Door gunstige beschikking van den Minister van Koloniën is mij
inzage verleend in de officieele bescheiden, door den heer Baron
van Heeckeren op 's Rijks-Archief gedeponeerd, welke betrekking
hebben op den tijd (1831-1838), dat hoogstdeszelfs vader, de heer
E. L. baron van Heeckeren, Gouverneur-Generaal der Nederlandsche
West-Indische bezittingen was. Toen ik deze gunstige beschikking
ontving, was de geschiedenis bijna, het tijdvak van van Heeckeren
reeds geheel afgedrukt. Kon ik dus de resultaten van het onderzoek
dier belangrijke bescheiden niet ter plaatse, waar zij eigenaardig
behooren, mededeelen, in een naschrift willen wij echter het
voornaamste daaromtrent aanstippen.
Uit die belangrijke bescheiden onder anderen blijkt, dat het onwaar is,
hetgeen soms wel eens door de partij der reactie beweerd en als bewijs
van de goede behandeling der slaven is aangevoerd, namelijk, dat de
afschaffing der slavernij in de Britsch West-Indische bezittingen door
de slaven in Suriname bijna met onverschilligheid werd vernomen, en dat
er van geen onrust onder de slaven sprake was. Integendeel leest men
gestadig van oproerige gezindheid der slaven, in het nabij Britsch
Guyana gelegen district Nickerie. Reeds in 1831, toen de kwestie
der emancipatie in Engeland ter sprake kwam, was het gerucht daarvan
in de Nickerie ter oore der slaven gekomen, en, volgens berigt van
den Landdrost Tyndall aan van Heeckeren, heerschte er in het geheele
district dien ten gevolge een oproerige geest onder de slaven en sprak
men van eene zamenspanning tot opstand op nieuwjaarsdag [1377]. De
President van het Gemeente bestuur, de Baljuw enz. werden daarop
naar de Nickerie gezonden, met last om de gesteldheid der zaken te
onderzoeken en verder naar bevind te handelen. Zij begaven zich naar
het bedoelde district en--als naar gewoonte--werden de belhamels met
gestrengheid gecorrigeerd [1378].
Desniettegenstaande bleef er een onrustige geest onder de slaven
heerschen ten gevolge van verspreide geruchten omtrent de meerdere
vrijheid, die de slaven in Berbice genoten. Vele slaven liepen weg
en daar de Britsche autoriteiten hen niet dwongen naar hunne meesters
terug te keeren, zocht de koloniale regering dit op allerlei wijze te
beletten. De kustvaart der Engelschen werd verboden en als represaille
zouden de van Britsche koloniën ontvlugte slaven mede niet terug
gegeven worden [1379].
De Amsterdamsche kooplieden, belanghebbenden bij de Surinaamsche
plantaadjes, vreesden zeer voor de gevolgen der Britsche Emancipatie;
zij wendden zich per rekwest tot Z. M., met verzoek, om het garnizoen
met 2000 man te versterken, ten einde in staat te zijn een mogelijken
opstand der slaven te bedwingen. Het garnizoen werd daarop met 200
man versterkt [1380].
Toen de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana tot stand was
gekomen, werd de communicatie tusschen het Nickerie-district en de
Berbice strengelijk verboden [1381]. Daar de gewone maatregelen niet
genoegzaam waren, werd een vaartuig op de Corentijn gestationneerd,
om de ontvlugting der slaven te beletten [1382]; terwijl de heer
G. de Veer naar Demerary werd gezonden, ten einde van het Britsche
Gouvernement de uitlevering van de gevlugte slaven te vragen [1383].
In 1837 had mede op nieuw een opstand der slaven in de Nickerie plaats;
na hunne veroordeeling door het geregtshof te Paramaribo werden zij,
onder geleide van 30 à 40 man militairen, naar de Nickerie terug
gezonden, om daar hunne straf te ondergaan [1384].
Telkens vindt men ook gewag gemaakt van ontvlugting van slaven uit de
andere gedeelten der kolonie, terwijl vele boschtogten ter verstoring
der wegloopers plaats vonden.
Hetgeen zoo dikwerf door de slavenmannen beweerd is en nog beweerd
wordt omtrent het geluk der slaven, wordt op nieuw door deze feiten
wedersproken en wij zeggen het den graaf de Gasparin na, waar hij zegt:
»Eene instelling, die het kwade toelaat, het in groote mate in 't
leven roept, zeggende: dat de mensch een ding is, die instelling teelt
noodzakelijk meer misdaden, meer misbruiken, meer verkrachtigingen,
meer laagheden, dan de verbeelding der romanschrijvers ooit zal kunnen
te voorschijn roepen. Wanneer een geheele stand het regt niet heeft,
noch om zich te beklagen, noch om zich te verdedigen, noch in regten
te getuigen; wanneer zijne stem zich niet kan doen hooren op eenige
wijze hoegenaamd, dan is het veroorloofd de bekoorlijke tafereelen
te verwerpen, die ons van zijn geluk worden opgehangen.
Men zou geheel onbekend moeten zijn met het menschelijk hart en
met de geschiedenis, om den minsten twijfel hieromtrent te kunnen
blijven koesteren.
Daarbij komt, dat zij, die, gelijk ik, eigenhandig de regterlijke
stukken onzer koloniale slavernij hebben doorzocht, vreeselijk
wantrouwend zijn geworden en gevaar loopen met een ongeloovig oog
de beschrijvingen te beschouwen dier arkadische toestanden, welker
waarde wij hebben kunnen toetsen!" [1385]
De gewone middelen ter correctie der slaven--en deze waren toch nog
al krachtig--schijnen sommige meesters nog niet genoegzaam te zijn
geweest tot bedwang der slaven, waarom meermalen door meesters
aan het Gouvernement verlof werd gevraagd, om slaven, die zich
slecht gedroegen, op 's lands fortificatiën te doen arbeiden, onder
strenge discipline en zonder dat de meester huur hiervan behoefde
te trekken. Dat verzoek werd meestal toegestaan, mits de eigenaar de
onkosten der boeijen betaalde [1386]. Ook werd vermeerdering van het
getal policie-dienaren noodzakelijk geacht en hun getal werkelijk
met zes vermeerderd, ten einde meermalen ontdekte verbindtenissen
tusschen slaven van Paramaribo en wegloopers, die in den omtrek
huisden, tegen te gaan [1387].
Van de vergunning om slavenmagten bijeen te trekken (zie
bladz. 665) werd ruimschoots gebruik gemaakt en gedurig leest
men van overschrijvingen van slaven op de privé namen der
eigenaren. Verscheidene malen werd toestemming verleend tot het
afzonderlijk verkoopen der kinderen van hunne moeders, waartoe dan
echter de moeder toestemming moest verleenen. Of deze toestemming
altijd vrijwillig en zonder dwang van buiten werd gegeven, laten wij
in het midden.
Op bladzijde 656 gewaagden wij als in het voorbijgaan, op grond
van door ons ingewonnen inlichtingen, dat: de zoogenaamde vrije
gouvernements-arbeiders, menschen van prijs gemaakte slavenschepen
genomen, en door het Gouvernement in dienst gesteld--niet veel
beter dan slaven werden behandeld; in officieele bescheiden wordt
deze bewering bevestigd; de Britsche gezant leverde klagten bij onze
regering in, dat de zoogenaamde vrije arbeiders als slaven behandeld
werden en onder eene zeer strenge tucht stonden. De Gouverneur werd
door den Minister opgedragen hieromtrent rapport te doen [1388]. Dit
rapport hebben wij niet gevonden, doch uit verscheidene omstandigheden
blijkt, dat de tucht over de zoogenaamde vrije arbeiders uiterst
gestreng was.
De tegenwoordigheid van den Engelschen commissaris van het gemengd
geregtshof tot wering van den slavenhandel was velen een doorn in
het oog--(men zie o. a. het later gebeurde daaromtrent (bladz. 691)
onder het bestuur van Elias.) Die Engelsche heeren werden door de
slaven in zekeren zin als hunne beschermers aangezien, ofschoon zij
omtrent hen niets te gebieden hadden. Het geval waarop Halberstadt,
in zijn op bladzijde 678 aangehaalde werkje, doelt, betreffende
willekeurige handelwijze van het koloniaal Gouvernement omtrent
zekeren Engelschen grondeigenaar, den bij ons bekenden John Bent,
staat ook hiermede eenigermate in betrekking.
John Bent had in September 1833 aan J. H. Lance, den Engelschen regter
in het gemengd geregtshof ter wering van den slavenhandel, in die
kwaliteit een brief geschreven, waarin hij als aanklager optrad tegen
zekeren Nicholson (een Engelschman), wonende in het district Nickerie:
»dat die het er op toeleidde, om zekere slaven uit de naburige Britsche
kolonie Berbice met geweld te vervoeren, en dat Nicholson getracht
zou hebben den bevelhebber van zekere op de kolonie varende schoener
Carolina J. Green daartoe te verleiden. Lance, die de kolonie eerlang
stond te verlaten, had dien brief medegedeeld aan de betrokkene partij
en aan zijnen opvolger Dalrymph, terwijl hij--daar deze zaak buiten
zijne competentie was--de beslissing aan den Gouverneur overliet,
vertrouwende, dat deze betamende maatregelen zou nemen.
Van Heeckeren was over deze handelwijze van Bent zeer gebelgd; hij zag
hierin eene bedoeling, om, door het kenbaar maken van deze zaak aan
het Engelsch gouvernement, in de kolonie eene Engelsche jurisdictie,
immers eene Engelsche surveillance te vestigen over inwoners en burgers
der kolonie, en botsingen tusschen beide gouvernementen mogelijk te
maken. Uit het ingesteld onderzoek bleek niets misdadigs van Nicholson,
en daar Bent--zoo vermeende van Heeckeren--met vilipendentie van
Nederlandsche autoriteiten zijne medeburgers bij een vreemden regter,
tot geheel andere einden tegenwoordig, had aangeklaagd, zou men,
krachtens artikel 67 van het reglement, wel vrijheid hebben gevonden
om Bent uit de kolonie te verbannen. De Gouverneur vergenoegde zich
evenwel slechts met:
a. Bent het Burgerregt te ontnemen: zijn naam zou in het
Burger-register worden doorgehaald;
b. den Procureur-Generaal te gelasten op Bent een wakend oog te
houden; en
c. Bent te bedreigen, dat, wanneer hij verder aanleiding daartoe gaf,
hij de kolonie zou moeten ontruimen [1389].
De Nederlandsche regering berustte in de handelwijze van van Heeckeren
ten opzigte van Bent, »ofschoon men er anders wel aanmerkingen op zou
kunnen maken, doch men vertrouwde, dat de Gouverneur het beste weten
zou wat met de eer en de waardigheid van het koloniaal Gouvernement
overeenkwam." [1390]
In Januarij 1836 werd Bent weder in zijn burgerregt hersteld [1391],
en later schijnt de verhouding tusschen hem en den Gouverneur beter
te zijn geworden, daar Bent bij de zending van de Veer naar Demerary
(zie bladz. 814) in den arm werd genomen, ten einde die zending,
zoo mogelijk, te doen gelukken [1392].
Op voordragt van G. N. G. Vlier, omtrent een plan tot proefneming
van kolonisatie met de vrije bevolking van Paramaribo, ten einde hen
tot den landbouw op te leiden, werd in 1833 eene commissie gevormd
[1393]. Het plan was om 20 huisgezinnen op Voorzorg te plaatsen;
ieder huisgezin zou f 600 voorschot ontvangen, terwijl zij voor hunnen
arbeid geen slaven mogten bezigen. De commissie besloot provisioneel
de proefneming met zes huisgezinnen te nemen [1394]; onderscheidene
omstandigheden, waarbij ook de ongeschiktheid van het terrein oorzaak
waren, deden die proefneming mislukken.
Door het Nederlandsch gouvernement werd zekeren Bouni, voormalig
Controleur der Bosschen, in dienst der Nederlandsche Maatschappij
ter bevordering van Volksvlijt te Brussel, naar Suriname gezonden,
ten einde te onderzoeken welk hout aldaar geschikt bevonden werd voor
's Rijks dienst en welke de beste wijze was dit te verkrijgen [1395].
Bouni overleed, kort na zijne aankomst te Suriname, waardoor het
beoogde doel grootendeels werd gemist; de Minister van Koloniën
verzocht echter den Gouverneur, dat men voortging met de nasporingen en
tot proef een Rijks transportschip bevrachtte met 10,000 kubiekvoeten
hout; dat men een plan vormde tot het oprigten van een corps negers,
speciaal voor de houtvelling, en poogde betrekkingen met de Boschnegers
aan te knoopen, ten einde hout van hen te koopen, ook ijzerhard,
pokhout en letterhout, geschikt voor meubelmakers, door welker meerdere
waarde de vrachtprijs minder kostbaar zou worden [1396].
Er is van tijd tot tijd eenig hout naar Nederland verzonden, doch
deze handel kan nog veel uitbreiding erlangen.
Na de wegruiming van eenige moeijelijkheden, werden in 1836 nieuwe
vredestraktaten met de onderscheidene stammen der Boschnegers gesloten
[1397], en in 1838 ook den Becoe- en Musinga-negers veroorloofd
houtwaren naar de Beneden-Saramacca af te voeren [1398].
Dikwijls kwamen bij de Commissie van onderwijs, aan wie het toevoorzigt
en de verzorging, de opvoeding en het onderhoud der behoeftige weezen
was opgedragen [1399], verzoeken in tot het oprigten van eene school
voor arme kinderen, die daarop gratis onderwijs konden erlangen, daar
het slechts aan eenige kinderen op de stadsschool verleend voorregt
veel te beperkt was. In 1836 werd aan dit verzoek gehoor verleend:
het vroegere cholera-hospitaal werd tot school en onderwijzerswoning
ingerigt; het onderwijs zou zich bepalen tot lezen, schrijven,
rekenen, de zedeleer en koraalgezang;--dit laatste echter slechts
voor zoover de kinderen in een der Christelijke kerkgenootschappen
waren opgenomen. De onderwijzer zou eene bezoldiging van f 1200
ontvangen [1400]. Later werden twee stadsscholen opgerigt: eene voor
gealimenteerden en eene voor kinderen van behoeftige ouders [1401];
en werd ook in eene betere verzorging der behoeftige wezen voorzien.
Op Bladz. 671 schreven wij, dat vereenvoudiging in het bestuur der
kolonie zeer gewenscht was, want dat het onderhoud van een legio
ambtenaren, waarvan sommige weinig te doen hadden, enorme kosten
veroorzaakte. Uit de officieele bescheiden blijkt, dat dit inderdaad
zeer groot was, en het moet ons verwonderen, dat de Nederlandsche
regering toeliet, dat groote sommen verspild werden (zie bladz. 677),
daar de slechte staat van 's lands geldmiddelen niet veroorloofde
onkosten voor Suriname te doen en telkens bij den Gouverneur werd
aangedrongen om remises te zenden [1402].
Tijdens het Embargo (zie bladz. 671) door Engeland en Frankrijk op de
Hollandsche schepen gelegd, werden de meeste ladingen uit Nederland
naar Suriname en omgekeerd met neutrale schepen vervoerd. Dit
verzwaarde echter de kosten en handel en landbouw werden hierdoor
gedrukt.
Ook ondervond de handel belemmeringen door de voorzorgsmaatregelen
tegen de cholera-morbus genomen (zie bladz. 661); vooral echter
beklaagden zich de zeeofficieren bij de quarantaine over de moeijelijke
dienst en bij herhaling wendden zij zich hierover tot den Gouverneur
[1403].
Met veel lof wordt gewaagd van den dienstijver en de belangelooze
behartiging van het welzijn der volkplanting door den R. C. pastoor
J. Groof. Uit aanmerking daarvan werd hem uit de koloniale kas
toegelegd eene gratificatie van f 1000 's jaars [1404], en erkende
Z. M. deze zijne diensten, door hem tot Ridder der orde van den
Nederlandschen Leeuw te benoemen [1405].
In het journaal van van Heeckeren van 8 April 1835 vindt men vermeld,
dat zekeren heer Mr. J. M. Lotze het verzoek heeft gedaan, om het oude
archief der kolonie te analiseren en te bearbeiden. Van Heeckeren
begreep, dat dit voor de kennis der Geschiedenis van Suriname
belangrijk kon zijn en stond hem dus zijn verzoek toe; en zoo lang
als hij ter gouvernements-secretarie werkzaam zou wezen, zou hij
als ambtenaar worden aangemerkt en hem schrijfbehoeften enz. worden
verstrekt [1406]. Wij hebben niets verder van de resultaten van dien
arbeid vernomen en vestigen daarom de aandacht op deze bijzonderheid,
daar hiervan misschien een of ander bij het koloniaal archief berust
en welligt nuttig kon zijn voor verdere nasporingen ten behoeve der
Geschiedenis van Suriname.