TWEE EN TWINTIGSTE TOONEEL.

Dezelfden. Volk.

Worstverkooper.

Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar

d'oude gestalte,

Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de

heerlijkste myrre.

Kooraanvoerder.

Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in

uw blijdschap,

Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon's

zegetrofeeën!

Volk.

O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos!

(de Worstverkooper nadert)

Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!

Worstverkooper.

Wat? ik?

M'n beste man, je weet niet hoe je vroeger was,

En wat je deed--je hieldt mij anders voor een god.

Volk.

Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan?

Worstverkooper.

Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering:

"O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen,

"Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j' echte vriend,"

Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon,

Dan stak je je kuif op, toonde je horens--

Volk.

Deed ik dat?

Worstverkooper.

En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.

Volk.

Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte 't niet?

Worstverkooper.

Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonnescherm

Te zamen klapten en zich dan weer openden!

Volk.

Was ik zoo dom, zoo'n onbedachtzame ouweheer?

Worstverkooper.

En als er een stel redenaars aan 't spreken was,

En d' een voor oorlogsschepen pleitte--d' andere

Voor staatsgeld aan salarissen--wist de ééne man

Zijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.

(Volk geeft teekens van schaamte)

Zeg, waarom bukt g' u? blijft ge niet zooals ge waart?

Volk.

Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen.

Worstverkooper.

Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg,

Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu:

Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt:

"Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor,

"Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil."

Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?

Volk.

Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer,

En aan zijn nek mag slingeren--Hypérbolos.

Worstverkooper.

Dat is verstandig, dat 's nu eens naar recht gezeid!

Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn.

Volk.

Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient,

En van den tocht terugkeert, het volledig loon.

Worstverkooper.

Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.

Volk.

Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is,

Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen,

Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen.

Worstverkooper (ter zijde).

't Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos.

Volk.

Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.

Worstverkooper.

Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes?

Volk.

'k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn,

En die daar zittend converseeren zooals volgt:

"Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd' ie goed!"

"Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt,"

"Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur,"

"En op de meetings heeft hij nimmer een malheur."

Worstverkooper.

Sla dien kerel op z'n achterste met z'n gezeur!

Volk.

'k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht.

En zal ze leeren af te laten van politiek.

(Een slaaf brengt Volk een zetel)

Worstverkooper.

Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan,

En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal:

Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt.

Volk.

Ik zalige kom in mijn oude levenswijs!

Worstverkooper.

Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaar

In levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier!

(Men brengt een kruik wijn)

Volk.

O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn,

Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?

(Worstverkooper geeft den oude de kruik)

Waar haalde je dien vandaan?

Worstverkooper.

De Paphlagoniër

Heeft die maar altijd binn' in huis voor jou verstopt,

Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan

Naar 't platteland!

Volk.

En zeg den Paphlagoniër,

Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht.

Worstverkooper.

Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt;

Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort,

Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch,

En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan,

En 't water drinken, dat in de badkuip over is.

Volk.

Dat 's goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend,

De meiden en de badknechten--daar hoort hij bij.

Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis,

En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok.

Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans!

Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien,

Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien!

(Slaven sleepen den Paphlagoniër aan handen en voeten mee, die als

beulingventer, in de kleeren van den Worstverkooper, naar buiten wordt

gegooid. Agorákritos, in feestkleed, volgt met het koor meester Volk).

De Ridders · 第 34 / 36 题