De aanvoerder van het koor

(tot de toeschouwers)

En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten,

Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse

gehoord hebt!

(Het koor wendt zich naar het publiek)

Parabase.

Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere

blijspelendichter

Ons verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan

reciteeren,

Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter

het waardig,

Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid

durft spreken,

En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten.

Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen

naar d'oorzaak,

Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn

tooneelstuk te spelen,

Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb--aldus sprak de

dichter--

Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde

altijd de meening

Dat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te

vertoonen.

Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt

weinigen toegang.

En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks

verandert en wisselt,

Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d'ouderdom

nadert:

Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken

vergrijsde,

Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen

wedkamp,

Die met wiss'lende tonen uw oor heeft gestreeld--met lierzang--met

kwinkeleeren,

Met Lydisch gefluit--met wespengeluid--die met kikkergekwaak u

gedoopt heeft,

En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen

hij jong was,

Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn

spotlust!

Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en

van glorie

Door uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige

eiken

Met wortel en tak op den grond doet slaan--zóó velt hij zijn vijand

ter neder,

Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: "Godin Geefgraag met

vijgenpantoffels!"

En "Bouwmeesters van kunstrijken zang"--zóó bloeide zijn naam in

Athene.

Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt

in zijn verzen,

Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen

van vroeger,

En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!--Thans dwaalt hij als

grijsaard in 't ronde,

Aan Kónnos gelijk, en "verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn

dorst nog te gronde!"

Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend

bekroonde,

Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van

god Dionysos.

Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim

ondervinden!

Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele

inspanning kostte,

Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne

gedachten,

Toch--hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer

naar de hoogte.

Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij

eens zeide:

Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan

aan het stuurrad,

Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting

te leeren der winden,

En ten slotte de stuurman van alles te zijn!--Tot dank voor al deze

woorden,

Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in

zijn scheepje,

Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een

eeregeleide,

Goedgekeurd gemompel op 't schouwburgfeest,

Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan,

In zijn arbeid geslaagd,

Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!

Koor (Ode).

God Poseidon, ù roep ik aan,

U is de stem van 't snuivend ros,

U zijn hoefslag geheiligd:

Gij, die over de waterbaan

't Donkergekleurde schip doet gaan,

Gij, die zeevaart beveiligt!

God Poseidon, der rossen heer!

Die u verheugt in glans en eer,

Als, in schittrende rijen,

Heel de bloeiende jeugd der stad

Luchtig, vluchtig de teugels vat

Van den brieschenden paardenschat,

Voor zijn harddraverijen!

Kom ten reidans van uit de zee,

Breng uwen gulden drietand mee,

Door dolfijnen gedragen!

Gij, wien van verre de schipper smeekt,

Als zijn kiel op de klippen breekt,

Door den stormwind verslagen!

Zilten telg van den dondergod!

Gij, wien Phormion heel zijn lot,

't Lot zijner schepen vertrouwde:

U ter eer klink' 't loflied schoon,

U, Poseidon, Kronos' zoon--

Gij, ons het liefst van de hemelgoôn,

Toen ons de zeeslag benauwde!

Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht,

Waardig op het kleed te stralen, dat m' Athene jaarlijks bracht,

Mannen die in voetgevechten, òf in 't schip-omkluisterd heir

Ons den zege steeds bevochten, 't vaderland tot roem en eer.

Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld,

Doch zoodra 't gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held.

Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag,

Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag!

Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaal

Maakte ooit, als Kléon's vader, aanspraak op een staatsonthaal;

Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van 't algemeen,

Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeen

Zich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn,

Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon:

Dat, zoodra de vrede daar is, gij 't ons niet misgunnen zult,

Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!

Koor (Ode).

En gij, Pallas, der stede heil!

Gij die Atheen, in rotsen steil,

Steunt in oorlog en vrede,

Die reeds vaak onze stad behieldt,

Die ons dichterental bezielt

Naar de aloude zede!

Nader, godin van kunst en vreê,

Breng welwillend den Zege mee,

't Beeld dat rust op uw handen,

Nike, die ons lied begeleidt,

Die in oorlog, die in strijd

Aan Athene haar zorgen wijdt,

Schutgodes dezer landen!

Reik thans zegenend uwe hand

Aan de bloem van den ridderstand,

Als zij krijg wil beginnen

Met den vijand, die aan ons land

Zijn eerzuchtige netten spant:

Schenk ons zoet overwinnen!

Thans wil 'k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand!

Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand,

Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,

Maar wat zij op 't land volbrachten, kent nog lang niet iedereen!

Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land?

Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand?

Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na,

Riepen zij niet, waterscheppend: "Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!"

"Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!"--

Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los

Om met hoeven zich een rustplaats en een deksel op te slaan

En wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân!

Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit 't peilloos

diep,

Zoodat eens 'n Korinthisch kreeftje, 'n moppentapper, luidkeels

riep:

"Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch,

Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!"

De Ridders · 第 20 / 36 题