3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verdere materiële
verzorging.
Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:
»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen,
dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde
geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen,
voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn."
De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra,
hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije
bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die,
onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting
de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot
groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen
te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden
tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die
kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan;
terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit
vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:
»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke
godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle
publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd, om, door hun voorbeeld,
de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan."
De handel en vaart op en van de kolonie Suriname bleef provisioneel
beperkt uit en naar het moederland; de Noord-Amerikaansche handel
en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische
eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen
werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het
finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan
Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting
eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot
stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren,
maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te
brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen,
op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post
Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw
zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo
veel mogelijk werd aanbevolen.
Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal
van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche
regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den
stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is,
wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan,
Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien
achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen;
ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel
wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname
het te kort der eilanden zou kunnen dekken [1183].
Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van
het welzijn van Suriname kon verstrekken.
Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingen aangreep om
zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken,
en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid,
die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen
van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. De Israëlieten,
die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie
van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die
vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De
magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan
de oprigters geheime bedoelingen toe, die echter door de openbaar
gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der
kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand
blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.
Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz'laar, eene
vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele
beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die
inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen
uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en
beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal
Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate
in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling
gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte
gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het
getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en--zij werd hierdoor in
staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking
te doen.
Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor
veel goeds is verrigt, namelijk: Maatschappij ter bevordering van
het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche
bevolking in de kolonie Suriname.
De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:
Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche
West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant
bij de Evangelisch Luthersche Gemeente te Paramaribo; A. Roelofsz,
Predikant bij de Hervormde Gemeente; Mr. H. R. Haijunga, Lid van het
Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van
het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.
Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch
en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7den Junij 1828
voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig
en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:
»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen
invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders
op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie
gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere
uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van
dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eene
Maatschappij of Genootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van
het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel
der Moravische Broederen.
De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam
kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.
Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen,
maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting,
waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen
of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen
van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude
dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen,
eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders,
welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door
de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde
den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs
eene meer en meer doelmatige strekking te geven.
De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men
voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien,
acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat
deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in
het Moederland vestige, ten einde men alzoo beproeve, wat men met
vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke
uitkomst te kunnen doen hopen.
Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste
bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling
van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijksche contributiën
der leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden
te zamen gebragt.
Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een
eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve
moeten worden aangelegd:
1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam
zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande
instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene
meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van
Paramaribo naar de Plantagiën en terug voor de broederen gemakkelijk
te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig
vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan,
waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe
behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige
aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken,
en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede
gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of
zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;
2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal
der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.
Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal,
de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich
uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer
ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot
dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder
ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der
broedergemeente zou te staan komen;
3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren, hun de
gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo
de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde
dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer
onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig
onderwijs zoude kunnen ontvangen;
4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in
eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of
meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast
verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld
onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen
der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of
administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;
5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch
Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis
der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze
kolonie, bij te dragen.
Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog
te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer
van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij
niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden
te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe
Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te
maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring
daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle
zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden
zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne
Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming
te gemoet zien."
Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij,
in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en
de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan
de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.
Reeds den 10den derzelfden maand Junij ontvangen de ontwerpers een
goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen
zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen
gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de
gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het
Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door
deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van
het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der
liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer
ondersteune hen!
Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van
een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende
bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1sten
Augustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden
komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.
Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen
en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag
niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid,
de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch
andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der
toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch,
om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel;
want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te
nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast,
of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke
kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe
te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de
mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming
van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen,
zoo al niet geheel krachteloos te maken, ten minste lang tegen te
houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs
waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire
partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende
te dikwijls het oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde
Landvoogden niet genoegzaam.
P. R. Cantz'laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de
eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had
het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder
den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische
bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen,
overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten
uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke
taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar
vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende
wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz'laar een
naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen
sommige ambtenaren." In eene zijne eerste publicatiën betuigde hij
zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare
handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor
elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten
of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie [1184].
Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de
Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond;
hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest
te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz'laar
zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene
nadere bepalingen en instructiën werden daargesteld.
Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de
plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz.,
welk een en ander door speciale reglementen en instructiën nader
werden geregeld [1185]. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde
Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen
der gemeene weiden werden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel
aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen [1186]. Strenge
verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd
en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het
Gemeentebestuur [1187].
Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en
dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op
het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche
kolonie in de West-Indië naar eene andere, of van en naar zoodanige
vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet
geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit,
betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818,
werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een
koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26sten October 1830
door Cantz'laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer
van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het
uitloven van premien (f 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en
f 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren
oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene
belasting van f 100 werd gesteld [1188].
Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te
bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten
gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn
beschouwd geworden.
De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het
Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, de Administriële,
het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving
der koloniale Finantiën de reeds in het moederland bestaande belasting,
bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd [1189].
De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve
van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden
bij publicatiën van 23 December 1828 geregeld [1190].
Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het
havenregt enz. werden uitgevaardigd [1191]; de posterij werd op een
meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd [1192];
het uitoefenen der notariële practijk door vijf gezworen klerken te
Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder
behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van
het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt [1193], en verder
werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen, instructiën,
publicatiën enz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.
Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in
1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.
De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen
van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van
het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop,
enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking
had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel
mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden
aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en
de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank
werd bepaald op f 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten,
terwijl als representatief daarvan eene gelijke som in bankbilletten
van 1/2 gulden tot f 1000 zou worden uitgegeven.
De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium
voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen,
als voor allerlei aard, voor Suriname en de West-Indische eilanden;
terwijl de tot dusverre als 's Lands munt gangbare billetten van de
Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor
konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.
Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting,
wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.
Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit
toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven,
afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs
of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen
gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot
het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in
de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot
het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw,
of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.
Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het
crediet van drie millioen in Nederland, [1194]
a. alle panden en voorwerpen door de bank beleend, en
b. eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks
uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden
gestort. [1195].
De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname
zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid
bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene
particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de
bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?
Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister van Koloniën
Baud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland,
genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had
gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde)
fondsen had gedaan [1196]. Dat het eer eene Gouvernements-bank
kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de
Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den
Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde
Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal
Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt
als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter
niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te
vinden, waardoor zij werkelijk Particuliere bank kon worden.
In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid
te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk
werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook
zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven
millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten
en specie ten bedrage van f 2,400,000 was in den korten tijd van twee
jaren reeds tot f 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld
twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling
van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831
voor f 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan
overgemaakt.
Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank,
was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige
eigenaars: 1o door het aflossen van Nederlandsch hypotheken, waartoe
de bank de fondsen zou voorschieten; 2o. door het aanleggen eener
groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld
werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde
aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel
werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het
opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op
plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere
W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van f 1,200,000
beleeningen gedaan.
Negen dier geldopnemers leverden het bewijs, dat de heilzame
bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige
gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes
kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten
koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei
toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een
even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had
bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle
voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der
bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen
voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die,
uit hoofde van hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden;
ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen
der bank vereischt werd, om door acceptatiën van de schulden der
geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.
De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers
geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te
brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne
schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier
misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in
plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan,
heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.
Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren
eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830,
de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen
te doen.
Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk
of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang
hadden, ten eenemale vernietigd.
De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der
steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit--op
aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen
als gevaarlijk afgeschilderd, omdat zij het vereenigingspunt worden
moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen
van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in
dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men
veiligheidshalve--zoo heette het--liever verspreid, dan bij elkander
te werk gesteld zag.
Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk
het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving
jaarlijks uit de koloniale kas eene som van f 150,000, was zij nu
voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het
papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede
ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde
natuurlijk de circulatie.
Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds
genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje;
het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal;
het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit
de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde
haren ondergang.
In het begin van 1831 adverteerde de Directie der Particuliere
West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, dat provisioneel
geene wisselbrieven op het Ministerie van Koloniën zouden worden
afgegeven, en kort daarna (den 3den Mei 1831) verscheen eene
publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd:
dat, de beroerten in Zuid-Nederland (de onlusten in Belgie)
eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van
bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van 's lands
schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten
hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het
Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering
in den financiëlen staat bij het Nederlandsch Gouvernement niet
werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk
bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen
belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen
worden ondergaan." [1197] Daar er reeds acht maanden na het uitbreken
van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden,
dat de Gouverneur van den Minister van Koloniën eenige voorschriften
omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders
vermogt te handelen. Mogt Cantz'laar werkelijk vermeend hebben, dat
het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene
eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de
goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn
helder inzigt in finantiële zaken; want die wijziging was eene hoogst
belangrijke en had zeer droevige gevolgen.
In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar
lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het
afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben," maar deze
belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder
of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte
aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere
West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen
remises dekken kan."
Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden,
omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst
aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken
en in tegendeel reeds in twee jaren voor f 1,126,000 meer had getrokken
dan overgemaakt (zie bladz. 654), kwam het volkomen op hetzelve neder
als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.
De afgifte van wissels op het Ministerie van Koloniën hield geheel op,
en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een
woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en
werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer [1198].
Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl
de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank
stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat
de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten
ontving en niet op nieuw uitgaf.
Ook daalden de bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3
der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden
baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en,
naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.
De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance
van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigen finantiëlen
toestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer
bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting
betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden
opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor,
maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar,
die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz.,
uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen,
daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan
tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan
de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten
[1199].
De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den
landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch
Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse
Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede
in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden
opgegeven, enz. [1200]. De benoeming van een bekend Landbouwkundige,
den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen,
wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur, den 27sten April
1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van
den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie;
men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.
Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere
Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden
de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren
werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en
afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden [1201]:
in het kort Suriname ging niet vooruit.
Tijdens het bestuur van Cantz'laar werden nadere voorzieningen
gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan
deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia,
aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend
gemaakt. [1202]
Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering
maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende" het overbrengen
der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette
plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als
zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd,
dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw,
valsche opgaven deden, met den dood zouden worden gestraft [1203].
In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres,
benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre van Brazilië door den
Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog,
de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig
en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis
uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren
dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15
jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman,
ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren [1204].
Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige
verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den
5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden,
en 134 kinderen met prijzen beschonken.
Cantz'laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie
te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen
en achtenswaardig karakter, bezield met eene warme zucht voor
regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote
toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en
verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten [1205].
Cantz'laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit
hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de
voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron
van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed
hij.
Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal
ad interim het bestuur op zich [1206]; terwijl hij, op aandrang van
sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832,
definitief tot die betrekking werd benoemd [1207].
Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank,
door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname
ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering,
die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten
staat bevond, om den wensch der kolonisten naar voorziening in deze
te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde
gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en
de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was,
maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling
der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.
Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname
onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de
toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.
Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur
werden door de adressanten aangewezen, als:
1o. het aangenomen stelsel, dat de koloniën geheel en al zich zelven
moesten onderhouden;
2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische
bezittingen onder één Gouvernement-Generaal, voor zoo verre daarmede
verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere
te verleenen had;
3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;
4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen,
ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter
verdediging en bescherming der kolonie; en
5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene
plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en
familie's gewijze te verkoopen.
Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen,
wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname
ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter
ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote
voordeelen van de kolonie, »het moest" zoo redeneerden de adressanten:
»wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die
een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te
voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten
van de verdediging der kolonie door de West-Indische Maatschappij
gedragen moest worden [1208]; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu
nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der
civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde
den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty) [1209];
de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie
niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten."
En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral
de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der
Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het
katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading
der Nederlandsche markten van vreemde suiker [1210], de Melassie door
een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de
administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der
gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene
plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van
genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat de Koloniën zich zelven
moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was
zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten
der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname
geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten
gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna
verdubbeld; de landstaxen of akkergelden, de uitgaande regten
op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare
Noord-Amerikaansche provisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren
aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827
het patentregt en in 1829 het regt van successie; terwijl slechts de
geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à
f 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten
en inkomsten die jaarlijks ongeveer f 60,000 opbragt, en die het
minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.
En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij
1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd,
een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde
zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen
tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd
alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829,
ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11
pCt. uitgaand regt moest betalen.
De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het
Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt
zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot
verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af
te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk:
de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald
voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars
dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan
genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein
van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert
1827 niet langer geoorloofd.
En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen
en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de
kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning
der W.-I. eilanden zich zelve niet onderhouden [1211], en bleek dit
uit hetgeen door rekwestranten als het 4de der hoofdbezwaren was
aangewezen, de ongenoegzaamheid der militaire magt, waardoor het
Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers,
bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren
en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot
verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten
gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het
lot der slaven benijdingswaard? was. [1212]
De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dier desertiën,
de openbaarmaking door den druk, en de wijze der redactie van het
117 artikel van het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd
begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu
vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de
koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus
ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden
kunnen maken, zoo zij niet uiterst voorzigtig werden opgesteld.
Over het 5de hoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne
toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen,
of dezelve partieel en familie's gewijze te verkoopen, waren de
rekwestranten vooral uitvoerig.
Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was
en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen,
en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk,
niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met
de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken
eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en
de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan
eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt [1213].
Omtrent het noodzakelijke van partieelen verkoop werd door
rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet
konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst en de thans
ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het
onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van
de geweldadige verscheuring van familiebanden, van de mogelijkheid
dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou
worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de
suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet
gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks
hunne belangen betrof.
Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig
voor de adressanten.
Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te
Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:
Artikel 1 a. Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het
uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene
gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat
regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde,
zonder meer;
b. dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming
der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de
amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.
Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem
van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen
van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het
beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene
andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke
volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.
Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der
Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen
van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin [1214].
Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal
luide aangeheven klagten over verwaarloozing door het Nederlandsche
Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche
regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der
rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen
der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel
2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op
ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde
reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang
achterwege.
Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven
werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832
in werking gebragt [1215]. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14
jaren moest f 500, en beneden de 14 jaren f 300 als borgtogt door
den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot
armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest
het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap
was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke
en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid
onder voogdij van zijns vroegeren meesters.
In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders
eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus,
die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren
[1216].
Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere
ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September
1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der
stad Paramaribo verwoeste.
Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot
gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande
perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde
Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande
terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij-
en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden
Breestraat, waar de brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den
nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk
gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede
sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen
aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden
Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen,
op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en
pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen;
de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar
verkeerende, bleef echter bewaard.
Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar
beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker
driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen
geleden werd op f 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had
men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen
ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in
aanmerking neemt.
De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes
Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle
vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de
belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid
en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het
drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen,
in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer,
loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles
gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene
ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der
vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd
wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart
rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt;
wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en
een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden,
over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, die dezelve niet
alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op
afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels
gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig
aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.
De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een
te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het
afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken
van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den
brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij,
ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare
stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes
hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg
bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich
de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de
dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de
onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan,
ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge
van dezen brand, welke collecte de som van f 3,843.10 heeft opgebragt.
In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een
noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter
kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand
werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon
men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het
spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie
uit, waarbij eene premie van f 5000 voor elken vrijen persoon en den
vrijdom, benevens eene premie van f 2000 voor en ten behoeve van elken
slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven
of opspoorden en in handen der justitie overleverden.
Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier
jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees
voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst
bij eene vrije negerin Peggie genaamd, had bij het verkoopen van
door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2 1/2 cent
te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde
hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud,
die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson,
rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent)
verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij
in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden
zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in
gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een
ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.
In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een
onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten,
om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.
De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren
in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel
was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet
wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood
gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen
het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto,
die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch
had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In
het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers
gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.
De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf
wegens het verlies van eenige weinige centen.
Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de
schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen
hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de
Negerslaven in de kolonie Suriname," een en ander reeds uitvoerig
behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent,
soms met zijne eigen woorden, over.
Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen
door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou
gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden;
de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld
en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die
allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken,
tot dwangarbeid zouden worden verwezen.
Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend
genoeg was, en in naam des Konings regt doende, veroordeelde het Cojo,
Mentor en Present levend te worden verbrand; Winst en Tom te hangen
en de overige strengelijk met tamarinde-roeden te doen geeselen,
in bandietenboeijen te klinken, enz.
Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe
van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons
van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het
menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel
der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder
voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen,
in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk
wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.
Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te
bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo
spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur
bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting
zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken,
25 jaren [1217]. De herbouw der Luthersche kerk werd door den
Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van f 28,500 aangenomen;
die der Hervormde Gemeente voor f 55,000; beide Gemeenten werden door
aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe
in staat gesteld [1218].
In den nacht van den 17den op den 18den Mei deszelfden jaars
1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district
Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim f 70,000
geschat [1219].
De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande
verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie
gevoelen. Het den 2den Januarij 1833 op alle Nederlandsche schepen,
uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden
jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en,
terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd
en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer
ook de levensmiddelen schaarsch en duur [1220].
De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden
der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad
Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen
van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen,
die zij zich daarbij hadden getroost [1221].
Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij
onderscheidene publicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt
betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de
duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met
de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men
een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging
ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald,
dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in
1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen
daaromtrent werd vervangen.
Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer
gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren, waarvan sommige
weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge
belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen,
ordonnantiën en publicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd,
als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een
Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus
vastgesteld en den 3den December 1832 in de Kolonie gepubliceerd
[1222].
Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer
gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging
maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk,
en--hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden
magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer
vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement
niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden,
dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel
die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet,
of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het
misbruik aanleiding gegeven.
Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger,
het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der
regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou
zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur van Finantiën
(nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal van Finantiën) en uit
zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den
Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie
van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer
invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den
Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende
magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van
het vroegere Hof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts
in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.
»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den
Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren
en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van
denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke
tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden
voorgedragen" (art. 10).
»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen
Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt,
daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend,
door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur
over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).
Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:
»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere
gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd,
zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de
verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig
regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken."
»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge
Overheid zal waarnemen, zal de plano en buiten figuur van proces dit
onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als
waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn" (art. 47). Als
zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende,
uitvoerende en regterlijke magt [1223].
De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshof der
kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden,
allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die
hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier
en een Adjunct-Griffier.
De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger
aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande
uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden,
geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks
door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche
benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal)
eenigermate invloed op de regterlijke uit.
Het beheer der Finantiën bleef, als vroeger, onder oppertoezigt van
den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel
van Administrateur van Finantiën voerde.
Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en de Commissiën
tot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer,
vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene
Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden
van het Geregtshof [1224].
De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het
Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren
en de pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een
persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.
Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie
van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan
hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking
van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking
tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van het
Collegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de
Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur [1225].
Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt
genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want
aan de eene zijde, bepaalden de wetgevers (in betrekkelijken zin
toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve,
hetgeen zij aan den anderen kant, als uitvoerders (Heemraden) moesten
uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingen
uitleggen, beperken of uitbreiden naar mate hun gezag of belang zulks
vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe
Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier
duidelijk den invloed van de reactionaire partij.
Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel
117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris
voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der
slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De
slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale
regering aanbevolen" getuigt van halfheid, de 2de alinea van hetzelfde
artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om, voor
zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de
rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden
kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn
bevordelijk te wezen".
De tusschenzin hier door ons cursief gesteld, beneemt immers alle
kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge
Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan
de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid
en regtvaardigheid.
De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen
jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en--al ware het ook dat door
sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge
Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om
de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze
tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in
langen tijd niets.
En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der
kolonie hebben gestrekt. Gestadig vonden desertiën plaats, en in
de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers
aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte
weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen
uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen
vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdere expeditiën
uitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede
Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het;
terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner
vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en
waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte
door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen [1226].
In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd,
en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoener Henriette
Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een
stoomvaartuig, genaamd Willem de Eerste, werd gebouwd en bestemd
voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede
schoener, de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd
[1227].
De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen
veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot
nut der kolonie verstrekten; sommige kolonisten beklaagden er zich
echter over, dat men bij den ongunstigen staat der finantiën te veel
kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel:
verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral
echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote
sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden
besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd,
zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd,
en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834,
voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen
daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale
kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost [1228].
In 1835 genoot Suriname het voorregt van Prins Hendrik der Nederlanden,
destijds Adelborst 1ste klasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam
onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maas
en Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door den kapitein luitenant
ter zee Ferguson, den 24sten Junij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde
in de kolonie tot den 6den Julij.
Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname's ingezetenen
toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige
wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw
gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs
plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was [1229]; ook legde
de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te
Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw) [1230].
Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich
beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder
gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld,
en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over
de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van
Suriname" o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, een
zestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd
hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te
bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op
beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf
tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins,
Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat
de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,"
schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd
worden, was er niet vreemd aan" [1231].
Onderscheidene publicatiën betreffende min of meer belangrijke zaken
werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was
die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager
schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs
moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland, klassikaal
worden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de
Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat,
met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig
erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis
des Nieuwen Testaments alleen des Zaturdags kunnen behandeld worden;
ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot
aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven [1232].
Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement
voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral
mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in vier compagniën,
waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke
schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd
huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde
compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettig huwelijk waren
geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie
waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en
gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.
Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers
regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den
een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch
leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen
onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands
geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen,
en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd,
was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner
ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke
compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige
bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.
Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42
en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel
de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de
Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een
register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige
en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder
afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den
letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaal in overleg
met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij
te organiseren.
Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad
vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats
vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut
der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggende oorlogsschepen
tegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende
gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde
volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden
raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheiden
andere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat
de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone
koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden;
den 18den, 20sten en 21sten Mei werden de staf- en verdere officieren
benoemd of bevestigd [1233].
Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer,
gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde,
grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn
reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van
Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde
Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche
pogingen aan om regt te verkrijgen [1234]; hierdoor is misschien
de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren;
mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in
andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig
getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur
heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van
den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling
gebragt.
Op den 7den Februarij 1836, werd met veel plegtigheid op het
Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar
opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd [1235].
Den 25sten Junij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste
steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw,
waarin de kantoren van den Administrateur van Finantiën, van den
ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine
zaken werden geplaatst [1236].
Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der Nederlandsche Israëlitische
Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd [1237].
In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische
Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut
van het Algemeen gevierd [1238]; omtrent de werkzaamheden van de
Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond,
kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.
In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen
van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een
tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5den Mei van
het volgende jaar van het tooneelgebouw Thalia de eerste steen gelegd
[1239].
Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in
verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer
geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het
ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate
te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het
Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden,
tot een bedrag van f 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het
Moederland te disponeren [1240].
Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar
Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering,
tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter,
Procureur-Generaal [1241].
Van Heeckeren vertrok den 5den Junij eerst naar Curaçao, alwaar hij
reeds den 15den Junij daaraanvolgende overleed [1242].
De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij
Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis [1243].
Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden
eenige publicatiën houdende wijzigingen van sommige reglementen
uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor
één jaar vrijstellen van inkomende regten [1244]; en ook werd namens
de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw
een crediet van f 100,000 verleende [1245].
In den vroegen morgen van den 11den Januarij 1839 werd te Paramaribo
een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld [1246].
Den 7den Julij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant
J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius
Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche
West-Indische bezittingen [1247].
Rijk nam den 16den Julij 1839 het bestuur van de Kanter over [1248];
de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde
en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel
gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den
kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden
verordeningen door Rijk vastgesteld [1249]. De algemeene liquidatie van
het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde
Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels,
met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent
gemaakt, bevorderd [1250].
Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd
den 12den Mei 1840 [1251], en verder verscheidene publicatiën van
min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.
Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegen de prijzen
der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de
slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd
o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien
tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van f 1.20 tot
f 1.50 te brengen [1252]. In het volgend jaar werd de toestand nog
ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs
van f 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen
opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd [1253];
de invoer van slagtvee werd nu voortdurend vrijgesteld en de uitvoer
verboden [1254].
In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de
vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk
ingetrokken [1255].
Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in
1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege
gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor
dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen
vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw
slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan
den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.
Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk
toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer
een reglement tegen dan voor de slaven te zijn. Sedert had men wel
gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog
geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij
in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk
iets moest doen.
Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de
zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement
werd vervaardigd en naar Suriname verzonden; doch onder Rijk evenwel
kwam deze zaak niet tot stand.
Rijk zag een hoog belang in de medewerking van eigenaren en
administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een
brief van den 14den Maart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der
nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen
raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het
oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en
vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te
sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm
zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren
reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.
Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren
te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten,
en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en
administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze
pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen
van een slaven-protector met eenige adjuncten [1256].
Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in
1842 werden over dat ontwerp de consideratiën en advijs gevraagd
van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit
onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch--gelijk
wel te begrijpen was--dit baarde slechts nieuw uitstel [1257]. En
toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er
geschiedden zoo vele wreedheden; men leze daaromtrent de feiten
door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft,
welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge
doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan,
een door den Minister van Koloniën J. G. Baud in de vergadering
der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze
hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor
hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van
Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een
plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn
beheer toevertrouwde slavinnen (waarvan er achttien in het arrest
worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt,
tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde,
waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond
van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen
directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van f 60,51 H. C. en
met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel
zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der
straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde
van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook
niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere
plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en,
op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene
soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling,
waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder
hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten
en verordeningen, inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft
[1258].
Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om
de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij
het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad
om dien slavenbeul weder in eere te stellen. Rijk heeft niet veel in
het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent
het vanggeld (hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen
daaronder zeker niet worden gerekend. Van f 3 tot f 100 premie werden
uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en
voor een doodgeschoten weglooper eene premie van f 10 op het vereischt
bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld
[1259].) Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan
de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit
slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen
voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo
niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen
[1260].
Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio
ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De
Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het
crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst
op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod
tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.
Rijk vaardigde den 16den October 1841 eene publicatie uit, waarbij
straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of
met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het
Buitenland werden afgegeven [1261].
Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor
verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij
het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou
geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere
West-Indische bank.
Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen
heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op
staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die
Administrateuren, die den ontrouwen rentmeester wilden spelen, nu onder
den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want
de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor
onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij
den administrateur van finantiën à pari te escompteren, terwijl zij
van particulieren verscheidene procenten maken konden [1262].
Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De
eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de
Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December
1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen
hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt,
doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit [1263].
In 1839 beproefde men door de uitgave van een tijdschrift »de
Kolonist," toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling
voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch
die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er
van; men moest de verdere uitgave staken.
In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter
voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad
Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden
[1264].
In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia
opgerigt [1265].
Op den 9den Januarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig
stoomschip Clyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen,
en bestemd voor de Brievenmail [1266].
De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7den October
1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt,
en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij
gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede,
den 28sten November 1840, uitgevaardigd den 24sten Maart 1841 [1267].
Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter
verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in
1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement,
met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande
verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was
tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek,
dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van
den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit,
waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde [1268].
Den 31sten Maart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der
betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan
Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal [1269].
Rijk verliet den 5den April daaraanvolgende met de korvet Juno de
Kolonie Suriname [1270].
De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der
Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen
landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien
van f 100 tot f 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of
gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden
in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den
grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten
zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen;
terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen),
van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz. eene
gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende
aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van
hoorn- of rundvee en schapen werden premien van f 100 tot f 500
uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was
zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig
genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in
1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.
Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot
Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch
Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias,
Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Koloniën, laten vallen
en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een
man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig
bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid
en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde
misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven
te verbeteren; hij beproefde dit en--ondervond vele tegenwerking.
Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13den derzelver
maand het bestuur van de Kanter over [1271].
Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige
ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar
standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in
Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij
weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden,
om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het
mogelijk, zoo doende door hem te heerschen, zoo als wel vroeger in
de kolonie had plaats gevonden [1272].
Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het
lot der mishandelde slaven aantrok.
Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de
invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias
als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de
Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek,
een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der
eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het
de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten
terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking
tusschen meester en slaaf.
Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch
ondervond hierbij veel tegenwerking.
Sommige Amsterdamsche kooplieden,--met droefheid vermelden wij dat
hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens
eerbied en achting verdienden, zich bevonden--protesteerden tegen
elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop
hunne goedkeuring te hebben verleend; zij achtten wijzigingen zonder
die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten
het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen
te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.
Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd
daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die
Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En
echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en
administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan;
zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig
zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor
de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat
de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784,
reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in
1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus--zoo als ze somwijlen
werd uitgeoefend--onwettig was; terwijl hij anderdeels, na eenige
ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut
stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet
aan de Administrateurs en Directeurs maar aan onzijdige ambtenaren
moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar
hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde
huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar
tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland,
opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van
zaken zou worden ingelicht.
In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van
Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf
100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage
des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden
toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een
groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom
met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering
dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie
honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een
punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der
Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hij de onmisbare huiselijke
tucht onder de slaven belemmerde.
De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias,
en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege
het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een
Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den
slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk
de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een
negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige
meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich
hier over,--kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel
die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen
hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister van Koloniën,
eene diplomatieke correspondentie tusschen 's Gravenhage en Londen
volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.
Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmenging van
vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd,
dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd
beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden;
er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging
eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de
hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij
op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen
van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had
verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon
tegen Elias zoude moeten institueren.
Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den
Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van
den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in
laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843. [1273]
Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijnde effectieve
leden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart
1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd
was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol
ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd,
èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden
tot ontevredenheid had gegeven.
De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in
zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias
de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder
welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten [1274].
De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van
het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste
plaats ten gevolge van gebeurtenissen te Curaçao uitgevaardigd, werd
mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit
besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen
van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen of
petitiën aan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen
der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk
deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten
werd, om, bij individueel adres, eerst aan den raad en vervolgens
aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door
den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen
[1275].
De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in
Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon
onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias [1276].
De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der
adressanten: dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer
hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond,
en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist,
steunde [1277].
In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche
kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten,
over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die
overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was [1278]; zij wilden
zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen;
doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de
inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijke jurisdictie,
welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder
welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is [1279].
Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den
Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2o
October 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen,
en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister,
als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen [1280].
In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van
den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen
gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in
de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon
en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde
leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer
dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te
voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met
hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten
verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop
der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring: het
reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer [1281].
De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekende
beschuldigingen tegen Elias en zij meende die te vinden in het
volgende:
De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels
naar Nederland werd verboden, trof geen doel en was dadelijk
door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van
staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom
intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes
maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende
dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche
wissels werd genomen, en dat (dit is letterlijk in de notulen
vermeld) het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in
het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening
te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking,
doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement
zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich
andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel
genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.
Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch
Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de
wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die
wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen
Gouverneur-Generaal, à pari escompteren bij de West-Indische bank; een
bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd,
als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu
moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden
ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden
blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven
de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die
intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844
[1282].
Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men
wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner
geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter
schuilde. [1283]
Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een
middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen
wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had,
een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts
op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat
deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke
belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde
van deze laatsten moest men derhalve aantasten.
Er werd eene comparitie belegd; en het kostte den honorairen leden
van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal
administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder
laatstgenoemden bevonden zich een effectief en twee provisioneele leden
van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het
verhandelde een zoogenaamd proces-verbaal uit te brengen [1284].
Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde
onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens,
die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en
men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde
van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan
wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood,
weigerden dit met verachting.
Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister
van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk
èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October
1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren
Penard, H. J. Roux en Pichot l'Espinasse, ongegradueerde leden van het
Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk
besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede, provisioneel de vacante
plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van
Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd
opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest
oorbaar zou achten [1285].
Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en
hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt--en de Amsterdamsche
kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27
November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer,
waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal
en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja,
schennis der grondwet, inbragten.
Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt
en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname
kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette
honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche
kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres
van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname,
Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij
der reactie in het ware licht gesteld [1286].
Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten
omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen
isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten
staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan
in de kolonie eenig nut te stichten--dat die wijze van terug getrokken
te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed
uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van
het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden, botsing en
tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had,
aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege
toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen
van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering
der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen
bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende
oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar
gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.
Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit,
worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de
droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze
van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen
aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de
stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen
tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl
andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten,
daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.
Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke
ziekten, tot het meer geregeld innen van 's Lands belastingen,
ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren
achtereenvolgens uitgevaardigd.
Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot
de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen
was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen,
plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het
Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op 's lands
kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens
het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten
te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.
Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden,
aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.
Bij Koninklijk besluit van 25 Januarij 1843 werd de heer
Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als
voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder
medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te
kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een
dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.
Den 22sten Junij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers,
waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.
De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek
aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde
etablissement van houtvelling Andresa. Eene op die plaats ingesteld
onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur van
Finantiën Leers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte,
om aldaar de vestiging te beproeven.
Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten
aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met
een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig
op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit
in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor
het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed
voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid
door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.
Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo,
regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel,
verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking
ten minste niet groot was.
De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt,
en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling
in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen,
waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude
voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden
gegrondvest. [1287] Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde,
vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14
akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene
slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende
dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden,
te kunnen doen.
Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds
over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd
niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan
ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte
grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene
proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat,
hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde
aan het welslagen der onderneming.
Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig
de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der
gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last
in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene
en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen,
werd nu tot punt van nederzetting bepaald.
In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame
stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50
goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan
ieder f 1000 zoude kosten. De administrateur van finantiën, Leers,
vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en
L. A.) ingediende plannen, een à f 750 en een à f 600, werden om
dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman
Halfhide dit werk opgedragen.
Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige
aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van
bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang
van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij
1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar
te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.
Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van
finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie
verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk
jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te
groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding
tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst
der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen
komen. De heeren van den Brandhoff en Copijn met 50 huisgezinnen
kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men,
dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou
schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het
gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders,
de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden,
zullen wij in het volgende hoofdstuk zien [1288].
De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen
een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij
herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd
voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund
door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen
ten beste der kolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo
begeerd ontslag.
Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit
van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der
vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den
kolonialen Raad werden benoemd [1289]. Z. M. was op voordragt van
den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van
den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid,
daartoe overgegaan; hierdoor hield de provisioneele voorziening,
die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.
Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd de Administratieve
afscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige
Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd
dier afscheiding zou later worden vastgesteld [1290].
Den 21sten April 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Elias een
eervol ontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van
het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger
niet afwachtte, maar reeds den 16den Julij de waarneming der loopende
zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den
Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.
Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten,
doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar
Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij
was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich
niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd,
omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien
hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen
en--Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige
mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe;
zijn bestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne
geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een
ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.
De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche
kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den
gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet
volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren
Baron van Raders, toen gezagvoerder van Curaçao, en die Landvoogd had
reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan
zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten
ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen,
die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die,
welke de zweep en de spaansche bok tot werktuigen heeft, ongehinderd
te kunnen laten bestaan [1291].
In Junij 1845 werden de discussiën over de Surinaamsche aangelegenheden
in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.
Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18den Junij
haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere
Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent
Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is
bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te
beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden)
hadden gedaan.
In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet
nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere
West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt
beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan
den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste
werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakte om
met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen, ten einde de
koloniale administratie, des noods uit 's Rijks middelen in staat te
stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan
de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.
Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de
meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels
van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen
genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen
en vervolgens den koning aangeboden.
Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden
beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:
a. eene vordering van f 647,212.7 1/3 ten laste van Suriname, wegens
nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor
die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837-1842, toen Suriname
heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst
eene subsidie ontving;
b. eene vordering als voren van f 35,156.53 waarmede het aan de kolonie
Suriname in 1844 verleende subsidie van f 150,000 was overschreden
geworden [1292].
Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische
bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd
door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders
zijn uitgevoerd.