Niet ver van de Hart, aan de oevers van de Ill, ligt Ensisheim, een
klein landstadje, weleer de zetel van de oostenrijksche regeering en
later van den souvereinen raad van den Elzas, tegenwoordig slechts de
nederige hoofdplaats van een kanton. Daar ontmoeten elkander ook alle
boosdoeners van het rijksland, in de centrale strafgevangenis. Op
eene bevolking van drieduizend-tweehonderd-zes inwoners, volgens
de volkstelling van 1 December 1880, waren er toen zeven-en-zeventig
militairen en achthonderd veroordeelden, hetzij tot dwangarbeid, hetzij
enkel tot hechtenis. In den loop van het vorige jaar (1885) werden in
de centrale strafgevangenis tweehonderd-zeven-en-veertig veroordeelden
opgenomen, en werden tweehonderd-acht-en-dertig ontslagen. Sedert
November 1884 worden te Ensisheim alleen diegenen opgenomen, wier
straftijd meer dan drie jaren bedraagt. Zij die tot een hechtenis
van minder dan drie jaren zijn veroordeeld, zullen voortaan hunne
straf moeten ondergaan in een der zes departementale gevangenissen te
Straatsburg, Zabern, Colmar, Mulhausen, Metz of Saargemund, naar gelang
zij door een der aldaar zetelende gerechtshoven zijn veroordeeld.
Wie het oude stedeke nadert, ziet het eerst, half verborgen door
wingerden en tuinen, de overblijfselen van eene dubbele versterkte
omwalling, met breede grachten en torens. Langs den voet der muren,
die gedeeltelijk zijn ingestort en nergens meer hunne oorspronkelijke
hoogte bereiken, vloeit het kanaal van Quatelbach, dat door het
water van de Ill gevoed wordt. Het bed zelf van de Ill ligt droog,
althans op het oogenblik, even als het kanaal van de Twaalf-Molens,
dat zijn water van de Thur ontvangt. Van de oude wallen, en nog beter
van den toren der parochiekerk, heeft men een heerlijk uitzicht, zoowel
op de keten der Vogesen als op de bergen van het Schwarzwald. In de
voornaamste straat van het stadje, in de nabijheid van het raadhuis,
wordt de aandacht getrokken door een aantal antieke huizen, zoowel
in gothischen als in duitschen renaissance-stijl. Vele van die
burgerwoningen zijn versierd met bevallige torentjes en erkers,
zoo als de brouwerij Schmidt en het logement de Kroon. De erker van
genoemd logement, waar Turenne daags vóór den veldslag bij Turckheim
zijn intrek nam, rust op eene kegelvormige halve kolom, tegen den
voorgevel aangebracht. De beide verdiepingen van den voorgevel
hebben gothische vensters, en boven den hoofdingang staat het
jaartal MDCIX gebeiteld. Onder den erker van de brouwerij Schmidt,
vroeger de kommanderij van Sint-Jan, uit het begin der zestiende
eeuw en in gothischen stijl gebouwd, ziet men twee medaillons met de
beeltenissen van den Keizer en den Roomsch-Koning. Nog andere huizen
prijken met erkers en torentjes met wenteltrappen en kruisramen met
houtsnijwerk. Overal verrijzen hooge puntgevels in menigte. De ruime
parochiekerk is modern en alles behalve soliede gebouwd.
Een der oudste gebouwen is wel het tegenwoordige stadhuis, dat
uit de eerste helft der zestiende eeuw dagteekent en vroeger de
zetel was van de oostenrijksche regeering. Het gebouw heeft twee
verdiepingen, door eene sterk uitspringende kroonlijst gescheiden. De
benedenverdieping heeft eene open galerij, waarvan de wijde bogen
op massieve pijlers rusten. De vertrekken der eerste verdieping
ontvangen hun licht door breede vensters, in drie vakken verdeeld,
waarvan het middelste hooger is dan de zijramen. Een dier vensters
komt uit op een balkon van ijzeren traliewerk, dat in later tijd
is aangebracht. Daar naast bevindt zich een bel voor de openbare
bekendmakingen. De achtkantige traptoren heeft een portaal, versierd
met gekanneleerde zuilen en medaillons met portretten van romeinsche
keizers. Naar het schijnt, bestond de bovenverdieping oorspronkelijk
uit twee groote zalen, beiden, met eenige zijvertrekken, bestemd voor
de twee regeeringscolleges. Later heeft men een dezer zalen, ten
einde in de behoeften van den dienst te voorzien, in verschillende
kamers gesplitst. Op een der muren ziet men eene vergulde groep,
voorstellende de gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen. De
andere, nog ongeschonden zaal maakt door haar grootsche afmetingen
een majestueusen indruk; deze zaal werd in 1884, op last van generaal
Mantouffel, stadhouder van Elzas-Lotharingen, gerestaureerd en met
fraai houtwerk versierd. De muren en de zoldering werden op nieuw
beschilderd en verguld, even als het gewelf van de benedengalerij. Op
de snijpunten der balken ziet men cartouches met de wapens der steden
van den Elzas; boven de deur prijkt het wapen van Ensisheim met den
vroegeren oostenrijkschen arend naast den tweekoppigen adelaar van
het nieuwe duitsche rijk. De ruiten der vensters zijn rond, naar het
oud gothische model. Enkele gothische détails uitgezonderd, draagt
het gebouw in zijn geheel den stempel van den stijl der duitsche
renaissance, hetgeen ook volkomen past bij het jaartal 1535, dat op
verschillende plaatsen in den steen is gebeiteld.
In het stedelijk archief worden, nevens de registers van den
burgerlijken stand, de overblijfselen bewaard van een meteoorsteen, die
in de vijftiende eeuw te Ensisheim uit de lucht is gevallen. Volgens
de registers van den burgerlijken stand, die sedert den negenden
Juni 1582, dat is dus sedert ruim driehonderd jaren, geregeld
zijn bijgehouden, was het getal geboorten, dat in gewone tijden
tien of twaalf per maand bedroeg, in 1642, tegen het einde van den
dertigjarigen oorlog, gedaald tot een of twee. Bij het doorsnuffelen
van deze oude papieren vonden wij, onder andere curieuse stukken,
een klacht van herbergiers, in het jaar 1787 ingebracht tegen de
tappers of kroeghouders, omdat zij, in strijd met de stedelijke keur,
aan hunne klanten meer dan enkel brood en kaas te eten gaven.--De
meteoorsteen werd vroeger in de kerk bewaard, en van daar naar
het stadhuis overgebracht. Het gewicht van dien steen bedraagt
tegenwoordig niet meer dan vijf-en-vijftig pond, in plaats van drie
tot vier quintalen, als op het oogenblik van zijn val. Een groot
stuk van den steen werd aan het museum van Colmar afgestaan; voorts
hebben een aantal aanzienlijke personages, die Ensisheim doortrokken,
te beginnen met Keizer Karel V tot de generaals der geallieerde legers
in 1815, er ook voor en na fragmenten van medegenomen.
Volgens het in 1840 verschenen boek van pastoor Merklen, getiteld:
_Ensisheim, jadis ville impériale et ancien siège de la Régence
archiducale des pays antérieurs d'Autriche, ou Histoire de la ville
d'Ensisheim, avec un précis des évènements les plus mémorables qui
se sont passés en Alsace_,--volgens dat boek met dien wijdloopigen
titel, zou de herinnering aan het nederkomen van dien meteoorsteen,
waarvan wij de overblijfselen voor ons zien, zijn vereeuwigd door
het volgende opschrift in de oudste kerk der stad:
Tausend vierhundert
Neunzig zwey,
Hört man allhier ein ney
Geschrey:
Dass zunächst drauss vor der stadt,
Den 7ten Wintermonat,
Ein grosser Stein, beym hellen Tag
Gefallen von einem Donnerschlag,
Aus dem Gewilk, drithalb zentner schwer,
Von Isen Farb; brach man in her
Mit statischer Procession. Sehr
Viel schlag man mit Gewalt
Davon 1492.
Dat wil zeggen: Ten jare duizend-vierhonderd-twee-en-negentig vernam
men hier een ongewone tijding: dat buiten, vlak voor de stad, op
den zevenden van wintermaand, een groote steen, op klaarlichten
dag, bij een donderslag uit de lucht was gevallen, ter zwaarte van
derdehalf centenaar en van eene kleur als ijzer; hij werd met statige
processie binnen de stad gehaald; met geweld werden er zeer veel
stukken afgeslagen.
In het koor van de thans afgebroken kerk vond men nog twee andere
opschriften, het eene in het latijn, het andere in het fransch, waarin
mede van dezen meteoorsteen melding werd gemaakt. Wij deelen alleen
het fransche opschrift mede, dat eene eenigszins vrije vertaling van
het latijnsche is:
En deux mois on a vu
Deux prodiges divers:
Dans l'un tomba du ciel cette
Pierre effroyable;
El l'on vit au suivant trois soleils
Dans les airs.
C'est ainsi que le ciel, aux mortels
Favorable,
Par un penchant secret, dans sa juste
Fureur,
Se plaît à nous montrer les traits
De sa douceur.
Ik behoef wel niet op te merken, dat meteoorsteenen tegenwoordig niet
meer zulk eene buitengewone zeldzaamheid zijn. In het museum van de
Akademie van Wetenschappen te Stockholm heb ik er een gezien van het
eiland Diskö, bij de westkust van Groenland, afkomstig, die de hoogte
had van een volwassen mensch bij een meter dikte. Tweemaal in het jaar,
in de maanden Augustus en November, snijdt onze aarde, in de oneindige
ruimte, twee banen van meteoren. Dat zijn de zwermen van vallende
sterren, die wij in heldere nachten kunnen waarnemen. Het volk heeft,
in zijne dichtende fantazie, aan de meteoren van de maand Augustus den
naam gegeven van Sint-Laurenstranen, ter eere van den heilige, wiens
feest in die maand wordt gevierd. Op den zeven-en-twintigsten November
van het vorige jaar (1885), tusschen zes en acht uren des avonds, was
het aantal vallende sterren, in den Elzas zichtbaar, zoo groot dat men
ze niet tellen kon: het verschijnsel maakte op sommige oogenblikken den
indruk van een groot vuurwerk. Naar de sterrekundigen ons verzekeren,
zouden deze meteoren afkomstig zijn van de komeet van Biela.
Ensisheim wordt voor het eerst genoemd in een charter van het
jaar 768; in een giftbrief van jaar 823 komt de stad voor onder
den naam van Einsigesheim, dat in een ander stuk Ensiclesheim
wordt geschreven. Onder het oostenrijksche bestuur was de stad de
hoofdplaats van het landgraafschap van den Opper-Elzas en de zetel van
de regeering, wier rechtsgebied de beide Breisgauen, het Schwarzwald
en de vier zwitsersche woudsteden omvatte. De graven van Habsburg
hebben hier het kasteel Königsburg gebouwd, waarvan nu geen spoor meer
te vinden is. Behalve andere voorrechten en privilegiën, bezat de
stad ook het muntrecht. In 1469 werd bepaald, dat van de uitspraken
der schepenbank van Ensisheim in beroep kon worden gekomen bij het
hooggerechtshof te Mechelen, de hoogste rechtbank voor de landen van
de zoogenoemde Bourgondische kreits; later werd dit appel overgebracht
naar Innsbrück in Tyrol en eindelijk bij het keizerlijk kamergericht
te Spiers. Gedurende den dertigjarigen oorlog werd het ongelukkige
stedeke driemaal genomen en geplunderd. Bij den vrede van Munster
werd Ensisheim aan Frankrijk afgestaan; van 1657 tot 1674 zetelde
hier het hoogste regeeringscollege, de souvereine raad van den Elzas.
De geschiedenis van dien souvereinen raad van den Elzas werd door twee
raadsheeren in het hof van appel te Colmar, de heeren de Neyremand en
Pillot, in een zeer interessant boek beschreven. Toen de aartshertog
Ferdinand van Oostenrijk, de broeder van Karel V, door den Keizer werd
belast met het bestuur over de zoogenoemde vóór-oostenrijksche landen
(_vorder-österreichischen Lande_), organiseerde hij de regeering op
een geheel nieuwen voet, met twee afdeelingen of kamers, waarvan de
eene meer bepaaldelijk met de rechtspleging, de andere met het beheer
der financiën werd belast. Na den vrede van Munster vestigde de koning
van Frankrijk in 1649 te Breisach, dat toen, hoewel aan den rechter
Rijnoever gelegen, tot zijn rijk behoorde, "eene koninklijke souvereine
Kamer, in de plaats en ter vervanging van de oostenrijksche regeering,
vroeger te Ensisheim zetelende." Ondanks velerlei moeielijkheden en
botsingen bleef die Kamer tot in 1657 in werking. De zeer stellig
duitschgezinde adel van den Elzas, de voormalige rijkssteden en
de massa der bevolking, die zeer tegen haar zin bij Frankrijk was
ingelijfd, bleven nog jaren achtereen hunne onderlinge geschillen
onderwerpen aan de uitspraak van het keizerlijk kamergericht te Spiers,
in plaats van zich tot de fransche magistraten te wenden. De koning
van Frankrijk, Lodewijk XIV, die vast besloten was, het kortelings
veroverde land te behouden en door verdere veroveringen af te ronden,
stelde er prijs op, de genegenheid zijner nieuwe onderdanen te
winnen. In zijn tijd was het nog niemand in de gedachte gekomen, dat de
staatkundige eenheid van een land in de eerste plaats afhangt van de
administratieve eenvormigheid, of dat die eenheid noodwendig vordert
dat voor alle deelen des lands, hoe verschillend ook door bevolking,
door historie en traditie, door zeden en gewoonten, voor alle steden en
dorpen precies dezelfde regelen moeten gelden. Integendeel: nog niet
beheerscht door abstracte theoriën, hield men zich veeleer overtuigd
dat bestaande plaatselijke gewoonten, rechten en inzettingen, in
de historie geworteld, zooveel mogelijk moesten worden ontzien en
geëerbiedigd, en dat, waar een nieuwe toestand veranderingen noodig
maakte, die veranderingen zich zoo veel doenlijk aan het bestaande
moesten aansluiten. Van die waarheid doordrongen, hief Lodewijk
XIV de koninklijke Kamer van Breisach op en verving haar door een
souvereinen Raad. Deze raad, die bij een edict van 1657 werd ingesteld
en georganiseerd, moest, krachtens 's konings uitdrukkelijk bevel,
het bestuur voeren: "op dezelfde wijze en in denzelfden vorm als door
de oostenrijksche regeering geschiedde en overeenkomstig de wetten en
ordonnanciën van de keizers en aartshertogen, alsmede de algemeene en
plaatselijke keuren, brieven en privilegiën, zonder eenige verandering
of nieuwigheid"--Bij een schrijven, gedagteekend uit Metz, den 22sten
September, waarvan het origineel in de archieven van de prefectuur
te Colmar berust, noodigde de groote koning den bisschop van Bazel
uit, om bij de opening van den souvereinen raad tegenwoordig te zijn
op den dag bepaald "door den heer Colbert, intendant van justitie en
financiën in het genoemde land". Ten gevolge van kleine moeielijkheden
en tegenkantingen, liep het nog tot den vierden November, eer de
souvereine Raad in zijne nieuwe residentie kon worden geïnstalleerd.
Op weinige schreden afstands van het raadhuis, waar de souvereine Raad
vroeger zijne zittingen hield, verrijst de centrale gevangenis, weleer
het college der Jezuïeten. In 1614 door den aartshertog Maximiliaan
gesticht, zijn deze gebouwen meermalen van bestemming veranderd. Bij
de verdrijving der Jezuïten in 1764 werd hun college aanvankelijk
een werkhuis voor landloopers en vagebonden. Tijdens de oorlogen der
revolutie diende het tot militair hospitaal en tevens tot gevangenis
voor politieke misdadigers. In 1801 werd het op nieuw een werkhuis;
deze inrichting werd in 1814 opgeheven, en nu werd het gebouw ingericht
tot strafgevangenis voor mannelijke en vrouwelijke misdadigers, die
tot langer dan een jaar kerkerstraf waren veroordeeld. Sedert 1823
worden de vrouwen te Hagenau, in een afzonderlijk gebouw opgesloten.
De gevangenis maakt--het kan en behoort ook niet anders--geen
aangenamen indruk. Verbeeld u eene groep gebouwen, die van drie zijden
eene binnenplaats omringen, welke aan de vierde zijde door hooge
muren is afgesloten. Onder langs dien muur loopt eene galerij, waar
een schildwacht met geladen geweer op en neder wandelt. Eene afdeeling
soldaten is steeds op post in het wachthuis naast den hoofdingang. Alle
vensters zijn van ijzeren traliën voorzien; een klein luik in de
zware deur geeft den cipier de gelegenheid om, eer hij de deur opent,
te zien wie zich aanmeldt. Binnentredende bevindt ge u in een donker,
somber portaal, dat toegang geeft naar het bureau van den kommandant,
en dat aan de zijde van de binnenplaats door eene tweede deur is
afgesloten. Daar heeft een moedige bewaarder de opgestane gevangenen
tegengehouden, toen, in den oorlog van 1870, de fransche troepen het
land ontruimden en de militaire wacht in de gevangenis was ingetrokken.
De kommandant der gevangenis, die de welwillendheid heeft ons de
geheele inrichting in alle bijzonderheden te laten zien en alle
inlichtingen te verschaffen, brengt ons ook naar de binnenplaats, waar
wij verschillende groepen van gevangenen aan den arbeid zien, bezig met
het leggen der fondamenten voor eene nieuwe cellulaire gevangenis. Dit
gebouw moet tweehonderd cellen voor eenzame opsluiting bevatten. Men
heeft aanvankelijk geaarzeld, dit werk aan de gevangenen zelven op
te dragen: maar eindelijk werd toch besloten de proef te nemen, die
tot dusver naar wensch is geslaagd. Terwijl wij langs hen heen gaan,
groeten de ongelukkigen ons en nemen eerbiedig hun muts af. Sommigen
houwen steenen; anderen metselen of vervoeren materialen; nog anderen
zijn bezig met afbreken.
In de werkplaatsen binnen het gebouw, die over de verschillende
verdiepingen zijn verdeeld, houden de veroordeelden zich onledig
met het vervaardigen van brillen, meubelen, lijsten voor spiegels
en schilderijen, kleederen, schoenen, vlechtwerk. In elke werkzaal
geschiedt de arbeid voor rekening van een aannemer, die de noodige
gereedschappen en de grondstof levert. Een gedeelte van het werkloon,
dat aan het bestuur over de gevangenis wordt uitgekeerd, komt ten goede
van de veroordeelden. Volgens de daarvoor vastgestelde bepalingen
kunnen zij, met dit verdiende geld, hunne kost verbeteren. Al deze
werkzalen zijn steeds gesloten. Wenscht ge binnen gelaten te worden,
dan klopt ge even aan de deur; de zaalopzichter, met een sabel op zij,
draait het slot open en laat u in. Die zaalopzichters zijn bijna zonder
uitzondering gewezen onderofficieren. Zij moeten nauwkeurig toezien,
dat er van de onder hun opzicht geplaatste gevangenen geen enkel in
de zaal ontbreekt, en zorgen voor de stipte handhaving der orde.
Het trof mij, dat de meeste gevangenen een, men zou bijna kunnen
zeggen, gunstig uiterlijk hadden. De werkelijk gemeene, terugstootende
fysionomiën, waarop de ondeugd haar stempel heeft gedrukt, zijn
betrekkelijk zeldzaam. Hunne kleeding herinnert aan het werkpak der
duitsche soldaten, en bestaat uit eene muts, een mouwvest en pantalon
van grijze kleur. Dank zij de strenge tucht en het nauwlettend
toezicht, is alles in volmaakte orde en heerscht er overal in de
werkzalen eene ongestoorde kalmte en rust. Slechts enkele veroordeelden
dragen boeien aan de handen en voeten. Zij, die weigeren te arbeiden,
worden naar eene afzonderlijke zaal gevoerd, waar zij den ganschen
dag, onder streng toezicht, op eene rij, onbewegelijk moeten blijven
staan. Daar zijn sommige onhandelbare naturen, op wie die straf telkens
moet worden toegepast. Maar voor de meesten blijkt de geregelde arbeid
een werkzaam middel tot verbetering en zedelijke opheffing.
In de centrale gevangenis te Ensisheim heeft bepaaldelijk de
vervaardiging van allerlei soort van lijstwerk en vlechtwerk een
buitengewonen graad van volkomenheid bereikt. Nergens elders, zelfs
niet in de gevangenissen te Berlijn, betalen de aannemers zulke
hooge prijzen voor vloermatten of voor lijsten en ander houtwerk. De
smaakvolle en sierlijke bewerking der produkten uit de gevangenis
van Ensisheim is ook in het buitenland wel bekend; tot zelfs in de
groote hoofdsteden, zoo als Parijs, Londen en Constantinopel, vinden
die artikelen aftrek; zij worden, op bestelling, rechtstreeks door
de aannemers derwaarts verzonden.
Schenk mij nu, ten slotte, een weinig statistiek kwijt.--In het
vorige jaar werden, in het rijksland Elzas-Lotharingen, van 1 April
1884 tot 31 Maart 1885, vierduizend-tweehonderd-twee-en-negentig
personen tot eenvoudige gevangenisstraf veroordeeld;
daaronder waren drieduizend-zeshonderd-twee-en-dertig mannen
en zeshonderd-zestig vrouwen. Het getal aanwezige gevangenen
bedroeg gemiddeld negenhonderd-vier-en-tachtig personen, waaronder
achthonderd-negen-en-dertig vrouwen en honderd-vijf-en-veertig
mannen. Voor de preventieve gevangenen geeft de statistiek een
gemiddeld getal van honderd-drie-en-negentig gedetineerden:
er werden achtduizend-driehonderd-acht-en-twintig ontslagen en
achtduizend-tweehonderd-zes-en-zestig opgenomen.--Vergeleken
bij den dienst van het vorige jaar, valt er eene aanmerkelijke
verbetering waar te nemen, want het getal vonnissen is
van twintigduizend-zeshonderd-drie-en-tachtig gedaald tot
achttienduizend-honderd-twee-en-dertig; het getal dagen van opsluiting
van een-millioen-honderd-een-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig
tot een-millioen-vijftigduizend-achthonderd-zes-en-dertig;
het gemiddelde getal gevangenen van drieduizend-achttien op
tweeduizend-achthonderd-een-en-zeventig.
(Wordt vervolgd.)