TWEEDE HOOFDSTUK.

Van de optrede van P. H. Cantz'laar als Gouverneur-generaal der

Nederlandsche West-Indische bezittingen (1828) tot de aftreding

van B. J. Elias (1845).

De Nederlandsche regering--de voortreffelijke Elout was toenmaals

Minister voor de Marine en Koloniën en zijn invloed strekte steeds ten

goede voor 's Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen--verlangde

door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar

Nederlandsch West-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen

te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest

werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren

en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der

kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.

Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.

Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest,

zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium

deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de

landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der

eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting

en eene productie te scheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon

slechts dit kwaad doen verminderen. Verder--eene onafhankelijke

regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de

wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele

misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke

magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland

in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen

lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch

bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed

man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder

vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd,

oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij

had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt

en verguisd.

Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche

bevolking was geen voorwerp van 's lands zorg. Het vooroordeel

tegen kleurlingen en joden was in volle kracht. Het huwelijk onder

de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles

hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven

te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig

belang der kolonie vorderde het.

De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende

behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en

verbeteringen aan te brengen enz.,--zij zond daartoe van den Bosch

in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote

magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op

zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte

de hem verleende magt ten goede der kolonie.

Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij

goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf

in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel

op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven;

terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.

Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van

een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche

West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en,

reeds den 21sten Julij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie

uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en

bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende,

in werking zouden komen.

Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge

regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden

onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal

gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk

geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door

P. R. Cantz'laar, op den 20sten Mei 1828.

Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den

Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid,

terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd

den 22sten Julij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor

hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.

In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het

beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden

echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden

ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit

eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan

zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als:

de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal der Financiën, de

Commissaris-Generaal voor 's Rijks domeinen en de Commissaris voor

de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens

belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke

zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie,

benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname,

konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen,

wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk

werd geoordeeld, worden opgeroepen om als adviserende leden aan de

beraadslagingen deel te nemen.

De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad

worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders

op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en

gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest

dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende

gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen,

onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter

onmiddellijk kennis moest worden gegeven.

In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen

worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene

beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande,

en voor 's Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale

verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar

zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.

Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur

moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal

in Rade.

Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt

vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan

afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De

regtspleging wordt," zoo luidde artikel 40 en 41 van het

Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele

Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president,

die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee

leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te

zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de

regterlijke collegiën in Suriname wordt uitgeoefend door of namens

den Procureur-Generaal."

Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in

de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven

gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis,

of eene boete van meer dan f 200 of, voor zoo verre slaven aanging,

met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden

achtervolgd.

Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de

regtbank van kleine zaken.

Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van

Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te

wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier

assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De

President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te

kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk,

doch niet volstrekt noodig geacht.

Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den

Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in

artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der

regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor

het overige eenigen invloed op de deliberatie der Regterlijke Collegiën

kunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt

spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie

zullen vermeenen te behooren."

Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den

Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en

Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement

in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging,

de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en

scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en

den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.

Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de

ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen

en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de

administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers,

Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen,

Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk

of Gemeentebestuur.

Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, twee Wethouders

en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen

en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district

twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie

enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het

Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen,

tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.

Omtrent de finantiën werd bepaald, dat ten behoeve van het

algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of 's

landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten,

zouden worden geheven. Het beheer der Algemeene Finantiën en de

daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den

Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal

van Finantiën. Met het oppertoezigt over 's Rijksdomeinen, als: 's

Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen,

werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal

belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt

ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven

daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke

zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de

Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking

werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij

bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven;

terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten

aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.

Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven

te brengen.

Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens

instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven

verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement,

nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten

alleen als zaken en niet als personen werden beschouwd. Genoemd

artikel luidt:

»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreft

in betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan als

onmondigen tot hunne Kurators of Voogden, aan welke wel het regt

verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen,

doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt

zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen,

striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig

beginsel, dat zij in regten alleen als zaken en niet als personen

kunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft."

Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen

van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de

eischen van den tijd voldeed, als zijnde:

1o. te streng voor den slaaf;

Geschiedenis van Suriname · 第 37 / 86 题