XXII

Niet ver van de Hart, aan de oevers van de Ill, ligt Ensisheim, een

klein landstadje, weleer de zetel van de oostenrijksche regeering en

later van den souvereinen raad van den Elzas, tegenwoordig slechts de

nederige hoofdplaats van een kanton. Daar ontmoeten elkander ook alle

boosdoeners van het rijksland, in de centrale strafgevangenis. Op

eene bevolking van drieduizend-tweehonderd-zes inwoners, volgens

de volkstelling van 1 December 1880, waren er toen zeven-en-zeventig

militairen en achthonderd veroordeelden, hetzij tot dwangarbeid, hetzij

enkel tot hechtenis. In den loop van het vorige jaar (1885) werden in

de centrale strafgevangenis tweehonderd-zeven-en-veertig veroordeelden

opgenomen, en werden tweehonderd-acht-en-dertig ontslagen. Sedert

November 1884 worden te Ensisheim alleen diegenen opgenomen, wier

straftijd meer dan drie jaren bedraagt. Zij die tot een hechtenis

van minder dan drie jaren zijn veroordeeld, zullen voortaan hunne

straf moeten ondergaan in een der zes departementale gevangenissen te

Straatsburg, Zabern, Colmar, Mulhausen, Metz of Saargemund, naar gelang

zij door een der aldaar zetelende gerechtshoven zijn veroordeeld.

Wie het oude stedeke nadert, ziet het eerst, half verborgen door

wingerden en tuinen, de overblijfselen van eene dubbele versterkte

omwalling, met breede grachten en torens. Langs den voet der muren,

die gedeeltelijk zijn ingestort en nergens meer hunne oorspronkelijke

hoogte bereiken, vloeit het kanaal van Quatelbach, dat door het

water van de Ill gevoed wordt. Het bed zelf van de Ill ligt droog,

althans op het oogenblik, even als het kanaal van de Twaalf-Molens,

dat zijn water van de Thur ontvangt. Van de oude wallen, en nog beter

van den toren der parochiekerk, heeft men een heerlijk uitzicht, zoowel

op de keten der Vogesen als op de bergen van het Schwarzwald. In de

voornaamste straat van het stadje, in de nabijheid van het raadhuis,

wordt de aandacht getrokken door een aantal antieke huizen, zoowel

in gothischen als in duitschen renaissance-stijl. Vele van die

burgerwoningen zijn versierd met bevallige torentjes en erkers,

zoo als de brouwerij Schmidt en het logement de Kroon. De erker van

genoemd logement, waar Turenne daags vóór den veldslag bij Turckheim

zijn intrek nam, rust op eene kegelvormige halve kolom, tegen den

voorgevel aangebracht. De beide verdiepingen van den voorgevel

hebben gothische vensters, en boven den hoofdingang staat het

jaartal MDCIX gebeiteld. Onder den erker van de brouwerij Schmidt,

vroeger de kommanderij van Sint-Jan, uit het begin der zestiende

eeuw en in gothischen stijl gebouwd, ziet men twee medaillons met de

beeltenissen van den Keizer en den Roomsch-Koning. Nog andere huizen

prijken met erkers en torentjes met wenteltrappen en kruisramen met

houtsnijwerk. Overal verrijzen hooge puntgevels in menigte. De ruime

parochiekerk is modern en alles behalve soliede gebouwd.

Een der oudste gebouwen is wel het tegenwoordige stadhuis, dat

uit de eerste helft der zestiende eeuw dagteekent en vroeger de

zetel was van de oostenrijksche regeering. Het gebouw heeft twee

verdiepingen, door eene sterk uitspringende kroonlijst gescheiden. De

benedenverdieping heeft eene open galerij, waarvan de wijde bogen

op massieve pijlers rusten. De vertrekken der eerste verdieping

ontvangen hun licht door breede vensters, in drie vakken verdeeld,

waarvan het middelste hooger is dan de zijramen. Een dier vensters

komt uit op een balkon van ijzeren traliewerk, dat in later tijd

is aangebracht. Daar naast bevindt zich een bel voor de openbare

bekendmakingen. De achtkantige traptoren heeft een portaal, versierd

met gekanneleerde zuilen en medaillons met portretten van romeinsche

keizers. Naar het schijnt, bestond de bovenverdieping oorspronkelijk

uit twee groote zalen, beiden, met eenige zijvertrekken, bestemd voor

de twee regeeringscolleges. Later heeft men een dezer zalen, ten

einde in de behoeften van den dienst te voorzien, in verschillende

kamers gesplitst. Op een der muren ziet men eene vergulde groep,

voorstellende de gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen. De

andere, nog ongeschonden zaal maakt door haar grootsche afmetingen

een majestueusen indruk; deze zaal werd in 1884, op last van generaal

Mantouffel, stadhouder van Elzas-Lotharingen, gerestaureerd en met

fraai houtwerk versierd. De muren en de zoldering werden op nieuw

beschilderd en verguld, even als het gewelf van de benedengalerij. Op

de snijpunten der balken ziet men cartouches met de wapens der steden

van den Elzas; boven de deur prijkt het wapen van Ensisheim met den

vroegeren oostenrijkschen arend naast den tweekoppigen adelaar van

het nieuwe duitsche rijk. De ruiten der vensters zijn rond, naar het

oud gothische model. Enkele gothische détails uitgezonderd, draagt

het gebouw in zijn geheel den stempel van den stijl der duitsche

renaissance, hetgeen ook volkomen past bij het jaartal 1535, dat op

verschillende plaatsen in den steen is gebeiteld.

In het stedelijk archief worden, nevens de registers van den

burgerlijken stand, de overblijfselen bewaard van een meteoorsteen, die

in de vijftiende eeuw te Ensisheim uit de lucht is gevallen. Volgens

de registers van den burgerlijken stand, die sedert den negenden

Juni 1582, dat is dus sedert ruim driehonderd jaren, geregeld

zijn bijgehouden, was het getal geboorten, dat in gewone tijden

tien of twaalf per maand bedroeg, in 1642, tegen het einde van den

dertigjarigen oorlog, gedaald tot een of twee. Bij het doorsnuffelen

van deze oude papieren vonden wij, onder andere curieuse stukken,

een klacht van herbergiers, in het jaar 1787 ingebracht tegen de

tappers of kroeghouders, omdat zij, in strijd met de stedelijke keur,

aan hunne klanten meer dan enkel brood en kaas te eten gaven.--De

meteoorsteen werd vroeger in de kerk bewaard, en van daar naar

het stadhuis overgebracht. Het gewicht van dien steen bedraagt

tegenwoordig niet meer dan vijf-en-vijftig pond, in plaats van drie

tot vier quintalen, als op het oogenblik van zijn val. Een groot

stuk van den steen werd aan het museum van Colmar afgestaan; voorts

hebben een aantal aanzienlijke personages, die Ensisheim doortrokken,

te beginnen met Keizer Karel V tot de generaals der geallieerde legers

in 1815, er ook voor en na fragmenten van medegenomen.

Volgens het in 1840 verschenen boek van pastoor Merklen, getiteld:

_Ensisheim, jadis ville impériale et ancien siège de la Régence

archiducale des pays antérieurs d'Autriche, ou Histoire de la ville

d'Ensisheim, avec un précis des évènements les plus mémorables qui

se sont passés en Alsace_,--volgens dat boek met dien wijdloopigen

titel, zou de herinnering aan het nederkomen van dien meteoorsteen,

waarvan wij de overblijfselen voor ons zien, zijn vereeuwigd door

het volgende opschrift in de oudste kerk der stad:

Tausend vierhundert

Neunzig zwey,

Hört man allhier ein ney

Geschrey:

Dass zunächst drauss vor der stadt,

Den 7ten Wintermonat,

Ein grosser Stein, beym hellen Tag

Gefallen von einem Donnerschlag,

Aus dem Gewilk, drithalb zentner schwer,

Von Isen Farb; brach man in her

Mit statischer Procession. Sehr

Viel schlag man mit Gewalt

Davon 1492.

Dat wil zeggen: Ten jare duizend-vierhonderd-twee-en-negentig vernam

men hier een ongewone tijding: dat buiten, vlak voor de stad, op

den zevenden van wintermaand, een groote steen, op klaarlichten

dag, bij een donderslag uit de lucht was gevallen, ter zwaarte van

derdehalf centenaar en van eene kleur als ijzer; hij werd met statige

processie binnen de stad gehaald; met geweld werden er zeer veel

stukken afgeslagen.

In het koor van de thans afgebroken kerk vond men nog twee andere

opschriften, het eene in het latijn, het andere in het fransch, waarin

mede van dezen meteoorsteen melding werd gemaakt. Wij deelen alleen

het fransche opschrift mede, dat eene eenigszins vrije vertaling van

het latijnsche is:

En deux mois on a vu

Deux prodiges divers:

Dans l'un tomba du ciel cette

Pierre effroyable;

El l'on vit au suivant trois soleils

Dans les airs.

C'est ainsi que le ciel, aux mortels

Favorable,

Par un penchant secret, dans sa juste

Fureur,

Se plaît à nous montrer les traits

De sa douceur.

Ik behoef wel niet op te merken, dat meteoorsteenen tegenwoordig niet

meer zulk eene buitengewone zeldzaamheid zijn. In het museum van de

Akademie van Wetenschappen te Stockholm heb ik er een gezien van het

eiland Diskö, bij de westkust van Groenland, afkomstig, die de hoogte

had van een volwassen mensch bij een meter dikte. Tweemaal in het jaar,

in de maanden Augustus en November, snijdt onze aarde, in de oneindige

ruimte, twee banen van meteoren. Dat zijn de zwermen van vallende

sterren, die wij in heldere nachten kunnen waarnemen. Het volk heeft,

in zijne dichtende fantazie, aan de meteoren van de maand Augustus den

naam gegeven van Sint-Laurenstranen, ter eere van den heilige, wiens

feest in die maand wordt gevierd. Op den zeven-en-twintigsten November

van het vorige jaar (1885), tusschen zes en acht uren des avonds, was

het aantal vallende sterren, in den Elzas zichtbaar, zoo groot dat men

ze niet tellen kon: het verschijnsel maakte op sommige oogenblikken den

indruk van een groot vuurwerk. Naar de sterrekundigen ons verzekeren,

zouden deze meteoren afkomstig zijn van de komeet van Biela.

Ensisheim wordt voor het eerst genoemd in een charter van het

jaar 768; in een giftbrief van jaar 823 komt de stad voor onder

den naam van Einsigesheim, dat in een ander stuk Ensiclesheim

wordt geschreven. Onder het oostenrijksche bestuur was de stad de

hoofdplaats van het landgraafschap van den Opper-Elzas en de zetel van

de regeering, wier rechtsgebied de beide Breisgauen, het Schwarzwald

en de vier zwitsersche woudsteden omvatte. De graven van Habsburg

hebben hier het kasteel Königsburg gebouwd, waarvan nu geen spoor meer

te vinden is. Behalve andere voorrechten en privilegiën, bezat de

stad ook het muntrecht. In 1469 werd bepaald, dat van de uitspraken

der schepenbank van Ensisheim in beroep kon worden gekomen bij het

hooggerechtshof te Mechelen, de hoogste rechtbank voor de landen van

de zoogenoemde Bourgondische kreits; later werd dit appel overgebracht

naar Innsbrück in Tyrol en eindelijk bij het keizerlijk kamergericht

te Spiers. Gedurende den dertigjarigen oorlog werd het ongelukkige

stedeke driemaal genomen en geplunderd. Bij den vrede van Munster

werd Ensisheim aan Frankrijk afgestaan; van 1657 tot 1674 zetelde

hier het hoogste regeeringscollege, de souvereine raad van den Elzas.

De geschiedenis van dien souvereinen raad van den Elzas werd door twee

raadsheeren in het hof van appel te Colmar, de heeren de Neyremand en

Pillot, in een zeer interessant boek beschreven. Toen de aartshertog

Ferdinand van Oostenrijk, de broeder van Karel V, door den Keizer werd

belast met het bestuur over de zoogenoemde vóór-oostenrijksche landen

(_vorder-österreichischen Lande_), organiseerde hij de regeering op

een geheel nieuwen voet, met twee afdeelingen of kamers, waarvan de

eene meer bepaaldelijk met de rechtspleging, de andere met het beheer

der financiën werd belast. Na den vrede van Munster vestigde de koning

van Frankrijk in 1649 te Breisach, dat toen, hoewel aan den rechter

Rijnoever gelegen, tot zijn rijk behoorde, "eene koninklijke souvereine

Kamer, in de plaats en ter vervanging van de oostenrijksche regeering,

vroeger te Ensisheim zetelende." Ondanks velerlei moeielijkheden en

botsingen bleef die Kamer tot in 1657 in werking. De zeer stellig

duitschgezinde adel van den Elzas, de voormalige rijkssteden en

de massa der bevolking, die zeer tegen haar zin bij Frankrijk was

ingelijfd, bleven nog jaren achtereen hunne onderlinge geschillen

onderwerpen aan de uitspraak van het keizerlijk kamergericht te Spiers,

in plaats van zich tot de fransche magistraten te wenden. De koning

van Frankrijk, Lodewijk XIV, die vast besloten was, het kortelings

veroverde land te behouden en door verdere veroveringen af te ronden,

stelde er prijs op, de genegenheid zijner nieuwe onderdanen te

winnen. In zijn tijd was het nog niemand in de gedachte gekomen, dat de

staatkundige eenheid van een land in de eerste plaats afhangt van de

administratieve eenvormigheid, of dat die eenheid noodwendig vordert

dat voor alle deelen des lands, hoe verschillend ook door bevolking,

door historie en traditie, door zeden en gewoonten, voor alle steden en

dorpen precies dezelfde regelen moeten gelden. Integendeel: nog niet

beheerscht door abstracte theoriën, hield men zich veeleer overtuigd

dat bestaande plaatselijke gewoonten, rechten en inzettingen, in

de historie geworteld, zooveel mogelijk moesten worden ontzien en

geëerbiedigd, en dat, waar een nieuwe toestand veranderingen noodig

maakte, die veranderingen zich zoo veel doenlijk aan het bestaande

moesten aansluiten. Van die waarheid doordrongen, hief Lodewijk

XIV de koninklijke Kamer van Breisach op en verving haar door een

souvereinen Raad. Deze raad, die bij een edict van 1657 werd ingesteld

en georganiseerd, moest, krachtens 's konings uitdrukkelijk bevel,

het bestuur voeren: "op dezelfde wijze en in denzelfden vorm als door

de oostenrijksche regeering geschiedde en overeenkomstig de wetten en

ordonnanciën van de keizers en aartshertogen, alsmede de algemeene en

plaatselijke keuren, brieven en privilegiën, zonder eenige verandering

of nieuwigheid"--Bij een schrijven, gedagteekend uit Metz, den 22sten

September, waarvan het origineel in de archieven van de prefectuur

te Colmar berust, noodigde de groote koning den bisschop van Bazel

uit, om bij de opening van den souvereinen raad tegenwoordig te zijn

op den dag bepaald "door den heer Colbert, intendant van justitie en

financiën in het genoemde land". Ten gevolge van kleine moeielijkheden

en tegenkantingen, liep het nog tot den vierden November, eer de

souvereine Raad in zijne nieuwe residentie kon worden geïnstalleerd.

Op weinige schreden afstands van het raadhuis, waar de souvereine Raad

vroeger zijne zittingen hield, verrijst de centrale gevangenis, weleer

het college der Jezuïeten. In 1614 door den aartshertog Maximiliaan

gesticht, zijn deze gebouwen meermalen van bestemming veranderd. Bij

de verdrijving der Jezuïten in 1764 werd hun college aanvankelijk

een werkhuis voor landloopers en vagebonden. Tijdens de oorlogen der

revolutie diende het tot militair hospitaal en tevens tot gevangenis

voor politieke misdadigers. In 1801 werd het op nieuw een werkhuis;

deze inrichting werd in 1814 opgeheven, en nu werd het gebouw ingericht

tot strafgevangenis voor mannelijke en vrouwelijke misdadigers, die

tot langer dan een jaar kerkerstraf waren veroordeeld. Sedert 1823

worden de vrouwen te Hagenau, in een afzonderlijk gebouw opgesloten.

De gevangenis maakt--het kan en behoort ook niet anders--geen

aangenamen indruk. Verbeeld u eene groep gebouwen, die van drie zijden

eene binnenplaats omringen, welke aan de vierde zijde door hooge

muren is afgesloten. Onder langs dien muur loopt eene galerij, waar

een schildwacht met geladen geweer op en neder wandelt. Eene afdeeling

soldaten is steeds op post in het wachthuis naast den hoofdingang. Alle

vensters zijn van ijzeren traliën voorzien; een klein luik in de

zware deur geeft den cipier de gelegenheid om, eer hij de deur opent,

te zien wie zich aanmeldt. Binnentredende bevindt ge u in een donker,

somber portaal, dat toegang geeft naar het bureau van den kommandant,

en dat aan de zijde van de binnenplaats door eene tweede deur is

afgesloten. Daar heeft een moedige bewaarder de opgestane gevangenen

tegengehouden, toen, in den oorlog van 1870, de fransche troepen het

land ontruimden en de militaire wacht in de gevangenis was ingetrokken.

De kommandant der gevangenis, die de welwillendheid heeft ons de

geheele inrichting in alle bijzonderheden te laten zien en alle

inlichtingen te verschaffen, brengt ons ook naar de binnenplaats, waar

wij verschillende groepen van gevangenen aan den arbeid zien, bezig met

het leggen der fondamenten voor eene nieuwe cellulaire gevangenis. Dit

gebouw moet tweehonderd cellen voor eenzame opsluiting bevatten. Men

heeft aanvankelijk geaarzeld, dit werk aan de gevangenen zelven op

te dragen: maar eindelijk werd toch besloten de proef te nemen, die

tot dusver naar wensch is geslaagd. Terwijl wij langs hen heen gaan,

groeten de ongelukkigen ons en nemen eerbiedig hun muts af. Sommigen

houwen steenen; anderen metselen of vervoeren materialen; nog anderen

zijn bezig met afbreken.

In de werkplaatsen binnen het gebouw, die over de verschillende

verdiepingen zijn verdeeld, houden de veroordeelden zich onledig

met het vervaardigen van brillen, meubelen, lijsten voor spiegels

en schilderijen, kleederen, schoenen, vlechtwerk. In elke werkzaal

geschiedt de arbeid voor rekening van een aannemer, die de noodige

gereedschappen en de grondstof levert. Een gedeelte van het werkloon,

dat aan het bestuur over de gevangenis wordt uitgekeerd, komt ten goede

van de veroordeelden. Volgens de daarvoor vastgestelde bepalingen

kunnen zij, met dit verdiende geld, hunne kost verbeteren. Al deze

werkzalen zijn steeds gesloten. Wenscht ge binnen gelaten te worden,

dan klopt ge even aan de deur; de zaalopzichter, met een sabel op zij,

draait het slot open en laat u in. Die zaalopzichters zijn bijna zonder

uitzondering gewezen onderofficieren. Zij moeten nauwkeurig toezien,

dat er van de onder hun opzicht geplaatste gevangenen geen enkel in

de zaal ontbreekt, en zorgen voor de stipte handhaving der orde.

Het trof mij, dat de meeste gevangenen een, men zou bijna kunnen

zeggen, gunstig uiterlijk hadden. De werkelijk gemeene, terugstootende

fysionomiën, waarop de ondeugd haar stempel heeft gedrukt, zijn

betrekkelijk zeldzaam. Hunne kleeding herinnert aan het werkpak der

duitsche soldaten, en bestaat uit eene muts, een mouwvest en pantalon

van grijze kleur. Dank zij de strenge tucht en het nauwlettend

toezicht, is alles in volmaakte orde en heerscht er overal in de

werkzalen eene ongestoorde kalmte en rust. Slechts enkele veroordeelden

dragen boeien aan de handen en voeten. Zij, die weigeren te arbeiden,

worden naar eene afzonderlijke zaal gevoerd, waar zij den ganschen

dag, onder streng toezicht, op eene rij, onbewegelijk moeten blijven

staan. Daar zijn sommige onhandelbare naturen, op wie die straf telkens

moet worden toegepast. Maar voor de meesten blijkt de geregelde arbeid

een werkzaam middel tot verbetering en zedelijke opheffing.

In de centrale gevangenis te Ensisheim heeft bepaaldelijk de

vervaardiging van allerlei soort van lijstwerk en vlechtwerk een

buitengewonen graad van volkomenheid bereikt. Nergens elders, zelfs

niet in de gevangenissen te Berlijn, betalen de aannemers zulke

hooge prijzen voor vloermatten of voor lijsten en ander houtwerk. De

smaakvolle en sierlijke bewerking der produkten uit de gevangenis

van Ensisheim is ook in het buitenland wel bekend; tot zelfs in de

groote hoofdsteden, zoo als Parijs, Londen en Constantinopel, vinden

die artikelen aftrek; zij worden, op bestelling, rechtstreeks door

de aannemers derwaarts verzonden.

Schenk mij nu, ten slotte, een weinig statistiek kwijt.--In het

vorige jaar werden, in het rijksland Elzas-Lotharingen, van 1 April

1884 tot 31 Maart 1885, vierduizend-tweehonderd-twee-en-negentig

personen tot eenvoudige gevangenisstraf veroordeeld;

daaronder waren drieduizend-zeshonderd-twee-en-dertig mannen

en zeshonderd-zestig vrouwen. Het getal aanwezige gevangenen

bedroeg gemiddeld negenhonderd-vier-en-tachtig personen, waaronder

achthonderd-negen-en-dertig vrouwen en honderd-vijf-en-veertig

mannen. Voor de preventieve gevangenen geeft de statistiek een

gemiddeld getal van honderd-drie-en-negentig gedetineerden:

er werden achtduizend-driehonderd-acht-en-twintig ontslagen en

achtduizend-tweehonderd-zes-en-zestig opgenomen.--Vergeleken

bij den dienst van het vorige jaar, valt er eene aanmerkelijke

verbetering waar te nemen, want het getal vonnissen is

van twintigduizend-zeshonderd-drie-en-tachtig gedaald tot

achttienduizend-honderd-twee-en-dertig; het getal dagen van opsluiting

van een-millioen-honderd-een-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig

tot een-millioen-vijftigduizend-achthonderd-zes-en-dertig;

het gemiddelde getal gevangenen van drieduizend-achttien op

tweeduizend-achthonderd-een-en-zeventig.

(Wordt vervolgd.)

Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 14 / 16 题