Venetië. Een straat.
Lancelot Gobbo komt op.
LANCELOT. Zeker, mijn geweten zal wel toegeven, dat ik van dezen jood,
mijn meester, wegloop. De booze is mij op de hielen, en verzoekt mij,
en zegt: "Gobbo, Lancelot Gobbo", of "goede Gobbo", of "goede Lancelot
Gobbo, sta op, haal je beenen na je, loop weg". Mijn geweten zegt:
"neen; pas op, brave Lancelot", of, zooals daareven, "brave Lancelot
Gobbo, ga niet op den loop; stamp met je hielen, dat je den brui geeft
van dat wegloopen". Goed, maar de verbenedijde booze drijft mij aan,
mij weg te pakken, en zegt: "Loop" zegt de booze, "voort!" zegt de
booze, "in 's hemels naam; heb een hart in 't lijf", zegt de booze,
"en loop weg". Goed, maar mijn geweten werpt zich om den hals van mijn
hart en zegt op wijzen toon tot mij: "mijn brave vriend Lancelot,
gij zoon van een braaf man",--of liever van een brave vrouw, want,
inderdaad, van mijn vader gesproken, daar was wel een luchtje aan,
hij had zoo zekere neigingen, zoo wat smaak in--, nu, mijn geweten
dan zegt: "Lancelot, blijf", "blijf niet" zegt de booze; "blijf",
zegt mijn geweten. Geweten, zeg ik, uw raad is goed; Booze, zeg ik,
uw raad is ook goed; als ik aan mijn geweten gehoor geef, zou ik
blijven bij den jood, mijn meester, die (God straffe mij, als ik
lieg!) een soort van duivel is: en als ik van den jood wegliep,
zou ik aan den booze gehoor geven, die, met verlof gezegd, de Duivel
zelf is. Want dit is zeker, dat de jood de gevleeschelijkte duivel
is; en, op mijn geweten, mijn geweten is een hard soort van geweten,
dat het mij wil aanraden bij den jood te blijven. De booze geeft mij
den besten vriendenraad; ik wil op den loop gaan, Booze; mijn hielen
zijn tot uw dienst; ik wil op den loop gaan.
(De oude Gobbo komt op, met een mand.)
GOBBO. Mosjeu, jonge heer, gij, wees zoo goed en zeg mij, wat is de
weg naar mijnheer den jood zijn huis?
LANCELOT (ter zijde). Och hemel, daar is mijn echte vleeschelijke
vader; hij heeft meer dan zand, hij heeft kiezel in zijn oogen en
kent mij niet.--Ik wil toch eens wat excrementen met hem nemen.
GOBBO. Mosjeu, jonge heer, wees zoo goed en zeg me, wat is de weg
naar mijnheer den jood zijn huis?
LANCELOT. Sla bij den eersten draai rechtsom, maar bij den allereersten
draai linksom; maar onthoud, sla bij den allerallereersten draai
noch rechts noch links om, maar sla dadelijk na een poos kaarsrecht
af naar het huis van den jood.
GOBBO. Sapperment, dat zal een moeilijke weg wezen om te vinden. Kunt
ge mij zeggen, of zekere Lancelot, die bij hem dient, bij hem dient
of niet?
LANCELOT. Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?--(Ter zijde). Nu
opgepast, nu leg ik hem het vuur aan de schenen.--Spreek je van den
jongen mosjeu Lancelot?
GOBBO. Geen mosjeu, heer, maar de zoon van een armen drommel; zijn
vader is, al zeg ik het zelf, een brave doodarme kerel, en, Gode zij
dank, heel welvarend.
LANCELOT. Wel, laat zijn vader wezen wat hij wil, wij spreken nu van
den jongen mosjeu Lancelot.
GOBBO. Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot kortaf, heer.
LANCELOT. Maar ik bid je, ergo, oude man, ergo, verzoek ik je, spreek
je van den jongen mosjeu Lancelot?
GOBBO. Uw edeles dienaar, en Lancelot, heer.
LANCELOT. Ergo, mosjeu Lancelot; spreek niet van mosjeu Lancelot,
vadertje; want die jonge heer heeft, ten gevolge van de noodlotten
en lotsbeschikkingen en zulke vreemde gezegdens meer, de drie
schikgodinnen en verdere geleerdhedens, het tijdelijke met het eeuwige
verwisseld, of, om het platweg uit te drukken, hij is ter--hemel
gevaren.
GOBBO. Och, och, God beware! de jongen was zoowaar de staf van mijn
ouderdom, mijn eenige steunpilaar.
LANCELOT (ter zijde). Zie ik er uit als een knuppel of een tentpaal,
een staf of een pilaar?--Ken je mij niet, vader?
GOBBO. Ach hemel, ik ken u niet, jonge heer; maar ik bid u, zeg me,
is mijn jongen, (God hebbe zijn ziel!) levend of dood?
LANCELOT. Ken je mij niet, vader?
GOBBO. Helaas, mijnheer, ik ben half blind, ik ken u niet.
LANCELOT. Neen, maar waarlijk, al hadt je je oogen, dan zou het nog
wel kunnen gebeuren, dat je mij niet kende; 't is een wijs vader, die
zijn eigen kind kent. Komaan, oude man, ik zal je van je zoon bericht
geven. (Hij knielt.) Geef mij uw zegen! De waarheid komt altijd aan
het licht; een moord kan niet lang verborgen blijven, wel de zoon
van een vader; maar toch, ten langen leste, komt de waarheid uit.
GOBBO. Ik bid u, heer, sta op; ik weet zeker, dat gij Lancelot,
mijn jongen, niet zijt.
LANCELOT. Kom, ik bid je, alle gekheid op een stokje, maar geef
mij je zegen; ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is,
je kind dat wezen zal.
GOBBO. Ik kan niet gelooven, dat gij mijn zoon zijt.
LANCELOT. Dan weet ik ook niet, wat ik er van denken moet, maar ik
ben Lancelot, bij den jood in dienst, en, dat weet ik zeker, Margriet,
je vrouw, is mijn moeder.
GOBBO. Ja wezenlijk, ze heet Margriet; en ik wil er op zweren, als
je Lancelot bent, dat je dan mijn eigen vleesch en bloed bent. Maar,
bij God en al zijn heiligen, wat een baard heb je gekregen; je hebt
meer haar gekregen aan je kin, dan Hans, mijn sleeppaard, aan zijn
staart heeft.
LANCELOT. Dan lijkt het wel, dat Hans zijn staartharen achteruit
groeien; toen ik hem het laatst gezien heb, had hij bepaald meer
haren in zijn staart dan ik nu op mijn gezicht heb.
GOBBO. Heerejé, wat ben je veranderd! En kun je met je meester nog al
overweg? Ik heb hem een present meegebracht. Hoe sta je tegenwoordig
met elkaar?
LANCELOT. Zóó, zóó,--; maar voor mijn part, daar ik het er op gezet
heb om van hem weg te loopen, zoo wil ik niet rusten, voor ik een heel
eind achter de hielen heb. Mijn meester is een echte jood; hem een
present brengen! geef hem een strop. Ik ben in zijn dienst verhongerd;
je kunt iederen vinger, dien ik heb, met mijn ribben tellen. Vader,
ik ben blij, dat je gekomen bent; maar geef je present aan zekeren
heer Bassanio, die wezenlijk prachtige nieuwe livreien geeft; als ik
niet bij hem terecht kan komen, wil ik loopen, zoo ver Gods aardbodem
reikt.--O, wat een tref, wat een geluk! daar komt hij aan;--naar hem
toe, vader; want ik ben een jood, als ik nog langer bij den jood blijf.
(Bassanio komt op, met Leonardo en andere Bedienden.)
BASSANIO. Zoo kun je het wel doen;--maar je moet er zoo veel spoed
achter zetten, dat het avondmaal op zijn laatst tegen vijf uur gereed
is. Bezorg deze brieven; maak dat de livreien in orde komen en verzoek
Gratiano dadelijk bij mij te komen in mijn huis.
(Een Bediende gaat heen.)
LANCELOT. Nu naar hem toe, vader.
GOBBO. God zegene uwe edelheid.
BASSANIO. Dank je zeer; wou je iets van mij hebben?
GOBBO. Hier is mijn zoon, heer, een arme jongen.
LANCELOT. Niet een arme jongen, heer, maar de knecht van den rijken
jood; en die graag, heer, zooals mijn vader zal spezivizeeren--
GOBBO. Hij heeft een groote infectie, heer, om zoo te zeggen, om
bij u--
LANCELOT. Inderdaad, heer, het kort en het lang van de zaak is, dat
ik bij den jood in dienst ben, en declinatie heb, zooals mijn vader
zal spezivizeeren--
GOBBO. Zijn meester en hij, met verlof van uw edelheid, leven zoo
wat als kat en hond,--
LANCELOT. Om kort te gaan, de zuivere waarheid is, heer, dat de jood
mij verongelijkt heeft, en dat maakt, zooals mijn vader, die naar ik
hoop een oud man is, u fructivizeeren zal--
GOBBO. Ik heb hier een duivenschoteltje, dat ik aan uw edelheid wensch
te vereeren, en mijn verzoek is,--
LANCELOT. Om zoo kort mogelijk te zijn, het verzoek interruppeert
mijzelf, zooals uw edelheid hooren zal van dezen braven ouden man,
die, al zeg ik het zelf, schoon een oud man, toch een arm man en mijn
vader is.
BASSANIO. Niet beiden te gelijk;--wat wil je? spreek!
LANCELOT. Bij u in dienst komen, heer.
GOBBO. Ja, dat is het, dat wij u willen opponeeren, heer.
BASSANIO. Ik ken u wel; 't verzoek is toegestaan;
Shylock, uw heer, beval vandaag u aan
Voor deez' bevordring, zoo 't bevordring is,
Uit zulk een dienst als van een rijken jood,
Te komen bij een armen edelman.
LANCELOT. Het oude gezegde, heer, is zeer goed verdeeld tusschen mijn
meester Shylock en u; gij hebt de genade Gods, heer, en hij heeft
vele goederen.
BASSANIO (tot Lancelot). Zeer juist. (Tot Gobbo.) Ga heen nu, vader
met uw zoon,--
Neem afscheid van uw vroeg'ren heer en kom
Dan aan mijn huis.--(Tot zijn Bedienden.) Bezorgt hem een livrei,
Wat meer bestrikt dan de andre; let daarop.
LANCELOT. Kom, vader.--Neen, ik kan geen dienst krijgen; wel neen,
ik heb mijn tongetje niet tot mijn dienst.--Nu, (Hij bekijkt de
binnenvlakte van zijn hand.) als er in Italië iemand zoo'n mooie
handpalm heeft om op de schrift te zweren! of ik ook geluk zal
hebben!--Kijk eens, welk een onnoozel levenslijntje; 't is me daar
een kleinigheidje vrouwen; acht, tien, vijftien vrouwen is nog niets:
elf weduwen en negen jonge dochters is wel een onnoozel inkomen voor
één man; en dan, driemaal bijna te verdrinken, en mijn leven haast
te verliezen aan den rand van een veerenbed;--dat noem ik er genadig
afkomen! Ik moet zeggen, als Fortuin een vrouw is, dan is zij in dàt
opzicht een goeie meid.--Kom, vader; ik zal in een ommezientje klaar
wezen met dat afscheidnemen van den jood.
(Lancelot en de oude Gobbo af.)
BASSANIO. Ik bid u, Leonardo, denk hieraan;
En kom, is dit gekocht en alles klaar,
Terstond terug, want al mijn goede vrienden
Onthaal ik dezen avond. Haast u, ga.
LEONARDO. Ik doe mijn best; gij zult tevreden zijn.
(Gratiano komt op.)
GRATIANO. Waar is uw meester?
LEONARDO. Heer, daar gaat hij juist.
(Leonardo af.)