(_Uit de Kaukasische aanteekeningen van vorst Nechljudoff._)
Wij stonden te velde. De strijd liep ten eind, we hadden de kapping
in 't bosch bewerkstelligd en verwachtten elken dag van den staf het
bevel tot terugkeer naar de vesting. Onze divisie batterijstukken
stond aan de helling van een steilen bergrug, begrensd door de
lieflijke bergbeek Metschik, en had in opdracht de voor ons
uitgestrekte vlakte te beschieten. Op deze schilderachtige vlakte
vertoonden zich, buiten bereik van ons schot, hier en daar, vooral 's
avonds, groepen bereden bergbewoners, niet met vijandige bedoelingen,
maar louter uit nieuwsgierigheid naderbij stroomend, om 't Russische
leger te bekijken. 't Was een heldere, stille, frissche avond, zooals
gewoonlijk de Decemberavonden zijn in den Kaukasus; de zon was links
achter de steile uitloopers van het gebergte weggezonken, en wierp
haar rozige stralen op de tenthutten, die over den berg verstrooid
lagen, op de heen en weer loopende troepjes soldaten, en op onze beide
kanonnen, die, plomp, als met uitgerekte halzen, onbeweeglijk, twee
schreden voor ons op een aarden batterij stonden. In de heldere
avondlucht was het infanterie-piket, dat op den heuvel links van
ons verstrooid lag met zijn aan rotten staande geweren, de gedaante
van den schildwacht, een groep soldaten in den rook van het hoog
opgestapelde wachtvuur duidelijk te zien. Rechts en links schemerden
ter halver hoogte op den berg op de zwarten, platgetreden grond de
witte tenten en achter de tenten, de donkere, ontbladerde stammen van
het plataanbosch, waarin onophoudelijk bijlslagen klonken, wachtvuren
knetterden en de gevelde stammen krakend neerstorten. Een blauwachtige
damp steeg van alle zijden in kolommen omhoog naar den diepblauwen
winterhemel. Bij de tenten en omlaag bij den oever van de beek
trokken onder paardengetrappel en gehinnik de Kozakkendragonders
en artilleristen voorbij, die hun paarden waren wezen drenken. Het
begon te vriezen; ieder geluid was zeer duidelijk waarneembaar en
het oog zag in de zuivere, heldere lucht heel ver weg in de vlakte.
De vijandelijke troepjes, die nu niet meer de nieuwsgierigheid der
soldaten opwekten, reden rustig over de helgele stoppels der
maïsvelden; hier en daar schemerden achter de boomen de hooge zuilen
der kerkhoven en de rookkolommen uit de aoels. Onze hut stond op een
hoog en droog plekje dicht bij de kanonnen en het uitzicht was er
bijzonder ver. Naast de tent, vlak bij de batterij, hadden we op een
schoon plekje een houtblokkenspel ingericht. Gedienstige soldaten
hadden hier gevlochten banken en een tafeltje gemaakt. Om al deze
gemakken kwamen onze kameraden van de artillerie en eenige heeren van
de infanterie 's avonds gaarne naar onze batterij en ze noemde dit
plekje de »club."
Het was een prachtige avond. De beste spelers waren bijeen en we
wierpen met de houtblokjes. Ik, vaandrig D. en luitenant O. hadden
twee partijen achtereen verspeeld en tot algemeene pret en gelach
van de toekijkende officieren en van de soldaten en oppassers, die
vanuit hun tenten toekeken, hadden we de winners tweemaal op onzen
rug van het eene einde naar het andere gedragen. Bijzonder grappig was
het, hoe de kolossale, dikke stafkapitein Sch. kuchend en opgeruimd
glimlachend, met zijn beenen over den grond sleepend, op den kleinen,
teeren luitenant O. reed. Het was echter al laat geworden. De
oppassers brachten voor ons zessen drie glazen thee zonder voet. Wij
braken het spel op en gingen naar de gevlochten banken. Daar stond een
ons onbekende man van middelbare grootte met kromme beenen; hij droeg
een pels zonder jas er over en een muts van schapenvacht met lang
afhangend, wit haar. Toen wij dichtbij gekomen waren, nam hij een paar
maal aarzelend zijn muts af en zette ze weer op, onderwijl maakte hij
telkens aanstalten om op ons toe te komen en bleef toch telkens weer
staan. Daar de onbekende echter wel zag, dat hij niet meer onopgemerkt
kon blijven, nam hij zijn muts af, liep in een boog om ons heen en
trad op den stafkapitein Sch. toe.
--Wel, Guscantini! Hoe maak je het, ouwe jongen? zei Sch. opgeruimd
tot hem, nog lachend om zijn rit.
Guscantini, zooals hij hem genoemd had, zette dadelijk zijn muts op
en maakte een beweging alsof hij de handen in de zakken van zijn pels
wilde steken; maar aan de naar mij toegekeerde zijde zat er geen zak
en zijn kleine roode hand bleef links hangen. Ik had wel eens willen
weten, wat dit wel voor een mensch was (een jonker of een gedegradeerd
officier) en zonder te bemerken dat mijn blik (de blik van een hem
onbekend officier) hem verlegen maakte, nam ik zijn kleeding en zijn
uiterlijk nauwkeurig op. Hij kon zoowat dertig jaar zijn. Zijn grauwe,
ronde oogjes keken ietwat slaperig, maar tegelijk toch ook onrustig
onder de vuile, witte schapenvacht van zijn muts uit, die over zijn
voorhoofd hing. De dikke, onregelmatige neus tusschen de ingevallen
wangen verried een ziekelijke, onnatuurlijke magerheid; de lippen,
zeer spaarzaam bedekt door een dunnen, slappen, leelijken knevel,
bewogen onophoudelijk onrustig, als wilden zij nu eens deze, dan
weer een andere uitdrukking aannemen. Maar er was iets onvoltooids
in iedere uitdrukking--overheerschend bleef in zijn trekken een
uitdrukking van angst en gejaagdheid. Zijn magere, geaderde hals was
met een groenzijden doek omwonden, die onder zijn pels verborgen was.
De pels zelf was versleten en hem te kort, aan den kraag en op de
plaats, waar de zakken moesten zijn, afgezet met hondenvel; zijn
pantalon was geruit en aschgrauw, zijn laarzen hadden korte, niet
zwartgemaakte soldatenschachten.
--Dek u, als 't u belieft, zeide ik tot hem, toen hij weer, met een
schuwen blik naar mij, de muts afnam.
Hij boog met een uitdrukking van dankbaarheid, zette zijn muts op,
haalde een vuilen katoenen tabakszak voor den dag en begon een sigaret
te draaien.
Ik was zelf nog kort geleden jonker geweest, een oude jonker, die niet
meer deugde om jongere kameraden opgewekt kleine diensten te bewijzen,
en een jonker zonder vermogen. Ik wist dus zeer goed hoe groot de
moreele druk is, waarin men leeft in zulk een positie, vooral als
men niet jong meer is en door eigenliefde beheerscht wordt; ik had
medelijden met ieder, die zich in een dergelijke positie bevond,
en gaf me moeite zijn karakter, de mate en de richting van zijne
geestelijke vermogens te bepalen om daarnaar de mate van zijn moreel
lijden te beoordeelen. Deze jonker of gedegradeerde officier leek me,
afgaande op zijn onrustigen blik en de opzettelijke, onophoudelijke
wisseling van zijn gelaatsuitdrukking, die ik bij hem opgemerkt had,
een zeer verstandig, uiterst zelfbewust en daarom ook uiterst
beklagenswaardig mensch.
De stafkapitein Sch. stelde ons voor nog een partijtje te spelen; de
verliezende partij zou, behalve den verplichten rit, eenige flesschen
rooden wijn en rum, wat suiker, kaneel en kruidnagels geven om een
bowl te maken, wat in dezen winter door de groote koude op onze
expeditie zeer in de mode was. Guscantini, gelijk Sch. hem weer
noemde, werd uitgenoodigd van de partij te zijn; vòòr echter het
spel begon, voerde hij blijkbaar een inwendigen strijd tusschen de
vreugde, die hem deze uitnoodiging deed en een zekeren angst; hij
nam stafkapitein Sch. ter zijde en fluisterde hem iets in 't oor. De
goedmoedige stafkapitein klopte hem met zijn vleezige, groote hand op
den schouder en antwoordde luid:--Dat doet er niets toe, vadertje, ik
vertrouw je.
Toen het spel ten einde was, en de partij, waartoe de onbekende
subalterne behoorde, gewonnen had en hij nu op een van onze
officieren, den vaandrig D. moest rijden, kreeg deze een kleur, ging
naar het bankje en bood den subaltern een sigaret als losgeld. Terwijl
de warme wijn klaargemaakt werd en in de tent van den oppasser de
drukke bezigheid van Nikita vernomen werd, die iemand om kaneel en
kruidnagels uitgestuurd had en wiens rug het vuile tentdek nu eens
her- dan weer derwaarts schoof, namen wij met ons zevenen plaats op
het bankje, dronken om beurten thee uit de drie glazen, keken naar de
vlakte vòòr ons, die zich juist in schemering ging hullen en keuvelden
en schertsten over de wisselvalligheden van het spel. De onbekende in
zijn pels nam geen deel aan het gesprek, weigerde hardnekkig de thee,
die ik hem meermalen aanbood, draaide, terwijl hij op Tartaarsche
wijze op den grond zat, van fijn gesponnen tabak de eene sigaret na
de andere, en rookte ze op, niet zoozeer omdat hem dat genot gaf, als
wel, zooals gemakkelijk aan hem te zien was, om zich het air te geven
van iemand, die ergens mee bezig is. Toen er sprake van was, dat
wellicht den volgenden dag de terugtocht zonder gevecht zou plaats
hebben, richtte hij zich op zijn knie op en zeide, zich alleen tot
stafkapitein Sch. wendende, dat hij bij den adjudant in huis was en
dat hij zelf het bevel voor den terugtocht voor den volgenden dag
geschreven had. Wij zwegen allen terwijl hij sprak en ofschoon hij
duidelijk zijn schuchterheid verried, noopten wij hem, deze, ons
vreemdklinkende, mededeeling nog eens te herhalen. Hij herhaalde wat
hij gezegd had, doch voegde erbij, dat hij bij den adjudant _geweest
was_, met wien hij _samengewoond had_ en dat hij daar _gezeten_ had,
toen men juist het bevel bracht.
--Ziet ge, als ge niet liegt, vadertje, dan moet ik naar mijn
kompagnie gaan en bevelen geven voor morgen, zeide kapitein Sch.
--Neen... Waarom ook... Hoe kan men... Ik heb zeker... begon de
subalterne, maar hij zweeg weldra, scheen van plan den beleedigde te
spelen, trok onnatuurlijke rimpels in zijn voorhoofd, bromde iets in
zijn baard en begon weer een sigaret te maken. Maar er was niet genoeg
fijne tabak meer in zijn katoenen zakje en daarom vroeg hij Sch. om
hem een _sigaret te leenen_. We zetten het eentonige gesprek over den
oorlog, dat ieder kent, die wel eens aan een veldtocht deelgenomen
heeft, tamelijk lang voort, beklaagden ons allen in dezelfde termen
over de verveling en den langen duur van den tocht, oordeelden allen
op dezelfden wijze over de chefs, prezen voor de zooveelste maal
dezen, betreurden genen kameraad, gaven onze verwondering te kennen,
dat deze zooveel gewonnen, gene zooveel verloren had, enz. enz.
--Zie je, vadertje, onze adjudant, die heeft pech gehad, duchtig pech
gehad! zei stafkapitein Sch.--Bij den staf won hij altijd. Met wien
hij ook speelde, altijd won hij en nu verliest hij al twee maanden aan
èèn stuk. Deze veldtocht heeft hem weinig geluk aangebracht. Ik geloof
dat hij al 2000 roebel verloren heeft, en voor 500 roebel waarde aan
voorwerpen, het tapijt, dat hij Muschine afgewonnen had, de pistolen
van Nikita, het gouden horloge van Ssada, dat Morinzeff hem gegeven
had--alles is hij kwijt.
--Eerlijk verdiend! zeide luitenant O., hij heeft al de anderen
ongenadig geplukt. Het was geen spelen met hem.
--Eerst heeft hij ze allen geplukt, en nu is hij in de lucht
gevlogen--zei kapitein Sch. met zijn prettigen lach. Guskoff woont bij
hem in, en dien had hij ook bijna verspeeld, waarachtig! Is het niet
waar, vadertje? zei hij zich tot Guskoff wendende.
Guskoff lachte. Zijn lach was treurig en smartelijk en gaf zijn gelaat
een heel andere uitdrukking. Bij het zien daarvan was het mij, alsof
ik dezen man vroeger reeds gekend en ontmoet had, en ook kwam zijn
eigenlijke naam, Guskoff, me bekend voor. Maar hoe en waar ik hem
gekend had, en waar ik hem aangetroffen kon hebben, dat kon ik me
absoluut niet te binnen brengen.
--Ja, zei Guskoff en hief daarbij telkens den vinger naar zijn
knevel, liet haar echter weer zinken, zonder hem aan te raken;--Pavel
Dmitrijewitsch heeft in dezen veldtocht geen geluk gehad, zulk
een _veine de malheur_,[23] voegde hij er met ietwat moeielijke,
maar zuiver Fransche uitspraak bij, en daarbij kreeg ik weer dat
gevoel, hem vroeger reeds ergens gezien te hebben.--Ik ken Pavel
Dmitrijewitsch heel goed, hij vertrouwt mij alles toe, ging hij voort.
Wij zijn oude kennissen, d. w. z., hij houdt van me, voegde hij er
bij, blijkbaar verschrokken over zijn al te stoute bewering, dat hij
een oude kennis van den adjudant was. Pavel Dmitrijewitsch speelt
voortreffelijk en--'t is wel merkwaardig wat hem nu overkomt--nu is
hij heelemaal buiten zichzelf, _la chance a tourné_,[24] voegde hij
er, voornamelijk tot mij sprekende, aan toe.
[23] hardnekkig ongeluk.
[24] de kans is gekeerd.
We hadden Guskoff in het begin met hoffelijke opmerkzaamheid
aangehoord, maar toen hij ook nog dit Fransche zinnetje gezegd had,
keerden wij ons onwillekeurig van hem af.
--Ik heb duizendmaal met hem gespeeld en u zult me toch moeten
toegeven dat het vreemd is, zei de luitenant met een bijzonderen
nadruk op dat woordje _vreemd_, dat ik niet èènmaal van hem gewonnen
heb, geen cent. Waarom win ik wel van anderen?
--Pavel Dmitrijewitsch speelt voortreffelijk, ik ken hem al lang,
zeide ik. Ik kende den adjudant inderdaad reeds sedert jaren en had
hem vaak gadegeslagen bij zijn spel, dat voor de middelen van een
officier bepaald hoog genoemd kon worden, en was altijd verrukt
geweest over zijn mooi, een weinig somber en steeds onbewogen gelaat,
zijn gerekte, klein-Russische uitspraak, zijn mooie uitrusting en
paarden, zijn afgemeten, zuid-Russische ridderlijkheid en vooral over
zijn kunst om mooi, helder, begrijpelijk en opgewekt te spelen.
Menigmaal--ik erken het berouwvol--werd ik, wanneer ik naar zijn
volle, witte handen met den brillantenring aan den wijsvinger keek,
die mij slag na slag afwonnen, woedend op dien ring, op die witte
handen en op de heele persoonlijkheid van den adjudant en dan kwamen
booze vermoedens tegen hem in mij op; maar wanneer ik daar dan in
koele bloede over nadacht, kwam ik toch tot de overtuiging dat hij
eenvoudig een beter speler was dan al de anderen, waarmee hij speelde.
Als men zijn algemeene beschouwingen over het spel hoorde, dat men
bijv. nooit een paroli moest weigeren, hoe men van een kleinen inzet
moest overgaan tot een grooteren, in welke gevallen men moest passen,
dat een eerste spelregel was alleen met baar geld te spelen, enz. enz.
dan wordt het een mensch steeds duidelijker, dat hij alleen daarom
steeds aan de winnende hand was, omdat hij behendiger en koelbloediger
was, dan wij allen. En nu bleek dat deze terughoudende speler, die zoo
zeker van zichzelf was, gedurende den veldtocht alles verloren had tot
op den laatsten stuiver, en niet alleen geld, maar ook stukken van
zijn uitrusting, wat voor een officier wel een uiterste is.
--Ik heb altijd verduiveld veel pech als ik met hem speel, ging
luitenant O. voort, en ik heb me zelven al beloofd, niet meer met hem
te spelen.
--Wat zijt gij toch een rare drommel, vadertje, zeide Sch. en
knipoogde naar mij, terwijl hij mij toeknikte en zich tot O. richtte.
Ge hebt 300 roebel verloren, niet waar, zooveel was het immers?
--Meer, zei de luitenant vol ergernis.
--En nu is u een licht opgegaan, maar te laat, vadertje! Iedereen weet
immers al lang dat hij de valsche speler van ons regiment is, zei
Sch.; hij kon zich haast niet houden van het lachen en was uiterst
tevreden over zijn inval.--Daar staat Guskoff voor je, die prepareert
de kaarten voor hem. Daarom zijn ze zulke dikke vrienden, vadertje. En
stafkapitein Sch. lachte zoo hartelijk, dat zijn heele lichaam schudde
en hij van zijn glas warmen wijn morste, dat hij juist in de hand
hield. Er kwam een kleur op Guskoff's geel, vermagerd gelaat, hij
beproefde meermalen den mond open te doen, hief zijn vinger op naar
zijn knevel en liet hem weer zakken naar de plaats, waar andere
menschen hun zakken hebben, stond op en ging weer zitten en zei
eindelijk met een vreemde stem tot Sch.:--Dat gaat te ver voor een
grap, Nikolai Iwanitsch. U zegt hier zulke dingen, waar menschen bij
zijn, die mij niet kennen, en die me in een tot op den draad versleten
pelsjas zien, omdat... zijn stem stokte en weer gingen zijn kleine,
roode handen met de vuile nagels van de pels naar zijn gezicht en
streken over zijn knevel, zijn haren en zijn neus, of wreven zijn
oogen of krabden zonder eenige noodzakelijkheid aan zijn kin.
--Daar valt toch verder niet over te praten, we weten het immers
allemaal, vadertje! ging Sch. voort, inwendig uiterst tevreden met
zijn scherts en zonder in 't minste erg te hebben op Guskoff's
opwinding. Guskoff zei fluisterend nog een paar woorden, ging met den
rechterelleboog op de linkerknie zitten, keek in deze onnatuurlijke
houding Sch. aan en trok een gezicht alsof hij verachtelijk
glimlachte.
--Neen, zei ik innerlijk overtuigd--toen ik dit lachen zag--ik heb hem
niet alleen ergens gezien, maar ook met hem gesproken.
--We hebben elkander al eens vroeger ontmoet, zeide ik tot hem, toen
Sch.'s gelach begon te verstommen onder den indruk van het algemeene
stilzwijgen. Guskoff's veranderlijk gelaat helderde plotseling op en
zijn oogen vestigden zich voor het eerst met een zielsgelukkige
uitdrukking op me.
--Zeker, ik heb u aanstonds herkend, begon hij in 't Fransch. In het
jaar 48 had ik vrij dikwijls het genoegen u in Moskou te ontmoeten bij
mijn zuster Iwaschina.
Ik verontschuldigde mij dat ik hem in deze dracht en in deze nieuwe
kleeding niet dadelijk herkend had. Hij stond op, trad op mij toe,
drukte met zijn klamme hand aarzelend en zwakjes de mijne en ging
naast mij zitten. In plaats van mij aan te zien, hij was immers
zoo blij mij weer te zien, zag hij met een onbehagelijk blufferige
uitdrukking den kring der officieren rond. Was het omdat ik in hem den
man herkend had, dien ik eenige jaren geleden in zwarten rok in een
salon ontmoet had? was het omdat hij zich door deze herkenning opeens
in zijn eigen achting voelde stijgen?--zooveel is zeker, dat, naar het
mij toescheen, eensklaps zijn gelaat, zijn bewegingen zelfs veranderd
waren: zij toonden nu een opgewekten geest, kinderlijke ingenomenheid
met zichzelf en een zekere minachtende nonchalance, zoodat mijn oude
kennis--ik moet het eerlijk bekennen--in weerwil zijner jammerlijke
positie mij nu geen medelijden meer inboezemde, maar veeleer een zeker
vijandig gevoel.
Ik herinnerde mij nog levendig hoe ik hem voor het eerst ontmoet had.
In het jaar 48 bezocht ik, gedurende mijn verblijf te Moskou, vaak
Iwaschin, met wien ik samen opgegroeid en door banden van oude
vriendschap verbonden was. Zijn vrouw was een aangename gastvrouw, een
beminnelijke vrouw, zooals men pleegt te zeggen, maar die mij nooit
aangestaan had.... In den winter, dat ik bij hen verkeerde, sprak zij
vaak met kwalijk verborgen trots van hare broeder, die kort geleden
zijn studie beëindigd had en die, volgens haar, een der meest
beschaafde en in de deftige Petersburgsche kringen meest geziene
jonge mannen was. Daar ik Guskoff's vader, die zeer rijk was en een
aanzienlijke positie bekleedde, kende van hooren zeggen, en daar
ik de levensbeschouwing van zijn zuster kende, kwam ik den jongen
Guskoff met een zeker vooroordeel te gemoet. Op een avond, toen ik
bij Iwaschin op bezoek was, ontmoette ik bij hem een jongmensch van
middelbare grootte, die naar het uiterlijk een zeer aangenamen indruk
maakte, in zwarten rok, wit vest en lichte das, en dien de gastheer
verzuimde aan mij voor te stellen. De jonge man, die blijkbaar gereed
stond om naar een bal te gaan, stond met zijn hoed in de hand voor
Iwaschin en redetwistte opgewonden, maar toch hoffelijk met hem
over een onzer gemeenschappelijke kennissen, die zich toentertijd
onderscheiden had in den Hongaarschen veldtocht. Hij was van oordeel
dat deze kennis volstrekt geen held was en niet voor oorlog geschapen,
zooals men van hem beweerde, doch eenvoudig een verstandig en
beschaafd man. Ik herinner me dat ik in deze diskussie partij vatte
tegen Guskoff, en ik liet me meesleepen hem zelfs te bewijzen dat
verstand en beschaving steeds omgekeerd evenredig waren aan dapperheid
en ik herinner me hoe Guskoff mij op beminnelijke en verstandige
manier uiteenzette, dat dapperheid een noodwendig uitvloeisel van
verstand en van een zekeren graad van geestelijke ontwikkeling was,
en dat ik hem dit, wijl ik mij zelf voor een verstandig en beschaafd
mensch hield, niet anders dan toegeven kon! Ik herinner me dat mevrouw
Iwaschin mij aan 't einde van ons gesprek aan haar broeder voorstelde
en hij mij met een neerbuigend glimlachje de hand reikte, waarvan hij
den gelen handschoen eerst half af getrokken had en dat hij mij even
zwak en aarzelend de hand drukte als nu. Hoewel ik tegen hem ingenomen
was, moest ik toenmaals Guskoff recht laten wedervaren en zijn zuster
toegeven, dat hij werkelijk een verstandig en beminnelijk jongmensch
was, dat in de voorname wereld wel succes moest hebben.
Hij was buitengewoon net en sierlijk gekleed, jong, had kalme,
bescheiden manieren en een buitengewoon jeugdig, haast kinderlijk
voorkomen, om der wille waarvan men onwillekeurig de uitdrukking van
zelfingenomenheid en den wensch, anderen zijn meerderheid te doen
gevoelen, welke op zijn slim gelaat en vooral in den stereotiepen
glimlach duidelijk merkbaar was, gaarne over 't hoofd zag. Men wist
elkaar te vertellen, dat hij dezen winter veel succes gehad had bij
de Moskousche dames. Daar ik hem niet anders ontmoette dan bij zijn
zuster, kon ik alleen uit de uitdrukking van geluk en tevredenheid,
die voortdurend sprak uit zijn jeugdig voorkomen en uit zijn soms
wel wat onbescheiden verhalen opmaken in hoeverre dit beweren
gerechtvaardigd was. We ontmoetten elkaar wel zes maal en spraken
tamelijk veel met elkaar, of beter gezegd, hij sprak meestal Fransch
op voortreffelijke wijze, in goed gekozen, bloemrijken bewoordingen
en had er slag van anderen op aangename, beleefde manier in de rede
te vallen. Hij onderhield zich vrijwel met iedereen, ook met mij,
tamelijk uit de hoogte; en, gelijk steeds in den omgang met menschen,
wier optreden wijst dat het voor hen vaststaat dat ze met mij uit de
hoogte verkeeren kunnen, en die ik niet van meer nabij ken, voelde ik
ook nu, dat hij in dit opzicht volkomen in zijn recht was.
Nu, nu hij naast mij kwam zitten en mij de hand gaf, herkende ik heel
duidelijk in hem diezelfde hoogmoedige uitdrukking van vroeger en het
scheen mij toe alsof hij niet op heel eerlijke manier profiteerde
van zijn positie als ondergeschikte tegenover den officier, toen
hij mij zoo losweg vroeg, wat ik al dien tijd uitgevoerd had en hoe
ik hierheen gekomen was. Hoewel ik op iedere vraag in het Russisch
antwoordde, begon hij altijd weer in 't Fransch; maar men kon merken
dat hij het niet meer zoo vlot sprak als vroeger. Van zichzelf
vertelde hij zoo terloops, dat hij na die ongelukkige, domme
geschiedenis (wat dat voor een geschiedenis was, weet ik niet en heeft
hij mij ook nooit verteld) drie maanden in arrest gezeten had, toen
was hij naar het N-regiment in den Kaukasus gezonden en hij diende nu
reeds drie jaar als gemeen soldaat in dit regiment.
--Ge kunt niet gelooven, zei hij in 't Fransch tot me, wat ik in dit
regiment al niet heb moeten verduren van de officieren! Het is een
geluk voor me, dat ik den adjudant, over wien we daareven spraken, nog
van vroeger kende; hij is een goed mensch, werkelijk, zei hij op zijn
hoffelijksten toon--ik woon bij hem in en voor mij is dat ten minste
een kleine verlichting. _Oui, mon cher, les jours se suivent, mais ne
se ressemblent pas_,[25] voegde hij er aan toe, maar stokte, kreeg een
kleur en stond op, want hij bemerkte, dat de adjudant, over wien we
spraken, op ons toekwam.
[25] Ja, m'n waarde, de dagen volgen elkaar op, maar gelijken niet op
elkaar.
--Wat een vreugde, een mensch te ontmoeten als gij! zei Guskoff nog
fluisterend tot mij en ging heen, ik heb nog veel, heel veel met u te
bepraten.
Ik zeide, dat het me zeer verheugde, maar ik moet erkennen dat Guskoff
me in werkelijkheid een zeer onsympathiek, drukkend medelijden
inboezemde. Ik had een gevoel dat ik me, met hem onder vier oogen,
zeer onbehagelijk zou gevoelen, doch ik wilde gaarne velerlei van hem
vernemen, vooral hoe het kwam dat hij, in weerwil van den rijkdom van
zijn vader, in armoedige omstandigheden leefde, gelijk op te maken was
uit zijn kleeding en zijn optreden. De adjudant begroette ons allen,
alleen Guskoff niet en ging naast mij zitten op de plaats, waar even
te voren de gedegradeerde zat. Hoewel nog steeds een bedaarde,
langzame en gelijkmoedige speler en een vermogend man, was Pavel
Dmitrijewitsch toch een heel ander mensch geworden, dan zooals ik hem
gekend had in de beste dagen van zijn spel; hij scheen aldoor haast te
hebben en liet zijn blikken onrustig rondzweven en er verliepen geen
vijf minuten of hij, die anders altijd weigerde te spelen, sloeg
luitenant O. een partijtje bank voor. Luitenant O. weigerde onder
voorwendsel dat de dienst hem geheel in beslag nam, in werkelijkheid
echter omdat hij wist hoe weinig geld en goud Pavel Dmitrijewitsch nog
maar had en hij het niet verstandig achtte, zijn driehonderd roebel op
't spel te zetten tegen de honderd of misschien nog minder, die hij
kon winnen.
--Zeg eens, Pavel Dmitrijewitsch, begon de luitenant, die blijkbaar
een herhaling van het verzoek wilde voorkomen, is het waar wat er
gezegd wordt, dat we morgen uit zullen rukken?
--Ik weet het niet, antwoordde Pavel Dmitrijewitsch, er is slechts
een order gekomen, dat we ons gereed zouden houden. Maar werkelijk,
het was beter als wij een partijtje speelden, ik verpand u mijn
Kabardiner.
--Neen, het is nu al...
--Den grauwen dan, als het niet anders kan, of, als het u liever is,
om geld. Nu?...
--Nu ja... Ik zou wel willen. U moet niet gelooven... begon de
luitenant, aldus zijn eigen twijfel beantwoordende.--Maar morgen
hebben we misschien een overrompeling of een marsch en daarom is het
beter nu uit te slapen.
De adjudant stond op en liep met de handen in den zak op het ontruimde
plekje heen en weer. Zijn gezicht nam weer de gewone koele, min of
meer trotsche uitdrukking aan, die ik zoo gaarne in hem zag.
--Wilt u niet een glaasje warmen wijn? vroeg ik hem.
--Gaarne! En hij kwam naar mij toe, doch Guskoff nam mij snel het glas
uit de hand en bracht het den adjudant; daarbij deed hij zijn best hem
niet aan te zien. Hij zag dus de lijn, die de tent samenhield niet,
struikelde daarover, liet het glas vallen en viel voorover.
--Wat een hansworst! zei de adjudant, die reeds zijn hand naar het
glas uitgestrekt had.
Allen schoten in een luiden lach, Guskoff niet uitgezonderd, die
onderwijl zijn magere knie, welke hij bij het vallen onmogelijk
bezeerd kon hebben, met de eene hand wreef.
--Zooals de beer den kluizenaar bediend heeft,[26] ging de adjudant
voort, zoo bedient hij mij iederen dag! Alle piketpaaltjes van de tent
heeft hij al uitgerukt, hij struikelt altoos.
[26] Zinspeling op een bekende fabel van Lafontaine.
Guskoff verontschuldigde zich bij ons, zonder naar hem te luisteren en
keek mij met een bijna onmerkbaar, treurig glimlachje aan, waarmee hij
te kennen scheen te geven dat ik de eenige was, die in staat was hem
te begrijpen. Hij was beklagenswaardig en de adjudant, scheen om een
of andere reden vertoornd tegen zijn tentgenoot en wilde hem bepaald
niet met rust laten.
--Nu, handig jongmensch, waar valt ge eigenlijk niet?
--Wie zou ook niet struikelen over al die paaltjes, Pavel
Dmitrijewitsch, zei Guskoff, u is eergisteren zelf gestruikeld.
--Ja, vadertje, ik ben geen ondergeschikte, van mij wordt geen
handigheid gevergd.
--Hij mag loome voeten hebben, viel de stafkapitein bij, maar een
ondergeschikte moet kunnen springen...
--Eigenaardige scherts!... zei Guskoff bijna fluisterend en sloeg de
oogen neer. De adjudant was blijkbaar niet goed geluimd tegen zijn
tentgenoot. Hij luisterde gretig naar ieder zijner woorden.
--Men zal hem weer in hinderlaag moeten zenden, zei hij zacht tot Sch.
wendende en met een knipoogje op den ondergeschikte wijzend.
--Daar zullen er weer tranen gestort worden, zei Sch. glimlachend.
Guskoffs oogen waren niet meer op mij gericht, hij deed alsof hij
tabak nam uit het zakje, waarin al lang niets meer was.
--Houd u gereed een hinderlaag te betrekken, zei Sch. lachend. De
boodschappers hebben heden bericht, dat er een aanval op het kamp
gedaan zal worden en nu is het zaak vertrouwde luidjes uit te zenden.
Guskoff glimlachte besluiteloos, als maakte hij zich gereed iets te
zeggen en sloeg meermalen smeekende blikken op Sch.
--Nu ja, ik ben al meermalen gegaan en ik zal weer gaan, als ik
gezonden word, bracht hij stamelend uit.
--Ge zult gezonden worden.
--Dan zal ik gaan. Wat moet ik doen?
--Wel, juist zooals in Argim waar ge van uw post weg geloopen zijt en
uw geweer weggeworpen hebt... zei de adjudant, wendde zich toen van
hem af en begon ons de orders voor den volgenden dag uiteen te zetten.
Inderdaad verwachtte men in den nacht een beschieting van het kamp
door den vijand en voor den volgenden dag een of andere beweging. De
adjudant praatte nog over allerlei algemeene dingen en sloeg toen,
alsof hem dat bij toeval juist te binnen schoot, luitenant O. voor
een spelletje te kaarten. Tegen verwachting was luitenant O. het daar
volkomen mee eens en ze gingen met Sch. en den vaandrig in de tent van
den adjudant, die een groene speeltafel en kaarten had. De kapitein,
de kommandant van onze afdeeling, ging in zijn tent slapen, ook de
andere heeren gingen uit elkaar en ik bleef met Guskoff alleen. Ik had
me niet vergist--inderdaad was het mij onbehagelijk te moede met hem
onder vier oogen te zijn. Onwillekeurig stond ik op en begon langs
de batterij op en neer te loopen. Guskoff liep zwijgend naast me en
maakte haastige en onrustige bewegingen om niet bij mij achter te
blijven en me niet vooruit te loopen.
--Ik stoor u toch niet? zeide hij met zachte, klagende stem.
Voor zoover ik in de duisternis zijn gezicht kon zien, scheen het mij
toe nadenkend en treurig te zijn.
--Niet in 't minst, antwoordde ik, daar hij echter het gesprek niet
begon en ik niet wist, wat ik hem zou zeggen, bleven we een geruimen
tijd zwijgend op en neer loopen.
De schemering had reeds plaats gemaakt voor de volslagen duisternis
van den nacht; boven de zwarte omtrekken der bergen vlamde de
lucht soms helder op, boven onze hoofden fonkelden aan den blauwen
winterhemel kleine sterren, van alle zijden laaiden in rooden gloed
de vlammen der rookende wachtvuren op, dicht voor ons schemerden de
grauwe tinten en de sombere, zwarte aarden wal onzer batterij door den
nevel. Bij het dichtstbijzijnde wachtvuur, waarom heen onze oppassers
zich lagen te warmen en zacht praatten, glansde van tijd tot tijd het
brons onzer zware kanonnen op de batterij en werd de gedaante van
den schildwacht met zijn los omgeworpen mantel zichtbaar, die met
afgemeten passen aan den voet van den aardwal op en neer wandelde.
--Ge kunt u niet voorstellen, welk een genot het voor mij is, te
spreken met een mensch als gij! zei Guskoff tot me, ofschoon hij nog
geen woord tot mij gezegd had.--Dat kan alleen hij begrijpen, die zich
eenmaal in mijn positie bevonden heeft.
Ik wist niet wat hem te antwoorden en dus zwegen we weer beiden,
hoewel hij blijkbaar lust had zijn gemoed uit te storten en ik om hem
aan te hooren.
--Waarom zijt ge... Waarom hebt ge moeten lijden? vroeg ik hem ten
slotte, daar mij niets beters inviel om het gesprek te beginnen.
--Hebt ge niets gehoord van die ongelukkige historie met Metenine?
--Ja, het was een duel, geloof ik; ik heb er terloops over hooren
spreken, antwoordde ik, ik ben al een heele poos in den Kaukasus.
--Neen, geen duel; het is een domme, vreeselijke geschiedenis! Ik wil
u alles vertellen, als ge het niet weet. Het was in hetzelfde jaar,
dat ik u bij mijn zuster ontmoette, ik woonde toen te Petersburg. Ge
moet weten, ik had toen wat men noemt _une position dans le monde_[27]
en een heel goede, om niet te zeggen een schitterende. _Mon père me
donnait 10000 par an._[28] In het jaar 1849 werd me het uitzicht
geopend op een betrekking bij het gezantschap te Turijn: mijn oom
van moederszijde kon zeer veel voor mij doen en was daar steeds zeer
gaarne toe bereid. Het is al lang geleden, _j'étais reçu dans la
meilleure société de Pétersbourg, je pouvais prétendre_[29] op een
prachtige partij. Ik had geleerd, wat wij allemaal leeren op school,
een bijzondere ontwikkeling bezat ik dus niet, ik heb weliswaar later
veel gelezen, _mais j'avais surtout ce jargon du monde_,[30] ge weet
wel; en hoe ik ook verder mocht zijn, ik gold, God weet waarom, voor
een der voornaamste jongelui van Petersburg. Wat mij een bijzondere
positie gaf in de openbare meening, _c'est cette liaison avec Mme
D._,[31] over wie in Petersburg veel gesproken werd; doch ik was
nog heel jong en achtte toen niet veel op al die voordeelen. Ik
was eenvoudig jong en dom. Wat was meer noodig? Toentertijd had in
Petersburg deze Metenine een reputatie... en Guskoff ging door me de
heele geschiedenis van zijn ongeluk te verhalen, die ik hier echter
wil overslaan, omdat ze heel niet interessant is.--Twee maanden zat
ik in de gevangenis, ging hij voort, moederziel alleen en wat heb
ik in dien tijd al niet overdacht! Maar weet ge, toen alles voorbij
was, toen om zoo te zeggen ieder verband met het verleden voorgoed
verbroken was, toen was het mij minder zwaar te moede. _Mon père, vouz
en avez entendu parler_[32], is voorzeker een man met een ijzeren
karakter en met vaste overtuigingen, _il m'a déshérité_[33] en heeft
alle relaties met mij afgebroken. Zijn overtuiging gebood hem zoo
te handelen en ik maak er hem volstrekt geen verwijt van; _il a été
conséquent_.[34] Daarom heb ik ook geen enkele poging gedaan om hem
aan zijn besluit ontrouw te doen worden. Mijn zuster was in het
buitenland. Mevr. D. was de eenige, die mij schreef, toen men haar dit
toestond en mij haar hulp aanbood; maar ge zult begrijpen, dat ik dit
weigerde en dat ik gebrek had aan al de kleinigheden, die in zulke
omstandigheden een weinig verlichting geven: ik had noch boeken, noch
linnengoed, noch eten--niets! Ik heb toen veel, zeer veel nagedacht.
Ik begon alles met heel andere oogen te beschouwen; over het gerucht
bijv. en het geklets van de menschen in Petersburg, bekommerde ik mij
niet in 't minst--het vleide me ook niet in 't minst--dat alles leek
me eenvoudig belachelijk. Ik voelde dat het mijn eigen schuld was, dat
ik onvoorzichtig, jeugdig dwaas gehandeld had, dat ik mijn carrière
gebroken had en dacht aan niets anders, dan hoe ik dit weer goed zou
kunnen maken. Ik voelde de kracht en de energie daarvoor in mijn
binnenste. Uit de gevangenis werd ik, zooals ik u zeide naar den
Kaukasus gestuurd, naar het N. regiment. Ik had gemeend--ging hij
voort, steeds levendiger sprekend--dat het hier in den Kaukasus _la
vie de camp_[35] was, dat hier eenvoudige, brave menschen waren, met
wie ik zou kunnen verkeeren, dat er hier krijgsgevaar te trotseeren
was--dat alles zou juist passen bij mijn gemoedsstemming en ik zou een
nieuw leven beginnen. _On me verra au feu_[36], men zal van me gaan
houden, me leeren waardeeren, niet alleen om mijn naam--men zal mij
een orde schenken, me tot onderofficier bevorderen, de straf opheffen
en ik zal weer naar mijn geboortegrond terugkeeren _et vous savez avec
ce prestige du malheur_.[37] Maar, _quel désenchantement!_[38] Ge kunt
u niet voorstellen, hoezeer ik me vergist heb!... Ge kent immers het
korps officieren van ons regiment?--Hij zweeg vrij lang en scheen
te verwachten, dat ik hem zou zeggen, dat ik wist, hoe slecht de
officieren hier waren. Maar ik antwoordde hem niet. Het stuitte mij,
dat hij, waarschijnlijk omdat ik Fransch verstond, verwachtte dat ik
tegen het korps officieren ingenomen zou zijn, terwijl ik integendeel
door mijn langer verblijf in den Kaukasus zoover gekomen was, het op
zijn juiste waarde te schatten en het duizendmaal hooger te schatten
dan den kring, waaruit de heer Guskoff afkomstig was. Ik wilde hem dit
zeggen, doch zijn positie weerhield mij daarvan.
[27] Een positie in de wereld.
[28] Mijn vader gaf mij 10000 roebel per jaar.
[29] Ik werd ontvangen in de beste gezelschappen van St. Petersburg,
ik kon aanspraak maken.
[30] Maar vooral was ik goed thuis in dien eigenaardigen spreektrant
der voorname wereld.
[31] Dat is die verhouding met Mevr. D.
[32] Mijn vader, over wien ge wel hebt hooren spreken.
[33] Hij heeft mij onterfd.
[34] Hij is konsekwent geweest.
[35] Het kampleven.
[36] Men zal me in het vuur zien.
[37] En ge weet, met dat prestige, dat het ongeluk iemand geeft.
[38] Welk een ontgoocheling!
--In het N. regiment is het korps officieren duizendmaal slechter dan
in dit, ging hij voort. _J'espère que c'est beaucoup dire_[39], ge
kunt U niet voorstellen, hoe ze zijn! Van de jonkers en de gewone
soldaten wil ik hier niet spreken. Dat is een verschrikkelijke troep!
In den beginne ontvingen ze me goed, dat is zoo, maar later, toen zij
zagen, dat ze me behoorden te verachten, (dat zagen ze aan onmerkbare,
kleine dingen, ge begrijpt wel, waaruit ze opmaakten dat ik een heel
ander mensch moest zijn dan zij, een, die ver in stand boven hen
stond), toen werden ze nijdig op me en begonnen me allerlei kleine
vernederingen aan te doen. _Ce que j'ai eu à souffrir, vous ne vous
faites pas une idée._[40]
Dan de onwillekeurige omgang met de jonkers, en dan: _avec les petits
moyens, que j'avais, je manquais de tout_[41], ik had niets, dan wat
mijn zuster mij zond. Een bewijs hoeveel ik te lijden had, is, dat ik,
met mijn karakter, _avec ma fierté, j'ai écrit à mon père_,[42] ik
smeekte hem, mij toch maar iets te zenden. Ik begrijp heel goed, dat
men, als men vijf jaar zulk een leven geleid heeft, worden kan zooals
onze gedegradeerde Dromoff, die met gemeene soldaten drinkt en aan
alle officieren brieven schrijft, waarin hij om drie roebel »te leen"
vraagt en die hij onderteekent: _tout à vous_[43] Dromoff. Men moet
een karakter hebben als het mijne om in deze vreeselijke positie niet
geheel en al onder te gaan. Hij liep een poos lang zwijgend naast
mij. _Avez-vous un papiros?_[44] vroeg hij.--Ja, waar was ik ook weer
gebleven? Juist. Ik kon dat leven niet uithouden, lichamelijk niet;
want hoe vreeselijk het ook was, hoezeer ik ook leed door honger en
kou, al leidde ik ook het leven van een gemeen soldaat, toch hadden de
officieren nog eenige achting voor me--had ik in hun oog nog een zeker
prestige. Ze zonden me niet op wacht, lieten me niet exerceeren. Dat
zou ik niet verdragen hebben. Maar mijn moreel lijden was ontzettend.
En wat het allerergste was, ik zag geen uitweg uit dezen toestand. Ik
schreef aan mijn oom, smeekte hem, mij tenminste naar dit regiment te
laten overplaatsen, dat tenminste de veldtocht meemaakt, en ik dacht:
hier dient Pavel Dmitrijewitsch, _qui est le fils de l'intendant de
mon père_,[45] die zal mij tenminste van dienst kunnen zijn. Mijn
oom voldeed aan mijn verzoek,--ik werd overgeplaatst. Na dat andere
regiment, kwam dit mij voor als een verzameling van kamerheeren.
Ook was Pavel Dmitrijewitsch daar; hij wist wie ik was, en ik werd
voortreffelijk ontvangen. Op verzoek van mijn oom, Guskoff, _vous
savez?_[46]... Maar ik maakte de opmerking, dat deze menschen zonder
opvoeding of verstand een man niet kunnen achten, noch hem hun achting
betoonen, wanneer hij niet den stralenkrans van rijkdom en aanzien
heeft. Ik merkte op hoe langzamerhand, toen zij bespeurd hadden dat
ik arm was, hun omgang met mij àl onverschilliger en eindelijk bijna
minachtend werd. Het is vreeselijk, maar het is de volle waarheid.
[39] Mij dunkt, dat dit heel wat gezegd is.
[40] Wat ik te lijden gehad heb, daar kunt ge u geen voorstelling van
maken.
[41] Bij de geringe middelen, waarover ik beschikte, had ik aan alles
gebrek.
[42] Met mijn trots, heb ik aan mijn vader geschreven.
[43] Geheel de uwe.
[44] Hebt ge een sigaret voor me?
[45] Die de zoon is van den rentmeester mijns vaders.
[46] Weet gij?
Ik heb hier deelgenomen aan verschillende veldtochten, ik heb
gestreden, _on m'a vu au feu_[47], ging hij voort--maar wanneer zal
er aan dat alles een einde komen? Ik geloof wel nooit; en mijn
krachten en mijn energie beginnen uitgeput te raken. Toenmaals had ik
mij een beeld gevormd van _la guerre, la vie de camp_,[48] maar ik
zie dat het alles heel anders is: in een pelsjas, ongewasschen, met
soldatenlaarzen aan, gaat men op hinderlaag en ligt men den geheelen
nacht door in een hollen weg, met den eerste den beste, die voor
dronkenschap bij de soldaten ingedeeld is en ieder oogenblik kan men
van uit de boschjes doodgeschoten worden--ik of die andere, dat is
precies hetzelfde... Daar helpt geen dapperheid tegen, dat is
afschuwelijk, _c'est affreux, ça tue_.[49]
[47] Men heeft mij in het vuur gezien.
[48] De oorlog, het kampleven.
[49] Dat is vreeselijk, dat maakt iemand dood.
--Nu ja, maar ge zult nu toch voor den veldtocht onderofficier, en in
het volgende jaar vaandrig worden, zei ik.
--Ja, dat kan ik, dat heeft men mij beloofd, maar dat duurt nog twee
jaar, en misschien nog langer, en wat dat zeggen wil, twee zulke
jaren, als iemand dàt eens weten kon! Stel u het leven met dien Pavel
Dmitrijewitsch voor: kaartspel, grove grappen, drinkgelagen... Ge wilt
zeggen wat u het hart beklemt, en niemand begrijpt u of ge wordt zelfs
nog uitgelachen. Men spreekt niet tot u om u tot deelgenoot van een
gedachte te maken, doch alleen om u, zoo mogelijk, tot een zotskap te
vernederen. En dat alles is zoo gemeen, zoo grof, zoo hatelijk en ge
gevoelt aldoor dat ge tot het lagere personeel behoort--men laat u dat
altoos voelen. Daarom kunt ge ook niet begrijpen, welk een genot het
is _à coeur ouvert_[50] te spreken, met een man zooals gij.
[50] Openhartig, zonder terughouding.
Ik begreep in 't geheel niet, wat voor een mensch ik dan wel was, en
daarom wist ik ook niet, wat ik hem zou antwoorden.
--Wilt u wat eten? vroeg Nikita mij juist op dit oogenblik; hij was
ongemerkt in de duisternis naar mij toegeslopen en naar ik merkte, was
hij niet in zijn humeur over de aanwezigheid van een gast.--Er zijn
alleen nog maar piroggen en wat gehakt.
--Heeft de kapitein al gegeten?
--Ze slapen al lang, antwoordde Nikita norsch.
Toen ik hem beval wat eten en wat drank hierheen te brengen, bromde
hij in zijn baard en ging met sleepende treden naar de hut. Daar bleef
hij aan 't brommen, maar bracht ons toch een koffer; op dien koffer
zette hij een licht, dat hij te voren met papier tegen den wind
beschut had, een kleine pan, mosterd, een kelk, een blikken beker met
een handvat en een flesch vermouth. Nadat Nikita dat alles klaargezet
had, bleef hij nog een poos bij ons staan en zag hoe Guskoff en ik den
drank aanspraken, wat hem blijkbaar zeer onaangenaam stemde. Bij den
matten schijn, dien de kaars door het papier wierp, en de duisternis,
die ons omgaf, zag men slechts het zeehondenleer, waarmee de koffer
overtrokken was, het avondeten, dat daarop stond, Guskoffs gezicht,
zijn pelsjas en zijn kleine, roode handen, die de piroggen uit de
pan namen. Rondom ons was alles zwarte nacht en alleen als men scherp
tuurde, kon men de zwarte batterij onderscheiden, de zwarte gedaante
van den schildwacht op de borstwering, ter zijde de brandende
wachtvuren en boven ons de roodschemerende sterren. Guskoff glimlachte
nauw merkbaar, droefgeestig en beschaamd, als stemde het hem
onbehagelijk mij na zijn bekentenis in de oogen te zien, hij dronk nog
een glaasje en at gretig, schrapte zelfs de pan uit.
--Ja, voor u is het toch altijd nog een verlichting, zeide ik, (om
toch iets te zeggen) dat ge den adjudant kent; ik heb gehoord, dat hij
een goed mensch is.
--Ja, antwoordde de gedegradeerde, hij is een aardig mensch, maar meer
kan hij niet zijn, hij kan geen mènsch zijn--en van iemand van zijn
opvoeding kan men dat ook niet verlangen. Hij scheen plotseling te
blozen.
--Hebt gij zijn grove scherts over die hinderlaag gehoord? en, hoewel
ik verscheidene malen beproefde dat gesprek af te breken, begon
Guskoff zich voor mij te rechtvaardigen, en mij uiteen te zetten, dat
hij niet van zijn post weggeloopen was en dat hij geen lafaard was,
zooals de adjudant en Sch. hadden laten doorschemeren.
--Zooals ik u gezegd heb, vervolgde hij, zijn handen aan zijn pelsjas
afvegend, zulke lieden verstaan de kunst niet, zacht met iemand om te
gaan, met een gewoon soldaat, die geen geld heeft; dat gaat boven hun
krachten. En in den laatsten tijd, nu ik sinds vijf maanden, waarom
weet ik niet, niets van mijn zuster gekregen heb, heb ik gemerkt,
hoezeer hun houding tegenover mij veranderd is. Deze pelsjas, die ik
van een gewoon soldaat gekocht heb, en die niet verwarmt, omdat hij
geheel afgesleten is (hierbij liet hij mij den kalen schoot ervan
zien) boezemt hun geen medelijden of achting in, maar verachting, en
zij zijn niet in staat dat te verbergen. Mijn nood moge al nòg zoo
groot zijn, zooals nu, nu ik niets te eten heb dan soldatenkost en
niets om aan te trekken, vervolgde hij met neergeslagen oogen en goot
nog een glaasje vermouth naar binnen, het komt niet in hem op, mij
geld aan te bieden en hij weet toch dat ik het hem teruggeef. Hij
wacht totdat ik, in mijn ellendigen toestand, het hem vragen moet.
En ge kunt begrijpen, hoe zwaar mij dat valt, vooral aan hem. U bijv.
durf ik dat heel goed openhartig zeggen: _vous êtes au-dessus de cela,
mon cher, je n'ai pas le sou_.[51]
[51] Gij zijt daarboven verheven, mijn waarde, ik heb geen cent meer.
--En weet ge, zei hij en zag mij plotseling met een blik vol
vertwijfeling in de oogen--ik zeg het u openhartig: ik ben nu in
een verschrikkelijke positie: _pouvez-vous me prêter 10 roubles
argent?_[52] Mijn zuster moet me met de eerstvolgende post wel wat
zenden, _et mon père_.[53]....
[52] Kunt ge mij 10 zilveren roebels leenen?
[53] En mijn vader...
--Wel zeker, met veel genoegen! zeide ik, hoewel het mij integendeel
uiterst onaangenaam en krenkend was, vooral omdat ik daags te voren
bij het kaarten verloren had en zelf niet meer dan vijf roebel en
eenige kopeken bij Nikita had staan.--Dadelijk, zei ik, en stond op,
ik ga even naar mijn tent om ze te halen.
--Neen, later, _ne vous dérangez pas_.[54]
[54] Derangeer u niet.
Ik luisterde echter niet naar hem en kroop in de toegebonden tent,
waar mijn bed stond en de kapitein sliep.
--Alexeï Iwanitsch, wees zoo goed en geef me tien roebel tot den dag
van het traktement, zei ik en schudde hem wakker.
--Wel, komt ge weer te kort? En gisteren hebt ge nog verklaard niet
meer te zullen spelen? zei de kapitein, nog half slapend.
--Neen, ik heb niet gespeeld, ik heb het voor wat anders noodig, toe,
geef ze me.
--Makatjuk! riep de kapitein zijn oppasser toe, krijg het geldkistje
en breng het hier.
--Zachter, zachter! zei ik. Ik hoorde dicht bij de tent den
gelijkmatigen pas van Guskoff.
--Wat?... waarom zachter?
--De gedegradeerde heeft ze me te leen gevraagd en die loopt daar
buiten.
--Als ik dat geweten had, had ik ze niet gegeven, merkte de
kapitein op. Ik heb van hem gehoord, die knaap is een der
grootste losbollen!--Maar de kapitein gaf me het geld toch, beval
het geldkistje weg te zetten, de tent goed te sluiten, herhaalde
nogmaals:--Als ik het geweten had, zou ik ze niet gegeven hebben,
en trok de deken over het hoofd.--Nu zijt ge me 32 roebel schuldig,
vergeet dat niet! riep hij me na. Toen ik uit de tent kwam, liep
Guskoff bij het bankje op en neer, en zijn kleine gestalte met de
kromme beenen en de afschuwelijke muts met de lange, witte haren kwam
telkens uit de duisternis te voorschijn, wanneer hij voorbij de kaars
kwam. Hij deed of hij mij niet zag. Ik gaf hem het geld. Hij zei
_merci_, frommelde het biljet in elkaar en stak het in zijn broekzak.
--Nu zal het spel bij Pavel Dmitrijewitsch, dunkt me, wel in vollen
gang! begon hij onmiddellijk daarop.
--Ja dat denk ik ook.
--Hij speelt merkwaardig, altijd _à rebours_[55] en nooit weigert hij
een verdubbeling van den inzet; lukt het, dan is dat goed en wel, maar
lukt het niet, dan kan men er vreeselijk veel geld mee verspelen. Dat
heeft hij trouwens ondervonden. In dezen veldtocht heeft hij, als men
goed narekent, meer dan vijftien honderd roebels verloren. En hoe
gematigd heeft hij vroeger gespeeld, zoo zelfs dat die officier
daareven aan zijn eerlijkheid scheen te twijfelen.
[55] Tegen den gewonen regel in.
--Ja, hij kan zoo.... Nikita, hebben we geen wijn meer? zei ik en
voelde mij zeer verlicht door Guskoffs woordenstroom. Nikita bromde
nog altoos, maar bracht ons toch den wijn en zag woedend toe dat
Guskoff zijn glas ledigde. In Guskoffs houding was zijn vroegere
onbevangenheid weer te merken. Ik had gewenscht, dat hij zoo snel
mogelijk heengegaan zou zijn en had het gevoel, alsof hij dat juist
niet deed, omdat hij zich schaamde weg te gaan, dadelijk nadat hij het
geld gekregen had. Ik zei geen woord.
--Hoe is het mogelijk dat gij, een vermogend mensch, zoo zonder eenige
noodzaak, _de gaieté de coeur_,[56] het besluit genomen hebt, in den
Kaukasus dienst te nemen? Ziet ge, dat begrijp ik niet, zeide hij.
[56] Volkomen willekeurig.
Ik deed me best dien stap te rechtvaardigen, dien hij zoo opvallend
vond.
--Ik kan me denken, hoe zwaar ook u den omgang met deze officieren
moet vallen, met deze menschen, die zelfs geen idee van beschaving
hebben. Het is niet mogelijk, dat ze voor iemand als u iets voelen.
Al bleeft ge tien jaar lang hier, ge zoudt toch niets anders zien en
hooren dan kaarten, wijn en gesprekken over onderscheidingen en
veldtochten.
Het deed me onaangenaam aan, dat hij verlangde dat ik het met zijn
beweren eens zou zijn en ik betuigde hem, volkomen oprecht, dat ik
zeer veel hield van kaarten, wijn en gesprekken over veldtochten.
Maar hij wilde me niet gelooven.
--Och, dat zegt ge zoo maar, ging hij voort. En het gemis van
vrouwen, d.w. ik bedoel _femmes comme il faut_,[57] is dat niet een
verschrikkelijke ontbering? Ik weet niet wat ik er niet voor zou
geven, als ik me een oogenblik in een salon kon verplaatsen en, al was
het ook maar door een kiertje van een deur, een bekoorlijke vrouw kon
zien.
[57] Beschaafde dames.
Hij zweeg een oogenblik en dronk nog een glas wijn.
--Ach God! ach God! Misschien hebben we nog eenmaal het geluk, elkaar
in Petersburg bij menschen te ontmoeten, bij menschen, met vrouwen om
te gaan en te leven. Hij dronk het laatste restje wijn uit de flesch
en zei toen:--O, pardon, misschien hadt gij nog willen drinken, ik ben
vreeselijk verstrooid. Ik geloof, dat ik te veel gedronken heb, _et je
n'ai pas la tête forte_.[58]
[58] En ik kan er niet heel goed tegen.
Er was een tijd dat ik op de Marskaja (te Petersburg) woonde _au
rez-de-chaussee_,[59] ik had daar een wondermooie, kleine woning,
mijn eigen meubels, moet ge weten, ik verstond de kunst me behoorlijk
in te richten, zonder dat het mij buitensporig veel geld kostte.
Trouwens, mijn vader gaf mij porcelein, bloemen en wondermooi
zilvergoed. _Le matin je sortais_[60], bezoeken afleggen; _à 5 heures
regulièrement_[61] reed 's middags naar haar toe, vaak was ze alleen.
_Il faut avouer que c'était une femme ravissante._[62] Hebt ge haar
niet gekend, in 't geheel niet?
[59] In een benedenhuis.
[60] 's Morgens ging ik uit.
[61] Geregeld om vijf uur.
[62] Men moet erkennen dat het een verrukkelijke vrouw was.
--Neen.
--Weet ge, ze was vrouwelijk in de hoogste mate, teeder, en haar
liefde!.... Och, lieve hemel! Ik heb toen dat geluk niet op de rechte
waarde geschat. Na afloop van de schouwburgvoorstelling keerden wij
vaak samen naar huis terug en soupeerden dan. Nooit heb ik mij bij
haar verveeld, _toujours gaie, toujours aimante_.[63] Ja, ik had er
geen flauw vermoeden van, wat een zeldzaam geluk dat was. _Et j'ai
beaucoup à me reprocher envers elle. Je l'ai fait souffrir et
souvent_,[64] ik was wreed. Ach, wat was dat een heerlijke tijd.
Verveel ik u?
[63] Altoos opgeruimd, altoos minnares.
[64] Ik heb me ten haren opzichte veel te verwijten, ik heb haar vaak
verdriet gedaan.
--Neen, in geenen deele.
--Dan wil ik u wat vertellen van onze avonden. Ik kom binnen, ik ken
die trap, ik ken iedere bloempot, de deurknop--alles is zoo lief, zoo
bekend, dan de voorkamer, haar kamer... Neen, dat komt nooit, nooit
weer terug! Ze schrijft nu ook nog, ik wil u gaarne haar brieven laten
zien. Maar ik ben nu niet meer dezelfde--ik ben een verlorene, ik
ben harer niet meer waardig... Ik ben voor eeuwig verloren! _Je suis
cassé._[65] Ik heb geen energie, geen trots, niets meer. Ook mijn adel
is weg.. ja, ik ben een verlorene! En geen mensch zal begrijpen wat
ik lijd--niemand betoont mij medegevoel. Ik ben een verloren mensch!
Nooit kan ik me weer opheffen, want ik ben moreel gezonken--in 't
slijk gezonken.
[65] Ik ben gebroken.
.. In dit oogenblik klonk oprechte, diepe wanhoop uit zijn woorden;
hij zag me niet aan en zat daar onbewegelijk.
--Waarom zoo te wanhopen? vroeg ik.
--Omdat ik een afschuwelijk mensch ben; dit leven heeft me ten gronde
gericht, alles wat in me was, is dood.... Ik lijd niet meer met
fierheid, maar als een onwaardige--de _dignité dans le malheur_[66]
heb ik niet meer. Ieder oogenblik duld ik vernederingen. Dit slijk
_a déteint sur moi_,[67] ik ben zelf ruw geworden; wat ik geweten heb,
ben ik vergeten, ik kan geen Fransch meer spreken, ik voel dat ik laag
en gemeen ben. Aan gevechten kan ik in deze omgeving niet deelnemen,
voor niets ter wereld; misschien zou ik een held zijn: geef me een
regiment, gouden epauletten en trompetters; maar in hetzelfde gelid
met den eersten den besten Antonoff Bondarenko en dergelijke lui
te strijden en dan te moeten bedenken, dat tusschen hen en mij niet
het geringste onderscheid is, dat het precies hetzelfde is of hij
doodgeschoten wordt of ik--die gedachte doodt mij. Begrijpt ge, hoe
vreeselijk het is, te moeten bedenken, dat de eerste de beste gemeene
kerel mij dooden kan, mij, een mensch, die denkt en gevoelt, en dat
het precies hetzelfde is of hij mij doodt, dan wel dien Antonoff naast
mij, een schepsel, dat zich door niets van een dier onderscheidt en
dat het best gebeuren kan dat men juist mij doodt en niet Antonoff,
zooals dat altijd gebeurt, _une fatalité_[68] voor al wat goed en hoog
is. Ik weet, dat ze me een lafaard noemen; goed, laat ik een lafaard
zijn--ik ben nu eenmaal een lafaard en kan niet anders zijn.
[66] waardigheid in het ongeluk.
[67] heeft me bespat.
[68] een noodlot.
Maar als ware 't niet genoeg, dat ik een lafaard ben, ik ben in uw
oog ook--een bedelaar en een verachtelijk mensch. Ziet ge, ik heb u
daareven om geld gevraagd--u hebt een recht mij te verachten. Neen,
neem liever uw geld terug--en hij reikte mij het verfrommelde biljet
toe. Ik wil, dat ge mij zult achten. Hij bedekte zijn gezicht met
zijn handen en brak in tranen uit; ik wist niet wat ik tot hem zeggen
zou of doen.
--Wees bedaard, zei ik tot hem, ge zijt te fijngevoelig, ge moet
u niet alles zoo aantrekken, denk niet zooveel, neem de dingen
eenvoudiger op. Ge zegt zelf, dat ge karakter hebt. Draag dus uw
ongeluk, ge zult niet lang meer behoeven te lijden. Dit alles zei ik
tot hem, maar in zeer onduidelijke bewoordingen, want ik werd bewogen
door een gevoel van berouw, dat ik het gewaagd had in gedachte een
waarachtig en diep ongelukkig mensch te veroordeelen.
--Ja, begon hij, als ik sinds het uur, dat ik in deze hel ben,
ook maar een enkel woord van deelneming, van goeden raad of van
vriendschap gehoord had,--een woord van menschelijkheid, gelijk ik
van u hoor--misschien kon ik dan rustig alles verdragen, misschien
kon ik het dan dragen en zelfs gemeen soldaat zijn--maar nu is het
vreeselijk..... Wanneer ik mijn gezond verstand gebruik, wensch ik den
dood; waarom zou ik dit smadelijke leven en mijzelf liefhebben, nu ik
toch voor al het goede in de wereld verloren ben? en bij het geringste
gevaar onwillekeurig weer begin dit gemeene leven te vergoden en te
sparen als iets kostbaars? En ik kan mijzelf niet overwinnen, _je
ne puis pas_[69] d.w.z. ik kan het wel--ging hij na een minutenlang
zwijgen voort--maar het kost me te veel moeite, enorme moeite, als ik
alleen ben. Met anderen samen, wanneer ik in gewone omstandigheden in
het vuur ga, ben ik dapper, _j'ai fait mes preuves_,[70] want ik ben
vol eigenliefde en trots: dat is mijn gebrek, en in tegenwoordigheid
van anderen... Weet ge, laat mij vannacht in uw tent overnachten, bij
mij zal wel den geheelen nacht gespeeld worden. Onverschillig waar, op
den grond.
[69] ik kan niet.
[70] dat heb ik bewezen.
Terwijl Nikita het bed klaarmaakte, stonden we op en liepen weer in
het duister bij de batterij op en neer. Guskoff moest wel werkelijk
slecht tegen drank kunnen, want van twee glaasjes vermouth en twee
glazen wijn waggelde hij. Toen we opstonden en uit het licht der
kaars gingen, merkte ik op, dat hij het tienroebelbiljet, 't welk hij
gedurende het geheele voorafgaande gesprek in de hand gehouden had,
weer in den zak schoof, maar zòò dat ik het niet zien zou. Hij sprak
nog steeds door; hij voelde dat hij zich nog zou kunnen oprichten, als
hij een mensch had, zooals ik, die medelijden met hem had.
Wij wilden reeds in de tent gaan om ons te slapen te leggen, toen
plotseling een kogel over ons heen floot en niet ver van ons in den
grond sloeg. Dat was zoo vreemd: dit stille, slapende kampement, ons
gesprek en... op eens die vijandige kogel, die, God weet waar vandaan,
over onze tent kwam vliegen--zoo vreemd, dat ik een poos lang mij
geen rekenschap kon geven van wat eigenlijk geschiedde. Een van onze
soldaten, Andrejeff, die bij de batterij op wacht stond, kwam naar mij
toe.
--Ei, ze zijn nabij geslopen! Men kon van hier het vuur zien, zeide
hij.
--We moeten den kapitein wekken, zei ik en keek naar Guskoff.
Hij stond daar, diep naar den grond gebogen en stamelde: Dat... dat...
vijand.. gek! Verder zei hij niets en ik zag niet, waarheen hij zoo
opeens verdween.
In de hut van den kapitein werd een licht ontstoken, men hoorde zijn
gewoon kuchje bij het ontwaken, en spoedig kwam hij zelf naar buiten
en vroeg om een lont om zijn pijpje aan te steken.
--Wat is er nu weer, vadertje? vroeg hij glimlachend, men wil me
vannacht maar niet laten slapen, eerst gij met uw gedegradeerde en nu
Schamyl! Wat zullen wij doen, antwoorden of niet? Is er iets bevolen?
--Neen, niets. Daar, alweer! zei ik, en nu twee tegelijk. Inderdaad
lichtten in de duisternis, recht voor ons, twee vlammen op, gelijk
twee oogen en spoedig daarna vloog een kogel over onze hoofden en, met
luid, doordringend gefluit eene leege granaat; wellicht een van ons.
Uit de tenten in de buurt kwamen de soldaten kruipen, men hoorde ze
hoesten, zich uitrekken en praten.
--Kijk, hij fluit voor je oogen als een nachtegaal, merkte een
artillerist op.
--Roep Nikita! zei de kapitein, met zijn gewonen goedigen
glimlach.--Nikita! kruip niet weg, hoor eens hoe de nachtegalen uit de
bergen fluiten.
--Ach, Uw Hoogwelgeboren, zei Nikita, die naast den kapitein stond, ik
heb ze al gezien, die nachtegalen. Ik ben niet bang voor ze, maar de
gast, die daareven hier was en uw wijn gedronken heeft, toen die ze
gehoord heeft, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt, hij is als
een kogel voorbij gerold, in elkaar gedoken als een dier.
--Maar het zal toch noodig zijn, naar beneden, naar den kommandant der
artillerie te rijden, zei de kapitein op ernstigen, bevelenden toon
tot mij, om hem te vragen of we het vuur moeten beantwoorden of niet;
er kan wel nauwelijks sprake van zijn, maar we kunnen toch beneden
gaan hooren. Wees gij zoo goed er snel heen te rijden en vraag het
hem. Laat U een paard zadelen, en als het niet anders gaat, neem dan
mijn Polkan, om gauwer weg te komen.
Vijf minuten daarna bracht men mij het paard en reed ik weg naar den
kommandant der artillerie.
--Denk er om, het wachtwoord is »Deichsel", fluisterde de kapitein me
uit voorzorg in, anders komt ge niet door de voorpostenlinie.
Naar den kommandant der artillerie was een halve werst rijden; de
heele weg voerde langs de tenten heen. Zoodra ik bij ons wachtvuur
vandaan was, werd het zoo donker, dat ik niet eens de ooren van mijn
paard kon zien; alleen het flikkeren der wachtvuren, dat mij nu eens
heel dicht bij, dan weer heel veraf leek, schemerde mij in de oogen.
Een klein eindje reed ik zooals mijn paard wilde, met slappe teugels.
Ik kon nu de witte, vierhoekige tenten onderscheiden, later ook de
zwarte sporen van den weg, in een half uur was ik bij den kommandant.
Drie maal had ik naar den weg moeten vragen, viermaal was ik over de
piketpaaltjes der tenten gestruikeld, waarbij ik telkens vloeken van
binnen uit naar mijn hoofd kreeg, en twee maal werd ik door een post
aangehouden. Gedurende den rit had ik nog twee schoten gehoord, maar
zij droegen niet tot aan de plek, waar de staf lag. De kommandant
van de artillerie gaf geen bevel om terug te schieten, te meer niet,
omdat de vijand zijn vuur staakte, en ik aanvaardde den terugweg,
het paard aan den teugel houdend en mij te voet tusschen de tenten
der infanterie doorwerkend. Vaak vertraagde ik mijn schreden, als
ik voorbij een soldatentent kwam, waarin nog licht schemerde, of
luisterde naar het verhaal van een of anderen spotvogel, of naar
het voorlezen uit een boek, door een of anderen geleerde, naar wien
de heele afdeeling, den voorlezer van tijd tot tijd met allerlei
aanmerkingen in de rede vallend, in een dichten hoop in en om de tent
opeengedrongen luisterde, of ook wel naar de gesprekken over den
veldtocht, over de geboorte-plaats, over de superieuren.
Toen ik voorbij een der tenten van het bataillon kwam, hoorde ik de
luide stem van Guskoff, die zeer vroolijk en levendig sprak; jonge
eveneens lustige stemmen, van voorname heeren, niet van gemeene
soldaten antwoordden hem. Het was blijkbaar de tent van de jonkers of
de onderofficieren. Ik bleef staan.
--Ik ken hem al lang, zei Guskoff. Ik ben nog familie van hem, en wat
het voornaamste is, we zijn oude vrienden. Het is goed, mijne heeren,
zulk een kennis te hebben, moet ge weten. Hij is schatrijk. Honderd
roebels zijn niets voor hem. Ik heb mij ook een kleinigheid van hem
laten geven, tot mijn zuster mij wat zendt.
--Nu, laat dan maar wat halen!
--Dadelijk. Saffjilitsch, duifje! klonk Guskoffs stem steeds dichter
bij den ingang van de tent. Hier hebt ge tien roebel, ga naar de
marketentster en breng twee flesschen... en wat nog meer, heeren? Nu,
zeg op!
En Guskoff trad zwaaiend, met wanordelijk haar en zonder muts, uit de
tent. Hij sloeg de slippen van zijn pelsjas op zij, stak de handen in
de zakken van zijn grijze broek en bleef aan den ingang staan. Hoewel
hij in het licht stond en ik in het donker, trilde ik toch van angst,
dat hij mij zien kon, deed mijn best geen gedruisch te maken en ging
verder.
--Werda? riep Guskoff me met een volslagen dronkemansstem toe. De
koude had hem blijkbaar heelemaal buiten westen gemaakt.--Wat voor een
duivel sluipt hier met zijn paard om?
Ik antwoordde niet en zocht zwijgend mijn weg.