des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der
slavernij in Britsch koloniën werd gevolgd, te schrijven; wij willen
ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze
maatregel in Suriname teweeg bragt.
Bij Parlements-acte van 23 Mei 1806 was bepaald, dat jaarlijks geen
grooter aantal slaven, ter vermeerdering of aanvulling der magten,
mogt worden ingevoerd, dan hoogstens drie voor ieder honderdtal,
reeds in de kolonie aanwezig. Hughes handelde overeenkomstig deze
verordening. In 1806 verleende hij vergunning tot den aanvoer van
987 slaven [1029]; in 1807 tot een getal van 467 [1030].
In Suriname was men over deze beperking zeer ontevreden; men wendde
zich daarom bij herhaling tot den Luitenant-Gouverneur, en toen dit
bleek vergeefs te zijn, door tusschenkomst van Engelsche agenten,
aan de Britsche regering. Zekere Simon Cock te Londen, agent van
Melville in Suriname, leverde een verzoekschrift aan het Britsche
Gouvernement in; hij uitte daarin de meening, dat indien deze maatregel
werd doorgezet, de kolonie, in plaats in bloei toe te nemen, onder
het Britsch bestuur, belangrijk zou achter uitgaan. Melville had, ten
bewijze van de noodzakelijkheid van een ruimeren aanvoer van slaven,
o. a. aan Cock gemeld, dat er, op verscheidene plantaadjes vooral
een groot gebrek aan vrouwen was, daar er zich soms honderd mannen
tegen slechts vijf vrouwen bevonden [1031].
Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid
blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur
over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over,
of de slavenmagten alzoo moesten afnemen, zoo men door nieuwen invoer
hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding
tot gruwelen van allerlei aard.
De meermalen herhaalde verzoeken, om opheffing der beperking van den
slavenhandel, werden niet toegestaan. Integendeel, in December 1807
ontving men in Suriname de Parlements-acte betreffende de geheele
afschaffing van den slavenhandel, welke met 1 Januarij 1808, in
werking zoude komen [1032].
De eischen van godsdienst en menschelijkheid hadden over die van
zelfzucht en eigenbelang gezegevierd: Engeland had den eersten stap op
den goeden weg gedaan, die weldra door de andere Europesche mogendheden
werd nagevolgd; en--hoezeer men zich in Suriname over dien maatregel
beklaagde--men was genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Men
deed dit echter noode en trachtte nu zich door den sluikhandel in
slaven schadeloos te stellen, en alzoo werden nog jaarlijks vele dier
ongelukkigen ingevoerd. Vooral werd die sluikhandel in het district
Saramacca gedreven. Reeds vroeger was de aanmerking gemaakt, dat door
de onder Friderici plaats gehad hebbende uitgifte van gronden ter
cultivatie, die in genoemd district gelegen waren en het dientengevolge
omhakken der bosschen aan den zeekant, de verdediging der kolonie
moeijelijk was geworden, omdat de vijand daar landingsplaatsen kon
vinden. Bleef dit echter moeijelijk voor zware oorlogsschepen, ligtere
vaartuigen, en men bezigde na de afschaffing des slavenhandels, kleine
doch snelvarende schepen, om de slaven ter sluik in te voeren, konden
er hunne lading meermalen ongehinderd aan wal brengen. Zelfs spreekt
men van kanalen, die opzettelijk tot dit doel zijn gegraven. Om deze
kwade praktijken tegen te gaan verbood Hughes, bij proclamatie, de
verdere cultivering dezer gronden [1033]. En toch niettegenstaande
al deze voorzorgsmaatregelen begroot men het getal der slaven, die
jaarlijks ter sluik werden ingevoerd, op duizend.
Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die
de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps
negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo
veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van
het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten
voor de overvallen en strooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook
nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit
corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo
algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd,
dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid
was nimmer getwijfeld.
Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt:
»Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie,
bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren,
een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje
(allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door
eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch
zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar,
dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen
is bijna onmogelijk."
Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30
man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen
gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van
de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden--en dan wie
wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van
de post Armina bleef gegrond te zijn.
De revolterende Negerjagers kwamen aan gezegde post; het aldaar
gestationeerd detachement vereenigde zich met hen, de aanwezige
blanken, de officieren en chirurgijn werden vermoord; een ander
detachement aan de post Mapane revolteerde mede en trok zich in
de bosschen terug; de officieren en de sergeant ontsnapten echter
gelukkig. Het geheele getal der oproerlingen bedroeg nu tusschen de
zestig en zeventig zielen. [1034]
De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister. Er
schijnt geene voorafgaande muiterij te hebben plaats gehad, doch
het plan tot den opstand was reeds gevormd toen de Majoor Gordon de
Negerjagers op de Brandwacht, lang vóór de komst der Britsche troepen,
commandeerde. Of de zucht naar geheele onafhankelijkheid hen tot
deze daad heeft bewogen; of dat zij in den laatsten tijd minder goed
behandeld waren, hetgeen het Britsche Gouvernement waarschijnlijk
achtte [1035], en zij, daarover wrevelig, tot opstand overgingen;
of dat, gelijk door sommigen beweerd werd, de planters, voor hooge
prijzen, slaven aan het vrijcorps hadden afgestaan, die door hun
oproerigen aard reeds op de plantaadjes gevaarlijk waren, wagen wij
niet te beslissen. Misschien wel hebben al deze genoemde oorzaken in
meerdere en mindere mate hiertoe medegewerkt. Hoe dit dan ook ware,
het was een onrustbarend feit; want--het corps dat, vóór den opstand,
uit 20 onder-officieren en 336 manschappen bestond, werd hierdoor
aanmerkelijk verzwakt, en men voelde vrees omtrent de getrouwheid
der overigen. Die vrees, ofschoon niet ongegrond, werd echter niet
verwezenlijkt: de opstand breidde zich niet verder uit. Hughes nam
evenwel de voorzorg, om op de posten bij het Cordon, die tot hiertoe
alleen aan de Negerjagers waren toevertrouwd, ook andere soldaten
te plaatsen en--sedert was daar, gedurende het Engelsch bestuur,
eene vrij sterke militaire magt aanwezig.
Een ander bezwaar was:
Zeventig à tachtig goed gewapende negers, met de wijze van krijgvoeren
in de bosschen bekend, stonden vijandig tegen de blanke bevolking
over; zij vereenigden zich met de Bonni-negers en deden de kolonisten
door rooven en plunderen en wegvoeren van slaven, in gestadige angst
leven. Zij waren stoutmoedig genoeg: want in November vielen de
opstandelingen en een groot aantal Bonni-negers, de nu door soldaten
bezette post Armina aan; doch door het dapper gedrag der bezetting
werden zij, na een hardnekkig gevecht, genoodzaakt af te trekken
[1036].
Men beproefde om hen in hunne schuilhoeken te vervolgen, doch
nutteloos. Hughes begaf zich in persoon naar Armina, ten einde het
terrein te verkennen en daarna maatregelen te nemen; hij zag echter
de onmogelijkheid in, om met eenige hoop op goed slagen, dieper de
bosschen in te dringen en hij moest onverrigter zake terug keeren
[1037].
Later vielen vier der oproerlingen den blanken in handen; list vermogt
meer dan geweld. Een plantaadje-slaaf was door de muiters met geweld
van zijne plantaadje gesleept, en werd hard door hen behandeld. Streng
bewaakt, was het hem onmogelijk te ontsnappen, totdat zich eindelijk
eene gelegenheid opdeed, om uit hunne magt te geraken, welke hij gretig
aangreep. De muiters verlangden vrouwen te bezitten, en hun gevangene
verhaalde hun nu, dat hij, op de plantaadje zijns meesters eene
zuster en twee nichten had, die zich ongetwijfeld zouden verheugen,
als zij bij de geheel vrije negerjagers mogten wonen; doch zij hadden
geene gelegenheid om van haren meester te ontvlugten. Hij deed hen
daarop een voorslag dien zij eerst mistrouwden, daarna bespraken, en
eindelijk besloten ten uitvoer te leggen. Na eene sterke bedreiging
van den plantaadje-slaaf, dat zij hem, bij het geringste blijk van
verraad, zouden dooden, werden vier man, behoorlijk gewapend, met hem
afgezonden, om de bedoelde vrouwen te halen. In eene boot voeren zij de
rivier af en naderden weldra de plantaadje; voor het aan wal stappen
maakte de slaaf hen opmerkzaam, dat zij, indien zij soms met hunne
wapenen werden gezien, gevaar liepen ontdekt te worden, waarom hij hun
raadde de geweren achter te laten. De negerjagers luisterden naar dezen
raad, stapten in den avond aan wal, gingen naar de plantaadje en vonden
daar in eene hut de drie meisjes. De plantaadje-neger wist heimelijk
zijn voornemen aan haar bekend te maken, waarop zij schijnbaar zich
genegen betoonden om mede te gaan. De vier jagers dachten nu hun doel
bereikt te hebben; in blijdschap hierover vergaten zij alle gevaar,
dronken de aangebodene rum en werden vrolijk. Toen zij door de in
groote hoeveelheid gebruikte rum beneveld, niet meer wisten wat er
omging, liep de slaaf haastig tot zijn meester en deelde hem deze zaak
mede. De hut werd omsingeld, de vier negerjagers overrompeld, gebonden
en naar Paramaribo gebragt. Hier werden zij scherp ondervraagd, en
bekenden, dat de muiters hulp van de Aucaners hadden genoten, die ook
hadden gezworen, hen niet te zullen verraden. Een hunner stierf in de
gevangenis; de drie overgeblevenen werden den 20sten December 1806
ter dood gebragt. Het Hof van Policie had er sterk op aangedrongen,
dat de straf van radbraken op hen werd toegepast; doch Hughes wilde
deze barbaarsche straf niet doen uitvoeren. Zij werden dus gehangen,
daarna onthoofd en hunne ligchamen verbrand. [1038]
Gelijk wij reeds op bladz. 522 hebben aangemerkt, was het eigenlijke
hoofdkwartier der Britsche magt in West-Indië te Barbados gevestigd;
zoodat de gouverneurs der andere koloniën zich bij belangrijke
zaken, als verlangde versterking der krijgsmagt, enz., zich tot
den te Barbados residerenden opperbevelhebber moesten wenden,
terwijl aan officieren van minderen rang, onder de respectieve
Gouverneurs in iedere kolonie het gezag over de aanwezige militairen
werd opgedragen. Voor Suriname echter werd, in het begin van 1806,
een hoofdofficier de Majoor-Generaal Archer benoemd, om het bevel
over de krijgsmagt aldaar te voeren. Hughes stelde dientengevolge
op de vergadering van het Hof van Policie voor, om dien onlangs in
de kolonie gearriveerden officier, overeenkomstig zijn hoogen rang,
eene toelage uit de koloniale kas te verstrekken; in welk voorstel
werd toegestemd, en de jaarlijksche toelage op f 12,000 bepaald. [1039]
Archer dankte per missive voor deze gracieuse toezegging; doch kon
echter zijne teleurstelling niet ontveinzen, die hij bij zijne komst in
Suriname had ondervonden. Hij was namelijk gekomen in de verwachting
van zoowel het burgerlijk als het militaire bestuur op zich te nemen,
en zag nu zijn werkkring alleen tot het laatste bepaald. Archer deelde
in zijnen brief daaromtrent het een en ander mede: »Sir Charles Green",
zoo schrijft hij: »had verlof aan Z. M. gevraagd, om naar Europa terug
te keeren; Hughes had hetzelfde verzoek gedaan. Ik was toen bij den
staf in Ierland; een vriend van mij en van Hughes stelde mij voor, om,
bij het openvallen der betrekking, van Gouverneur waarin ik nuttig kon
zijn, hiernaar te dingen. De hoop waarlijk nuttig te kunnen zijn, was
de reden en de reden alleen, waarom ik aanbood, om in een tropisch
element te dienen, ik wendde mij dus tot den opperbevelhebber,
en Z. K. H. was zoo vriendelijk, om zijnen secretaris een brief
over deze zaak te dicteren aan den Bevelhebber der Britsche magt in
W. I. William Meyers. Het is van algemeene bekendheid, dat deze heer,
sedert door Beckwitz vervangen, mij voor de kolonie Suriname wenschte
en reeds was er bevel gegeven, dat hetzelfde vaartuig dat mij zou
overbrengen den Brigadier Generaal Hughes zou terugvoeren." Daar
Archer dus zeer teleurgesteld was, verzocht hij de Britsche regering
naar Europa terug te mogen keeren. [1040]
Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het
schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze
met elkander verkeerden.
De voorname aanleiding hiertoe was het volgende. Volgens gewoonte
hadden de afstraffingen der slaven, met Spaansche bokken, plaats
op het plein van het fort Zeelandia, waar zich tevens het Militaire
Hoofdkwartier bevond. Reeds onder het Protectoraat (1799-1801) hadden
de Britsche krijgslieden zich beklaagd over: »het bijna dagelijks
voorkomende spektakel, als zeer onaangenaam en rebutant." Friderici
had toen aan het Hof voorgesteld om deze straf af te schaffen of op
eene andere plaats te doen executeren [1041]; doch daar de Engelschen
kort daarop de kolonie verlieten, was noch het een noch het ander
geschied, en nog, bijna dagelijks, werden die wreede barbaarsche
straffen op dezelfde plaats den armen slaven toegediend. De Engelsche
officieren en soldaten waren hierover zeer verontwaardigd, en een
hunner kapitein Cramstown schreef een brief aan Archer, uit aller
naam, waarin hij o.a. getuigde, dat dergelijke strafoefeningen
niet slechts tegen alle menschelijkheid streden, maar dat ook de
kreeten der ongelukkige wezens, gedurende hunne pijniging geslaakt
(the cries of these poor wretches, suffering torture) de soldaten in
de vervulling hunner pligten hinderden. [1042]
Archer deelde dezelfde overtuiging en verzocht daarom aan Hughes,
dat hij bevel zou geven, om de kastijding der slaven niet langer op
het hoofdkwartier van Z. B. M. troepen te doen plaats vinden: daar
het menschelijk gevoel er tegen opkwam en het de Britsche vlag, onder
welker bescherming zoo iets gebeurde, onteerde, enz. [1043]. Aangezien
Archer geen dadelijk antwoord daarop ontving, wendde hij zich na
eenige dagen opnieuw tot Hughes, met herhaling van het vorige verzoek
[1044]. Hughes berigtte hem toen, dat hij zijne brieven en die van
kapitein Cramstown aan het Hof overgelegd en de inhoud daarvan aan den
Fiscaal had medegedeeld en het antwoord daarop afwachtte [1045]. De
Fiscaal antwoordde reeds den volgenden dag. Hij rekende zich zeer
beleedigd over de woorden in Cramstown's brief »the cries of these poor
wretches suffering torture;" daar die woorden eene beschuldiging tegen
hem Fiscaal inhielden, als of hij torture (pijniging) toe liet. Verder
verklaarde hij, dat Zeelandia de geschikste plaats voor dergelijke
afstraffingen was, daar men er ook tevens de gevangenis had; dat men
het sedert onheugelijke jaren alzoo gewend was, en dat het tevens
een regt der ingezetenen was hunne slaven daartoe naar het fort te
zenden [1046]. Archer intusschen bleef aanhouden en verweet Hughes,
dat hij van zijne magt geen beter gebruik maakte [1047].
Hughes zond hierop naar Archer copij der Notulen van het Hof der
Policie, gehouden den 22sten Februarij 1806. De leden van het Hof
beschouwden deze daad van Archer als eene poging tot verkrachting
der wetten, die zelfs door den Souverein waren bekrachtigd; overigens
kwam hunne beschouwing met die van den Raad-Fiscaal overeen [1048].
Archer verdedigde zich tegen de aantijging als of hij gepoogd had, de
door zijnen Souverein bekrachtigd koloniale wetten, te verkrachten;
tevens beschuldigde hij Hughes van zwakheid en inconsequentie, daar
hij wel op eigen gezag belastingen had durven uitschrijven en toch
niet een zoo groot kwaad durfde tegen te gaan. Om de bewering dat
die straf geene pijniging was te logenstraffen, beschreef hij in
gloeijende kleuren, het toedienen eener zoogenaamde spaansche bok;
welke beschrijving, hoe waar ook, wij nogtans om het gevoel onzer
lezers te sparen, achterwege laten. »Niet naar evenredigheid der
misdaad van den gestrafte" eindigt hij zijn brief, »maar naar de
door den meester betaalde som, worden meer of minder hevige slagen
of een meer of min groot getal toegediend. Met het Hof of met den
Fiscaal heb ik niets te maken; alleen met u en ik verzoek u hierover
naar Engeland te schrijven of anders zal ik het doen" [1049]. Hughes
antwoordde slechts, dat hij zijn brief had ontvangen [1050]; een later
door Archer begeerd mondgesprek werd hem afgewezen, op grond, dat hij
in zijn karakter als militair en als Luitenant-Generaal was beleedigd
geworden. Hughes zond de onderscheidene documenten, betreffende
deze naar Beckwitz; hij beklaagde zich zeer over den trotsheid en
onhandelbaarheid van Archer, die met ieder kwade vrienden werd, en
verzocht aan Beckwitz om Z. K. H. verder omtrent deze kwestie in te
lichten, opdat Archer niet door eenzijdig verhaal zijn goeden naam
en eere zoude benadeelen [1051]. Archer verliet weldra de kolonie;
de zaken bleven op den ouden voet en de kastijding der slaven op het
fort Zeelandia alzoo voortduren.
Van verschillende zijden rezen klagten over de handelwijze der beambten
van Z. M. Customhouse. Die klagten hielden in, dat zij te hooge
belooningen eischten; dat zij willekeurig de kantooruren verkortten en
indien zij in tusschen-uren de belanghebbenden hielpen, het dubbelde
der gewone som verlangden; en eindelijk, dat zij het den burgers zeer
lastig maakten, door, zonder de wetten der kolonie in acht te nemen, in
de pakhuizen te dringen, ten einde te onderzoeken of er zich sluikwaren
in bevonden. In hoe verre deze klagten gegrond waren is moeijelijk met
zekerheid te bepalen. Omtrent de eerste beschuldiging, beweerden de
ambtenaren van het Customhouse, dat zij hun wettig tarief niet hadden
overschreden; doch, omdat het kaartengeld in waarde was verminderd en
in plaats van f 12,-- voor een pond sterling thans f 24.-- moest worden
betaald, zij volgens dien koers rekenden; de tweede beschuldiging
werd bepaald door hen ontkend en wat de derde betrof, getuigden zij
hiertoe door de noodzakelijkheid om hun pligt te vervullen, te zijn
gedwongen geworden. Omtrent deze laatste beschuldiging werden door
de joden Sanches en Abrahams klagten bij Hughes en bij het Hof van
Policie ingeleverd. Cameron, de hoofdambtenaar bij Z. M. Customhouse,
was met eenige lieden bij het pakhuis van Sanches gekomen, en had den
eigenaar verzocht, hetzelve te mogen onderzoeken, daar hij vermoedde,
dat er gesmokkelde goederen in waren. Sanches erkende hem niet in zijne
functie en weigerde dus het verzoek toe te staan. Cameron trok hierop
een dolk en herhaalde met hooge woorden zijn verzoek; Sanches week
op zijne bedreiging terug; vervolgens was »een hoop vreemde lieden"
in het pakhuis gegaan en had 5 kistjes en 5 trossen touw uit het
pakhuis naar het Custom-house vervoerd [1052].
De tweede Fiscaal Lolkens, die provisioneel als eerste fungeerde,
daar Spiering, om redenen van gezondheid zijn ambt had nedergelegd,
trok zich deze zaak aan. Hij vermeende dat Cameron in zijne regten had
ingegrepen, en achtte zich hierdoor beleedigd. Lolkens wendde zich,
per geschrifte, tot Hughes en stelde hem de navolgende vragen voor:
1o. of Cameron en de andere ambtenaren van het Customhouse al of niet
aan de wetten der kolonie onderworpen waren; 2o. of hij (Lolkens)
inzage mogt hebben van de wetten en reglementen voor het Custom-house,
om dienovereenkomstig te kunnen handelen. Verder verlangde hij dat
Hughes Cameron verbieden zou de door hem medegenomen goederen te
verkoopen, totdat de Fiscaal zijn onderzoek volbragt en daarover
rapport had gedaan. [1053]
De door Hughes aan Lolkens daarop verleende inlichtingen kwamen
laatstgenoemden niet genoegzaam voor; terwijl Hughes zijne vragen
niet categorisch, maar eenigzins onbepaald had beantwoord; doch hem
zeer bepaald aan zijnen pligt had herinnerd, om de ambtenaars van 's
konings Customhouse te protecteren. Lolkens diende nu een uitvoerig
rapport bij het Hof in, en verklaarde daarin, dat de tolbeambten zich
meermalen met geweld toegang tot de pakhuizen der ingezetenen hadden
verschaft [1054]. Ook Sanches en Abrahams leverden rekwesten in aan
het Hof en--aldaar onstonden over deze zaak hevige discussiën.
Hughes wilde deze zaak door commissarissen, daartoe door het Britsch
bewind te benoemen, doen onderzoeken; hij zelf was niet te vreden over
de beambten bij het Custom-house[Customhouse] en hij had reeds vroeger
moeijelijkheden met Cameron gehad, bij gelegenheid dat door het Britsch
Gouvernement zekere heer Bollingbroke naar Suriname was gezonden,
om het ambt van vendue-meester te aanvaarden, en Cameron dit officie
niet aan dien heer wilde overgeven [1055]. Hughes vermeende evenwel,
dat Lolkens te ver ging en zijn eerbied voor de Britsche magt te veel
uit het oog verloor, waarom hij hem uit zijn ambt ontsloeg [1056].
Door het Britsch Gouvernement werd vervolgens een onderzoek
ingesteld en hiermede Charles Thesinger, Collector of H. M. Customs
at St. Vincent belast. Het daarover door dien heer (na den dood van
Hughes) ingediend rapport behelsde hoofdzakelijk, dat de klagten
overdreven waren, dat particuliere grieven tusschen Hughes en de
ambtenaren van het Custom-house tot eene onbillijke beoordeeling
der laatsten hadden geleid; dat de Joden verbaasd veel sloken en
streng onderzoek bij hen daarom noodzakelijk maakte; kortom, dat de
ambtenaren van Z. M. tolhuis niet met regt van pligtverzuim konden
worden beschuldigd [1057].
De landbouw en handel gingen tijdens het bestuur van Hughes niet
achteruit. Van 5 Januarij 1807 tot 5 Januarij 1808 werden uitgeklaard:
naar Engeland 31 schepen, naar de Britsche bezittingen op het vaste
land van Amerika 8, naar Britsche West-Indische eilanden 23, naar
de neutrale staten van Amerika 28, te zamen 118 schepen, beladen met
voortbrengselen der kolonie. Bij de levendigheid van de scheepvaart
verloor men wel eens de noodige voorzorg, om steeds bij het convooi
te blijven, uit het oog; zoo werden in September o. a. drie uit de
kolonie vertrokken schepen, tengevolge dier onvoorzigtigheid, door
een Franschen kaper buit gemaakt: een dier schepen, de Neptunes,
had goederen en papieren voor de Britsche regering aan boord [1058].
Hughes intusschen verlangde naar Engeland terug te keeren; hij verzocht
en verkreeg daartoe verlof [1059]; echter heeft hij Engeland niet weder
gezien; daar hij voor zijn vertrek nog in Suriname (27 September 1808)
overleed [1060].
John Wardlau, de bevelhebber van de krijgsmagt nam, tot nadere
beschikking van Z. B. M. het burgerlijk bewind op zich. Gedurende dit
tusschenbestuur, van 27 September 1808 tot 1809, is weinig anders
geboekt, dan dat de planters aan Wardlau eene memorie inleverden;
waarbij zij vergunning verzochten, om--zooals dit reeds aan planters
te Essequebo en Demerary was toestaan--hunne ladingen, onder
een behoorlijk convooi, direct naar Engeland te mogen verzenden,
in plaats van genoodzaakt te worden den omweg te nemen langs de
eilanden onder den wind en St. Kits, die daarenboven gevaarlijker
was [1061]. Echter geschiedde er tijdens dit interims-bestuur een
belangrijk feit, dat wel niet in Suriname voorviel, maar toch voor
genoemde kolonie, vooral voor hare veiligheid niet onbelangrijk was,
namelijk: Cayenne werd door den Franschen bevelhebber, bij verdrag,
aan Z. K. H. den Prins Regent van Portugal, toenmaals Bondgenoot van
Groot-Brittanje en den Britschen vlootvoogd IJko overgegeven.
De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot
de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan,
omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven
de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes,
waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne
strenge reglementen, zie bladz. 537, hadden zeker de gemoederen der
slaven verbitterd).
Hugues stelde o. a. als voorwaarde, dat de negerslaven ontwapend en
naar hunne plantaadjes zouden terug gezonden worden, en dat zij, die
door Z. K. H. den Prins Regent in militaire dienst waren aangenomen
en in vrijheid gesteld, uit de kolonie zouden worden verwijderd,
daar men van het verblijf dezer lieden, voortaan niets dan onrust en
verwarring kon te gemoet zien [1062].
Het Britsche Gouvernement vermeende de bevolking der koloniën Suriname
en Demerary genoegen te doen, door de vacante Gouverneursplaatsen door
Hollanders te doen vervullen. De keuze daartoe viel op de gebroeders
Bentinck, afstammelingen van een oud aanzienlijk en in de geschiedenis
bekend Hollandsch geslacht, die, omdat zij zich niet met de bestaande
orde van zaken in Nederland konden vereenigen, naar Engeland waren
uitgeweken. Baron Henry Bentinck werd tot Gouverneur van Demerary;
Baron Charles Bentinck werd tot Gouverneur van Suriname benoemd,
en zij vertrokken, ter aanvaarding hunner betrekking in April 1809
uit Engeland. Baron Charles Bentinck arriveerde den 14den Mei 1809 te
Paramaribo, en werd door John Wardlau, met de meeste vriendelijkheid,
ontvangen. Bentinck vond de kolonie rustig en in de koloniale kassen,
hem door Wardlau overgegeven, eene som van f 383,000 [1063].
Met Bentinck kwam mede: een predikant voor de Hervormde Gemeente,
Ds. P. van Esch, die vroeger op Curaçao had gestaan en een Duitsch
Geneesheer Dr. Suppert. De Hervormde Gemeente te Paramaribo was
reeds twee jaren zonder leeraar geweest; de Engelsche Gouverneurs
hadden telkens het verzoek van het Hof van Policie ter voorziening in
dat gemis, aan het Britsche bewind, ondersteund; doch men had niet
spoedig een geschikt persoon hiervoor kunnen vinden. Aan Bentinck,
die er zich te Londen moeite voor gaf, was dit eindelijk gelukt. [1064]
De komst van Ds. van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte,
daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men
hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst
en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd
in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de
bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was
een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland
zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering
bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote
welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de
Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe
zij behooren. De vermeerdering van het personeel der Geneesheeren
door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.
Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte,
zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs
zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging
hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het
oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende
Gouverneurs, bestaat zoo weinige officieele Correspondentie; daarom
moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden
ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door
zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien
niet geheel onpartijdig zijn.
Voor zoo veel wij uit officieele en andere stukken kunnen opmaken,
komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk
het welzijn van Suriname bedoelde.
Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote
toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek
aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk
wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter
goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld,
vermeenen wij, dat buiten twijfel is.
Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek
echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte,
omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.
Bentinck trachtte hen, zoo goed mogelijk, te bevredigen, en drong bij
het Britsch Gouvernement sterk aan, dat weder de gewone uitdeeling
zou plaats vinden; daar hij zonder deze voor het uitbreken van
vijandelijkheden beducht was [1065].
Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman,
Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen
Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den
Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen,
voornamelijk onder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet
meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd
door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr,
welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest;
doch aan wien Hughes nog vóór zijn dood het huis had verboden, en de in
1807 ontslagen, doch sedert op nieuw aangestelde 2de Fiscaal (Lolkens.)
Maxwill deelde verder mede, dat hij stappen had gedaan, ter ontdekking
van een complot tegen Z. M. Deputy-Commissaris-Generaal Alexander,
in welk complot ook Bentinck was gewikkeld. Waarin dat complot
bestond, verhaalde hij niet; maar wel weidde hij veel uit over zijne
gevangenneming, en slechte behandeling in den vunzigen kerker van
het fort Zeelandia.
Of dat complot ergens elders dan in het brein van Maxwill heeft bestaan
hebben wij niet kunnen ontdekken; veeleer komt het ons waarschijnlijk
voor, dat Maxwill den Gouverneur en den Fiscaal had beleedigd en dien
ten gevolge in de gevangenis is geworpen. [1066]
Keizer Napoleon, die zijn meestersstaf toen ook over ons vaderland
zwaaide, had bij het zoogenaamde continentaal stelsel den invoer van
koloniale producten verboden; al die voortbrengselen vervulden dus nu
de markten van Engeland. Ook de Surinaamsche planters consigneerden
hunne producten naar Engeland, waartoe zij verpligt waren. De aan
Hollandsche kooplieden verschuldigde sommen wegens opgenomen gelden
en de intresten daarvan konden dus niet worden betaald; want suiker
enz. kon niet worden verzonden en geld bezat men niet; evenwel werden
door gelastigden der Hollandsche kooplieden sommige personen in
Suriname voor schulden geregterlijk vervolgd. Verscheidene kolonisten
dienden in October 1811 een verzoekschrift in, dat alle vervolgingen,
omtrent schulden aan Hollandsche Kooplieden, zouden worden geschorst,
daar men thans om boven vermelde redenen, toch in de onmogelijkheid
was, om ze te kunnen voldoen. Dit verzoekschrift werd in handen
gesteld van de Reus, Raad-Fiscaal, die er gunstig op adviseerde,
waarna het werd toegestaan. [1067]
De schuldenaars werden hierdoor tijdelijk uit hunnen druk verlost;
doch bij velen was het nu, alsof zij geheel en voor altijd van het
betalen hunner crediteuren vrij waren en--zij rigtten daarnaar hunne
levenswijze en verteringen in en maakten weldra nieuwe schulden bij
de Engelsche handelshuizen, die wederom voorschotten gaven en wel in
ruime mate.
Men baadde zich in overdaad; de verkwisting van sommige kolonisten
kende geen palen; »waarom zou men zuinig zijn?" redeneerden velen:
»men had nu geld genoeg; want men behoefde geene remises naar Nederland
te doen, en Engeland gaf hooge voorschotten."
Zoo redeneerden velen en handelden dien overeenkomstig; zoo leefde
men in begoocheling voort en bedacht niet, dat de in Holland opgenomen
gelden, door de jaarlijksche renten aanmerkelijk grooter werden.
In Suriname leefden velen volgens het ligtzinnig beginsel »après
nous le déluge" zorgeloos voort, en thans vermeenden zij dit te meer
te kunnen doen, daar de landbouw niet achteruit ging; want was wel
door de wet op de afschaffing des slavenhandels de invoer van slaven
verboden, ter sluiks werden genoegzaam negers ingevoerd; men behoefde
dus hunne krachten niet te sparen en de handel zelfs bloeide.
De belangen der Surinamers werden te Londen door Agenten, welke door
het Hof van Policie werden benoemd, getrouw en ijverig behartigd
[1068], en in de kolonie zelve heerschte overal bedrijvigheid, zoodat
ook de mindere klasse ruime verdiensten had.
Ook bestond er vrij algemeen eene goede gezindheid der Engelschen
jegens de Surinaamsche burgers. Tot bewijs daarvan strekt o. a.,
dat de Engelsche officieren tooneelstukken in het gebouw van het
tooneelgezelschap der Joden, de verrezene Phoenix, opvoerden, en
de opbrengst van dergelijke voorstellingen, bezigden, om personen,
die voor schulden in de gevangenis zaten, uit hunnen kerker te
verlossen. Dit doel werd bij de aankondiging der te geven stukken,
bepaaldelijk uitgedrukt, en de voorstellingen werden druk bezocht,
zoodat menigeen de weldadige vruchten daarvan heeft gesmaakt.
De Joden echter werden in den Engelschen tijd vernederd en achteruit
gezet. Zij mogten geene openbare bedieningen waarnemen; ten minste
zij werden er niet toe geroepen.
Bentinck verpligtte de bevolking zeer aan zich, door te bepalen,
dat voor de nieuwe kerk der Hervormde Gemeente, die men te Paramaribo
wilde bouwen en waarvan de kosten op f 300,000 waren begroot, 1/3 dier
kosten uit de Souvereins of 's Konings kas zou worden verstrekt. [1069]
Na deze gunstige toezeggingen van Bentinck, in de vergadering van
het Hof van Policie op 1 Junij 1810, ging men weldra aan het bouwen;
den 26sten Junij 1810 werd de eerste steen gelegd en reeds in 1811
werd de kerk voltooid. Zij werd koepelvormig gebouwd, op acht fraaije
pilaren rustte het dak, verder prijkte zij met een goed orgel; doch
naar derzelve inwendige ruimte of breedte was zij wat te laag. [1070]
Won Bentinck door dergelijke mildheid de liefde der Surinamers,
nog meer steeg zijn aanzien bij hen door het volgende:
Na den opstand van sommige negerjagers was het corps gereorganiseerd,
en ofschoon die nieuwe inrigting van hetzelve vrij wel aan het doel
beantwoordde, waren de kosten voor onderhoud vermeerderd. Volgens
de overeenkomst door Trigge en Hood met Friderici gemaakt, en
sedert niet ingetrokken, moest dit corps uit de koloniale fondsen
worden onderhouden. Reeds tijdens het bestuur van Hughes had men
ondersteuning hiertoe verzocht (zie bladz. 544); doch op die vraag
was geen antwoord gekomen. Het Hof wendde zich nu tot Bentinck en
deze toonde zich niet ongenegen dit verzoek toe te staan, en--in
de vergadering van 30 Augustus 1809--werd door hem aangenomen, om
wat het onderhoud van het vrij-corps jaarlijks meer dan f 600,000
zou kosten, uit 's Konings kas te betalen. Het Hof had gewenscht,
dat de som, door de koloniale kassen te dragen, op slechts f 500,000
werd bepaald; doch nam echter het aanbod van Bentinck dankbaar aan,
onder voorwaarde, dat onder die som van f 600,000 tevens gedeeltelijk
het onderhoud van het cordon, zoude worde begrepen. [1071]
Bentinck beging hier, geheel ter goeder trouw, eene groote
onvoorzigtigheid; want toen men die toezegging had, bekommerde men
er zich niet meer over, hoeveel het onderhoud meer zou kosten. Ruw
werd er met de gelden omgesprongen en alzoo werden de kosten, in het
jaar 1811, tot ongeveer f 1,200,000 opgevoerd. Dit alles kwam echter
eerst na den dood van Bentinck aan het licht.
Bentinck overleed den 8sten November 1811 [1072]; zijn overlijden
werd door de blanke bevolking met droefheid vernomen; de Surinaamsche
couranten vermelden, met lof, zijne regtvaardigheid, zachtmoedigheid en
verdraagzaamheid; en de dankbare burgerij rigtte hem later in de nieuw
gebouwde Hervormde kerk te Paramaribo, een marmeren gedenkteeken op.
De Majoor-Generaal Pinson Bonham aanvaardde voorloopig het bewind,
en werd 30 Mei 1812 definitief tot Gouverneur van Suriname benoemd.
Bonham was een geheel ander man dan Bentinck. Was Bentinck een goed
doch tevens een zwak man, die zich te veel door anderen leiden liet;
Bonham daarentegen bezat kracht, zelfstandigheid en energie. Met een
vaste hand greep hij de teugels van het bestuur en ontzag niemand,
waar hij vermeende dat zijn pligt hem gebood. Hij vond een verwarden
stand van zaken in Suriname; hij wenschte dien te verbeteren èn orde èn
regel in de verschillende takken van bestuur te doen heerschen. Dit
echter was een moeijelijk werk; de tegenstand, dien hij daarbij
ondervond, maakte hem soms bitter, en hooghartige trots deed hem
soms de vereischte matiging uit het oog verliezen. Bonham was streng
regtvaardig; hij bezat evenwel een medelijdend hart; want geen der
vorige Gouverneurs trok zich het lot der arme slaven zoo krachtig aan,
als Bonham. Wij zullen hem nu handelend zien optreden en onthouden
ons van verdere aanmerkingen.
Zoodra Bonham het bewind had aanvaard, trachtte hij den wezenlijken
stand van zaken te leeren kennen. Al dadelijk trof hem de slechte
staat der finantiën. In de souvereins- of koningskas bevond zich
slechts: aan papieren geld f 57,055, aan klinkende specie f 7,233,
te zamen f 64,288.10. [1073] Dit geringe saldo in 's konings kas,
noopte hem, om onmiddellijk een streng onderzoek naar de oorzaken
daarvan in te stellen.
Al spoedig zag hij, dat men zijn voorganger met slechten raad
gediend had, waarop hij onmiddellijk de voornaamste raadgevers van
Bentinck, als: De Reus, Raad Fiscaal, en H. L. Meynertzhagen, Raad
Boekhouder-Generaal, uit hunne functien ontsloeg en de heeren Egbert
Veldwijk en Andrew Melville provisioneel in hunne plaats aanstelde.
Bonham ontdekte verder, dat bij ieder departement eene
onbeschrijfelijke wanorde heerschte; bijna zoude men zeggen, dat
de kolonie in staat van bankroet was; de wisselkoers voor een pond
sterling bedroeg f 45 en zoo was alles naar evenredigheid. Dit
moest anders worden. Vooral was men ten opzigte van de uitgaven
voor het vrijcorps op ruwe en verkwistende wijze te werk gegaan. De
administratie was op een veel te omslagtigen en kostbaren voet
ingerigt. Twee en zestig personen waren voor een corps, dat slechts
380 man bedroeg, in onderscheidene betrekkingen geëmploijeerd
en genoten bezoldiging; de Reus alleen ontving als Commissaris
jaarlijks f 30,000. En dan de wijze van administratie! Door de Reus
was met zekeren Cairstairs een contract aangegaan, tot levering van
voedingsmiddelen voor genoemd corps, voor drie maanden a f 200,000;
bij een ander contract was daarenboven aanbesteed: het leveren van
rum en zoutevisch, mede voor drie maanden, voor f 100,000. Bentinck
had te ligtvaardig contracten goedgekeurd, waardoor de kosten tot
onderhoud van het vrijcorps, meer zou hebben bedragen dan de inkomsten
der koloniale en souvereins-kassen te zamen.
Op voorstel van Bonham gaf het Hof als zijn gevoelen te kennen,
dat Bonham niet gehouden was, om de door de Reus met Cairstairs
aangegane contracten gestand te doen. Zij werden dan ook weldra door
den Gouverneur vernietigd. [1074]
Daar er overal verwarring in de koloniale kassen heerschte werd er
eene finantiële commissie, tot nader onderzoek, ingesteld; deze bestond
uit den nieuwen Boekhouder-Generaal en de door het Hof benoemde heeren
Eysma en Friderici. [1075] Uit dit onderzoek bleek weldra, dat er in de
koloniale kas een deficit was van f 535,950.15. Om in de loopende en
volstrekt noodige uitgaven evenwel te voorzien, had men de gelden die
door het bestuur der weeskamer in de koloniale kas waren gedeponeerd,
gebruikt; tevens waren nog vele schulden te betalen. [1076] Bij
de verificatie der rekening van de Reus, als Commissaris van het
jagercorps, werd door den nieuwen Boekhouder-Generaal al dadelijk
een abuis ontdekt van f 23,000, welke som (volgens Bonham) de Reus
in zijn eigen zak (his own pocket) had gestoken. [1077]
Kende Bonham nu den stand der zaken, hij was ook ijverig bedacht
om hierin verbetering te brengen en dit zonder tot het anders zoo
gewone middel, het maken van nieuw kaarten geld, zijne toevlugt te
nemen. In vereeniging met het Hof voerde hij een betere heffing van
de onderscheidene belastingen in; vele onregelmatigheden hielden
hierdoor op en de gewone belastingen bragten nu veel meer op. Verder
maakte hij het den onderscheiden ambtenaren tot pligt, om in al hunne
administratiën eene behoorlijke zuinigheid in acht te nemen; en zoo
nam Bonham voor, de evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven
te herstellen.
Dit voornemen werd met ijver en energie ten uitvoer gelegd, en de
uitkomst bekroonde de verwachting. Reeds in Julij 1813 kon Bonham aan
het Britsch-Gouvernement berigten, dat, bij het einde van 1812, het
deficit in de koloniale kas, groot f 335,950.15, geheel gedekt was; dat
er bovendien in de eerste negen maanden, meer dan f 1,000,000 betaald
was, wegens schulden, tijdens het driejarig bestuur van Bentinck
gemaakt en onbetaald gebleven; en eindelijk, dat er nu, in plaats
van een tekort in de kas, een saldo aanwezig was van f 99,180.16.1
1/2. Omtrent het vrijcorps meldde hij, dat de uitgaven voor hetzelve
in de jaren 1809, 10 en 11, f 490,000 meer beliepen dan de door het
Hof hiervoor gestelde som van f 600,000; en dit aanmerkelijk te kort
door de souvereins-kas was gedekt; dat die uitgaven, zoo de contracten
door de Reus met Cairstairs en anderen gesloten, waren nageleefd,
in 1812 nog oneindig veel grooter zouden zijn geweest; terwijl zij
thans door zijne bezuinigings-maatregelen, nog f 821.13 minder dan de
door het hof toegestane som van f 600,000 hadden bedragen; zoodat uit
de souvereinskas hiertoe geen penning behoefde bijbetaald te worden.
Het batig saldo van de souvereinskas bedroeg bij het einde van 1811
f 85,178.17.3 1/2; in dat jaar waren eraan buitengewone inkomsten
voor eene som van f 187,317.10 ontvangen; daarentegen bevond zich
in genoemde kas, bij het einde van 1812 (het eerste van Bonhams
bestuur) eene som van f 487,213.10.13 1/2, niettegenstaande er ter
reparatie van het Gouvernementshuis alleen f 61,328.83 alleen was
noodig geweest. [1078] De rekening der souvereins en der koloniale
kassen van 1804 tot het einde van 1812 werden, op last van Bonham,
door den Boekhouder-Generaal Melville, in behoorlijke orde opgemaakt
en naar Engeland overgezonden.
De finantiën werden gedurende het bewind van Bonham geregeld en
ordelijk bestuurd; onnoodige uitgaven vermeden en verkwisting tegen
gegaan. Uit 's konings kas werden van tijd tot tijd aanzienlijke
sommen naar het Britsch Gouvernement overgemaakt; in de koloniale
fondsen heerschte evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven; en
er werd geen nieuw kaartengeld uitgegeven; integendeel in 1814 werd
voor f 150,000 vernietigd. Het vertrouwen herleefde en de wisselkoers,
die in 1811 eindelijk tot f 48,10 voor een pond sterling gestegen was,
daalde in korten tijd tot f 25.
De nog door Bentinck (17 October 1811) bevolen volkstelling, zoowel van
slaven als vrijen, werd onder Bonhams bestuur ten einde gebragt. De
origineele staten dezer met groote zorg uitgevoerde volkstelling,
zijn behoorlijk ingebonden in 16 folio deelen en berusten thans op
H. B. M. state-papers-office te Londen. [1079]
Volgens deze volkstelling bestond de Portugesche Israëlitische gemeente
uit 745 blanken en 79 kleurlingen bezittende 824 slaven; de Duitsche
Israëlitische gemeente uit 547 blanken en 16 kleurlingen, bezittende
563 slaven; de Christengemeente uit 737 blanken (2/3 der blanken
waren Joden). Het aantal vrije kleurlingen en negers, zoo Christenen
als Heidenen bedroeg 2980, dus de geheele vrije bevolking 5104;
de particuliere slaven 7115 en de plantaadje-slaven 42,223, met die
der Joden (1387) te zamen 50,725. De geheele bevolking van Suriname,
uitgezonderd de militairen, bedroeg alzoo 55,829 zielen. [1080]
Het predikambt werd bij de Hervormde gemeente bekleed door Ds. P. van
Esch; bij de Luthersche door Ds. J. Koops en de kerkelijke diensten
bij de Roomsch Catholieken waargenomen door een pastoor wiens naam
niet genoemd wordt. Ds. van Esch ontving uit de koloniale kas f 1700,
uit de souvereinskas f 5000; Ds. J. Koops uit eerstgenoemde f 500,
uit de tweede f 500; de R. C. pastoor ontving van zijne gemeente
ongeveer f 12,000.
Verder waren er eenige Moravische zendelingen, die in hunne kapel
elken avond godsdienstoefening hielden, welke altijd vóór 8 ure
was afgeloopen, omdat na dien tijd geen slaaf zich op straat mogt
vertoonen zonder verlofbriefje van zijnen meester [1081]; en de
meeste bezoekers dier kapel behoorden tot den slavenstand. Ook in
de districten bevonden zich eenige zendelingen dier gemeente. Bonham
legt omtrent hen een gunstig getuigenis af. »Zij voorzien geheel in
hunne eigen behoeften. Zij werken met veel zegen; nimmer hoort men
van eenige ongeregeldheden door hen verwekt, of worden klagten tegen
hen vernomen." Hunne gemeente bestond uit 83 vrije negers, 20 vrije
kleurlingen; 526 neger- en 21 kleurlingslaven. [1082]
Sedert de verovering van Suriname door de Engelschen, was er geen
geestelijke (Clergyman), om de dienst, naar de gebruiken der Engelsche
kerk, voor zijne landslieden te houden. Bonham wenschte hierin
voorziening te brengen; hij bragt deze zaak in de vergadering van het
Hof ter sprake, en, na eenige bezwaren, verkreeg hij de toestemming,
om de zaal, boven de vergaderplaats van het Hof, vroeger als Hollandsch
bedehuis gebruikt, voor de godsdienstoefening, volgens de Engelsche
ritus, te gebruiken. Met eene uitgave van 150 pond sterling werd
die zaal voor bedoeld gebruik geschikt gemaakt. Bonham stelde den
Garnizoens-prediker Rev. M. Austin tot Official Clergy-man of the
English congregation in Suriname aan. Austin ontving de bevoegdheid,
om te doopen, huwelijken te sluiten, de lijkdienst voor gestorvenen te
lezen, etc. »Tot dien tijd," schrijft Bonham, »werden de Engelschen in
Suriname als honden, d. i. zonder eenige plegtigheid begraven." Het
Hof stond als tractement voor den Engelschen predikant f 5000 toe;
Bonham voegde uit de souvereinskas er f 5000 bij, dus te zamen f10,000;
dat evenwel bij den toenmaligen wisselkoers niet veel meer dan 250
pond sterling bedroeg [1083].
Onder het bestuur van Bentinck was (3 November 1810) een schip,
bestemd voor de Nickerie, met 21 slaven voor Paramaribo aangekomen. De
beambten aan het customhouse hadden er beslag op gelegd, daar door
dien invoer tegen de wet van de afschaffing des slavenhandels werd
gehandeld. Bentinck kwam echter tusschen beide en verklaarde dit voor
een bijzonder geval, een dat hem bekend was, en de aangebragte slaven
werden in de gevangenis van de fortres Zeelandia opgesloten en bevonden
er zich nog tijdens Bonhams komst aan het bestuur. Bonham vroeg, zoodra
hij hiervan kennis had gekregen, aan het Britsch Gouvernement, hoe in
dit geval te moeten handelen. [1084] Hij ontving hierop tot antwoord,
dat die slaven, als tegen de wet ingevoerd, als vrijen moesten
verschoond en goed behandeld worden; zij konden ook als soldaten
bij het W. I. regiment worden ingedeeld. Bentinck had er niets van
medegedeeld, doch dit was zoo zijne gewoonte. [1085] Bij een nader
onderzoek, door Bonham ingesteld, bleek het dat de bedoelde slaven
beschuldigd waren van op Martinique »met vergif te hebben omgegaan", en
daarom voor eene geringe som waren gekocht door zekeren heer Bent, die
in Suriname eene plantaadje had. Hun getal was tot veertien gedaald;
zij waren oud; verscheidenen onder hen leden aan verlamming; voor de
militaire dienst of voor den arbeid waren ze geheel ongeschikt; ze
vrij te geven was gevaarlijk en niemand wilde ze in huis nemen. »Ik
heb", schrijft Bonham, »regt medelijden met die arme schepsels, en
vind het het beste, om ze naar het etablissement te zenden, waar de
tot dwangarbeid veroordeelde negers zijn; daar kunnen zij behoorlijk
gekleed en gevoed worden en stillekens voortleven." [1086] Het Britsch
Gouvernement was hiermede echter nog niet tevreden en verlangde hunne
geheele in vrijheidstelling, waaraan door Bonham werd voldaan. [1087]
Was Bonham streng regtvaardig, hij bezat echter, zoo als wij reeds
vroeger hebben aangemerkt, een medelijdend hart en trok zich het
lot der verdrukte slaven aan. Telkens vindt men hiervan het bewijs
in zijne uitspraken aan de Britsche regering. Hij was verontwaardigd
over de wreede wijze, waarop sommige kolonisten jegens hunne slaven
te werk gingen.
»Ik heb," schreef hij o. a. aan lord Bathurst, »21 jaren in de
West-Indiën verkeerd, en in iedere kolonie heb ik steeds gehoord, dat
het eene zeer zware straf voor een neger was, om hem aan een planter in
Suriname te verkoopen, en ik bevind nu dat zulks waarheid is." [1088]
»Ik ben nog in geene kolonie geweest, waar de slaven zoo slecht worden
behandeld, zulk slecht voedsel en zulke sobere kleeding ontvangen en
waar zij toch tot zulk een zwaren arbeid, boven hunne krachten worden
genoodzaakt." [1089] Bonham vergenoegde zich echter niet met zijne
verontwaardiging te betuigen, maar nam maatregelen ter verbetering
van het lot dezer ongelukkige wezens (those unfortunate Beings.) Om
willekeurige afstraffingen, ten minste eenigermate tegen te gaan,
vaardigde hij den 14den Mei 1814, de navolgende publicatie uit:
»Een iegelijk word hiermede gewaarschuwd van geen slaven in het
binnen-fort (Zeelandia) te zenden, om gestraft te worden, zonder een
schriftelijke aanklagt van de misdaad aan welke dezelve zich hebben
schuldig gemaakt, aan de cipier over te geven, welke niet verpligt
zal zijn, een eenige slaaf onder zijne bewaring te nemen, zonder zulk
een getuigschrift.
Geen straf zal vermogen uitgeoefend te worden, alvorens zulk
een slaaf 48 uren lang in het binnen-fort gezeten heeft, in dien
tusschentijd moet het bovengemelde getuigschrift aan de heer Fiscaal
worden toegezonden, welke alleen geauthoriseerd is, om de straf te
decideeren welke aan de misdaad is evenreedig. Dezelfde Regulatie
moet in acht genomen worden op het Piquet of Schoutenhuis." [1090]
Ook andere maatregelen door Bonham omtrent deze aangelegenheid genomen,
getuigen van zijne goede gezindheid jegens de slaven; hij ontzag ook
niet hen, die hoog in staat waren en tot de zoogenaamde aanzienlijken
van Suriname behoorden, te doen vervolgen en straffen; zoo het hem
bekend werd, dat zij hunne slaven mishandelden.
Werden de pogingen van Bonham, om mishandeling der slaven te keeren,
geweldig tegengewerkt, nog meer tegenwerking ondervond zijn streven,
om de regten der afwezige crediteuren te handhaven. Dit vooral deed
velen vijandig tegen hem worden en beroerden de gemoederen van velen
in Suriname.
Bonham zag met leede oogen de verkwisting aan, welke sommige kolonisten
niet slechts hun eigen belang deed verwaarloozen, maar waardoor ook
de belangen der afwezige crediteurs, in Holland, (toen in Frankrijk
ingelijfd) schade leed. Hij vergenoegde zich echter niet om deze
verkwisting met droefheid gade te slaan, maar poogde ze paal en perk
te stellen. Reeds kort na de aanvaarding van het bewind over Suriname,
had hij, aan den Secretaris van Staat voor het Departement der koloniën
Earl of Liverpool, het voorstel gedaan, om de belangrijke sommen,
die zich in de handen van sommige individuen bevonden, doch die
eigenlijk aan personen in Holland behoorden, in de koloniale kas te
doen deponeren en ze aldaar te doen berusten, tot een algemeenen vrede;
hij begrootte het bedrag dier gelden op f 600.000 à f 800,000. [1091]
Den 12den Maart des volgenden jaars schreef hij: »Het kwam mij voor,
dat het goed ware, om een vertrouwd persoon naar Suriname te zenden,
als Curator over de verhypothekeerde plantaadjes, en dat aan dien
persoon een naauwkeurig verslag moest worden gegeven van den staat
dier plantaadjes, enz. Er zijn vele personen in de kolonie wier
plantaadjes verhypothekeerd zijn ten behoeve van personen in Holland
wonende. Door de wet van 26 Januarij 1812 worden deze lieden gebaat;
maar, omdat zij nu voor een tijd in de vreedzame bezitting hiervan
zijn gewaarborgd, zullen zij mogelijk verkwisten wat hun niet toekomt,
speculatiën doen, enz. enz., zoodat het zeer noodig ware, in het
belang der hypotheekhouders, dat hierop eene behoorlijke contrôle
worde gehouden." [1092]
Het Britsch Gouvernement keurde dezen voorslag goed en regtmatig, en
benoemde, den 12den Maart 1813, tot het houden dier contrôle zekeren
heer John Bent, die daarop den 15den Mei 1813 in Suriname arriveerde.
Denzelfden dag van Bents aankomst, maakte Bonham de Proclamatie op,
die twee dagen daarna werd uitgevaardigd, waarbij de bevoegdheid van
Bent en de verpligtingen der representanten van de afwezige erfgenamen
werden beschreven. Die Proclamatie luidde o. a. aldus:
»Aan zijde van de kroon is de ontvanger en bestierder (John
Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de
administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of
andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als
voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal
de afscheping en consignementen van alle, en iegelijk specie van
Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar
Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat
al zulke producten zullen worden geconsigneerd, aan de respectieve
Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige
producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle
cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger
en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld,
voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon
aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires;
en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten
in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte
noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem
insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst
derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd,
aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir
houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard,
en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:
"Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie
blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit
hebben gefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke
van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk
wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de
slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van de Plantagiën
te bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de
colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het
belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste
vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans
geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën
of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die
de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt
worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder
den heer John Bent, alvorens daartoe te hebben verkregen; terwijl het
duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid,
altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels,
en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.
De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd,
om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve
Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan
het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen
de eerste week van iedere maand, een exacte Duplicaat-Maandlijst,
volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst
van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën
vereischt mogen worden, moetende dezelve op 't zelve tijdstip, en
met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden,
als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.
En zullen de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren,
ten einde den gemelden ontvanger en bestierder in staat te stellen,
duidelijk en voldoende, den staat en gesteldheid van de Respectieve
Plantagiën of gronden voorschreven, te kunnen nagaan, onverwijld ten
comptoire van den gemelden ontvanger en bestierder, fourneren, een
copij van de laatst gemaakte inventaris, benevens een uittreksel van
de generale rekeningen, loopende tot den 15den Mei 1813, van ieder
plantagie of grond, onder derzelver administratie. Voor de getrouwe
volvoering zijner respectieve pligten, »zal de gemaakte ontvanger en
bestierder gerechtigd zijn, tot een vierde gedeelte van de provisie,
die gewoonlijk aan de Administrateuren van Effecten in deze colonie
wordt toegestaan, en de Administrateuren aan zijde van de eigenaren,
tot de overige drievierde parten van dien, tot nader order." [1093]
Naauwelijks was die proclamatie uitgevaardigd, of er verhief zich
eene sterke oppositie tegen het opdragen van eene zoo groote magt
aan den ontvanger en bestierder. De Administrateuren van plantaadjes
(eigenaars bevinden zich weinig in Suriname) vermeenden door dezen
maatregel, in hunne regten gekrenkt, in hunne belangen verkort en
in hunne magt en aanzien besnoeid te worden; deze personen en eenige
kooplieden, wiens belangen met die der Administrateuren overeenkwamen,
stelden er zich dadelijk ten sterkste tegen.
Weldra circuleerde in de kolonie eene petitie, die door Bonham
»een oproerig geschrift" werd genoemd, tegen dezen maatregel ter
onderteekening. Die petitie was opgesteld door de heeren Vlier en de
Rives, regtsgeleerden, van wie het, (altijd volgens Bonham) wel bekend
was, dat zij vroeger tot de Jacobijnsche partij in Suriname hadden
behoord. Bonham verbood de verdere circulatie van dat geschrift;
hij eischte het van Vlier terug, en beval, dat de beide opstellers,
Vlier en en de Rives, binnen tien dagen, ieder eene borgtogt van
f 10,000 zouden stellen, ter verzekering van hun verder rustig gedrag
als goedgezinde onderdanen; terwijl zij, bij gebreke daarvan, uit de
kolonie zouden verwijderd worden.
Die gestrengheid bereikte echter het daarmede beoogde doel niet. Door
sommige lieden in de kolonie werd desniettegenstaande de afkeer
tegen Bents commissie luide verkondigd, en men liet niet na, allerlei
ongunstige gevolgtrekkingen daaruit op te maken en valsche geruchten
(the most scandalous falsehoods) omtrent dezelve te verspreiden, zoodat
vele weigerachtig bleven, om de verlangde opening aan Bent te doen.
Ook in het Hof van Policie, welks leden voor het grootste gedeelte
uit Administrateuren bestonden, openbaarde zich een heftige geest
van tegenstand. Het Hof leverde aan Bonham eene remonstrantie in,
waarbij de verklaring werd afgelegd, dat de proclamatie van 15 Mei de
grootste consternatie had verwekt, zoo wegens deszelfs onmiddellijk
effect en de schorsing van alle bezigheden, daardoor veroorzaakt,
als wegens de onbepaalde uitgebreidheid der magt, die hierbij aan
John Bent werd verleend. Men vroeg dus nadere uitlegging omtrent die
magt, en verzocht aan den Gouverneur om, terwijl zij zich over deze
commissie, aan Z. K. H. den Prins Regent zouden wenden, voorloopig
de Commissie van John Bent te schorsen. Bonham antwoordde hierop,
1o. dat hij zich niet gehouden achtte, om aan het Hof als zoodanig,
een nadere verklaring te geven; doch dat hij en John Bent, als
particulieren, bereid waren alle mogelijke inlichtingen te verleenen;
en 2o. dat hij niet geregtigd was, om duidelijke en stellige bevelen
van Z. K. H. den Prins-Regent te wederstreven.
De leden van het Hof bleven echter bij hunne, reeds bekend gemaakte
gevoelens, volharden; en zij verlangden eene buitengewone vergadering
te houden, om nader over deze zaak te discussiëren. Die vergadering,
gehouden 31 Mei 1813, was zeer onstuimig. Dezelfde vragen over en
vertoogen tegen Bents commissie werden door de leden gedaan en door
Bonham op dezelfde korte en bondige, doch tevens wel eenigermate
hooghartige wijze beantwoord. Eindelijk zeide een der leden, de heer
Halfhide (vroeger horologiemaker te Londen) op beleedigenden toon: »Ik
geloof, dat de Prins-Regent deze kolonie wenscht te ruïneeren." Bonham
vatte hierop vuur en antwoordde: »De Prins-Regent wenscht zulke dingen
niet, maar gij, hoe durft gij eene dergelijke aanmerking in mijne
tegenwoordigheid maken; ik zou u deswege wel kunnen schorsen." Halfhide
sprak nu op uittartenden toon: »Gij wilt mij schorsen? Ik wil niet
geschorst worden en ik hoop dat het Hof mij in mijn verzet hiertegen
ondersteunen zal." Bonham beantwoordde deze uittarting door te zeggen:
»Nu mijnheer, gij zijt geschorscht, ik schors u." Halfhide geheel door
drift overheerd, riep toen op eene alles te bovengaande beleedigende
wijze: »Dan moogt gij uwe soldaten wel zenden, om mij in het fort te
plakken, zoo gij durft. Ik wil niet geschorst worden." Bonham trok
aan de bel en sloot de vergadering.
Bonham die volstrekt de man niet was, om slechts door woorden te
dreigen, maar die van handelen hield, schreef, te huis gekomen,
onmiddellijk het bevel tot schorsing van Halfhide en zond het hem te
huis. Halfhide die begreep dat hij te ver gegaan was, verzocht den
Gouverneur om een mondeling onderhoud, doch dit werd hem geweigerd.
De leden van het Hof van Policie gevoelden, bij eenig nadenken, toch
ook de dwaasheid van hunnen eisch aan Bonham, om stellige bevelen
van Z. K. H. niet ten uitvoer te doen leggen, en »zij waren geheel
van haar stuk gebragt" (disconcerted) [1094]
Het Britsch Gouvernement had steeds begeerd, dat deze zaak in der minne
geschiedde. Bent was aanbevolen zijne commissie met matiging waar te
nemen. Hij moest zoo veel mogelijk de administrateurs het huishoudelijk
bestuur overlaten, en de consignatiën, zoo veel mogelijk, op den ouden
voet laten. Steeds moest hij voor oogen houden het eigenlijk doel
zijner commissie, namelijk: dat het bestuur over de verhypothekeerde
plantaadjes geregeld en behoorlijk ging, opdat zij, indien een gehoopte
vrede tot stand kwam, zonder verwijl en met zoo weinig moeijelijkheid
als mogelijk was, aan de eigenaars konden worden overgegeven, waardoor
aan de bedoeling der Britsche regering zou worden voldaan. [1095]
Deze begeerte en bedoeling van de Britsche regering met Bents
commissie, werden echter verhinderd, èn door de heftige tegenstand
tegen die commissie èn welligt ook eenigermate door de heftigheid,
waarmede Bonham dien tegenstand zocht te onderdrukken.
Bonham, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan, vaardigde
den 2den Junij 1813 eene nieuwe proclamatie uit:
»Naardemaal de heer Bent, ontvanger en bestierder der eigendommen
van afwezigen, aan ons heeft te kennen gegeven, dat onze Proclamatie
de dato 15 Mei 1813, ontbiedende de houders van alle eigendommen,
bij gemelde proclamatie uitgeduid om derzelver opgaven van dien,
op of voor den 27sten Mei in te leveren, niet ten volle is worden
nagekomen; zoo wordt bij dezen bekend gemaakt, dat ten dien
einde een verder uitstel zal worden verleend, tot Donderdag den
10den dezer. Na welke dag de Administrateuren van Plantagiën in
't bijzonder, die verzuimen daaraan te voldoen, hiermede worden
aangezegd, dat zij niet slechts in derzelver administratie zullen
worden vervangen, maar benevens alle andere personen, die hieraan
blijven in gebreke, aan zoodanige verdere poenaliteiten onderhevig
zijn, als een besluitvolle ongehoorzaamheid aan zijner Majesteits
bevelen, mogen noodzakelijk maken, hun op te leggen. En alzoo ons is
ter kennisse gekomen, dat onderscheidene kwalijk gezinde lieden, zijn
trachtende, om de gemoederen van het algemeen, met valsche geruchten
te beangsten, aangaande de uitwerking van de bedoelde commissie; zoo
wordt bij deze de ernstige waarschuwing gedaan, dat de allerstrengste
maatregelen promptelijk zullen worden aangewend, tegen alle degeenen,
die in het vervolg mogen bevonden worden, gebruik te maken, hetzij
in gesprekken of anderzins, van al zulke onbehoorlijke en oproerige
taal. Wordende al verder hiermede bevolen, dat wanneer eenige twijfel
mogte ontstaan, aangaande eenige der pointen, in verband staande met
den eigendom, waarop onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813 is toe te
passen, de belanghebbende personen zich om uitlegging zullen hebben
te vervoegen, bij den gemelden ontvanger en bestierder den heer
Bent, of wel aan ons, naar dat de omstandigheden der zaken, zullen
schijnen te vereischen. En opdat niemand van deze onze Proclamatie
eenige ignorantie zoude mogen pretenderen zal dezelve alom worden
gepubliceerd en aangeplakt, ter plaatse waar men gewoon is zulks te
doen, en van Plantagie tot Plantagie worden rondgezonden." [1096]
Den 20sten en 21sten Junij werden in nieuwe proclamatiën nader
een en ander omtrent Bents commissie geëxpliceerd. Evenwel bleef
er onwil heerschen. Bonham meende tot strengere maatregelen de
toevlugt te moeten nemen. De Administrateuren Taunay, Winkelbach
en Fuchtenberg hadden, zonder Bent hiervan kennis te geven, op
eigen gezag 100 okshoofden suiker verzonden; allen werden daarop
uit hunne administratiën van buitenlandsche eigendommen ontslagen;
Taunay daarenboven als Raad van Policie. [1097]
Velen bleven achterlijk in de verpligte inzending van maandstaten
der plantaadjes, zie proclamatie 15 Mei, aan John Bent, die daarom
den 26sten Augustus 1813, de navolgende annonce deed:
»Daar verscheidene Directeuren van Plantagiën, onder de vereenigde
administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil van Zijne
Excellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21sten Junij 1813,
nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de
maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden,
zoo wordt aan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den
15den dag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen,
in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde
zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,--en
de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene
Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen
onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij
waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen
onderworpen zijn.
(get.) Joh. Bent, Ontvanger en Bestierder."
Als voorname bezwaren tegen Bents commissie werden opgenoemd: 1o. zijne
groote bezoldiging, die op 30,000 pond sterling 's jaars werd begroot;
2o. dat één man een zoo uitgebreide administratie niet behoorlijk
kon voeren; 3o. dat er eene hardheid in lag voor sommige Londensche
huizen hunne consignatiën te verliezen; en 4o. dat de verleiding voor
Bent om gunsten te verleenen, te groot was.
Bent wederlegde die bezwaren in een brief, waarvan een extract
door Bonham aan het Departement van kolonie werd gezonden. Op het
eerste bezwaar, omtrent de te hooge bezoldiging, antwoordde Bent,
dat dezelve niet zoo hoog was, als men veronderstelde; het zou veel
wezen indien zijn inkomen 15,000 pond sterling bedroeg, en daarvan
moest hij een dozijn klerken, een groot etablissement onderhouden. Wat
het tweede bezwaar, de veronderstelde onmogelijkheid om zulk eene
uitgebreide administratie alleen te houden betrof, toonde hij aan,
dat die uitgebreidheid meer scheen, dan ze inderdaad was. Het geheele
bestier der verhypothekeerde plantaadjes werd uitgeoefend door zeven
of acht hoofdadministrateurs, die als het ware de geheele kolonie in
bezit hadden; de verdere administrateurs waren het niet veel meer
dan in naam en hun werkkring was tot het huishoudelijk bestuur
der plantaadjes beperkt; op deze wijze werd reeds het toezigt
over het geheel gemakkelijk gemaakt en verder, bij vermeerdering
van werkzaamheden, vermeerderde Bent eenvoudig het aantal zijner
klerken. Over het derde bezwaar, de onbillijkheid, dat sommige
Londensche huizen hunne consignatiën door zijne commissie verloren,
was hij zeer kort en merkte slechts aan, dat niemand, die eerlijk
handelde door zijne commissie zou worden benadeeld en omtrent het
vierde, de verzoeking om gunsten te verleenen, was genoeg waarborg
te vinden, behalve in de bekende eerlijkheid van zijn karakter,
in de omstandigheid, dat zijne mede-administrateuren, die hem zeer
vijandig waren gezind, met arendsoogen zijne gangen nagingen en hem
bij de geringste aanleiding hiertoe heftig zouden beschuldigen.
In dienzelfden brief deelt Bent mede, hoe de plantaadjes in Suriname
onder hypothecair verband waren gekomen, hoe de bestuurders dier
Fondsen in Holland, de administrateurs in Suriname benoemden; doch
dat alles hebben ook wij reeds vroeger in de geschiedenis behandeld.
Verder beschrijft hij de wijze waarop door de gemagtigden (de
administrateuren) de zaken werden bestierd. Het oordeel van Bent
hierover is zeer ongunstig. Als een klein bewijs hoe de handelwijze
dier heeren nadeelig voor de crediteuren was, verhaalt hij, dat van
sommige inwoners, die hunne goederen aan personen in Holland bij
erfenis vermaakt hadden, niet slechts de plantaadjes onder beheer der
administrateurs bleven, maar dat dezen zelfs de getesteerde gelden
in handen hielden, terwijl tegen deze handelingen niets was te doen;
ook geen processen hielpen hiertegen, want daar de geregtshoven in
Suriname grootendeels uit administrateuren bestonden, was hiervan
geen regt tegen lieden van hunne soort te wachten.
Van de directeurs der plantaadjes getuigt Bent, dat zij een soort van
dronken lieden waren, die de slaven allerwreedaardigst behandelden;
zoodat het zeer noodzakelijk was, dat het Gouvernement zich het lot
dier armen aantrok. »In geen deel der wereld," dus besluit hij zijnen
brief, »hebben zoo vele misbruiken van allerlei aard plaats, als hier."
Bent begeerde die misbruiken te keer te gaan en daartegen doortastend
te handelen. Het schijnt o. a., dat er kwade trouw plaats gehad heeft
bij het aankoopen van benoodigdheden voor de plantaadjes, want den
14den October 1813, deed hij de navolgende aankondiging:
»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste
maandlijsten wegens gedane leverantiën, ten behoeve van sommige
plantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve
ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche
betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden
goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd
zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest,
ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn,
om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder
Articul dat gerequireerd werd.