ART. I.

"Dat de Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt de voorsz. Colonie van

Suriname met haer Geschut, Amunitie van Oorlogh, ende wat des meer

zy, mitsgaders alle vordere appendentiën ende dependentiën van

dien, en in dier voegen, als de gemelte haer Edele Mog. de selve

Colonie althans besitten, sullen overleveren aen de gemelte generale

geoctroijeerde West-Indische Compagnie; met dien verstande, dat alle

lasten ende voordeelen ofte profijten van de voorsz. Colonie, sullen

komen ende begonnen hebben te lopen voor reeckeninge van de geseyde

Compagnie, op den dagh dat het octroy sal werden gearresteert, ende

dat alle voorgaende lasten en gemaeckte schulden, hetzy soldije van

de Militie, Gagiën ende Tractementen, ofte andere, uyt wat hoofde

die soude mogen voorkomen, ende van wat natuyre die soude mogen zijn

geen uytgesondert, ter verantwoordinge in lasten sullen blijven van

de gemelte haer Ed. Mog., sonder dat oyt of oyt de voorsz. Compagnie

ter sake van dien aengesproken en gemolesteert, ofte by eenigh rechter

als schuldig sal mogen werden aengesien, en veel min geoordeelt.

Geschiedenis van Suriname · 第 51 / 86 题