Was de eerste poging der Broedergemeente, om den slaven het Evangelie
te verkondigen, door den heftigen tegenstand der blanke bevolking,
vruchteloos, en had men zelfs, na mislukking der eerste zending
onder de Indianen, Suriname moeten verlaten, in 1754 echter kwamen
er op nieuw twee Broeders als Agenten der zending te Paramaribo,
zoo als wij reeds bladz. 784 hebben vermeld, ten einde voornamelijk
de stoffelijke belangen der zending voor te staan.
Die Broeders waren ijverig bezig in de eenvoudige werkkring, die hun
was aangewezen. Hun kleêrmakers-bedrijf verschafte hun niet slechts
het noodige voor hun onderhoud, maar daarenboven konden zij hierdoor
de afgelegen zendingstations ondersteunen.
Om des te beter hun handwerk te kunnen drijven kochten de Broeders
in 1767 eene eigene woning en een stuk grond, waar zij een tuin en,
aan het einde daarvan, eene begraafplaats aanlegden, welke zij met
een hek omringden. Een der Broeders, Christiaan Friedrich Gastman,
werkte hieraan met zoo veel ijver, dat zijne vrouw tot hem zeide: »Gij
zult zeker wel de eerste zijn, die hier zal komen te liggen."--en
waarlijk; nog in hetzelfde jaar ging hij in tot de vreugde zijns
Heeren; en was zijn lijk het eerste, dat op dien Godsakker der aarde
werd toevertrouwd, om den dag der opstanding te verbeiden.
Bij de uitbreiding van hun beroep hadden de Broeders hulp noodig en
huurden alzoo 10 à 12 negers, die als gezellen of leerlingen met hen
arbeidden. Waren de Broeders ijverig in hun handwerk, deden zij met
lust al datgene wat hunne hand vond om te doen, zij vergaten echter
de hoogere dingen niet. Dáár op die kleêrmakers-tafel zittende,
werd door de Broeders een zaad uitgestrooid, dat onder den dauw des
Heiligen Geestes vruchten opleverde, waarover in alle eeuwigheid zal
gejuicht worden.
Na lang wachten genoten de Broeders de vreugde, dat (in 1768) bij
drie hunner negers eene levendige begeerte ontstond, om den weg des
heils nader te leeren kennen. Zij kwamen daartoe des avonds bij een der
Broeders (Kersten), die hunne taal magtig was, om nader onderrigt. Deze
verhaalde hun dan van de menschwording en den dood des Heeren Jezus, en
van het heil door Hem voor zondaren verworven. »Hoe het ons verheugde,"
schrijft hij in een zijner brieven, »nu wij, na lang wachten, eindelijk
negers zien, wier harten door den Heer is geopend, en bij wie eene
begeerte naar het Woord des levens komt, kan ik niet beschrijven."
Toen de eerste opwekking onder de slaven was ontstaan, kwamen er weldra
meerderen tot de Broeders, om van deze dingen, die hun zoo liefelijk,
maar toch ook zoo vreemd klonken, te hooren. Toen Broeder Kersten,
ter vervulling der zending onder de Boschnegers was vertrokken, zette
Broeder Rose de avondvergaderingen alleen voort; terwijl hij aan hen,
bij wie de belangstelling toenam, bijzonder onderrigt gaf. Wel moest
hij de tijd uitkoopen, want zijne beroepsbezigheden lieten hem weinig
over, en twee, tot zijne hulp uit Europa gezonden Broeders, overleden
kort na hunne aankomst. Doch de Heer sterkte en troostte hem en gaf
hem in het volgend jaar de vreugde, dat twee negers het Woord met
blijdschap aannamen, en toen zij daarna ziek werden, getuigden zij, dat
de Heer hun nabij was, en ontsliepen met die betuiging op hunne lippen.
Rose bezorgde hunne begrafenis en gebruikte deze gelegenheid om tot de
verzamelde Heidensche negers te spreken van het lijden en sterven van
Jezus Christus ter verzoening van de zonden der geheele wereld. Velen
dier negers kwamen later in de zondagsvergaderingen.
Kersten, door de uniteits-conferentie uit het boschland terug geroepen
en tot voorstander der Surinaamsche zending benoemd, keerde naar
Paramaribo terug, tot groote blijdschap van Rose. De belangstellende
toehoorders vermeerderden; negen werden als doop-candidaten
ingeschreven en ontvingen afzonderlijk onderwijs, en--den 21sten
Julij 1776 werd de eersteling der negerslaven te Paramaribo gedoopt,
waarbij hij den naam van Christiaan ontving. Nog in datzelfde jaar
werden acht negers en eene negerin gedoopt.
Het gedrag der nieuw bekeerden was zoodanig, dat vele regeringsleden
en bijzondere personen den wensch uitten, dat alle negers zich
bekeeren mogten. Niet alle meesters echter dachten alzoo; er waren ook
onder dezen, die hunne slaven jammerlijk mishandelden indien zij de
predikatiën der Broeders bezochten; doch de arme zwarten leden liever
onregt dan weg te blijven van de plaats waar hun werd verkondigd:
het Woord der verzoening, dat van zulke heerlijke beloften getuigt;
zij verdroegen hiervoor gaarne smaad en slagen.
Het werk Gods onder de negerslaven ging voortdurend met zegen voort;
bijna elke maand werden er door den doop in de Christelijke gemeente
ingelijfd. De gedoopten wandelden waardiglijk het Evangelie; op den
31sten Mei 1777 kwamen vier van hen voor de eerste keer ten avondmaal;
in het volgende jaar elf en zoo breidde zich de Negergemeente al meer
en meer uit.
Daar het aantal der toehoorders steeds vermeerderde, bouwden de
Broeders op hunnen grond eene kerk tot gebruik der Negergemeente. Bij
de feestelijke inwijding derzelve, op den 31sten Mei 1778, werd een
liefdemaal met 52 negers gehouden. Blanken en zwarten, vrijen en slaven
aan eene tafel, wel was dit een vreemd verschijnsel in Paramaribo! doch
de Heer, die Zijn bloed voor de verzoening der geheele wereld stortte,
zag er met welgevallen op neder. Des namiddags hield Kersten de
eerste preek.
Eenige weken later kwam de Gouverneur (Jan Nepveu) met zijne vrouw en
een talrijk gezelschap der aanzienlijkste personen de prediking en
eene doopplegtigheid bijwonen. Den volgenden Zondag werd de toeloop
der blanken zoo sterk, dat er naauwelijks plaats voor de vele negers
was. Kersten hield toen eerst eene korte rede in het Hollandsch;
betuigde zijne blijdschap over de belangstelling der blanken, doch
vervolgde, dat, daar de kerk door de Broeders gebouwd was, om aldaar
de negers het Evangelie te verkondigen, zoo zou hij overgaan om hun
in hunne taal het Woord der verzoening in Jezus bloed en dood te
prediken. Daarop zong hij met luider stemme: »Looft den Heer alle
gij Heidenen," waarop de kleine zwarte gemeente zingend antwoordde:
»En prijst Hem alle gij volken! Alleen God in de hoogte zij de eere,
enz." Niettegenstaande het groot gemengd aantal van blanke toehoorders,
onder welke zich ook verscheidene Joden bevonden, heerschten stilte
en orde tot aan het einde; en allen waren verwonderd over de aandacht
der Negers en over hun harmonisch gezang.
In het jaar 1779 ontvingen de Broeders een stuk land, buiten
de stad, van de regering ten geschenke, tot begraafplaats der
Christen-negers. De opwekking onder de slaven ging gezegend voort;
gewoonlijk waren bij de prediking twee honderd aandachtige toehoorders
tegenwoordig. Het getal der gedoopten en der avondmaalgangers
vermeerderde en weldra moest de kerk worden vergroot; verscheidene
heeren uit Paramaribo gaven daartoe bijdragen.
Ook opende zich aan het einde van hetzelfde jaar eene deur voor
de Broeders, om de slaven op de plantaadjes het Evangelie te
verkondigen. Zekere heer Palmer, eigenaar van de plantaadje Fairfield,
tien uren van Paramaribo, aan de Commewijne gelegen, noodigde de
Broeders uit aan zijne negers (150) Gods Woord te prediken.
De Broeders gaven gaarne aan deze roepstem gehoor. Toen Broeder Kersten
hun de liefde des Verlossers bekend maakte, hieven deze arme slaven
de handen ten hemel en dankten God met luider stemme, dat Hij dit
liefelijke woord ook tot hen deed komen.
Later werden de bezoeken ook tot andere plantaadjes uitgestrekt. Eene
vaste zendingspost werd noodig geacht, ten einde beter aan de zich meer
en meer openbarende behoefte der negers naar het Evangelie te kunnen
voldoen. De regering schonk den Broeders daartoe in 1785 een stuk
grond, bij de zamenvloeijing der Commewijne en Cottica, Sommelsdijk,
naar een vroeger aldaar gelegen fort genaamd. De plaats was ongezond en
moerassig en de beide eerste zendelingen, die zich aldaar vestigden,
vielen als slagtoffers dier ongezonde ligging. Intusschen had men
hoop daar met kracht werkzaam te zijn. Vele negers der naburige
plantaadjes kwamen er om de prediking bij te wonen; het woord Gods
werkte met kracht en reeds aan het einde van 1786 waren 164 zielen
onder de leiding der Broeders. Evenwel deden er zich groote zwarigheden
op. Dewijl de negers van de plantaadjes niet anders dan te water naar
Sommelsdijk konden komen, omdat hieraan gevaren waren verbonden,
zoodat werkelijk in 1788 drie negerinnen, bij hare terugkomst van
Sommelsdijk, in de rivier verdronken, zoo weigerden de meesters
hunnen slaven langer naar Sommelsdijk te gaan. De Broeders werden
dus genoodzaakt de plantaadjes te bezoeken.
De Negergemeente te Paramaribo nam gestadig toe en bestond weldra uit:
101 gedoopten, van welke 49 avondmaalgangers, en 40 doop-candidaten,
te zamen alzoo uit 141 personen. De nieuwe Gouverneur Texier, die
in 1779 Nepveu was opgevolgd, toonde zich, na een met de Broeders
gehouden onderhoud, bereid hunne pogingen ten beste der negers te
ondersteunen. Hij werd door eigen aanschouwing meer en meer overtuigd
welke kracht tot verandering en tot heiliging des levens door de
prediking des Evangelies bij de slaven werd verwekt. Ook sommige
meesters werden hiervan overtuigd en enkele woonden den doop hunner
negers met aandacht bij; anderen daarentegen waren zeer vijandig en
zochten hunne slaven door dreigementen en slagen van het bezoeken
der kerk af te houden.
De Broeders kozen weldra uit de beproefdste gemeenteleden eenige
helpers en helpsters, die hun het opzigt over de steeds aanwassende
gemeente hielpen houden. Toezigt was zeer noodig, want, bij den
aanwas der gemeente vond men, zoo als overal, er ook onder, die op
een zondigen dwaalweg geraakten, welke de Broeders in den geest der
zachtmoedigheid, doch tevens met Christelijke ernst, hiervan zochten
terug te brengen.
Aan het einde der vorige eeuw bedroeg de Negergemeente te Paramaribo
reeds meer dan 300 leden. De Broeders, ten einde de vermeerderde
kosten der zending te dekken, rigtten bij hun kleêrmakerswinkel nog
eene bakkerij en eene horlogiemakerij op, waar gehuurde negers als
knechts arbeidden.
Indien wij de geschiedenis van de zending onder de negerslaven
eenigzins uitvoerig wilden mededeelen, zou de ons nog overgebleven
ruimte hiertoe niet toereikend zijn. Het kost ons echter opoffering
om van eene zaak, die zoo hoogst belangrijk is en die zulke groote
blijken van Gods goedertierenheid en trouw, en van onbezweken ijver
en vurige liefde der Broedergemeente oplevert, slechts kortelijk
melding te kunnen maken. Een ding troost ons hierbij: de berigten,
uitgegeven door het Zendinggenootschap te Zeist, zijn in veler
handen, en hier toch vindt men de belangrijkste berigten over dit
rijk gezegend werk medegedeeld. Dat toch elk in den lande, die de
uitbreiding van Gods koningrijk ter harte gaat, zich verkwikke bij
het lezen dier berigten en meer en meer worde opgewekt om den arbeid
der Broedergemeente met gave en gebed te ondersteunen. Wij moeten
ons bij onze verdere mededeelingen tot het aanteekenen van eenige
hoofdbijzonderheden bepalen.
Gedurende de oorlogstijden van 1793 en tijdens Suriname onder Engelsch
bestuur was, verkeerde de zending in grooten nood. De Engelsche
regering wenschte den arbeid der Broederen wel te ondersteunen, doch
de stremming van het verkeer met het vaste land van Europa verhinderde
de overkomst van nieuwe arbeiders, om de plaatsen te vervullen van hen,
die door ziekte of dood in hunne werkzaamheden waren gestoord.
Het getal der negerslaven aan de Commewijne en Cottica, welke tot de
Christelijke gemeente behoorden, bedroeg in het begin dezer eeuw nog
slechts 96, waarvan 55 alleen op de plantaadje Fairfield. De verdere
werkzaamheden werden zeer verhinderd door de afkeerige gezindheid der
plantaadje-directeuren. Eindelijk vond de Uniteits-Conferentie zich in
1817 genoodzaakt deze post op te heffen. De negers van Fairfield werden
nu, om de acht weken, door de Broeders uit Paramaribo bezocht. Op
uitdrukkelijk verlangen van den Engelschen predikant Austin, eigenaar
der plantaadje Kleinhoop, werd, sedert Januarij 1819, ook aldaar het
Evangelie aan de slaven verkondigd.
Mogt het zendingswerk op de buitenposten vele moeijelijkheden
ondervinden, te Paramaribo nam de gemeente steeds toe. Talrijke negers
en kleurlingen, zoo vrijen als slaven, voegden zich bij haar. Bij de
hevige kinderziekte, die in 1819 zoo vele slagtoffers maakte (ruim
2000 personen), waren de Broeders meermalen getuigen van de genade en
trouw des Heeren, die zich aan de sterfbedden van vele gemeenteleden
zoo krachtig openbaarde, dat velen juichend ontsliepen. Zelfs uit den
mond der Heidenen hoorde men in dien tijd meermalen uitdrukkingen, als:
»Niemand, geene Goden der negers, niemand kan mij helpen, dan alleen
de ware God, die mij geschapen heeft" en dergelijken. De begraafplaats
moest worden vergroot, en de gedoopte negers sloegen ijverig de hand
aan het werk, ten einde het houtgewas uit te roeijen, de sloten er
om heen te graven en het geheel met eene limoenhaag te omringen.
Bij den vreeselijken brand van 1821 werd de zendingskerk als door een
wonder gespaard, en weldra was zij te klein om de toenemende gemeente
te bevatten. Zes en negentig volwassenen werden in dat jaar gedoopt. De
scholen, waar de negerkinderen in het lezen en zingen, en in het van
buiten leeren van spreuken en liederen, onderwijs ontvingen, namen in
bloei toe. Van de Neger-Engelsche vertaling van een te Londen gedrukt
werkje: »Hoofdinhoud van Jezus leer," werd gretig gebruik gemaakt.
Ook op de plantaadjes vertoonde zich een nieuw leven. Verscheidene
eigenaars verzochten den Broederen hunne slaven Christelijk onderwijs
te komen geven. Op Breukelerwaard werd eene kerk voor de negers gebouwd
en in 1825 ingewijd. Molhoop, Vlaardingen, Lustrijk, La Singularité
en meer andere plantaadjes werden nu regelmatig bezocht.
Den 21sten Julij 1826 was het 50 jaren geleden, dat de eerste neger
door den doop in de Christelijke gemeente werd ingelijfd. De
herinnering hieraan werd door de Negergemeente feestelijk
herdacht. Vele stadbewoners namen aan deze feestviering deel. Gedurende
den vijftigjarigen arbeid onder de slaven waren 2477 gedoopt; toenmaals
bevonden zich 1800 negers onder de leiding der zendelingen.
De aanzienlijke vermeerdering der gemeente had den aanbouw eener
ruimere kerk noodzakelijk gemaakt; waartoe de onkosten meerendeels door
vrijwillige bijdragen van welwillende Surinamers waren gedekt. Zij
werd den 21sten Julij 1818 ingewijd. »Het was een hartverheffend
gevoel," schrijft een zendeling, »onze broeders en zusters uit de
negers, allen rein in het wit gekleed, naar de sekse afgezonderd,
te aanschouwen. Verder was het overige der kerk, tot op de derde
galerij, onder het dak, opgevuld met aanzienlijken en geringen,
blanken, kleurlingen en zwarten, Christenen, Joden en Heidenen, die
allen stil en eerbiedig nederzaten, terwijl tot lof en aanbidding
van den eenigen waren God gesproken, gebeden of gezongen werd."
In 1828 werd de Maatschappij ter bevordering van het Godsdienstig
onderwijs onder de slaven enz. opgerigt (zie bladz. 645). De Broeders
werden uitgenoodigd aan de beraadslagingen van het bestuur deel
te nemen en ondervonden verder veel ondersteuning, door middel
dezer Maatschappij, welker stichting als eene zeer belangrijke en
verblijdende gebeurtenis voor de zending kan worden aangemerkt.
Reeds door het bouwen eener ruimere kerk was in de stad aan een grooter
aantal slaven gelegenheid gegeven het woord Gods te hooren. Door de
Broeders was mede godsdienstig onderwijs aan de kinderen in de stad
gegeven, welk onderwijs vooral goede vruchten opleverde, toen men
aan die kinderen ook het woord Gods in handen kon geven. Door het
Britsch en Buitenlandsch Genootschap was eene vertaling van het Nieuwe
Testament in het Neger-Engelsch bezorgd; waarvan de Broeders slechts
afschriften bezaten. Zoodra het ruchtbaar werd, dat dergelijke boeken
waren te bekomen, wenschten vele negers zich dien kostbaren schat
aan te schaffen. Ongeveer dertig stuks werden ten geschenke gegeven
aan zulke schoolkinderen, welke vlug en goed konden lezen, en deze
kinderen waren niet zelden de werktuigen, waardoor hunne ouders met
de Heilige Schrift bekend gemaakt werden. Het getal kinderen, die
vrij geregeld de school bezochten, bedroeg toenmaals reeds honderd
en dertig. De zondagschool werd ook door volwassenen bezocht.
In 1831 zond men van Zeist aan de Broeders eene drukpers, met al
hetgeen noodig was om Neger-Engelsche schoolboeken te drukken. In 1835
werd de Negergemeente verblijd door de ontvangst van een orgel voor
de nieuwe kerk, mede uit Zeist gezonden. De kerk was bij den brand
van 1832 weder, gelijk in 1821, door Gods goedheid, bewaard gebleven,
terwijl de kerken der andere gemeenten in de asch waren gelegd. De
Broeders boden hun bedehuis der Hervormde en Luthersche gemeenten aan,
ten einde daarin de kerkedienst waar te nemen, van welke vriendelijke
aanbieding door de Hervormde Gemeente gebruik werd gemaakt. Door de
koloniale regering werden de Broeders uitgenoodigd het fort Nieuw
Amsterdam te bezoeken om aldaar te prediken en door het Geregtshof
werd hun de zielezorg voor de gevangenen opgedragen. Deze welwillende
gezindheid der regering oefende ook invloed uit op de stemming van
bijzondere personen, en de vooroordeelen tegen de Broeders verminderden
bij den dag.
Het aantal plantaadjes, waar het den Broeders vergund werd het
Evangelie te verkondigen, bleef lang zeer klein. De opzigters
der plantaadjes, voor zoo verre zij niet als vijandig tegen het
zendingswerk waren bekend, zagen echter tegen de onkosten op, die het
godsdienstig onderwijs der slaven vorderden. Want, daar in Suriname
meest alle reizen te water moeten geschieden, en de zendelingen,
die te Paramaribo van hun handwerk leefden, geene middelen bezaten
om zich roeibooten en negers voor hunne maandelijksche bezoeken op de
plantaadjes aan te schaffen, moesten de Directeurs hen laten afhalen,
of van de eene naar de andere plantaadje vervoeren. Ook moest men
bij een dergelijk bezoek den slaven eenigen rusttijd gunnen tot het
bijwonen van de predikatie en het onderwijs in de godsdienst.
Een ander bezwaar was, dat, wegens den verren afstand van sommige
plantaadjes van Paramaribo, het den Broeders aldaar moeijelijk viel
hen te bezoeken, waarom zij zeer wenschten meerdere zendingsstations
in de kolonie te kunnen oprigten, van waar de toegang tot de negers
der omliggende plantaadjes gemakkelijker was. Deze beide bezwaren
werden opgelost door de reeds gemelde Maatschappij. Door haar werd
in het gebrek aan roeibooten en negers voorzien, en in 1835 de tot
het doel gunstig gelegen plantaadje Charlotte-burg aangekocht en den
Broeders ten gebruike afgestaan.
Sedert dien tijd treedt eene nieuwe periode der zending in. Nog hadden
wel de Broeders vele bezwaren te overwinnen: onwil bij verscheidene
directeurs en administrateurs, ongeloof, verblindheid en gehechtheid
aan Heidensche gewoonten bij de negers, doch de Heer gaf aan zijne
dienstknechten en dienstmaagden kracht en in Zijne kracht bestreden zij
de vesten des Heidendoms en--overwonnen. Meerdere vaste zendingsposten
werden opgerigt, waarop Broeders en Zusters met groote trouw werkzaam
waren.
Twee zwakke weduwen, zuster Voigt op de plantaadje Andresa, aan de
Coppename, en zuster Hartman op Bergendal aan de Boven Suriname,
arbeidden aan de grenzen van het zendingsveld. Door onderwijs der
kinderen, door toespraken en vermaningen aan de volwassenen, door
een heiligen wandel waren deze vrouwen tot grooten zegen voor de
negerbevolking.
Broeder Jansa, de apostel der Warappa-kreek, ondernam een veldtogt
tegen de afgodstempels en de gevreesde afgodspriesters. De Heer,
die met hem was, schonk hem de overwinning. De Heilige Geest opende
veler harten en verwekte bij de negers een honger en dorst naar het
woord des levens en maakte de prediking vruchtbaar.
Sedert 1850 vooral zijn meerdere vaste posten gevestigd en heeft
men pogingen aangewend om regelmatige scholen voor de kinderen op de
plantaadjes op te rigten, doch hierbij had men groote zwarigheden te
overwinnen. Eene circulaire, waarbij de Broeders aan de planters
vroegen hun kweekelingen af te staan, om op hunne school tot
nationaal-helpers en onderwijzers te worden gevormd, bleef zonder
vrucht; eerst een uitdrukkelijk bevel van de in Nederland wonende
eigenaars maakte de plantaadje-bestuurders gewilliger om kweekelingen
voor deze school af te staan. De eerste knaap, die men daartoe afstond,
was een kreupele, die door zijn ligchaamsgebrek niet geschikt voor
den veldarbeid was.
In het jaar 1851 eindelijk kwam die school tot stand, op het nabij
Paramaribo gelegen Beekhuizen. Tien kweekelingen werden opgenomen en
ontvingen onderrigt in den Bijbel en de Catechismus, in het rekenen
en zingen; eerst in 1856 werd het den Broederen veroorloofd onderwijs
in het schrijven te geven. In December 1858 bedroeg het getal der
aanwezige kweekelingen veertien. Over hun gedrag en vorderingen waren
de Broeders en ook anderen, die de school bezochten, zeer te vreden.
In 1856 heerschte de gele koorts in hevige mate in Suriname en
maakte vele slagtoffers. In tien maanden overleden, zoo in de stad
als op de buitenposten, veertien Broeders en Zusters. Doch de Heer
sterkte de Broedergemeente ook in deze beproeving; een nieuwe frissche
gebedsijver ontvlamde, de vermoeiden werden verkwikt en tot nieuwen
ijver aangevuurd. Steeds werden nieuwe strijders gevonden, die de
plaatsen der gevallenen wilden vervullen, zoodat de zending zich
uitbreidde en op vastere grondslagen werd gevestigd. Het Para-district
maakte lang eene droevige uitzondering. De administrateurs waren aldaar
de zendelingen wel genegen, maar de negers bleven lang afkeerig. Het
scheen, dat Satan zich hier als in zijne laatste vesting tot het
uiterste wilde verdedigen. Broeder Mense ging echter in de kracht
zijns Heeren die vesting aantasten. Met het instorten van twee der
grootste afgodstempels, die immer in Suriname bestonden, en waarvan de
eene 150 jaren bestaan telde, werd de eerste bres geschoten en drong
het Evangelie ongehinderd het land in. Eerst werd dit district uit de
stad bezocht, doch reeds in 1851 kon aldaar eene eigen post, Berseba
genaamd, worden aangelegd, waar in 1858 eene kerk werd opgerigt [1376].
Thans is het getal der zendingsetablissementen tot 12 gestegen. Ruim
dertig Broeders en Zusters, getrouwelijk door nationaal-helpers
bijgestaan, zijn op dit arbeidsveld werkzaam. In Paramaribo zijn
ongeveer 6000; op 180 plantaadjes 20,000 personen, die in meerdere
of mindere mate onder het geklank des Evangelies leven. »De velden
zijn wit om te oogsten; bidden wij den Heer dat Hij arbeiders geve
in dezen wijngaard."
Het was ons eene regte verkwikking aan het einde van onzen arbeid
eenige oogenblikken te mogen wijden om op lichtpunten te wijzen. Wij
danken onzen God, die ons het voorregt schonk, om, nadat wij zoo
veel droevigs hadden moeten vermelden, ook te kunnen gewagen van
die dingen, die het hart des Christens met blijdschap vervullen. Wij
wilden hiermede wel besluiten, doch waarheidsliefde dringt ons ook
nog met een enkel woord te spreken van de groote belemmeringen die
het zoo gezegende werk der zending ondervindt. Wij spreken hier niet
van de hardheid der harten, noch van de neiging tot afgodsdienst,
noch van de ligtzinnigheid, die zich nog zoo dikwijls bij de negers
openbaren. Waar van zending, waar van Evangelieverkondiging sprake
is, wordt dit in onderscheiden schakeringen ondervonden. Wij spreken
hier slechts van de belemmeringen, die onafscheidelijk zijn aan het
stelsel der slavernij.
Nog wordt de verkondiging van het Evangelie van genade door
sommige Administrateurs en Directeurs tegen gehouden; nog blijven
plantaadjes voor de zendelingen gesloten; nog wordt het onderwijs der
kinderen op velerlei wijze belemmerd. Op sommige plantaadjes wordt
het den zendelingen wel veroorloofd eene preek voor de negers te
houden, doch hun niet toegestaan de oude, zwakke en zieke slaven
te bezoeken. Met hoeveel voorzigtigheid moet de zendeling zich
uitdrukken, om de waarheid niet te verkrachten, en toch den meester
niet te veel aanstoot te geven, opdat hij niet het geheele werk
verstore. Welk een hinderpaal voor de uitbreiding van het rijk Gods
onder de slaven is de hoererij der blanken, met de onder hunne magt
staande slavinnen. Welk een droevig gevolg der slavernij is het,
dat er geen wettig huwelijk onder de slaven kan worden aangegaan en
de regten van het vaderschap niet worden erkend. Hoe dikwijls wordt
het met moeite onder zuchten en tranen gezaaide moedwillig door den
blanke verstoord. Hoe vele voorbeelden zouden wij hiervan kunnen
mededeelen; wij onthouden er ons echter van. »Hoe verwoestend de
slavernij is voor de zedelijke magt der maatschappij, daarvan wordt
men ten volle overtuigd, wanneer men slechts eenigermate met het leven
in de kolonie is bekend geworden. Intusschen willen wij ons werk nog
voortzetten en niet vertragen, in weerwil van den tegenstand derzulken,
die, om hunne persoonlijke bedoelingen, zich met onze prediking der
verzoening in Christus niet kunnen vereenigen; wij willen in de kracht
van Christus strijden tegen de duisternis, en ook daarin ons geloof,
dat de wereld in ons en rondom ons overwint, betoonen, dat wij ons,
na meer dan honderdjarigen arbeid, nog blijven schikken in en naar
de bestaande betrekkingen, die door God worden toegelaten; opdat,
wanneer de kracht van Christus den slavenstand opheft, Hem ook
eere moge bereid worden van onze verdrukking en droefenis, en de
wereld erkenne, dat in Hem alleen ware vrijheid te vinden is." Zoo
sprak de waardige Otto Tank, wiens ernstige gemoedelijke taal bij de
blanke bevolking te Suriname ergernis verwekte. In eene maatschappij,
verpest door de slavernij, tracht men immer de stem van waarheid en
regt te versmooren. Worde de slavernij dan spoedig afgeschaft, want,
gelijk de tegenwoordige hoofdvoorstander der zending te Paramaribo
schreef: »De vrije ontwikkeling van het Godsrijk, de geestelijke en
verstandelijke beschaving der negerbevolking, wordt in het algemeen
door de bestaande slavernij in eene hoogere mate belemmerd, dan het,
uit de verte gezien, wel schijnt, en dit is de onzegen (vloek),
die op haar rust; om deze rede voornamelijk, en niet alleen om den
uitwendigen toestand der slaven, is de slavernij verwerpelijk en
verfoeijelijk. Des te meer verheugen wij ons, dat thans het zekere
vooruitzigt op hare afschaffing bestaat."
Spoedig kome die dag; de Heer doe hem weldra aanbreken; Zijne liefde
dringe ons daartoe mede te werken.
Zoo door mijn geringen arbeid afkeer tegen de slavernij en
belangstelling in Suriname's blanke-, gekleurde- en negerbevolking
eenigermate vermeerderd worde, zoo is mijn doel met het schrijven
van de Geschiedenis van Suriname bereikt, en ik zal er den Heer voor
danken, die mijne zwakke krachten gesterkt heeft. Worde Zijne kracht
ook in mijne zwakheid volbragt; zij dit werk ter Zijner eere.