De beide knapen ijlden sprakeloos van ontzetting den weg op naar
de stad. Van tijd tot tijd zagen zij angstig om, als vreesden zij
achtervolgd te worden. In elken boomtronk, die zich op den weg
verhief, meenden zij een vijand te zien, en dat deed hun den adem
inhouden, en telkens wanneer zij een eenzame nabij de stad gelegen
hut voorbijrenden, scheen het geblaf der opgeschrikte kettinghonden
hunne voeten vleugelen aan te binden.
"Als wij het maar tot de oude looierij kunnen brengen, voordat wij het
afleggen," fluisterde Tom, en hijgde bij ieder woord naar adem. "Ik
kan het niet langer uithouden!" Huckleberry antwoordde met een
zwaren zucht en de knapen vestigden hun oogen op het doelwit hunner
hoop en spanden alle krachten in on dat te bereiken. Zij naderden
het hoe langer hoe meer, stormden eindelijk hals over hoofd de
openstaande deur binnen en vielen dankbaar en uitgeput in de donkere
schuilplaats neer. Langzamerhand bedaarde het kloppen van hun hart
en Tom fluisterde: "Huckleberry, wat denk jij, dat er op staat?"
"Als dokter Robinson sterft, loopt het op hangen uit."
"Denk je dat wezenlijk."
"Wel, ik weet het zeker, Tom."
Tom dacht een oogenblik na en zeide:
"Wie zal het vertellen? Wij?"
"Wat verzin je nou! Verbeeld je, dat er eens iets gebeurde waardoor
Injun Joe niet opgehangen werd, dan zou hij ons immers op een goeden
dag vermoorden."
"Dat lag ik juist te bedenken, Huck."
"Als iemand het zeggen moet, laat Muff Potter het dan doen indien
hij er althans niet te gek of te dronken toe is."
Tom antwoordde niets--en ging voort met denken. Eindelijk zei hij
zachtjes:
"Huck, Muff Potter weet het niet. Hoe kan hij het vertellen?"
"Waarom weet hij het niet?"
"Omdat hij juist die plank op zijn kop heeft gekregen, toen Injun
Joe het deed. Denk jij, dat hij iets kan gezien hebben? Denk jij,
dat hij iets weet?"
"Bij mijne zolen, dat is waar ook, Tom."
"En bovendien, wie weet of die plank hem niet gedood heeft!"
"Neen, dat geloof ik niet, Tom. Hij was dronken, dat kon ik wel
zien; dronken, net als altijd. Wel, als Pop zat is, kun je wel een
kerk op zijn hoofd laten invallen, zonder dat 't hem deert. Dat zeit
hij zelf. Zoo is het natuurlijk precies met Muff Potter. Als de man
doodnuchteren geweest was, zou de plank hem wel gemold hebben, maar
nu niet."
Na een oogenblik peinzend zeide Tom:
"Hucky, weet je zeker, dat je je mond kunt houden?"
"Tom, wij _moeten_ den mond houden. Die duivel van een Injun zou er
geen been in zien ons als katten te verdrinken, als we van den moord
repten en hij niet gehangen werd. Hoor eens hier, Tom, laat ons elkaar
met een eed beloven, dat wij geen woord zullen spreken."
"Dat is goed, Huck; dat zal 't beste zijn. Zullen wij onze handen
opsteken en zweren, dat we...?"
"O, neen, dat is niet voldoende voor zoo iets als dit. Dat is goed
voor wissewasjes, vooral onder jongens, die den boel verklappen
zoodra ze nijdig worden; maar bij zoo'n groot ding als dit behoort
schrift en--bloed!"
Tom juichte dit denkbeeld van ganscher harte toe. Er was iets
geheimzinnigs en ijzingswekkends in: het nachtelijk uur, de duisternis,
de omgeving, alles was er mede in overeenstemming. Hij raapte een
witten, in de maneschijn liggenden tegel op, haalde een stukje rood
krijt uit zijn zak en krabbelde, bij het licht van de maneschijn,
met moeite de volgende woorden op den tegel:
"Hugh Finn en
Tom Sawyer zweren,
dat zij zullen zwijgen over
deze zaak, en verklaren, dat zij
liever op de plaats zelve zullen
doodvallen dan ooit de waarheid
te verklappen."
Huckleberry was verbaasd over de gemakkelijkheid waarmede Tom schreef
en over de prachtige woorden. Hij nam dadelijk een speld uit zijn
lompen en wilde zich in den vinger prikken, toen Tom zeide:
"Houd op, doe dat niet! De speld is van koper; er mocht eens kopergroen
aan zijn."
"Wat is kopergroen?"
"Dat is vergif, en als je dat eens insliktet ... Begrijp jij?"
Daarop nam Tom het garen uit een van zijn naalden, en de jongens
prikten zich in den duim en drukten er een droppel bloed uit.
Na lang persen gelukte het Tom de voorletters van zijn naam met bloed
op den tegel te teekenen, en gebruikte daarbij zijn pink als pen. Toen
wees hij Huckleberry, hoe hij een H en een F moest maken, en hiermede
waren de formaliteiten der eedsaflegging voltooid. Zij begroeven den
tegel vlak bij den muur, met de noodige griezelige plechtigheden en
onder het spreken van tooverformulieren en beschouwden van nu aan
hun geheim als heilig en onschendbaar.
Onderwijl was, zonder dat de knapen het bemerkt hadden eene gedaante
door eene opening aan de andere zijde van het vervallen gebouw naar
binnen geslopen.
"Tom," fluisterde Huckleberry, "mogen wij het nu nooit verklappen?"
"Neen, natuurlijk niet. Wat er ook gebeure, wij mogen, er geen woord
van spreken, want als wij dat deden, zouden wij dood op den grond
vallen,--begrijp je?"
"Ja, dat begrijp ik?"
Zij bleven nog eenige minuten staan fluisteren, toen buiten,
omstreeks tien stappen van de plek waar zij stonden, een hond zijn
lang, somber gejank aanhief. De knapen klemden zich doodelijk ontsteld
aan elkander vast.
"Wie van ons beiden zou er om koud zijn?" bracht Huckleberry, naar
adem snakkende, uit.
"Ik weet het niet. Kijk maar eens door deze scheur in den muur."
"Neen, doe jij het zelf, Tom."
"Ik, ik kan het niet doen, Huck."
"Och, als je blieft, Tom. Daar begint het weer."
"O Hemeltje, wat ben ik blij," fluisterde Tom. "Ik ken zijn stem:
het is Harbisons hond."
"O, dat is gelukkig!--Zal ik je eens wat zeggen, Tom? ik was zoo bang,
dat het een verdwaalde hond zou zijn."
De hond begon weder te huilen en weer ontzonk den jongens de moed.
"O wee! Het is Harbisons hond niet," fluisterde Huckleberry; "kijk
nog eens Tom."
Bevende van schrik bracht Tom zijn oog nogmaals voor de
opening. Nauwlijks verstaanbaar fluisterde hij:
"O Huck! Het is een _verdwaalde hond_!"
"Gauw, Tom, gauw! Wien van ons bedoelt hij?"
"Huck, ik denk ons allebei."
"O, Tom, het is met ons gedaan. Waar ik naar toe zal gaan, is niet
twijfelachtig. Ik ben altijd zoo slecht geweest."
"Ik ook.--Dat komt van het uit school blijven en van het ongehoorzaam
zijn. Als ik gewild had, zou ik wel even goed hebben kunnen zijn als
Sid,--maar, neen, dat zou ik toch niet, natuurlijk niet. Breng ik
het er nu dezen keer goed af, dan zal ik mijn best doen om voortaan
op de zondagsschool op te passen." En Tom begon aanstalten te maken
tot schreien.
"Jij slecht?" en Huckleberry begon ook te schreien. "Bewaar me, Tom
Sawyer, als jij niet een brave jongen bent geweest in vergelijking
van mij. O hemeltje, hemeltje, hemeltje! Ik wou, dat ik de helft van
jou kansen had!"
Tom viel hem in de rede en fluisterde:
"Kijk eens, Huck, kijk eens! Hij staat met zijn rug naar ons toe."
Huckleberry keek verheugd door de opening.
"Sapperloot, het is waar. Heeft hij altijd zoo gestaan?"
"Ja; maar ik ben zoo gek geweest het niet te zien. Nu wie zou hij
thans op het oog hebben?"
Het gehuil hield op. Tom splitste de ooren.
"Hè! wat is dat?" fluisterde hij.
"Een geluid als--als het knorren van een varken. Neen, toch niet;
er ligt iemand te snorken, Tom."
"Ja, dat is het.--Waar komt het vandaan, Huck?"
"Ik geloof van gindschen kant. Zoo klinkt het ten minste. Pop slaapt
hier wel eens met de varkens, maar zijn gesnork is een heel ander
geblaas. Buitendien geloof ik, dat hij niet meer in de stad durft
komen."
De lust tot het zoeken van avonturen ontwaakte weder in het hart
der knapen.
"Hucky, durf jij er langs loopen, als ik vooruit ga?"
"Ik heb er niet veel lust in, Tom. Vooronderstel eens, dat het Injun
Joe was!"
Tom stond een oogenblik in tweestrijd, doch de verzoeking werd te sterk
en de jongens besloten het te doen met dien verstande, dat zij hunne
biezen zouden pakken, als het snorken ophield. Zoo slopen zij op de
teenen, achter elkander, naar het andere einde van het gebouw. Toen
zij zoo wat een pas of vijf van den snorker af waren, trapte Tom op
een stok en brak dien met een harden krak. De man steunde, keerde
zich om, en zijn gelaat werd in den maneschijn zichtbaar.
Het was Muff Potter.
De knapen waren als versteend blijven staan, toen de man zich bewoog,
maar hunne vrees was nu geweken. Zij slopen naar buiten, langs
de vermolmde schutting en hielden daar stil on elkaar "goedendag"
te zeggen.
Daar klonk weder het somber gehuil door de nachtlucht. De knapen
keken om en zagen den vreemden hond staan, vlak bij de plek waar
Potter lag, en het dier hield zijn hemelwaarts gekeerden kop naar
den dronkaard gericht.
"O, jéminé, het geldt _hem_!" riepen de knapen in éénen adem uit.
"Hoor eens, Tom; zij zeggen, dat een dag of veertien geleden een hond
huilende tegen middernacht langs John Millers huis geloopen heeft,
en dat toen een Wipperwil [1] op zijn dak is gaan zitten zingen;
en toch is daar niemand gestorven."
"Dat weet ik wel. Maar is Grace Miller niet verleden Zaterdag in
de keuken op het vuur gevallen en heeft zij zich niet schrikkelijk
gebrand?"
"Ja, maar zij is niet dood. En wat sterker is, zij wordt beter."
"'t Kan wel wezen, doch wacht maar; zij is er zoo zeker om koud als
Muff Potter. Dat zeggen de negers althans en die weten al die soort
van dingen."
Daarop namen zij peinzend afscheid van elkander.
Toen Tom het raam van zijne slaapkamer insprong, had de dag omtrent
voor den nacht plaats gemaakt. Hij kleedde zich behoedzaam uit en viel
in slaap, zich gelukwenschend dat niemand iets van zijn uitstapje
bemerkt had. Maar hij wist niet, dat de zacht snorkende Sid al een
uur wakker had gelegen.
Toen Tom ontwaakte, was Sid al verdwenen. De zon zag er uit alsof zij
reeds lang geschenen had en ook de atmosfeer gaf den indruk dat het
al laat was. Verschrikt sprong hij het bed uit. Waarom was hij niet
geroepen,--hij, die anders altijd uit zijn bed getrokken werd? Dat
was een slecht voorteeken. Binnen vijf minuten was hij gekleed en
stapte hij met een loom en slaperig gevoel de trap af. De familie
zat nog rondom de tafel, maar had het ontbijt gebruikt. Er was geene
bestraffende stem, doch er waren oogen, die zich afwendden, en er
was iets stils en plechtigs, dat den schuldigen eene rilling door
de leden joeg. Hij ging zitten en trachtte vroolijk te kijken doch
dat was echter zwaar werk, want zijn glimlach werd niet beantwoord,
zoodat hij eindelijk diep verslagen de oogen op den grond sloeg. Na het
ontbijt nam tante hem onder vier oogen en de hoop dat hij slaag zou
krijgen maakte Tom bijkans vroolijk; doch niets van dat alles. Zijne
tante begon te schreien en vroeg hem, hoe het mogelijk was dat hij
er behagen in schepte, haar oud hart te breken, en eindigde met hem
te zeggen, dat hij maar voort moest gaan met zichzelven ongelukkig
te maken en hare grijze haren met kommer ten grave te doen dalen,
want dat zij het met hem opgaf. Dat was erger dan duizend zweepslagen
en Tom voelde iets in zijn hart, dat zwaarder te dragen was dan
lichamelijk lijden. Hij schreide, smeekte om vergiffenis, beloofde
herhaalde malen beterschap en werd toen weggezonden met het gevoel,
dat hij slechts ten halve vergeven en ten halve vertrouwd werd.
Hij verliet de kamer in een staat te ellendig zelfs om wraak jegens
Sid te koesteren, zoodat de laatste zich onnoodig achter de tuindeur
ging verschuilen. Neerslachtig en zwaarmoedig drentelde hij naar
school en onderging de hem en Joe Harper wegens hun schoolverzuim
van den vorigen dag toebedeelde klappen, met het uiterlijk van
iemand, wiens hart onder veel zwaarder leed gebukt gaat en die
aan zulke beuzelingen afgestorven is. Vervolgens zette hij zich op
zijne plaats neder, met de ellebogen op zijn lessenaar en de handen
onder den kin, en tuurden op den blinden muur met dien matten blik,
welke van een lijden getuigt, dat zijn toppunt bereikt heeft. Daar
stoot plotseling zijn elleboog tegen een hard voorwerp. Langzaam en
droevig verandert hij van houding en neemt het voorwerp op. Het was
in een papier gewikkeld. Dit papier wordt ontrold en een lang gerekte
zucht ontsnapt zijn borst. Zijn koperen schelknop staat voor hem! Dit
laatste vedertje brak des kemels rug.