BASSANIO. Gratiano!
GRATIANO. Ik wensch een gunst van u!
BASSANIO. Ze is toegestaan.
GRATIANO. Ja, toestaan moet ge; ik moet met u naar Belmont.
BASSANIO. Wat moet, dat moet; maar hoor dan toch, Gratiano,
Gij zijt te wild, te ruw, te luid van stem;
't Gaat u goed af, en is volstrekt geen fout
In oogen zooals de onze; maar het wordt,
Waar men u zoo niet kent, al licht te vrij,
Te dol gevonden;--temper, zoo gij kunt,
Met enkle koude drupp'len stemmigheid
Uw dart'len geest; opdat ik, door uw woestheid,
Niet word' miskend, en wat ik wensch en hoop
Niet derven moog'.
GRATIANO. Gerust maar, vriend Bassanio;
Hul ik mij niet in stemmige eerbaarheid,
Praat ik niet deftig, vloek slechts nu en dan,
En is mijn blik niet zedig, draag ik niet
Een kerkboek in mijn zak, en houd ik niet
Mijn hoed voor de oogen bij 't gebed, en zucht
Ik niet, en zeg ik niet ootmoedig "amen",
Neem ik naar eisch niet iedren vorm in acht,
Als een, die om de gunst van grootmama
Een uitgestreken facie toont, geloof mij
Dan in 't vervolg nooit meer.
BASSANIO. Wij zullen zien,
Hoe gij u houden zult.
GRATIANO. Maar, vriendlief, hoor,
Deze avond geldt nog niet, gij moogt mij niet
Verkett'ren om van avond.
BASSANIO. Zeker niet,
Dat zou wel jammer zijn, ik zou u eer
Verzoeken uitgelaten dol te wezen,
Want onze vrienden willen vroolijkheid.
Doch nu vaarwel; ik heb nog wat te doen.
GRATIANO. En ik moet naar Lorenzo en de vrienden,
Maar kom met hen van avond goed op tijd.