Vóórdat de klok dien morgen "negen" had geslagen, verspreidde het
akelige nieuws zich plotseling door de geheele stad. Zelfs zonder
de toen nog onbekende telegraaf vloog het verhaal, met meer dan
telegrafischen spoed, van mond tot mond, van groep tot groep,
van huis tot huis. Natuurlijk gaf de schoolmeester vacantie. De
St. Petersburgers zouden niet geweten hebben hoe zij 't met hem hadden,
indien hij dat niet gedaan had. Er was, zoo luidde het gerucht, een
bebloed mes vlak bij den vermoorden man gevonden, en dat mes was door
iemand herkend als aan Muff Potter toe te behooren. En, werd er verder
verteld, een man, die laat in den nacht op weg was geweest, had om twee
uren na middernacht Potter zich aan een beek zien staan wasschen en
toen op eens wegsluipen. Al te maal verdachte omstandigheden, vooral
het wasschen, dat volstrekt niet tot Potters gewoonte behoorde. Men
wist ook, dat de gansche stad was doorzocht on dezen "moordenaar"
op te sporen (het publiek heeft in den regel spoedig de bewijzen bij
de hand en het vonnis klaar), maar dat hij nergens te vinden was. Men
had op alle wegen en in allerlei richtingen mannen te paard gezien en
de sherif hield zich verzekerd, dat hij vóór den nacht gevat zou zijn.
De geheele stad liep uit naar het kerkhof. Tom vergat ook voor het
oogenblik zijn hartzeer en voegde zich bij den stoet, niet omdat hij
niet duizendmaal liever overal elders zou zijn heengegaan, maar omdat
eene huiveringwekkende onweerstaanbare betoovering hem voortdreef. Bij
de akelige plaats gekomen, drong hij met zijn klein lichaam door de
menigte heen en aanschouwde het afgrijselijk tooneel. Het was hem
alsof er een eeuw was voorbijgegaan, sedert hij daar geweest was. Op
eens werd hij in den arm geknepen. Hij keerde zich on en zijne oogen
ontmoetten die van Huckleberry. Daarop keken de knapen dadelijk den
anderen kant uit en hun hart klopte bij de gedachte, dat iemand dien
blik van verstandhouding mocht bemerkt hebben. Doch iedereen was aan
het praten en verdiept in het vreeselijk schouwspel, dat zich voor
het oog vertoonde.
"Die arme man! Het is een goede les voor lijkendieven. Muff Potter
zal er voor hangen, als ze hem krijgen!" Dit was zoo ongeveer de loop
van het gesprek op het kerkhof en de dominee maakte de opmerking,
"dat het een 'Godsoordeel' was en dat des Heeren hand hier kennelijk
werd gezien."
Plotseling begon Tom van het hoofd tot de voeten te beven want zijn
oog viel op het verstokte gelaat van Injun Joe. Op dit oogenblik
ontstond er eene kleine opschudding onder de menigte en verscheidene
menschen riepen: "Daar is hij! daar is hij! Hij komt zelf!"
"Wie? Wie?" herhaalden twintig stemmen.
"Muff Potter!
"Heila! Hij wordt tegengehouden. Kijk, hij keert terug! Laat hem
niet wegloopen!"
Een paar mannen, die in de boomen geklommen waren boven Toms hoofd,
riepen dat hij volstrekt geen pogingen deed om weg te loopen en dat
hij er achterdochtig en verschrikt uitzag.
"Duivelsch onbeschaamd!" zei een der omstanders. "Zeker wou hij
eens rustig een kijkje van zijn werk komen nemen en verwachtte geen
gezelschap."
De schare maakte nu plaats voor den sherif, die met veel praalvertoon
Muff Potter bij den arm leidende, in haar midden ging staan. De arme
man zag er verwilderd uit en zijne oogen verrieden den doodsangst,
waarin hij verkeerde. Toen hij tegenover den verslagene stond, was
het alsof hij door eene beroerte getroffen werd; hij verborg zijn
gelaat in zijne handen en barstte in tranen uit.
"Ik heb het niet gedaan, vrienden," snikte hij. "Op mijn woord van eer,
ik heb het niet gedaan."
"Wie beschuldigt u?" donderde een stem.
Dit schot scheen doel te treffen. Potter hief het gelaat omhoog en
zag met roerende hopeloosheid in het rond. Toen hij Injun Joe zag,
riep hij uit:
"O, Injun Joe! gij beloofdet, dat gij het nooit...."
"Is dat uw mes?" En het bebloed werktuig werd hem door den sherif
voorgehouden.
Potter zou op den grond gevallen zijn, indien men hem niet aangegrepen
had. Toen sprak hij:
"Iets in mijn binnenste zeide mij, dat, als ik niet terugkwam om het
te halen...."
Sidderend hield hij op en wuifde met de machtelooze hand, als wilde
hij te kennen geven, dat hij zich overwonnen achtte, en zeide:
"Zeg het maar, Joe--zeg het maar;--het helpt toch niet meer."
Huckleberry en Tom waren sprakeloos van ontzetting, toen zij den
verstokten moordenaar kalm zijne verklaring hoorden afleggen. Zij
verwachten elk oogenblik, dat God een bliksemstraal uit den helderen
hemel op hem zou doen nederschieten, en verwonderden er zich over, dat
die straf zich voortdurend liet wachten. En toen Injun Joe uitgesproken
had en nog levend en gezond voor hen stond, verdween uit hun hart de
aandrang om hun eed te breken en het leven van den armen bedrogen
gevangene te redden want deze ellendeling, die er zoo goed afkwam,
had zich ongetwijfeld aan den duivel verkocht en het zou gevaarlijk
wezen zich met het eigendom van een macht als deze in te laten.
"Waarom zijt gij niet weggebleven? Wat behoefdet gij hier terug te
komen?" vroeg een der omstanders.
"Ik, ik kon niet anders," kermde Potter; "ik zou zoo gaarne weggeloopen
zijn, maar ik werd naar deze plaats als gedreven." En hij begon weder
te snikken.
Een paar minuten later, bij het gerechtelijk onderzoek, herhaalde
Injun Joe met dezelfde kalmte als den eersten keer zijne verklaringen
onder eede en de omstandigheid dat hij nu weder niet door den
bliksemschicht getroffen werd, versterkte de knapen in hun geloof,
dat Joe zich aan den Duivel had verkocht. Hij werd thans in hunne
oogen het vreeselijkste en belangwekkendste wezen, dat zij ooit hadden
aanschouwd, en hij boeide hen in zulk eene mate, dat zij hunne oogen
niet van hem konden afhouden. Bij zichzelven besloten zij, on zoodra
de gelegenheid zich voordeed, hem des nachts te bespieden, in de hoop
dan iets van zijn vreeselijken meester te zien te krijgen.
Injun Joe hielp het lijk van den vermoorde optillen en ten vervoer
in den ziekenwagen leggen, en onder de sidderende menigte werd het
gemompel gehoord, dat de wond een weinig bloedde. De jongens dachten,
dat deze gelukkige omstandigheid het vermoeden in de juiste richting
zou wenden, maar ze werden teleurgesteld, want iemand maakte de
opmerking, dat "Muff Potter op drie treden afstands van het lijk
gestaan had, toen het gebeurde."
Het vreeselijk geheim en zijn knagend geweten vervolgden Tom van den
morgen tot den avond en verstoorden zelfs zijn nachtrust. Op zekeren
morgen aan het ontbijt zeide Sid:
"Tom, je woelt tegenwoordig den ganschen nacht door en je praat zoo
in je slaap, dat je me uren wakker houdt."
Tom verbleekte en sloeg de oogen neder.
"Dat is een kwaad teeken," zeide tante Polly, ernstig. "Je hebt toch
niets op je geweten, Tom?"
"Niet, dat ik weet," antwoordde de knaap, doch zijne hand beefde zoo,
dat hij zijne koffie op het tafelblad stortte.
"En je praat zulken onzin," zeide Sid. "Gisterenacht riep je: 'Het
is bloed, het is bloed, dat is het!' Dat heb je wel twintig keer
gezegd. En je zei ook: 'Plaag me niet zoo;--ik zal het vertellen,'"
"Vertellen? Wat zul je me toch vertellen?" vroeg tante.
De geheele kamer draaide voor Toms oogen in het rond en de hemel weet
wat er gebeurd zou zijn, indien de onrust niet uit tantes gelaat
verdwenen en zij, zonder het zelve te weten, haar neef te hulp was
gekomen. Zij zeide: "O! dat komt van dien vreeselijken moord. Ik
droom er ook elken nacht van; soms wel, dat ik het zelve gedaan heb."
Ook Marie verzekerde, dat het haar eveneens ging, en Sid scheen
bevredigd. Tom echter sloop zoo spoedig weg als hij kon, en van dien
dag af, klaagde hij over kiespijn en deed des snachts den doek om
zijn gezicht. Weinig vermoedde hij echter, dat Sid hem uren lang
lag te bespieden den doek wegtrok, op zijn elleboog geleund ging
liggen luisteren, en dan het verband weer handig op zijne plaats
schoof. Langzamerhand begon Toms angst te verminderen en werd de
kiespijn afgedankt. Indien Sid het werkelijk er op aanlegde om iets
uit Toms onsamenhangend gemompel op te maken, hield hij het toch
zorgvuldig voor zich.
Er scheen in Toms oog geen einde te komen aan het spelletje zijner
schoolmakkers om lijkschouwing van doode katten te houden, en dusdoende
aanhoudend zijne kwelling te verlevendigen. Sid merkte dit, dat bij
deze instructies, Tom nooit weer lijkschouwer wilde wezen, ofschoon
hij vroeger bij elke nieuwe uitvinding altijd "haantje de voorste"
was. Het viel hem ook op, dat Tom nooit getuige wilde zijn--ja, zelfs
een in 't oog loopenden afkeer van vermakelijkheden als deze verkregen
had en ze zooveel mogelijk vermeed. Sid verwonderde zich daarover,
maar zeide niets. Gelukkig gingen deze lijkschouwingen eindelijk uit
de mode en hielden dus op Toms geweten te pijnigen.
Gedurende dit kommervolle tijdperk zijns levens ging Tom om den
anderen of om de twee dagen, zoo dikwijls als hij wist dat niemand hem
bespiedde, voor het kleine getraliede venster van de gevangenis staan
en stak daardoor "den moordenaar" al de verkwikkingen en lekkernijen
toe, waarvan hij zich kon meester maken.
De gevangenis van St. Petersburg was een klein steenen gebouw, dat in
een moeras vlak buiten het stadje lag, en waarvoor geen schildwachten
noodig geacht werden. Zij was zelden bezet en Tom kon er dus veilig
heengaan om Muff Potter de offeranden te schenken, waarmede hij zijn
geweten weder eenigszins tot rust zocht te brengen.
De bewoners van het stadje zouden zeker anders het gebruik gevolgd
hebben om Injun Joe, beteerd en met veeren beplakt in een kooi rond
te rijden, (de gewone straf van lijkendieven,) maar hij was zulk
een berucht en gevreesd persoon, dat niemand de leiding van deze
onderneming op zich durfde nemen. Injun Joe, van zijn kant, had wel
opgepast bij beide zijne getuigenissen alleen van het gevecht te
spreken, en den voorafgeganen diefstal te verzwijgen. Vandaar dat de
zaak vooralsnog niet bij het Hof aanhangig werd gemaakt.