Dezelfden.
Worstverkooper.
Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger!
Paphlagoniër.
Laat mij toch gaan.
Worstverkooper.
Ik zeker niet, 'k stam uit Jan Rap als uwees!
Tweede Slaaf.
Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j' ouders ook Jan Rap zijn!
Paphlagoniër.
Laat mij nu los.
Worstverkooper.
Bij Zeus!
Paphlagoniër.
Bij Zeus!
Worstverkooper.
Neen, nooit, bij god Poseidon!
(Zij vechten)
Paphlagoniër.
Ik barst van woede en ergernis.
Worstverkooper.
Dàt zal ik je zelfs niet toestaan!
Tweede Slaaf.
Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken!
Paphlagoniër.
Wie geeft je zoo'n brutaliteit om tegen mij te spreken?
Worstverkooper.
Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken.
Paphlagoniër.
Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen
Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen.
Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen.
Als jij tegen een mindren man 'n procesje hebt gewonnen,
Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven,
Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden,
En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop.
Worstverkooper.
En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel Athene
Z'n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert?
Paphlagoniër.
Wie stel je over tegen mij? 'k Ben iemand die in staat is
Om na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken,
De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen.
Worstverkooper.
En ik kan 'n heelen ossenmaag met darmen van een varken
Inslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen,
En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond'ren.
Tweede Slaaf.
Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen,
Dat als jij aan de regeering komt, jij 't vet alleen wilt slurpen.
Paphlagoniër.
Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen.
Worstverkooper.
Ik eet een beest z'n pooten op, en pacht dan zilvermijnen.
Paphlagoniër.
Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder.
Worstverkooper.
Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder.
Paphlagoniër.
Jou pak ik eerst bij 't achterste, en sleur je dan voorover.
Tweede Slaaf.
Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.
(Zij vechten)
Paphlagoniër.
'k Laat je krom sluiten in de boeien.
Worstverkooper.
Als deserteur laat ik je bloeien.
Paphlagoniër.
Ik zal je looien met gemak.
Worstverkooper.
Ik zal je villen als een zak.
Paphlagoniër.
'k Hang je op aan huid en velletjes.
Worstverkooper.
En ik hak je tot frikadelletjes.
Paphlagoniër.
Al je oogharen pluk ik uit.
Worstverkooper.
En ik snijd je den krop uit je snuit.
Eerste Slaaf.
Behandel hem, goddorie, maar
Precies of hij een varken waar'!
Sla hem een spijker in den snuit,
En haal daarna zijn tong er uit,
Wanneer aldus het heele dier
Gespalkt is op de kunstmanier,
Dan onderzoek je of een wrat
Te zien is op zijn varkensgat.
Koor.
Leve de man,
Heet op de pan,
Die hèm nog kan
Bedwingen,
Die door zijn mal
Gebrul en gebral
Kléon nog zal
Verdringen!
't Was geen kwaad experimentje,
Om een nòg grooter schreeuwtalentje,
Om een nòg gemeener ventje
Uit te sturen in den strijd--
Kom, en sla hem op zijn baadje,
Geef hem niet het halve maatje,
Want de dwingland in ons staatje
Heeft het bijna afgeleid.
Aanvoerder van het koor.
Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt,
Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z'n waren aard.
En zoo'n lafaard heeft waarachtig nog z'n heele leven lang
Voor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr!
Hij houdt nu de korenaaren van 't vijandelijk korenveld
Hier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z'n zak.
Paphlagoniër.
Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft,
En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft.
Koor.
Met z'n gesnoef
Wil ons de boef
Nù nog den loef
Afsteken!
Glad als een aal,
Altijd brutaal
Is nog zijn taal
Gebleken!
Aanvoerder van het koor.
'k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt,
Erger dan de slechte drama's, waar vriend Morsimos in huilt!
Koor.
Jij, die als een ontaarde bij
Kruipt en gonst in alle zaken,
En je honing tracht te maken
Uit de bloem der omkooperij!
Moge 't slechtverworven eten op 't stadhuis ook slecht je smaken!
Mocht het lot ons zóó iets schenken,
Mocht jij raken in den druk,
Dan zou ik een lied bedenken:
"Laat ons klinken, laat ons drinken,
Laat ons juichen van geluk!"
Aanvoerder van het koor.
Ja, 'k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren,
Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z'n snaren.