkelijk
klein, de steel van de borstvinnen echter langer dan bij de Zeeduivels;
boven ieder neusgat bevindt zich een hoornachtig knobbeltje. De
bovenzijde is fraai lichtgrijsbruin, de onderzijde helderrood. Men
vindt dezen 25 à 50 cM. langen Visch tusschen de keerkringen, bij de
Atlantische kusten van Amerika, vooral op slijkbanken bij riviermonden,
waar hij, met behulp van de parige vinnen over den modder en de wieren
kruipend, zijn prooi vervolgt.
De Scorpioenvisschen (Cottidae) hebben, evenals de leden der volgende
familie, groote onderoogkasbeenderen, die zich achterwaarts met het
voordekselbeen vereenigen en de wangen met een schild bedekken. De
buikvinnen zijn aan of vóór de borst geplaatst. Het stekelige deel van
de rugvin is minder ontwikkeld dan het geleedstralige; de betrekkelijk
groote aarsvin wordt uitsluitend door gelede stralen gesteund. De
huid is naakt of met uiterst kleine schubben bekleed.
Een van boven naar onderen samengedrukte, breede kop, een gedrongen
romp, een naakte of zeer weinig geschubde huid, rugvinnen, die door een
geringe tusschenruimte gescheiden zijn en borststandige buikvinnen,
benevens fluweelachtige tanden aan de kaken en het ploegschaarbeen
kenmerken het geslacht der Donderpadden (Cottus).
In onze binnenwateren wordt het vertegenwoordigd door de 12 à 14
cM. lange Rivierdonderpad (Cottus gobio), die tamelijk algemeen is
op plaatsen, waar helder water snel over steenachtigen zandgrond
stroomt. Zij is grijsachtig van kleur met bruine stippels en
wolkjes, die niet zelden tot dwarsbanden ineenvloeien en soms ook
nog op de witachtige buikzijde zichtbaar zijn. De vinnen zijn, met
uitzondering van de meestal ongevlekte buikvinnen, op de stralen
bruin gestreept. Afwijkingen van deze kleur komen echter veel voor;
zij staan in verband met de landstreek, den bodem van het water en
den gemoedstoestand van den Visch. Als wapens heeft hij aan den hoek
van het voorkieuwdeksel een kleinen, opwaarts gekromden en aan het
onderdeksel een nog kleineren, neerwaarts gekromden doorn.
De Rivierdonderpad bewoont alle zoete wateren van Middel- en
Noord-Europa en komt, behalve in enkele beken, bijna overal talrijk
voor; in bergstreken vindt men haar tot op een hoogte van meer dan 1000
M. zelfs nog in meren, die bijna 2000 M. boven de oppervlakte der zee
gelegen zijn, b.v. in het Lunermeer in Tirol, dat uitsluitend door deze
Vischsoort bewoond wordt. In zuidelijker en zuidoostelijker gewesten
wordt zij door verwante soorten en variëteiten vervangen. Zooals reeds
gezegd is, geeft zij de voorkeur aan helder water en een met steenen
bedekten zandgrond, daar zij zich gaarne onder steenen ophoudt; ter
wille van de hier voorkomende steenen bewoont zij zelfs zeer kleine,
weinig water bevattende beekjes. Hare bewegingen zijn buitengewoon
vlug. In vraatzucht doet zij voor geen enkelen anderen Visch onder,
want, ofschoon zij zich bij voorkeur met Insecten, vooral met larven
van Waterjuffers voedt, verschoont zij geen Visch, dien zij meent te
kunnen bemachtigen, zelfs haar eigen kroost niet. De forellenkweekers
haten haar zeer, daar zij als een zeer schadelijken vijand van de
kuit dezer Visschen wordt beschouwd.
Haar voortplanting verschilt van die der meeste andere Visschen,
doordat het mannetje voor zijn kroost zorgt. Reeds Linnaeus bericht,
dat de Rivierdonderpad een nest bouwt en eerder zijn leven waagt dan
de eieren in dit nest aan gevaren blootgesteld te laten. In Maart of
April schiet het wijfje kuit onder steenen of in een bepaaldelijk
voor dit doel uitgekozen gat; van nu af houdt het mannetje bij de
eieren de wacht. Van ervaren visschers aan den Traun vernamen Heckel
en Kner hierover het volgende: "In den voortplantingstijd kruipt het
mannetje in een gat tusschen de steenen en verdedigt dezen schuilhoek
hardnekkig tegen ieder, die er bezit van wil nemen; soms geeft dit
aanleiding tot een langdurigen strijd, waarbij niet zelden een van
de strijders het leven verliest. Gedurende den kamptijd worden,
naar men zegt, dikwijls Donderpadden gevangen, die den kop van hun
tegenpartij in den bek houden, zonder hem te kunnen verzwelgen. Jegens
het wijfje is het mannetje zeer voorkomend; zij wordt zonder eenig
bezwaar in het hol toegelaten, laat hierin haar kuit achter en gaat
daarna haars weegs. Van nu af neemt het mannetje de plaats van de
moeder in, beschermt 4 of 5 weken achtereen de eieren en verwijdert
zich van de broedplaats alleen om het noodige voedsel te zoeken. Even
bewonderenswaardig als zijn volharding, is zijn moed. Hij bijt in
het takje of den stok, waarmede men hem wil verjagen, wijkt alleen
in den uitersten nood en blijft letterlijk tot den dood aan zijn
plicht getrouw."
Deze vischjes dienen in vele landen als aas bij het vangen van Alen,
die op dit voedsel zeer verzot zijn. Hun vleesch is smakelijk; bij
het koken verkrijgt het een roodachtige kleur. Toch worden zij voor
dit doel niet veel gevangen wegens hun kleinheid en slechts daar,
waar zij in menigte voorkomen, door arme lieden gegeten.
De Zeedonderpad, door de visschers eenvoudig Donderpadde genoemd
(Cottus scorpius), is een leelijke Visch van 15 à 25 cM. lengte; haar
kleur is roodachtig bruin met donkerder vlekken en wordt naar onderen
lichter. Veelvuldig ontmoet men haar in den Atlantischen Oceaan en de
Noordelijke IJszee met alle hiermede in gemeenschap staande zeeën,
van de Golf van Biscaye tot aan Lapland, in de Oostzee bijna even
overvloedig als in de Noordzee. Aan onze kust behoort zij onder de
gewone soorten. Wanneer men haar aanraakt, maakt zij een knorrend
geluid. Men vangt haar nooit in groote hoeveelheid. Daar zij niet
gegeten wordt, is zij voor de visscherij van geen belang.
Deze Donderpad houdt bij voorkeur verblijf op steenachtigen grond,
dikwijls op aanzienlijke diepte, doch ook niet zelden op geringen
afstand van den waterspiegel; loerend op buit, ligt zij onbeweeglijk op
een steen, soms er onder, doch met den rug er tegen aan gedrukt. Ieder
voor prooi geschikt dier, dat haar schuilplaats nadert, lokt haar
naar buiten; vlug bewegen zich de kolossale vinnen, die haar evenwel
geen bijzonder groote snelheid verschaffen; toch wordt het slachtoffer
behendig gegrepen en, al is het bijna even groot als zijn roover, in
diens buitengewoon grooten muil geborgen. De Donderpad is verbazend
vraatzuchtig, verzwelgt letterlijk al wat eetbaar is, behalve
Visschen, Kreeften en Krabben, Wormen, enz., ook allerlei afval
van de schepen. De meeste Donderpadden schieten kuit in de warmste
maanden van 't jaar; sommige doen dit eerst laat in den herfst en
zelfs nog in November. De groote scholen, die in den rijtijd alle
voor 't eierenleggen geschikte kustwateren bevolken, keeren later
naar diepere zeebodems terug.
Op dezelfde plaatsen als de vorige soort vindt men soms ook de
Vierstekelige Zeedonderpad (Cottus bubalis). Van den Ende zag er een,
die waarschijnlijk uit de Zuiderzee afkomstig was, op de vischmarkt
te Zutphen. Zij heeft aan het voordeksel 4 doornen (in plaats van 2).
De Zeehanen (Trigla), die in een tweede geslacht vereenigd worden,
zijn kleine, hoogstens middelmatig groote, forsch gebouwde Visschen
met betrekkelijk zeer grooten, bijna vierzijdigen, in een oneffen
pantser gehulden kop, twee gescheiden rugvinnen, drie vrije, gelede
stralen vóór de groote borstvinnen, fluweelachtige tanden aan de
kaken en aan het ploegschaarbeen. Van dit over alle warme en gematigde
zeeën verbreide geslacht zijn ongeveer 40 soorten bekend. Sinds lang
hebben zij de aandacht getrokken door het zonderlinge, knorrende
geluid, dat men van hen hoort, zoodra zij boven water zijn gebracht,
en dat door het tegen elkander wrijven van de kieuwdekselbeenderen
veroorzaakt wordt. Naar men zegt, verspreiden enkele soorten een
phosphoresceerend licht.
In de Noordzee leeft de Groote Poon, die ook wel Groote Zeehaan,
Knorhaan, Spoon, Roode Poon, Laurenskop en Hofdiender heet; door
onze visschers en op de vischmarkten wordt hij bijna altijd Rozet of
Rozette genoemd (Trigla hirundo). Hij bereikt een lengte van 50 à 60
cM. en is dus de grootste Europeesche soort van zijn geslacht. De
rug is roodachtig grijs of bruinachtig, de buik licht rozerood of
witachtig; het bovenste gedeelte van de eerste rugvin en de staartvin
zijn rood, de buikvinnen en de aarsvinnen wit; de borstvinnen zijn aan
de onderzijde zwartblauw met blauwe randen; haar vinvlies is ook aan
de buitenzijde zwartblauw; de blauwe tinten zijn echter bij sommige
exemplaren flauw en onduidelijk.
Nauw verwant aan de vorige soort, doch niet meer dan ongeveer half zoo
groot, is de Kleine Poon, Kleine Zeehaan, Knorhaan, Spoon of Grauwe
Zeehaan (Trigla gurnardus); hij heeft aan de bovenzijde op bruinachtig
grijzen grond witte stippels, is op de wangen als met sterretjes
geteekend, aan de onderzijde zilverwit, heeft de zijdestreep bezet
met breede schubben, welker scherpe spitsen gezamenlijk op de tanden
van een zaag gelijken, en een in twee lappen verdeelde zwemblaas. Bij
den Grooten Poon zijn de schubben van de zijdestreep smal en is de
zwemblaas drielappig. De schubben van de overige lichaamsdeelen zijn
bij alle Poonen uiterst klein.
Beide Poonen bewonen de Middellandsche Zee, den Atlantischen Oceaan,
de Noordzee en de Oostzee. In het Kanaal en langs de kusten van
Engeland, België en Nederland ontmoet men ze veel, niet zelden ook
bij Helgoland, de kusten van Oost-Friesland, Oldenburg en Holstein,
ook aan die van Denemarken en Noorwegen tot de Lofoden, zeldzamer
op zandige gedeelten van de kust der zuidelijke Oostzee. "De Groote
Poon wordt langs onze kust op de banken, zoowel in de Binnen- als
Buitenlek in menigte gevischt; de jongen worden zelfs dicht langs
het strand met de saaien gevangen. In Mei en Juni zijn de wijfjes met
rijpe kuit. Het vleesch wordt in onze steden niet buitengewoon geacht;
men eet het gekookt. De visschers en de bewoners der zeedorpen eten
het ook veel gerookt en houden de kuit en de lever voor even smakelijk
als het vleesch." "De Kleine Poon wordt aan onze kust menigvuldig in
de Binnenlek gevangen. Als voedsel wordt hij minder geschat dan de
Groote Poon" (Schlegel). Beide Poonen leven bij voorkeur in de diepte,
liefst op zandgrond; hun gewone buit bestaat uit Schaaldieren; zij eten
echter ook Mossels en andere Weekdieren en maken bovendien op Kwallen
jacht. Op zeer sierlijke, maar niet bijzonder snelle wijze zwemmend,
worden de groote borstvinnen, als vleugels, afwisselend ontplooid en
samengevouwen. Bij hunne nachtelijke omzwervingen op ondiepe plaatsen
stralen zij, naar men zegt, licht uit "als fonkelende sterren", zoodat
er lichtstrepen ontstaan, die zich ver door het water uitstrekken, nu
eens langs de oppervlakte dan weer in benedenwaartsche richting. Veel
opmerkelijker en ongewoner dan hun zwemkunst is echter hun kruipen
over den grond. Hiervoor dienen de vrije stralen vóór de borstvinnen;
men kan ze, wat verrichting betreft, geheel als pooten beschouwen;
ze zijn werkelijk voor 't loopen geschikt.
Jonge Zeehanen van 8 à 10 cM. lengte, die reeds in alle opzichten op
de oude gelijken, zijn in November te vinden.
In de Noordzee vangt men de meeste Poonen vroeg in het voorjaar en in
het begin van den zomer hetzij in de schrobnetten op de Buitenlek, of
dichter bij de kust in de saaien (een soort van schrobnetten met zeer
kleine mazen, welke vooral voor de garnalenvangst dienen en die door
paarden langs het strand getrokken of door een boot, die zeil voert
en iets dieper in zee vischt, gesleept worden). In Italië worden de
Poonen meestal met den hengel gevischt, doch soms ook, terwijl zij
in de bovenste waterlaag rondzwemmen, met het geweer geschoten. Deze
hoogst zonderlinge jacht heeft plaats bij stil weder; de Poonen
steken dan telkens den kop boven water, maken een knorrend geluid,
dat, naar men zegt, tot op grooten afstand gehoord wordt, en laten
zich vervolgens weer tot een diepte van 1/2 M. zakken. Hierdoor is
men in de gelegenheid om met weinig moeite in korten tijd een groot
aantal van deze Visschen te schieten.
Bij de Pantservisschen of Schildwangigen (Cataphracti) is het
geheele lichaam gepantserd, niet alleen de kop, gelijk bij de vorige
familie. Overlangsche reeksen van beenplaten, die meestal van een
uitstekende lijst of kiel voorzien zijn, strekken zich van den kop tot
de staart uit; soms sluiten de randen der platen zoo volkomen aaneen,
dat de romp er geheel mede bedekt is.
In de noordelijke zeeën van den gematigden en in den kouden aardgordel
ontmoet men het 10 soorten omvattende geslacht der Harnasmannen
(Aspidophorus), welker langwerpig lichaam met overlangsche reeksen
van groote, beenige schilden gepantserd en hierdoor veelkantig is. Het
heeft de grootste hoogte en breedte aan den kop; deze is van boven met
verscheidene spitse uitsteeksels voorzien, van onderen afgeplat, aan
den snuit met bovenwaarts gebogen doornen gewapend. Er zijn tandjes
aan de kaken, maar niet aan het gehemelte.
Aan de kusten van Engeland, van de Noordzee en de Oostzee, van IJsland
en Groenland ontmoet men veelvuldig het 15 cM. lange Harnasmannetje
(Aspidophorus cataphractus), langs onze kusten het best bekend als Oude
Grootje of Oudewijfskaak, soms ook Geharnaste Zeedonderpad genoemd. Het
voedt zich met kleine Schaaldieren. Vooral in het voorjaar en in den
zomer wordt deze Visch in de Binnenlek met den Kleinen Pieterman en
andere kleine waterdieren gevangen, doch meestal weer in zee geworpen;
het is de moeite niet waard ze te eten, daar er te weinig voedsel aan
zit. De huidbeenderen, die op 8 rijen zijn geplaatst, hebben in 't
midden een hoogen kiel, waardoor het lichaam achtkantig schijnt. Alle
vinstralen zijn onvertakt. De bovendeelen zijn bruin met vier breede,
donkerbruine, overlangsche strepen, de beide lichtbruine rugvinnen
zijn donkerbruin gevlekt, de groote borstvinnen bruin gestreept; de
onderdeelen zijn deels lichtbruin, deels witachtig. Het kuitschieten
heeft plaats in Mei en Juni.
De Pantservisschen i. e. z. (Peristethus) kenmerken zich, behalve
door hun volledig pantser, door de sterke verlenging van de
vooroogkasbeenderen, die aan weerszijden van den kop een recht naar
voren gericht uitsteeksel vormen, zoodat de kop als 't ware in een
tweetandigen "vork" uitloopt; aan de onderkaak komen baarddraden voor;
de bek is tandeloos.
Een vertegenwoordiger van dit geslacht wordt in Marseille en Genua
Malarmat genoemd (Peristethus cataphractum); ondanks dezen naam mag
men hem wel den best gepantserden van alle Visschen der Europeesche
zeeën noemen. Het lichaam is langwerpig, op de dwarse doorsnede bijna
regelmatig achthoekig. De bovenkaak steekt over de onderkaak uit;
onder dit vorkvormig uitsteeksel is de halfcirkelvormige mondopening
gelegen; van de onderkaak hangen verscheidene baarddraden naar beneden;
één van deze is als 't ware een stam, waaruit takken voortkomen. De
pantserplaten zijn op 8 reeksen geplaatst, die zich tot 8 kamvormige
kielen verheffen. De prachtig roode kleur van den rug gaat op de zijden
in goudgeel, op den buik in zilverwit over; de borstvinnen zijn rood,
de rugvinnen bruinachtig violet, de aars- en buikvinnen wit. Lengte
ongeveer 30 cM.
In sommige gedeelten van de Middellandsche Zee is de Malarmat niet
zeldzaam; geregeld komt hij voor aan de kusten van Provence en van
Zuid-Italië; ook ontmoet men hem in de Adriatische Zee en langs
de Atlantische kusten van Zuid-Europa; soms dwaalt hij noordwaarts
af en bezoekt zelfs Engeland. Deze vreemdsoortige Visch houdt zich
steeds in de diepte op en nadert de kust alleen om kuit te schieten,
hetwelk in 't begin van de lente geschiedt. Men ziet hem niet als zijne
verwanten bij scholen, maar steeds eenzaam zwemmen; zijn snelheid
is soms zoo groot, dat hij, op een rots stootend, den vorkvormigen
snuit breekt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit naakte Weekdieren
en Kwallen.
Gedurende het geheele jaar vangt men dezen pantservisch aan de
Spaansche en Provençaalsche kust, waar zijn uitmuntend vleesch zeer
op prijs gesteld wordt. Daar het pantser aan ieder keukenmes weerstand
biedt, moeten de ingewanden door de mondopening verwijderd worden. In
kokend water of door verhitting in een pan geraken de schubben los.
De Vliegende Zeehanen (Dactylopterus) worden gewoonlijk Vliegende
Visschen genoemd, evenals eenige leden van de familie der
Makreelsnoekvisschen. Zij kenmerken zich door de merkwaardige sterke
ontwikkeling der borstvinnen, welker stralen weinig korter zijn dan het
lichaam. De vrije stralen, die men bij de leden van het vorige geslacht
en van de vorige familie vóór de eigenlijke borstvinnen opmerkt,
zijn hier door een afzonderlijk vinvlies vereenigd en vormen als 't
ware een kleinen waaier vóór den grooten, waarmede het dier eenigen
tijd in de lucht kan blijven zweven. Beide rugvinnen zijn klein; vóór
de eerste staan eenige niet door een vinvlies vereenigde stekels. Het
kieuwdeksel is ongedoornd; zoowel het schouderblad als het voordeksel
is met een langen, achterwaarts gerichten doorn gewapend. Het gehemelte
is tandeloos, de kaken zijn met kleine, knobbelige tandjes voorzien.
De meest bekende soort, de Gewone Vliegende Zeehaan (Dactylopterus
volitans), bewoont de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan,
zoowel in de gematigde als in de tropische zone. De rug is fraai
lichtbruin, donker gemarmerd en gevlekt; de zijden van den kop zijn
lichtrood met zilverkleurigen weerschijn, de onderdeelen rozerood;
de groote borstvinnen hebben op donkeren grond blauwe vlekken, strepen
en banden, de rugvinnen op grijzen grond bruine, wolkachtige vlekken,
de staartvin is roodbruin en met reeksen van vlekken geteekend. Bij
zeer groote exemplaren van 50 cM. lengte bedraagt de afstand tusschen
de spitsen der zijwaarts gerichte borstvinnen 60 cM.
Deze Visschen voeden zich met kleine Schaaldieren en Weekdieren.
Andere soorten van 't zelfde geslacht komen voor in den Indischen
Oceaan, van Mauritius tot de Soenda-eilanden, en in de Stille Zuidzee,
langs de kusten van China en Japan.
Gedurende een reis over de Middellandsche Zee ziet men soms een
talrijken zwerm van Vliegende Zeehanen plotseling tot een hoogte
van 4 of 5 M. boven het water opstijgen, met eigenaardige, gonzende
slagen van de groote borstvinnen zeer snel door de lucht schieten
en na het afleggen van een 100 à 120 M. langen weg weer in de zee
verdwijnen. Niet zelden herhaalt zich dit schouwspel verscheidene
malen achtereen; terwijl de eene zwerm nog zwevende is, begint reeds
een tweede op dezelfde wijze de lucht te doorklieven en deze is nog
niet in 't water teruggekeerd, wanneer een derde en een vierde zwerm
het water verlaten. Als dit omhoogstijgen in een bepaalde richting
geschiedt mag men het er voor houden, dat de Vliegende Zeehanen door
roofvisschen vervolgd worden en vliegend, of liever springend, boven de
golven aan hunne vijanden trachten te ontkomen. Dikwijls echter ziet
men ze nu eens op de eene, dan weer op een andere plaats verschijnen,
volstrekt geen bepaalden koers volgen, maar in allerlei elkander
kruisende richtingen vliegen; waarschijnlijk komen zij dan spelend,
als 't ware uit dartelheid, boven water, evenals andere Visschen
ook wel eens doen. In de nabijheid van de kusten trekken dergelijke
zwermen zeer spoedig de aandacht van de Meeuwen en Stormvogels, die
er op af komen en nu ook van hun kant jacht beginnen te maken op de
buiten hun element verkeerende waterbewoners. Dit verhoogt zeer de
belangwekkendheid van het schouwspel, daar de Vogels wegens de snelle
beweging der Visschen al hunne krachten moeten inspannen om er een van
te bemachtigen. De menschen houden zich weinig of niet met de vangst
van Vliegende Zeehanen bezig, daar hun mager en hard vleesch de moeite
niet loont en de Middellandsche Zee rijk genoeg is aan betere Visschen.