HOOFDSTUK XI.

Vóórdat de klok dien morgen "negen" had geslagen, verspreidde het

akelige nieuws zich plotseling door de geheele stad. Zelfs zonder

de toen nog onbekende telegraaf vloog het verhaal, met meer dan

telegrafischen spoed, van mond tot mond, van groep tot groep,

van huis tot huis. Natuurlijk gaf de schoolmeester vacantie. De

St. Petersburgers zouden niet geweten hebben hoe zij 't met hem hadden,

indien hij dat niet gedaan had. Er was, zoo luidde het gerucht, een

bebloed mes vlak bij den vermoorden man gevonden, en dat mes was door

iemand herkend als aan Muff Potter toe te behooren. En, werd er verder

verteld, een man, die laat in den nacht op weg was geweest, had om twee

uren na middernacht Potter zich aan een beek zien staan wasschen en

toen op eens wegsluipen. Al te maal verdachte omstandigheden, vooral

het wasschen, dat volstrekt niet tot Potters gewoonte behoorde. Men

wist ook, dat de gansche stad was doorzocht on dezen "moordenaar"

op te sporen (het publiek heeft in den regel spoedig de bewijzen bij

de hand en het vonnis klaar), maar dat hij nergens te vinden was. Men

had op alle wegen en in allerlei richtingen mannen te paard gezien en

de sherif hield zich verzekerd, dat hij vóór den nacht gevat zou zijn.

De geheele stad liep uit naar het kerkhof. Tom vergat ook voor het

oogenblik zijn hartzeer en voegde zich bij den stoet, niet omdat hij

niet duizendmaal liever overal elders zou zijn heengegaan, maar omdat

eene huiveringwekkende onweerstaanbare betoovering hem voortdreef. Bij

de akelige plaats gekomen, drong hij met zijn klein lichaam door de

menigte heen en aanschouwde het afgrijselijk tooneel. Het was hem

alsof er een eeuw was voorbijgegaan, sedert hij daar geweest was. Op

eens werd hij in den arm geknepen. Hij keerde zich on en zijne oogen

ontmoetten die van Huckleberry. Daarop keken de knapen dadelijk den

anderen kant uit en hun hart klopte bij de gedachte, dat iemand dien

blik van verstandhouding mocht bemerkt hebben. Doch iedereen was aan

het praten en verdiept in het vreeselijk schouwspel, dat zich voor

het oog vertoonde.

"Die arme man! Het is een goede les voor lijkendieven. Muff Potter

zal er voor hangen, als ze hem krijgen!" Dit was zoo ongeveer de loop

van het gesprek op het kerkhof en de dominee maakte de opmerking,

"dat het een 'Godsoordeel' was en dat des Heeren hand hier kennelijk

werd gezien."

Plotseling begon Tom van het hoofd tot de voeten te beven want zijn

oog viel op het verstokte gelaat van Injun Joe. Op dit oogenblik

ontstond er eene kleine opschudding onder de menigte en verscheidene

menschen riepen: "Daar is hij! daar is hij! Hij komt zelf!"

"Wie? Wie?" herhaalden twintig stemmen.

"Muff Potter!

"Heila! Hij wordt tegengehouden. Kijk, hij keert terug! Laat hem

niet wegloopen!"

Een paar mannen, die in de boomen geklommen waren boven Toms hoofd,

riepen dat hij volstrekt geen pogingen deed om weg te loopen en dat

hij er achterdochtig en verschrikt uitzag.

"Duivelsch onbeschaamd!" zei een der omstanders. "Zeker wou hij

eens rustig een kijkje van zijn werk komen nemen en verwachtte geen

gezelschap."

De schare maakte nu plaats voor den sherif, die met veel praalvertoon

Muff Potter bij den arm leidende, in haar midden ging staan. De arme

man zag er verwilderd uit en zijne oogen verrieden den doodsangst,

waarin hij verkeerde. Toen hij tegenover den verslagene stond, was

het alsof hij door eene beroerte getroffen werd; hij verborg zijn

gelaat in zijne handen en barstte in tranen uit.

"Ik heb het niet gedaan, vrienden," snikte hij. "Op mijn woord van eer,

ik heb het niet gedaan."

"Wie beschuldigt u?" donderde een stem.

Dit schot scheen doel te treffen. Potter hief het gelaat omhoog en

zag met roerende hopeloosheid in het rond. Toen hij Injun Joe zag,

riep hij uit:

"O, Injun Joe! gij beloofdet, dat gij het nooit...."

"Is dat uw mes?" En het bebloed werktuig werd hem door den sherif

voorgehouden.

Potter zou op den grond gevallen zijn, indien men hem niet aangegrepen

had. Toen sprak hij:

"Iets in mijn binnenste zeide mij, dat, als ik niet terugkwam om het

te halen...."

Sidderend hield hij op en wuifde met de machtelooze hand, als wilde

hij te kennen geven, dat hij zich overwonnen achtte, en zeide:

"Zeg het maar, Joe--zeg het maar;--het helpt toch niet meer."

Huckleberry en Tom waren sprakeloos van ontzetting, toen zij den

verstokten moordenaar kalm zijne verklaring hoorden afleggen. Zij

verwachten elk oogenblik, dat God een bliksemstraal uit den helderen

hemel op hem zou doen nederschieten, en verwonderden er zich over, dat

die straf zich voortdurend liet wachten. En toen Injun Joe uitgesproken

had en nog levend en gezond voor hen stond, verdween uit hun hart de

aandrang om hun eed te breken en het leven van den armen bedrogen

gevangene te redden want deze ellendeling, die er zoo goed afkwam,

had zich ongetwijfeld aan den duivel verkocht en het zou gevaarlijk

wezen zich met het eigendom van een macht als deze in te laten.

"Waarom zijt gij niet weggebleven? Wat behoefdet gij hier terug te

komen?" vroeg een der omstanders.

"Ik, ik kon niet anders," kermde Potter; "ik zou zoo gaarne weggeloopen

zijn, maar ik werd naar deze plaats als gedreven." En hij begon weder

te snikken.

Een paar minuten later, bij het gerechtelijk onderzoek, herhaalde

Injun Joe met dezelfde kalmte als den eersten keer zijne verklaringen

onder eede en de omstandigheid dat hij nu weder niet door den

bliksemschicht getroffen werd, versterkte de knapen in hun geloof,

dat Joe zich aan den Duivel had verkocht. Hij werd thans in hunne

oogen het vreeselijkste en belangwekkendste wezen, dat zij ooit hadden

aanschouwd, en hij boeide hen in zulk eene mate, dat zij hunne oogen

niet van hem konden afhouden. Bij zichzelven besloten zij, on zoodra

de gelegenheid zich voordeed, hem des nachts te bespieden, in de hoop

dan iets van zijn vreeselijken meester te zien te krijgen.

Injun Joe hielp het lijk van den vermoorde optillen en ten vervoer

in den ziekenwagen leggen, en onder de sidderende menigte werd het

gemompel gehoord, dat de wond een weinig bloedde. De jongens dachten,

dat deze gelukkige omstandigheid het vermoeden in de juiste richting

zou wenden, maar ze werden teleurgesteld, want iemand maakte de

opmerking, dat "Muff Potter op drie treden afstands van het lijk

gestaan had, toen het gebeurde."

Het vreeselijk geheim en zijn knagend geweten vervolgden Tom van den

morgen tot den avond en verstoorden zelfs zijn nachtrust. Op zekeren

morgen aan het ontbijt zeide Sid:

"Tom, je woelt tegenwoordig den ganschen nacht door en je praat zoo

in je slaap, dat je me uren wakker houdt."

Tom verbleekte en sloeg de oogen neder.

"Dat is een kwaad teeken," zeide tante Polly, ernstig. "Je hebt toch

niets op je geweten, Tom?"

"Niet, dat ik weet," antwoordde de knaap, doch zijne hand beefde zoo,

dat hij zijne koffie op het tafelblad stortte.

"En je praat zulken onzin," zeide Sid. "Gisterenacht riep je: 'Het

is bloed, het is bloed, dat is het!' Dat heb je wel twintig keer

gezegd. En je zei ook: 'Plaag me niet zoo;--ik zal het vertellen,'"

"Vertellen? Wat zul je me toch vertellen?" vroeg tante.

De geheele kamer draaide voor Toms oogen in het rond en de hemel weet

wat er gebeurd zou zijn, indien de onrust niet uit tantes gelaat

verdwenen en zij, zonder het zelve te weten, haar neef te hulp was

gekomen. Zij zeide: "O! dat komt van dien vreeselijken moord. Ik

droom er ook elken nacht van; soms wel, dat ik het zelve gedaan heb."

Ook Marie verzekerde, dat het haar eveneens ging, en Sid scheen

bevredigd. Tom echter sloop zoo spoedig weg als hij kon, en van dien

dag af, klaagde hij over kiespijn en deed des snachts den doek om

zijn gezicht. Weinig vermoedde hij echter, dat Sid hem uren lang

lag te bespieden den doek wegtrok, op zijn elleboog geleund ging

liggen luisteren, en dan het verband weer handig op zijne plaats

schoof. Langzamerhand begon Toms angst te verminderen en werd de

kiespijn afgedankt. Indien Sid het werkelijk er op aanlegde om iets

uit Toms onsamenhangend gemompel op te maken, hield hij het toch

zorgvuldig voor zich.

Er scheen in Toms oog geen einde te komen aan het spelletje zijner

schoolmakkers om lijkschouwing van doode katten te houden, en dusdoende

aanhoudend zijne kwelling te verlevendigen. Sid merkte dit, dat bij

deze instructies, Tom nooit weer lijkschouwer wilde wezen, ofschoon

hij vroeger bij elke nieuwe uitvinding altijd "haantje de voorste"

was. Het viel hem ook op, dat Tom nooit getuige wilde zijn--ja, zelfs

een in 't oog loopenden afkeer van vermakelijkheden als deze verkregen

had en ze zooveel mogelijk vermeed. Sid verwonderde zich daarover,

maar zeide niets. Gelukkig gingen deze lijkschouwingen eindelijk uit

de mode en hielden dus op Toms geweten te pijnigen.

Gedurende dit kommervolle tijdperk zijns levens ging Tom om den

anderen of om de twee dagen, zoo dikwijls als hij wist dat niemand hem

bespiedde, voor het kleine getraliede venster van de gevangenis staan

en stak daardoor "den moordenaar" al de verkwikkingen en lekkernijen

toe, waarvan hij zich kon meester maken.

De gevangenis van St. Petersburg was een klein steenen gebouw, dat in

een moeras vlak buiten het stadje lag, en waarvoor geen schildwachten

noodig geacht werden. Zij was zelden bezet en Tom kon er dus veilig

heengaan om Muff Potter de offeranden te schenken, waarmede hij zijn

geweten weder eenigszins tot rust zocht te brengen.

De bewoners van het stadje zouden zeker anders het gebruik gevolgd

hebben om Injun Joe, beteerd en met veeren beplakt in een kooi rond

te rijden, (de gewone straf van lijkendieven,) maar hij was zulk

een berucht en gevreesd persoon, dat niemand de leiding van deze

onderneming op zich durfde nemen. Injun Joe, van zijn kant, had wel

opgepast bij beide zijne getuigenissen alleen van het gevecht te

spreken, en den voorafgeganen diefstal te verzwijgen. Vandaar dat de

zaak vooralsnog niet bij het Hof aanhangig werd gemaakt.

De Lotgevallen van Tom Sawyer · 第 20 / 48 题