Suriname gedurende Engeland's overheersching. Van 1804 tot 1816.
Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het
een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn,
indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging
toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool
van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken
voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand;
velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben
gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.
Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk
Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen
medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben", is het echter
niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging
levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter
vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman,
die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon
met droefheid in het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij
de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil,
en ook hierin moet worden verheerlijkt.
Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers,
vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten
offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond,
te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt
door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.
Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen
van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde
overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik
met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche
volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804-1816, dat der Engelsche
overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik
onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde
voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers
in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste
weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij
zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij
de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche
handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak
hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet
kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw
kunnen wij niet vermelden.
Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken:
Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst
tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger
en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel
Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.
Deze verdeeldheid, dat wantrouwen, die onderlinge afgunst belette
eene krachtdadige verdediging. Officieren door het voorbeeld hunner
superieuren weggesleept, weigerden zich aan de bevelen van den
Gouverneur te onderwerpen. Dit bragt verwarring te weeg: de voor het
fort Nieuw Amsterdam aangevraagde levensmiddelen werden niet verzonden;
twee compagniën vrijheden, bestemd voor eene post bij de plantaadje
Zoelen, ten einde de omsingeling van de fortres door den vijand te
beletten, vertrokken niet derwaarts, de luitenant van Beugen met
hun geleide belast, maakte allerlei uitvlugten; eene versterking
van het garnizoen aldaar door schutternegers werd evenzeer door
dergelijke redenen verhinderd [971]. Heldhaftig kan de verdediging
niet worden genoemd, slechts bij de redoute Leijden had een min of
meer ernstig gevecht plaats. De Engelschen vermeesterden de redoute
en een gedeelte hunner magt, aan de Commewijne geland, trok, door een
verrader geleid, achter het Fort Nieuw Amsterdam om en vond, door het
vroeger verzuim, geen tegenstand op den weg, en omsingelde alzoo de
voornaamste sterkte der kolonie, het fort Nieuw Amsterdam. Batenburg
achtte nu het voortzetten van den strijd tegen eene groote overmagt,
een te ongelijken kamp, die slechts nutteloos bloedverlies ten gevolge
zou hebben; hij bood den Engelschen bevelhebber eene capitulatie aan,
die met kleine wijzigingen werd aangenomen.
Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens
zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling
van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid
er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles,
te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de
Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804,
uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:
»Paramaribo 2 Mei 1804.
Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit
de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende
gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij
niet of de nationale heldhaftigheid der Bataven, dan of wel de
stoutmoedigheid der strijders van Albion dit plekje lands, door
den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden
of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maar
Een zal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de
omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde
colonisten, oneindig veel bijdragen tot het coloniaal welzijn."
Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens,
het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig
voegen naar de omstandigheden des tijds.
In diezelfde Courant van den 3den Mei 1804 vindt men een, dat den
zelfden geest ademt:
»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover
men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing
allengs te naderen.
De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze
gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan 't lot dezer Colonie
te twijfelen.--Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar
afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en
ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het
bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is,
noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen,
over onze schedels losgebarsten zijn."
De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne
komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd
genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren
en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.
De blanke bevolking van Suriname was ook niet zoo bepaald anti-Engelsch
gezind, als sommige publicatiën en proclamatiën van dien tijd zouden
doen gelooven. Er bestonden hiervoor gegronde redenen. Het algemeen
belang en voornamelijk dat van de geldschieters in Holland had veel
geleden tijdens den duur van het zoogenaamd protectoraat van den Koning
van Engeland (Augustus 1799 tot November 1802), doch verscheidene
planters hadden groote voordeelen genoten, daar aanzienlijke Britsche
kapitalen, in de kolonie geplaatst, hen in staat hadden gesteld, om
hunne producten te vermenigvuldigen [972], en--hetgeen men hierbij ook
niet over het hoofd moet zien--zij waren, gedurende dien tijd, bevrijd
geweest om aan hunne verpligtingen jegens de Hollandsche geldschieters
te voldoen. De hoop op dergelijke voordeelen lachte sommige kolonisten
nu op nieuw toe en deed hen daardoor de verovering der kolonie door
de Engelschen niet als eene zoo groote ramp beschouwen.
De met de Engelsche aangegane capitulatie was, de omstandigheden in
aanmerking genomen, niet onvoordeelig te noemen. Bij de opeisching
der kolonie door de Engelsche bevelhebbers, werden o. a. de volgende
voorwaarden aangeboden: de ingezetenen zouden volle zekerheid
voor hunne personen en vrije uitoefening van godsdienst genieten;
het behoud hunner bijzondere eigendommen, van welken aard die ook
zijn mogten, werd hun gewaarborgd; de wetten der kolonie zouden van
kracht blijven en de vertegenwoordiger der Britsche troon zou slechts
zulke verordeningen mogen maken, als tot tijdelijke voorziening in de
verdediging der kolonie noodig werden geoordeeld en die maatregelen
nemen, welke den koophandel met Engeland regelden; de verschillende
civiele autoriteiten, uitgenomen den Gouverneur, konden, mits den
eed aan Z. B. M. doende, hunne betrekkingen blijven waarnemen [973].
Daar men deze voorwaarden niet had aangenomen en de Engelsche
bevelhebbers, zich bij de weigering hadden verklaard, hieraan dan
ook niet langer gebonden te zijn; en terwijl men nu tegenstand
had geboden, vreesde Berranger, dat de capitulatie, door Batenburg
aangegaan, wel eervol en voordeelig voor de militairen zou zijn, maar
minder in het belang der inwoners. Die vrees bleek echter ongegrond
te zijn. Batenburg had bij zijne capitulatie voorgesteld: »dat alle
articulen, welke ten voordeele der ingezetenen bij de sommatie waren
voorgeslagen, in haar geheel zouden worden nagekomen", waarop de
Engelsche bevelhebbers antwoordden: »Zijne Britsche Majesteit heeft
ons stricte orders gegeeven de gunst voor de Colonie Suriname zoo
veel moogelijk is te verleenen, en waarborgen u dat zulks zal worden
geobserveerd zo als is aangeboden" [974].
Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig
voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te
trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen
en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden
dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden,
zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens
van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd
in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of
deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden,
zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het
corps, bekend onder den naam van witte en zwarte jagers, meer bepaald
in dienst van de kolonie staande, zou met het Coloniaal Gouvernement
behoorlijk schikkingen worden getroffen.
De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog,
meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie,
enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer
uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden
behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd
als krijgsgevangene beschouwd.
Den 6den Mei 1804, des namiddags ten één uur, werd op het fort
Zeelandia de Engelsche vlag geheschen, en kort daarna kwam de
Generaal-Majoor Sir Charles Green van het fort Nieuw Amsterdam met zijn
gevolg te Paramaribo. De oud-Gouverneur Friderici en de Bataafsche
Commissaris-Generaal maakten dienzelfden dag nog, de hooge Collegiën
den volgenden, hunne opwachting bij genoemden bevelhebber [975].
Den 7den Mei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie
uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:
»Alzoo de volkplanting van Surinamen en onderhoorige districten,
door de wapenen van zijn Groot-Brittannische Majesteit is veroverd en
dus geworden een wingewest van het vereenigd Rijk van Groot-Brittagne
en Ierland, zo hebben wij nodig gedagt door deze tegenwoordige alle
goede ingezetenen deezer plaatze te vermaanen zich rustiglijk en
vreedsaam te gedragen en zodanig als betaamd aan getrouwe onderdaanen
van Hooggemelde Zijne Majesteit, geevende wij hunlieden de volkomenste
verzekering, dat derzelver goederen en bezittingen in alle opzichten
veilig zijn en beschermd zullen worden, waartoe de strictste
ordres aan de troupen gegeven zijn, en dat ons het welweezen der
ingezetenen, als Zijner Majesteits onderdanen, door Hoogstdezelve
is aanbevoolen. Strekkende het mede een ieder tot narigt, dat het
Civiele Gouvernement dezer volkplanting en onderhoorige districten,
door den Generaal Major Sir Charles Green zal worden waargenomen tot
dat deswegens Zijner Majesteits nadere beschikkingen zullen bekent
zijn" [976].
Bij publicatie van 8 Mei 1804 maakte Sir Ch. Green bekend, dat hij
het bestuur der kolonie, als wettig vertegenwoordiger Z. B. M., had
aanvaard en gelastte, dat de wettig geconstitueerde magten, te weten:
het Hof van Policie en Criminele Justitie, het Collegie van kleine,
vacerende over groote zaken, de Curateele kamer, de Commissarissen
van Gemeene weide, de Joodsche Weeskamers en alle andere personen,
die eenig publiek ambt of betrekking bekleeden, met de uitoefening van
derzelver respectieve pligten blijven voortgaan;--wordende degenen,
die onder de zoo even bedoelden begrepen zijn, gelast, op den 9den Mei,
des voormiddags ten 9 uur, zich te vervoegen ten Gouvernementshuize,
ten einde den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen [977].
Den 9den Mei presideerde Green voor het eerst in het Hof van Policie
en werd de eed van getrouwheid aan Z. B. M. door de Raden van Policie
en vervolgens door de andere Collegiën in zijne handen afgelegd [978];
waarna alles verder geregeld werd om een en ander in verband te brengen
met den toestand der kolonie, als nu zijnde eene Engelsche bezitting.
De Gouverneur gaf den 19den Mei, bij Proclamatie bevel, dat de eed
van getrouwheid aan Z. M. moest worden gedaan, door de stadbewoners,
binnen den tijd van 14 dagen, te rekenen van den 28sten Mei en
door de plantaadje-bewoners binnen vier weken. De Gouverneur zegt,
in bedoelde proclamatie, te verwachten, »dat niemand oorzaak zal
geven, om zoodanige middelen van gestrengheid te moeten gebruiken,
als derzelven ongehoorzaamheid aan dezelve anderzints zoude moeten
noodzakelijk maken [979].
De Britsche autoriteiten gingen,--dit moet erkend worden, met
gematigdheid te werk en trachtten de inwoners van Suriname door
toegefelijkheid te winnen--echter toonden zij Heeren en Meesters te
zijn en dulden niet, dat men zich op eenigerlei wijze tegen hun gezag
verzette, of dat men aan personen, die de Engelsche belangen, zelfs
meer dan betamelijk voorstonden, daarover verwijtingen deed. Dit
ondervond o. a. de Secretaris der Kolonie du Moulin, een man die
door Berranger als uiterst bekwaam en als een warm patriot wordt
geprezen. Du Moulin was in twist geraakt met zekeren van der Hoop,
die de Engelschen tot gids had verstrekt en hij voegde den verrader
scherpe verwijtingen toe, die zich daarover bij den Engelschen
Gouverneur beklaagde en het gevolg hiervan was, dat du Moulin uit
de Kolonie werd verbannen [980]. Het staatsbewind der Bataafsche
republiek had in Februarij 1804 van goederhand berigt ontvangen,
dat zekere F. S. C. P. van der Hoop door het Engelsch Gouvernement
zou zijn belast geworden met de commissie, om zich over Barbados naar
Suriname te begeven, ten einde aldaar, met den Gouverneur dier Kolonie
en met den Commandant der troepen, betrekkingen aan te knoopen en hem
te trachten te bewegen gemelde Kolonie aan het Britsch Gouvernement
over te geven.--Waarop besloten werd den Kapitein ter zee W. O. Blois
van Treslong, Commanderende 's lands Eskader in de W. I., aan te
schrijven hieraan geen gehoor te geven, maar, in overleg met den
Gouverneur of het Gouvernement, de Kolonie op de best mogelijke en
rigoureuste wijze te verdedigen. Dit schrijven werd echter niet door
Blois van Treslong ontvangen, maar viel den Engelschen in handen,
en berust thans op Her Majesty's statepapers office [981].
Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen
van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht
om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter
goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl
hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de
Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen,
tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone
soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek
te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der Amerikaansche
Coloniën van 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:
1o hij reeds, op den 13den Mei 1804, als krijgsgevangen was beschouwd
en dus in alles had gedefungeerd;
2o gedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen
uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;
3o ontwaarde, dat het grootste gedeelte der soldaten dienst bij de
Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te
soldieeren, en eindelijk;
4o zeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij
dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren
zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige
gunst hadden."
Batenburg gaf daarop zelf wissels uit, die echter niet gemakkelijk
endosseurs vonden, en Berranger,--»om met niets te doen te hebben,
of zelfs niets te schijnen zulks te zoeken" vroeg en verkreeg verlof
om zich, op zijn eerewoord, naar zijne plantaadje te begeven, tot
dat nader omtrent hem zou worden beslist. [982]
Er namen, gelijk wij hier boven zagen, vele soldaten dienst bij de
Engelschen; sommigen daarentegen bleven hun vaandel getrouw; anderen
zwierven in de Kolonie om en, daar zij zonder vast middel van bestaan
waren, leefden zij ten koste van de burgers. Tegen deze vagabondage
werd door den Gouverneur Green eene proclamatie uitgevaardigd,
waarbij bedoelde personen werden gelast zich, binnen 14 dagen, naar
het Hoofdkwartier te begeven, op poene van, bij nalatigheid hiervan,
als vagebonden aangemerkt, als zoodanig opgevat en behandeld te
worden. De ingezetenen werden vermaand om geen dier personen te
huisvesten of te verbergen, als zullende tegen de Contraventeurs
volgens de gestrengheid der wetten worden gehandeld [983].
De oud-Gouverneur Friderici, die door het Bataafsch bewind uit
zijnen post was ontslagen, voedde hoop om nu weder aan het bestuur te
komen. Hij wendde zich daartoe per missive aan den Britschen Secretaris
van staat voor het departement van Koloniën Lord Hobart, en bood dezen
zijne diensten aan. Lord Hobart dankte hem, bij vriendelijk schrijven,
voor zijne aan de Engelschen betoonde welwillendheid, doch wees zijn
verzoek beleefdelijk af, als reden opgevende dat aan Green was beloofd,
bij welslagen, met het bestuur te worden belast [984].
Daar Suriname nu eene Britsche bezitting was geworden, moest de
handel van de Kolonie met Groot Brittanje worden geregeld. Bij
Proclamatie van 29 Mei 1804 werd »aan alle Britsche onderdanen de
handel naar en van deze Kolonie veroorloofd, met in achtneming van
alle rechten, schikkingen, voorwaarden, bepalingen, poenaliteiten en
verbeurdverklaringen, als op den handel naar en van Z. B. M. Coloniën,
Plantagiën en eilanden, ergens in de West-Indië gelegen, zijn
vastgesteld, of voortaan bij wetten nog zullen worden vastgesteld"
[985].
Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel
van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten
steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren;
terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet
zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij de Sociëteit
van Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten
als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop
immer een weigerend antwoord bekomen. De Sociëteit wilde dit verzoek
niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der
consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo
dit zelfs onder vele restrictiën werd toegegeven, de planters hiervan
misbruik zouden maken. Toen door de finantiële moeijelijkheden,
waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in
handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook
uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten
voortaan aan hen moest geschieden.
Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever
het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de
Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven
(zie bladz. 491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen
Gouverneur aan, om den in- en uitvoer in Amerikaansche schepen geheel
of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door
Green gehoor verleend:
»Provisioneel voor den tijd van vier maanden wordt de invoer
gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende
aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende,
van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten,
duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van
houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee
van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen,
tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch,
spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van
Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende
op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van
dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.
Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd
van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van
het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand
recht van 8 pCt." [986]
Deze voor de kolonisten gunstige bepaling werd wel den 26sten September
voor drie en den 7den December 1804 voor vier maanden verlengd,
doch met eenige restrictiën: de uitvoer werd nu tot rum en melassie
beperkt en bij eene latere bepaling van 24 April 1805 strekte die
beperking zich ook tot den invoer uit [987].
De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden
zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende
voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot
aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen
opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling
benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.
Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge
de volgende proclamatie uit:
»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de
kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te
leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en
vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4
pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om
pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren
heimelijk in 't klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend
gulden." [988]
Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe;
Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee,
zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer
gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa
gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados
was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt
voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën,
zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados
gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of
ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit
eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en
kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:
»Blenheim, Barbados den 20sten Julij 1804.
Sir!
Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen,
die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den
3den October aanstaande, een oorlogsschip op de hoogte van Suriname
zijn zal, om de na Europa gedestineerde koopvaardijschepen onder
bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de
bestemde verzamelplaats te vereenigen."*
In October 1804 verliet eene vrij aanzienlijke koopvaardijvloot, met
koloniale producten beladen, Suriname, en zette koers naar Europa;
den 27sten Januarij 1805 zeilde op nieuw eene vloot, nu uit 32 schepen
bestaande, uit, onder geleide van Z. B. M. oorlogsvaartuig Imogene,
direct bestemd naar Engeland [989].
Wel is waar, Engeland behield zijne overmagt op zee, doch zij werd hem
door Frankrijk sterk betwist. Verscheidene Fransche kapers maakten de
W. I. zee onveilig en nu en dan vertoonde zich een Fransch eskader in
die wateren. De correspondentie werd hierdoor zeer belemmerd en de
handel bemoeijelijkt. Zoo was o. a. in het begin van 1805 wederom
eene handelsvloot gereed om den steven naar Engeland te wenden;
men wachtte slechts op een voldoend convooi. Op de aanvraag daartoe,
ontving Green een schrijven van den Commodore Hood, waarbij berigt
werd, dat met het uitzeilen der schepen moest worden gewacht, totdat
er eene superieure Britsche magt aanwezig was en de vijand deze zeeën
had verlaten. Hij beloofde echter veertien dagen te voren kennis te
geven, wanneer er een convooi gereed was, ten einde men behoorlijk
de goederen zou kunnen laden [990].
Het nabijgelegen Cayenne kon als station of vereenigingspunt beschouwd
worden voor de meeste expeditiën, die uit Europa tegen de Britsche
bezittingen in de West-Indië werden afgezonden. Green drong daarom
sterk bij de Britsche regering aan, om pogingen aan te wenden, ten
einde Cayenne te veroveren; volgens door hem ingewonnen berigten zoude
die verovering eene gemakkelijke taak zijn, daar het garnizoen slechts
uit drie à vier honderd slecht gekleedde en gewapende blanke soldaten,
benevens zes honderd gewapende negers bestond [991].
Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleende
concessiën omtrent het handelsverkeer met Amerikaansche schepen;
was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale
producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was
men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de
veroverde kolonie behandelde;--dit alles nam niet weg, dat men toch nu
en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest
den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was,
ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen,
voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der
koopsom onder de Britsche militairen en matrozen, nemers der kolonie,
werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel
mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft
den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den
vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren,
dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant
van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:
»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir
Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten,
zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER
KOLONIE," dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en
schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij
den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen
ten huize van den heer Barry te Paramaribo en van den heer Bent te
Barbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren
zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De
verkooplijsten der carga's van de schepen Pelicaan en Henriette Johanna
liggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het
Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregat
Proserpina en de oorlogssloep Pylades, het grof geschut met deszelfs
toebehooren wordt in Engeland bepaald.
De plantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de
kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven. De gelden,
die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft,
zullen dadelijk, nadat 's konings orders ten opzigte der evenredige
verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke
kennis zal gegeven worden.
get. J. Bent, Agent voor de armee, Th. Barry,
Waarnemende voor den WelEdele heer James Maxwell, Agent voor de
marine." [992].
In de courant van 22 October 1804 treft men weder eene dergelijke
advertentie aan, nu omtrent den verkoop op den 26sten dier maand van:
de snelzeilende schoener George, met koperen bodem, zijnde een prijs
der NEEMERS van de kolonie [993].
Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed
te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de
vervulling van dezen wensch bleek verre van gemakkelijk te zijn. Als
vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite
zich de noodige inlichtingen te verschaffen.
Wat hij zelf doen kon, namelijk: door eigen aanschouwing, de
verdedigingsmiddelen der kolonie inspecteren, bewerkstelligde hij
al zeer spoedig. Volgens zijne brieven aan lord Camden, destijds
secretaris van staat voor het departement van koloniën, leidde dit
onderzoek tot de overtuiging: dat er steeds eene sterke militaire
magt aanwezig behoorde te zijn; want dat men, bij een aanval van
buiten, niet veel op de hulp der inwoners zou kunnen rekenen. Dezen
toch zouden hunne bezittingen niet gaarne in de waagschaal willen
stellen, daarbij was het getal der blanke bevolking niet groot en die
weinigen nog over het geheele land verspreid, terwijl meer dan 2/3
der blanke bevolking in Paramaribo uit Joden bestonden, »en dezen",
schrijft Green: »zijn niet geschikt voor krijgshaftige ondernemingen
(for warlike operations)." Eene gebonden inspectie over de militie
(men zou thans zeggen: schutterij), die uit blanke en vrije kleurlingen
was zamengesteld, had Green er ook geen hoogen dunk van gegeven. Hij
bevond ze slecht gewapend en geheel zonder krijgstucht (miserably
armed and totally without discipline); tevens vermeende Green, dat
de blanke inwoners, bij een aanval van buiten, genoeg de handen vol
zouden hebben, met hunne slaven in toom te houden [994].
Wat de kennis van den finantieelen toestand en van landbouw en handel,
enz. betrof, klaagde Green er over, dat de Engelschen, tijdens het
Protectoraat over de kolonie, zoo geheel onbekend met den algemeenen
staat van zaken waren gebleven. Hij beschouwde als de voornaamste
oorzaak daarvan, het aanblijven van Friderici als Gouverneur. Friderici
had getracht alles, zoo veel mogelijk, bij het oude te laten; hij had
hierbij steeds het doel voor oogen gehouden, »om de Colonie voor den
Prins van Oranje te bewaren," gelijk hij zelf later verklaard heeft
[995]. Daarbij ook had Friderici, onbekend met de Engelsche wetten,
belasting blijven heffen op de inkomende en uitgaande goederen, zoowel
van Engelsche als van neutrale schepen; terwijl eerstgenoemde hiervan
vrij gesteld hadden moeten worden. Niettegenstaande deze en nog andere
buitengewone ontvangsten, ten behoeve der souvereinskas, hadden de
uitgaven de inkomsten overtroffen. Bij het vertrek der Engelschen
uit Suriname (1802), leverde Friderici eene memorie aan het hof van
policie in, waaruit bleek, dat de uitgaven uit de souvereinskas,
ten gevolge van aanvragen, die hij, in de toenmalige omstandigheden
moeijelijk kon weigeren, zoo vele waren geweest, dat hij genoodzaakt
was geworden gelden uit de koloniale kas te nemen.
Tijdens het protectoraat was geen geregelde verantwoording aan de
Britsche autoriteiten gedaan. Wel waren door den secretaris van staat
Dundas van tijd tot tijd eenige vragen daaromtrent aan Friderici
gedaan, doch hij had dezen zeer en vague beantwoord; terwijl bij het
spoedig daarop gevolgd vertrek der Engelschen, deze zaak was blijven
rusten. Green echter wenschte behoorlijk verantwoording te doen van
iedere farthing (de kleinste Engelsche munt, ongeveer 1 1/2 cent
Holl.), die in de souvereinskas kwam of uit dezelve werd betaald,
en dit van het tijdstip van de overgave der kolonie aan de Engelschen
[996].
Om kennis van den finantiëlen toestand, enz. te bekomen, vervoegde
Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop,
in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een
vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de
geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den
oorsprong van het kaarten gelden der obligatiën mededeelde. Evenzeer
waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel,
over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen
toestand der bevredigde Boschnegers en van die Boschnegers, die nog
in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De
voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds
in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts
datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld,
om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen,
en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.
Het beheer over de finantiën was tweederlei. Een gedeelte stond onder
onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den
Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.
De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten
te zamengevoegd de zoogenaamde sociëteitskas uit. Na de omwenteling in
1795, toen de sociëteit werd vernietigd, moest hiervan verantwoording
worden gedaan aan den Raad der Coloniën, het committé en hoe die
verdere collegiën later genoemd werden, en kwam het overschot ten
voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel dit aan de
Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de
Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek,
en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit:
de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas
(sovereyns-chest) of 's konings-kas.
De inkomsten dezer kas bestonden thans uit de hoofdgelden,
vendue-geregtigheden, grondbelasting en recognitie-gelden [997].
De eerstgenoemde inkomsten: In- en uitgaande regten, vervielen, voor
zoover die anders in de souvereins-kas kwamen, als zijnde in strijd met
de Britsche zeevaartwetten en de oprigting van het koninklijk tolhuis
(custom house). Van de opbrengst der hoofdgelden, moesten slechts de
bij dat bureau geëmploijeerde ambtenaren worden betaald, en van de
opbrengst der vendue-geregtigheden moesten, behalve de ambtenaren aan
dit kantoor werkzaam, daarenboven het onderhoud van het fort Amsterdam
en de Redoutes, later ook het tractement van den Gouverneur worden
betaald. Uit de inkomsten der grondbelasting en recognitie-gelden werd
behalve aan de ambtenaren (twee secretarissen en de klerken van het
bureau) een gedeelte van het salaris van den Raad-Boekhouder-Generaal
en van zijne klerken uitbetaald. Het onderhoud der posthouders bij de
Indianen, benevens de geschenken aan dezen telken jare uit te deelen,
werden mede uit laatstgenoemde kas bekostigd [998].
Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende
tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur,
ruim f 50,000.
Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er
voorhanden eene som van f 49,463.18
doch er moest daarentegen nog worden betaald:
tractementen f 15,000.--
werklieden aan het fort Amsterdam f 15,447.01
rekeningen voor idem f 13,687.15
presenten aan de Indianen f 10,000.--
---------
somma f 54,138.16
zoodat er een te kort was van f 4,674.18.
En schijnen echter in dat jaar nog vele betalingen aangezuiverd te
zijn geworden, daar de Souvereins-kas op 31 December 1804 sloot met
een batig saldo van f 162,347.11.7 1/2 [999].
De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot
verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde:
Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds
vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot de
burgerlijke administratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende
Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie,
van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van
's lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der
Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden,
der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de
kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men
kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken,
daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen
kant, de, in die respective kassen ontstane, tekorten moest aanvullen.
Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in
den loop des tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare
voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en
van het corps Negerjagers.
Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der
Modique lasten bedroeg het te kort f 60,000.-; bij die ter verdediging
tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim f 100,000.- te kort.
Het stond te vreezen, dat dit nadeelig slot, bij beiden, zou toenemen,
door vele en steeds klimmende uitgaven. Uit de kas der Modique
lasten werd alleen aan tractementen ongeveer f 200,000.- betaald, en
deze reeds aanzienlijke som werd nog aanmerkelijk verhoogd door een
besluit genomen door het Hof van Policie in zijne vergadering van 18
Junij 1804. Bij dat besluit toch werd Green uit erkentelijkheid voor
de milde wijze, waarop hij jegens de veroverde Kolonie handelde, en
overeenkomstig het gebruik in andere Britsche Koloniën bestaande, om de
waardigheid van 's Konings vertegenwoordiger op te houden--aangeboden:
eene jaarlijksche toelage uit de Koloniale fondsen van f 60,000.--
en aan de officieren der Britsche krijgsmagt f 30,000.-- [1000];
Dit aanbod, door het Hof op kiesche en beleefde wijze aan Green gedaan,
werd door hem met dankbaarheid aangenomen [1001].
Het tractement van den Gouverneur, die uit 's Konings kas mede
f 60,000.- ontving, werd alzoo vrij beduidend, doch de uitgaven
van de Koloniale kas: Modique lasten, (men hield deze jaarlijksche
gratificatie ook bij de volgende Gouverneurs vol) tevens beduidend
vermeerderd. Die van de kas tegen de wegloopers klommen mede
aanzienlijk, daar het corps Negerjagers, op order van Green, nieuwe
montering en verhooging van soldij ontving [1002].
Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de
inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk
was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze
hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een
door de finantiële commissie uitgebragt rapport en vele discussiën
stelde het Hof eindelijk voor:
1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes
duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder
het gelag betalen);
2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer
dan f 20,000 bedroeg; en
3o. te trachten, zooveel mogelijk, op de uitgaven voor het cordon en
voor het corps negerjagers te bezuinigen: men hoopte dat Green hierin
te hulp zou komen, door, uit de magazijnen der Britsche krijgsmagt,
goedkoop kleedingstukken en wapenen voor het corps jagers te
verstrekken [1003].
Het eerste voorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den
Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11den Julij 1804 de publicatie
daaromtrent uitgevaardigd:
»Uit aanmerking, dat, onder de middelen, die gevoegelijk kunnende
dienen, tot de dringende ondersteuning der financiën, is voorgekomen:
de verhooging der belasting op de manumissie van slaven, geconsidereerd
de voordeeligen staatsverwisseling van zoodanige voorwerpen, de
maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentenis, en, onaangezien
de groote vermenigvuldiging dezer vrijlaatingen, Wij (de Gouverneur)
in ervaring zijn gekomen hoe weinig deze tak der inkomsten opbrengt;
invoegen de billijkheid (?), gegrond op de vermoedelijke gunstige
omstandigheden der manumittenten, dit middel aan augmentatie onderhevig
maakt, buiten en behalve dat het acres der gemanumitteerden sints
eenigen tijd, zoo merkelijk is toegenomen, dat zulks tot een motief
te meer in dezen is strekkende, gestatuëerd, dat van nu voortaan,
voor elken slaaf »ter obtien van brieven van manumissie" ten behoeve
van de cassa tegen de wegloopers, zal moeten worden betaald: van
die van 't mannelijk en vrouwelijk geslacht, boven de 14 jaren oud,
de som van f 500 en van kinderen, beneden de 14 jaren f 250 [1004]."
Ook de zegelbelasting werd meer productief gemaakt [1005]; doch de
voorgestelde bezuiniging zoowel voor het cordon als bij het corps
negerjagers bleef achterwege; en--weldra ging men weder over tot de
in Suriname gewone wijze, om de tekorten te dekken: het maken van
papieren of kaartengeld.
Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie
van Heshuijsen zeer belangrijk.
In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een
stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt
geld door de sociëteit ingevoerd, doch dit verdween spoedig uit
de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere
betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door
planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels,
in blanco geëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland
werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren,
konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen;
maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied
bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden
de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij
menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.
Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen
gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek
van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of
kaartengeld, met het kleine 's landszegel voorzien, uit te geven,
(zie bladz. 265-64.)
De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname
aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal
Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd
uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet
en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde de
sociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een
geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij
hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij
elke finantiële moeijelijkheid, er al zeer spoedig toe overging, om op
die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij de komst der Engelschen
voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs,
met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.
Behalve dit was nog door Friderici voor f 2,385,750 papieren geld
in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie
(zie bladz. 477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag
van Friderici op de volgende wijze:
De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige
heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die
ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen,
dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had,
en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en
stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.
Nu had de Gouverneur vele groote uitgaven te doen: hij moest alles
koopen, wat voor de magazijnen noodig was, en dit twee à driemaal
duurder betalen, dan het in vredestijd in Holland kostte; terwijl
in vredestijd alles door de sociëteit en later door het Committé
van coloniën in Holland werd gekocht en betaald. Verder moest de
Gouverneur voorzien in het onderhoud van het eskader, dat onder bevel
van van Braak in de kolonie was gearriveerd: van Braak was wel van
een crediet-brief, doch niet van geld voorzien. De ontvangst bij
de onderscheidene kassen was niet genoegzaam ter voorziening in
die buitengewone uitgaven; daarenboven was de handel met Holland
verstoord. Er moest op de eene of andere wijze in dezen geldnood
worden voorzien; doch daar de Gouverneur zich, op eigen gezag,
geen middelen daartoe kon verschaffen, hoopte de reeds genoemde
partij, die sterk in het hof van policie vertegenwoordigd werd, dat
Friderici, door dien nood gedrongen, zich aan de voorwaarden zou moeten
onderwerpen, die zij goed vond voor te schrijven. Maar de Gouverneur,
na tot het laatste oogenblik te hebben gewacht, en geen ander middel
ter uitredding ziende, daar de gewone middelen door de pretentiën
van de Cabale impracticabel waren, vaardigde den 2den December
1796 een besluit uit, waarbij hij voor rekening van het committé
van Coloniën, in omloop bragt f 250,000 in kaarten en obligatiën,
geteekend door den Boekhouder-Generaal. Dit trof de cabale als een
donderslag en vooral was zij uit het veld geslagen, toen die daad
van den Gouverneur niet slechts door het committé goedgekeurd, maar
hem daarenboven vrijheid werd verleend, om dit, zoo het noodig mogt
zijn, te herhalen. Zoo was de Gouverneur aan die laag der tegen hem
vijandige partij ontsnapt. Alles was zoo zeer in het geheim geschied,
dat de cabale geen gelegenheid had gehad, om het publiek tegen deze
nieuwigheid op te zetten; zij moest het aanzien, dat het publiek
evenveel vertrouwen in dat nieuwe papier stelde, als in hetgeen op
last en met medewerking van het Hof was uitgegeven. Het werd echter
slechts gebruikt ter betaling van de buitengewone uitgaven, en niet
op hypotheek uitgegeven of tot andere einden gebezigd. De Gouverneur
in het vervolg geld noodig hebbende, creëerde dan maar weder van dat
papier (zie bladz. 477), zoodat toen de kolonie onder Protectoraat
der Engelschen kwam (1799) er hiervan in omloop was f 2,385,750 [1006].
Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat
van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname
nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral
sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij
bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product,
waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde,
hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde
jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.
Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die
van de suiker.
Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten
van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een
vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een
gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet
naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd
niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java,
en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren,
zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.
De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger
gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.
De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer
3,000,000--pond berekenen.
Kort na dat Suriname onder het Protectoraat van Engeland was gekomen
(1799), hadden eenige Engelschen vergunning verzocht en erlangd,
om gronden tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in cultuur
te brengen, waarop zij voornamelijk katoen en koffij verbouwden. Dat
zoogenaamde Nickerie-district lag wel is waar ver van de oude Kolonie
af, de Communicatie met Paramaribo was wel niet gemakkelijk, doch
door de energie der daar gevestigde Kolonisten beloofde het van vrij
groot belang te worden [1007].
Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:
Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen,
van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden,
in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der
Kolonie, naar het moederland.
Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit
Holland, zoodat men genoodzaakt was de voor de Koloniën benoodigde
artikelen duur van de vreemden te koopen.
Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden
wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op
de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden
bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden
minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit
het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers,
nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout
zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard,
waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het
te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest
dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch
linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit
dat het niet tot het doel, om een geheel jaar te dragen geschikt
was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven,
doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste,
uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden
niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.
Een andere voorname soort van handel, was de slavenhandel. Het
verval hiervan was te verwachten. »De droombeelden van zoogenaamde
philosophen", zoo leest men in de Memorie van Heshuysen: »verklaren
zich tegen dien handel, en beschouwen hem als strijdende tegen de
natuur der menschen--en aan het toegeven aan die droombeelden dankt
Frankrijk het verlies van St. Domingo [1008], en het verval van zijne
andere koloniën, en toch niet alleen die zoogenaamde philosophen maar
zelfs sommige mogendheden stellen zich tegen dien handel. Frankrijk
evenwel komt langzamerhand van zijne dwaze philantropie terug. De
slaven-reglementen door Victor Hugues, den tegenwoordigen Gouverneur
van Cayenne, uitgevaardigd, zijn zeer gestreng, en, na den vrede
van Amiens, arriveerde te Suriname een schip onder Fransche vlag,
met een lading slaven, welke hier verkocht werden."
Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding
van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.
Daarna wordt in genoemde memories de handel met Amerika en de
belangrijkheid daarvan voor de kolonie beschreven en tevens betuigd,
dat zonder dien handel er weldra gebrek aan verscheidene onmisbare
artikelen zoude komen [1009].
Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen
gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende
ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd;
eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en
ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand
van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen, beschreven.
De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale
ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis
behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking
wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde
overeen. »Zeldzaam is het", merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op
zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien
moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen."--»Men beschouwt
Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar
en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden,
die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz."
De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche
en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in
acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in
Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.
»De Joden die uit Spanje en Portugal naar Holland waren gevlugt, hadden
voor het grootste gedeelte, eene beschaafde opvoeding genoten, en er
waren vele rijken en aanzienlijken onder hen. Toen zij in Holland
aankwamen vonden zij aldaar een aantal geloofsgenooten, die uit
Duitschland, Polen en Rusland geweken, in Holland godsdienstvrijheid
genoten en aan wie tevens eenige burgerlijke regten waren
verleend. Deze geloofsgenooten echter waren grootendeels onbeschaafd,
ruw en arm en met dezulken wilden de Portugesche Joden geen gemeenschap
oefenen. Zij vormden daarom eene afzonderlijke gemeente; ieder had hare
eigene synagoge en zoo ver ging die afscheiding, dat er bepaald werd,
dat geen huwelijken onder elkander zouden mogen plaats hebben. Die
laatste bepaling werd wel door de wet des lands niet geldig verklaard,
doch men hield er zich evenwel naauwkeurig aan. Van beide Israëlitische
gemeenten vestigden zich leden in Suriname, maar ook daar werd die
afscheiding streng gehandhaafd. De regtsmagt aan de Joden op hunne
Savane toegestaan en aldaar door hen uitgeoefend, strekte zich slechts
tot de Portugesche en niet mede tot de Duitsche Joden uit [1010].
De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens
uitvoerig medegedeeld--haar op te nemen zou slechts eene herhaling
zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal
Gouvernement waren, wordt opgegeven als:
Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen
450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers
150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de
rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen
en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de
Coppename en Cassawina hielden.
Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende
Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar
in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne
meesters ontvlugte slaven.
De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen,
700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers,
670 mannen, 630 vrouwen en 1200 kinderen, te zamen 2450 personen;
Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen,
te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement
in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg
alzoo 5200 personen.
De Indianen waren in drie stammen verdeeld: Caraïben, Arrowakken en
Warauen. Hun aantal werd op vier à vijf duizend mannen, vrouwen en
kinderen, begroot. Deze allen leefden in goede verstandhouding met
het koloniaal bewind [1011].
Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke
memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche
bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te
lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf,
bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring
over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green
bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren
hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde
de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg
met het Hof van Policie.
Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere
mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq.,
den tweeden secretaris van staat voor het Departement van koloniën,
waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en de lords
commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de
betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend,
zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris
geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green
wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor
hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister van koloniën,
als Boekhouder-Generaal aanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd
met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van
Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in,
om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester,
niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van
Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen
raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen,
werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief
opgedragen aan den provisioneelen Boekhouder-Generaal Heshuysen »een
man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met de finantiële
en andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk
wel bedreven in het Engelsch" [1012].
De kolonie was rustig; tegen een onverhoedschen aanval der
in de W. I. zee kruisende Fransche zeemagt waren behoorlijke
voorzorgsmaatregelen genomen; de nieuwe vijand: Spanje, die mede
Engeland den oorlog had verklaard werd niet zeer gevreesd [1013],
zoodat Green vermeende grond te hebben, om te gelooven, dat de kolonie
Suriname niet gemakkelijk uit de handen van het Britsch bestuur zou
worden gerukt [1014].
De gezondheid van Green had door een langdurig verblijf in Tropische
gewesten, veel geleden; tevens verlangde hij naar Oud-Engeland;
om welke redenen hij verlof vroeg, om naar Engeland terug te mogen
keeren [1015]; dit verlof werd hem toegestaan en bepaald, dat de
Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, tijdens zijne afwezigheid,
het burgerlijk en militair bestuur zou waarnemen [1016].
Den 13den April 1805 gaf Green hiervan kennis aan het Hof van Policie,
en stelde der vergadering de vraag voor, of men nog eenig verzoek aan
Z. B. M, had te doen, hetgeen hij dan, bij zijne komst in Engeland,
gaarne in persoon zou willen ondersteunen. Het Hof betuigde, bij
deze gelegenheid, zijn leedwezen over het vertrek van een man »in
wiens magt het had gestaan," zoo luidde het antwoord: »om de kolonie
het lot des oorlogs te doen ondervinden, dan in steede van dit hadde
hoogst zijn Edele Gestrenge alles aangewend, wat tot geluk, welvaart
en voorspoed van dit wingewest heeft kunnen strekken" [1017].
Den 15den April 1805 wierd den volke bij publicatie kennis gegeven
van het aanstaande vertrek van den landvoogd [1018]; en reeds twee
dagen later, den 17den April, verliet Green de kolonie.
De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12den April
te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene
vergadering van het hof van Policie op den 18den dierzelfde maand,
waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als
Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.
De korte regering van Green was vrij rustig geweest; doch zijn
plaatsvervanger daarentegen had gedurende zijn bestuur met vele
moeijelijkheden te kampen. Al kort na zijne optreding begon zich eene
schaarschte aan sommige artikelen in de kolonie te openbaren. Door
de aanwezigheid eener vijandelijke zeemagt in de W. I. zee, werd de
correspondentie zeer bemoeijelijkt, zoodat er reeds drie brievenmalen
te Barbados waren aangekomen, zonder dat men in Suriname er een van
had ontvangen [1019]; maar bovendien had de geregelde aanvoer der
provisiën, met Engelsche schepen, geen plaats gevonden.
De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was
achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van 7 December
1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan
men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter,
rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch,
traan, lijn- en raapolie, kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring
was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge
prijzen te bekomen.
En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch
en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de
plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek
konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo
en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet
worden ontbeerd voor de slavenbevolking.
De traan was benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij
welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; de raap- en
spermacetie-olie voor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de
blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd,
de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep
tot het wasschen van linnen, enz.
Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de
Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te
zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats
vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.
In dit ter dier zake ingeleverd verzoekschrift werd verzocht: om,
behalve den invoer der artikelen, bij Proclamatie van 24 April 1805
vrijelijk aan Amerikaansche of andere neutrale schepen vergund die
vergunning uit te strekken tot de bovengenoemde artikelen en dit
tot het einde van het jaar 1805. Ten einde te zorgen, dat Engeland
boven andere natiën bevoorregt bleef, bood men aan, om, boven het,
van het reeds per neutrale schepen aangevoerde, regt van 8 pCt.,
hiervoor nog 12 pCt. inkomende regten te betalen, en den uitvoer
tot rum en melassie beperkt te houden. Zoo de Gouverneur bezwaren
had omtrent den invoer van kaarsen en zeep, die anders voornamelijk
uit Engeland kwamen, wilde men die bovendien nog met 10 pCt. extra
inkomend regt belasten, »waaruit", gelijk men ten slotte aanvoerde:
»genoegzaam bleek, dat het volstrekt niet in de bedoeling van het
Hof lag, om vreemdelingen met Engelschen gelijk te stellen" [1020].
Hughes antwoordde hierop, dat hij onmogelijk dit verzoek kon toestaan,
daar het tegen de scheepvaart- en handelswetten van Groot-Brittanje en
tegen verscheidene, onlangs uitgevaardigde, besluiten van het Parlement
streed. Hij gaf als zijne meening te kennen, dat de Britsche zeemagt in
de W. I. zee, weldra genoegzaam zou zijn, om den handel te beschermen;
doch--zoo er volstrekt gebrek aan het een of ander mogt komen, en de
gelegenheid zich aanbood, om hierin door middel van neutrale schepen
te voorzien--dan zoude hij daartoe toestemming verleenen [1021].
Bij een herhaald dringend aanzoek van het Hof verleende Hughes, bij
publicatie van 28 Augustus 1805, vrijheid tot den invoer van Boter,
Visch, Kaas en Olie [1022]. Ook later, toen de nood dit vereischte
en de Engelsche schepen geen vleesch en spek hadden aangebragt,
kocht hij dit van een Amerikaansch schip [1023].
De ongunstige staat van de geldmiddelen der Kolonie, welke reeds
onder Green bestond, bereikte weldra eene hoogte, die voorziening
noodzakelijk maakte. De te korten in de onderscheidene kassen
(zie bladz. 529) namen toe--in de kas der Modique lasten was een
nadeelig slot van f 400,000.--; in de kas ter verdediging tegen de
wegloopers ruim f 100,000.-- en de belastingen, die reeds drukkend
waren, konden moeijelijk verhoogd worden. Wat dan nu te doen? Het
Committé van Finantiën stelde voor, om het Hoofdgeld van f 1,-- tot
f 2,10 te brengen,--maar hoe weinig baatte dit; Hughes sprak er van,
om eene leening te sluiten,--doch waar zou men de gelden vinden ter
betaling der interesten; Heshuysen betoogde, dat de beste wijze,
om in den nood te voorzien, bestond: in de uitgifte van kaartengeld
of obligatiën. [1024]
Tot het opvolgen van dien raad van Heshuysen werd weldra besloten;--men
was in Suriname hier zoo aan gewend--en, na verkregen magtiging van
het Britsch bestuur, werd het papieren geld op nieuw vermeerderd met
4000 billets de banque, ieder à f 125 dus te zamen voor eene som van
f 50,000. Het Britsch Gouvernement had bij het verleenen van zijne
toestemming hiertoe, echter uitdrukkelijk bepaald, dat men de noodige
voorzorgen moest gebruiken, ten einde het Britsch bewind, zoo Suriname,
bij den vrede, teruggegeven werd, voor alle aansprakelijkheid ten
deze te vrijwaren [1025]. Deze maatregel hielp echter weinig; spoedig
heerschte er op nieuw geldgebrek in de koloniale kassen. Een op nieuw
aangevraagde vermeerdering van papieren geld werd nu door de Engelsche
regering niet toegestaan [1026], en zoo wist men weldra niet meer
wat te doen:--alleen voor het onderhoud van het vrijcorps kwam men
jaarlijks meer dan f 100,000 te kort. Het Hof drong bij herhaling aan,
om vrijheid te erlangen tot vermeerdering van het papieren geld, of
ondersteuning der Engelsche regering te ontvangen voor het onderhoud
van het vrijcorps [1027].
De gedurige vermelding der geldkwestiën neemt eene groote plaats in
deze geschiedenis in, en dit verwondere niemand: want speelt overal
in de burgerlijke maatschappij het geld eene groote rol, in eene
volkplanting, waar het voornaamste doel der zich nederzettenden is:
geld te verdienen, overheerscht de geldkwestie bijna alle andere. Dat
het beoogde doel: rijk te worden, velen in den strik deed vallen en
in meniglei verzoekingen bragt, bevestigt op nieuw de waarheid van
Gods Woord, hetwelk dit heeft voorzegd. Op het goud, verkregen ten
koste van het zweet en bloed van medemenschen, rustte geen zegen. Het
vermogen, dat niet, onder den zegen Gods, door eigen inspanning
verworven, maar door aan anderen afgepersten arbeid is verkregen,
werd roekeloos verkwist en evenmin als er orde en spaarzaamheid
heerschten in de beheering der koloniale geldmiddelen, evenmin
was dit, in den regel, bij particulieren te vinden. Vandaar dat
er gedurig veel meer dan ergens elders, regterlijke vervolgingen,
verkoop bij executie en gijzeling om schulden plaats hadden. Soms
ook trachtten personen de kolonie te verlaten, ten einde vrij van
hunne schuldeischers te zijn. Om dit te beletten werd door Hughes eene
verordening uitgevaardigd, waarbij kennis werd gegeven: dat er voortaan
geen passen aan vertrekkende personen zouden worden afgegeven, ten zij
men, 14 dagen vooraf, daarvan ter Gouvernements-Secretarie aangifte
deed, en zulks in de nieuwspapieren werd afgekondigd, ten einde
de crediteuren gelegenheid te geven, zich daartegen te opposseren,
in geval van niet voldoening hunner vorderingen [1028].
In naauw verband met het doel »geld te verdienen", stond de telkens
benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En
hierin kwam weldra eene groote verandering.
De welsprekende stemmen van mannen als Wilberforce, Buxton en andere
menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang
als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter
telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich
niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren
gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen;
eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later
bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De
Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst
die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.