[10] Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van 't eerste

Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij,

met behulp van eenige "van onse kloeckste Jonge letterluyden", van

plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en

de latere "Voormaning" tot het fragment, I, 284-285. Vgl. Jorissen,

Huygens, 153-156.

[11] Bredero's ingenomenheid met Granida bewijzen anders niet slechts

zijn liederen op de wijze van "Windeken daer het Bosch af drilt" en

"Ghy lodderlijcke Nymphen soet", maar ook een lied in De Groote Bron

der Minnen, waar hij zijn beminde als Granida aanspreekt en zich-zelf

als "slaaf en pagie" stelt. De inhoud en de toon van dit Amoreus

Liedeken herinneren aan Hooft's spel. Zeker staat het in verband met

zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618).

[12] Evenwel, Hooft is niet zoo'n uit den hemel gevallen wonder, als

hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen. Verwey bracht

(1895) Jonker Jan van der Noot aan 't licht en--"zonder hèm was er geen

Hooft geweest": "Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding

en Aanteekeningen. Vgl. Kalff in Gesch. v. d. Nederl. Letteren in

de XVIe eeuw, II.--1906: Vermeylen, Leven en Werken van Jonker Jan

van der Noot, 1899. Over den Nederduytschen Heticon van 1610: het

voorloopige bij Kalff, XVIe Eeuw, II, en te Winkel's opstel in het

Leidsche Tijdschrift, XVIII (1899).

[13] Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance,

en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet's Hooft's

Poëzie (Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII); Land van Rembrand II,

2; 3, XXX-XXXV; H.C. Poot (Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff,

Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIe eeuw; J. te Winkel's

Bladzijden; A.S. Kok, P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de

drie boekjes Hooft, Bredero, R. Visscher-Feitama en in zijn Inleiding

tot Vondel en Gedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in

Moltzer's opstel in Studiën en Schetsen.--1906: Kalff's Studiën

over Nederlandsche dichters der 17e eeuw, Koopman's opstellen

over Hooft, Vondel e.a. in Taal en Letteren, ten deele verzameld

in zijn Letterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als

Christen-synbolist), 1906; Vermeylen's Jan van der Noot; Kalff's

opstellen over Vondel in het Leidsche Tijdschrift, en zijn Literatuur

en Tooneel te Amsterdam in de XVIIe eeuw.

[14] Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok, P.C. Hooft

in Venetië en Florence, in Elsevier's Maandschr. 1893.

[15] Uit: Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54.

[16] 1603.

[17] Leendertz I, 30: aan W. B. 1602 of 1603.

[18] Leendertz I, 21: aan C. B. 1602?

[19] Leendertz I, 37: 1603 of 1604.

[20] Leendertz I, 35: Weet yemant beter saus als honger tot de

spijsen. Voor Ida Quekel 23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34: Voor

Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298-299, str. X van liet

Lied op den Rijkdom.

[21] Vgl. vooral Granida's zang in bedrijf V.

[22] Vgl. Granida 363-368 met str. IX in het Lied op den Rijkdom,

LEENDERTZ I, 36.

[23] Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279-300; etc.

[24] Zie Velsen en Baeto passim, met name den Rey van Iofferen in

het IVe bedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van

het andere.

[25] Leendertz I, 53: aan A. S. 1605; Baeto, Rey van Nonnen, IIe

bedrijf.

[26] Leendertz I, 54: Sang, aan A. J. S 1605; 58: Sang, aan

A. J. S. 1606; 46-48: Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook

de Liederen voor Ida Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603.

[27] Huet.

[28] Vers 861-876, te vergelijken met den Rey van Iofferen, bedrijf

III.

[29] Vs. 872.

[30] Vers 448-453, e.e.

[31] Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284-300;

Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III.

[32] Vers 1392-1407; 1829.

[33] Vers 1289-1290.

[34] Vers 1531.

[35] Vers 618-622; 932-933.

[36] Miles gloriosus. Maar vlg. Graf, Der Miles gloriosus im Englischen

Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892.

[37] I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34-38 met Granida 938-940.

[38] Slot van het laatste tooneel.

[39] Vers 1730; 1834.

[40] Vers 1738-1739: Grandia.

[41] Vers 1088-1091.

[42] Vers 734-736.

[43] Vers 877-880; 802-824.

[44] 1187-1188; 1528-1530.

[45] 301-313; 339-372.

[46] = afkomst.

[47] Vers 1156-1157.

[48] Vers 1830-1833.

[49] Vers 489-515; 717-726; 1141-1142; 1205-1208; 1289-1298.

[50] lichaam.

[51] 1294-1298.

[52] 1600-1605.

[53] Herderskoor van de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso's Aminta.

[54] Vers 377.

[55] Vers 1085-1087. Reden = de Rede.

[56] geheim voorbehoud.

[57] Vgl. vers 1718 met 1683-1687.

[58] beproefd, ervaren.

[59] Geniet het oogenblik.

[60] Zie hierna XLI-XLIII.

[61] Vgl. Kollewijn's Hooft en de meisjes Spiegel in Taal en Letteren,

XIII (1903).

[62] Leendertz I, 16.--13-14.

[63] C.B.--M.V.S.--L.W.

[64] C.B.--M.V.S.--L.W.

[65] Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de

dissertatie van SCHÖNHEER, Jorge de Montemayor und sein Schäferroman

Die "Siete Libros de la Diana", 1886.

[66] Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia =

Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot--350.

In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genre in. Zie Leendertz,

Inleid. XXI. In 1625 de Harderskout van Bosman (Hooft) en Haeghenaer

(Huygens) over Gloorroos (Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den

Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen

(153-154) in verband gebracht met Machteld van Campen.

[67] De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890.

[68] Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt

von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte, Berlin, 1893. In

zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar

de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste.

[69] Zie Bolte, Inleiding V, X, XI.

[70] En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het

Leidsche Tijdschrift X, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche

Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft,

van Granida. Dr. G. Kalff heeft Gesch. v. d. Nederl. Letteren in de

XVIe eeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in 't begin van

't Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met

het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men

Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en

door Granida's onderworpenheid (1601-1605) aan Mellibea, de heldin

in de Celestina herinnerd worden. Maar met de bewering van Dr. Bolte

kunnen wij 't volstrekt niet eens zijn. Wat Mucedorus aangaat, kan

nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen "ànklang" met Granida

zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in 't

beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want 't eene als 't andere

is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog

van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716-1717),

ook in het laatste tooneel (Segasto's optreden) van 't Vierde Bedrijf.

[71] Door Dr. Joh. Bolte is in het Leidsche Tijdschrift X (1891),

286-289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen,

die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven,

tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven

dramatische collectie The Wits, or Sport upon Sport: een dialoog

tusschen Diphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met

het laatste gedeelte van 't Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de

herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over

te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie,

die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel

dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,--wat

aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin

Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk

geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft

haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is

eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te

kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij

niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren,

wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een

ring. Granida eindigt met: Then lead on forwards to my fathers court,

We'l grace our nuptials with some princely sport. Dit documentje lijkt

ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft's Granida ontleend, dan is het

niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische

relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is 't niet iets heel

bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit

het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelsche

grootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke

bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van 't stuk van

Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu

is The wits, or Sport upon Sport, een "zweibändige Sammlung von kurzen

Theaterstücken oder vielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen". Aan

zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog

denken door 't geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier

hoe het spel begint: "I once a shepherd was upon the plains, Courting

my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid

adieu And here a melancholy life pursue. This shade's my Covering,

this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My

food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my

eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born,

Yet now I take this course, and life forlorn". Denkt men hier niet

onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat

wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk

zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.--Vgl.: Granida,

uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie,

Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII-XIII. 1906:

Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler's A History

of Pastoral Drama in England until 1700 in Englische Studien, 1905.

[72] Leendertz I, 37 en 39.

[73] Navorscher, 130-131.

[74] Leendertz, I, 22-27.--Leendertz merkt hier bij op, dat indien

zijn betoog juist is, de chronologie van zijn editie onjuist is:

want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea.

[75] Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot.

[76] Zie het soptasme 901-903;--dan 904-922.

[77] Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit

het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft

hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken

is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de

droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd."

[78] Vgl. nog 1 Neophilologus 134, 135.

[79] Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als

deze in een drama van rondom 1600 "iets vreemds" genoemd moet worden.

[80] Een nieuw handschrift van eenige van Hooft's vroegste werken,

daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover

Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert

dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend

is met: Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter

meermalen.--Zie over de beide H.S. in 't Leidsche Tijdschrift van

1917 Dr. F. Kossmann's verhandeling De varianten van Hoofts Granida.

[81] 16. A Tisaphernes. (alleen in den Inhoudt.)

[82] 30. A op avontuir of.

[83] 31-34. C verzachten moghte, ziende, zonder gezien te worden,

door 't glas, ende hoorende hem verzuchten, neemt zy 't zelve op, voor.

[84] 72. C sprekende, van hem ende zyn volk, met haer gevangen

wordt, om.

[85] 82. A den gentilen prince.

[86] 83-85. C. hen--hunne--haer--hun--hunne.

[87] 14. C dard'ik.

[88] 30. C Best dat ik my versteek in 't schemeren der blaeden,--En

diepste van.

[89] 42. C haghe',

[90] 51. C Vreesje.

[91] 85. C zult ghy.

[92] 86. C Houdt, Daifilo, ghy zult het veel te.

[93] 87, 88, C Laet, Daifilo, my staen. Laet, Daifilo, my gaen.

[94] 99, 101. C te vrede.--bestede'?

[95] 114. C Van outheidt zullen eens verwelken, en.

[96] 115-120. C De diepe rimpel, met--Der tijdt, dit voorhoofdt

net--En gladt heel zal ontslechten,--Deez' weelderighe vlechten,--Die

met veel' strickjens nu zoo dartel zyn vertuyt,--Die zullen 't gulden

kleedt allensjens trekken uit.

[97] 121. C hieldt, moghelijk, voor.

[98] 122. C Zal zilver blijken, en alleen verguldt te.

[99] 130. C (Helas!) zal ouderdoom.

[100] 132. C Haer'.

[101] 134. C'K weet, Daifilo, niet van wat schoonheidt.

[102] 135, 136. C beyyne'--mijne',

[103] 136. A mijne,

[104] 137-140. C Want onlangs, naer ik kon--Verneemen uit de bron--Die

ongeroert was, quam het beeldt daer in verscheene,--Met dit uw'

zeggen niet al te wel over eene.

[105] 139. A En 't beelt dat mij in 't stille water is verschenen,

[106] 145. C Ziet ghy dat blondt gewas om hoogh, en 't graezigh dal.

[107] 147. C der ruissend' honighbyen?

[108] 155. A En met een.--C En met een.

[109] 159. C spikkelrijke.

[110] 170. C Deez' mijne schoonigheên, (genomen.

[111] 178. A als versuft verstockt vervrosen outheit?

[112] 183. C op wangen deeluwbleek,

[113] 185. A En niemant sachmen oyt, het geen dat hij beminden,

[114] 186 C Afzichtigher dan.

[115] 189. C Van minnens bijstre swaerheit.

[116] 192. C hen.

[117] 194. C hun'.

[118] 195. C huns.

[119] 200. C minuens honighzoet.

[120] 216. C 'T zouw zeggen; ach! ik brand' van Min, ik brand'

van minne,

[121] 217. C binne,

[122] 223. C Ach! aerd' en hemel mint.

[123] 224, 225. C waerde, Alleene--aerde,

[124] 227. C haer' krachten.

[125] 228, 232. C De Mingodt.

[126] 231. C in leden oudt en stram.

[127] 232. C En hoope helpt.

[128] 236. C Veel feller vat droogh hout de vlam, dan groene spruiten.

[129] 245. C Verklaert met welken vonde.

[130] 254. C Gelijk wy meiskens, die eenvoudigh zijn en slecht,--'T

en zy wy stoppen 't oor, vaek worden uitgerecht;

[131] 257. C O Nimf', maer.

[132] 263. C Gerit, nocht hovelingen.

[133] 266. C O Eed'le.

[134] 268. C Uw' stem nocht aenschijn sweemt geen menschelijk geslacht.

[135] 269. C Voorwaer, alzulker eer'.

[136] 278. C Grootachtbare Prinses. Ziet.

[137] 280. C Van deze zuyvre bron de kristallijne vloedt.

[138] 282. C En onze zorghen noyt, door hoogher vluchts verkiezen,

[139] 285. C de koele schaeuw van deze bruyne blaên.

[140] 286. C Deez' heuvels vrolijk, en dit heldre.

[141] 289. C woedigheit der.

[142] 290. 291. C Die de begeerlijkheên der woelend'

onderzaeten--Bescheilijk matight in zoo veel' versckeide maeten;

[143] 293. A meerder. C meerder.

[144] 294. C 'T is hy, hy is 't alleen, die zorgh draeght.

[145] 295. C Dat wreede vreemdeling ons niet koom' overvallen--Met

ysselijken krijgh,

[146] 298. C Met dank.

[147] 301, 302 C de beste wijnen my--Zoo zeer als deze dauw der frisse

bron, bevielen.

[148] 303. C Ach wellukzaelghe.

[149] 321. C der staetdochteren.

[150] 327. C eindelooze.

[151] 337, 338. C En zonder afscheidt in het minst van my

genomen?--Best volgh ik, en bezie.

[152] 340. C By ondankbaren.

[153] 345. C. dienst aenbieden?

[154] 346. C Al het geveinst gelaet der dienstigh' edellieden.

[155] 350. C vol van onwilghe.

[156] 367. C Vormd' het.

[157] 371. C haer miltheitsblijk.

[158] 372. C gebruykt des.

[159] 373. C Ghy Nimfen pril en lodderzoet,

[160] 386. C Lietje slaet.

[161] 390. C hartje,

[162] 391. C wordt.

[163] 401 C wardt,

[164] 411. A Verstroyt om u te soecken op.

[165] 425. C Meend' eeveneens.

[166] 427. C Dat vrundschap, weelde.

[167] 435. C. zoo liet.

[168] 439. A Het hart

[169] 441. Een hart vol nijdt en.

[170] 449. C De veilgh' onnoozelheidt,

[171] 450. C Waerwoordigheydt en g.

[172] 451. C Daer worden,

[173] 452. C Voor slechtigheidt, veracht.

[174] 454. C Ten hoov' is 't al geveinst, wat men daer.

[175] 455. C en ooghen,

[176] 456. C Godsdienst,

[177] 466. C geduyrghe.

[178] 470. C Dus staekt, o Daifilo, 't geen ghy hadt voorghenomen,

[179] 475. C En of.

[180] 479. C En wilt dit groene--niet laten.

[181] 483. A van slavernij, en soo veel.

[182] 489. C Hoe haeghlijk is--ook de deughdt?

[183] 490, 492. C ghebiede!--liede'!

[184] 494. A Eer sij vernoechden aen het. C Eer zy ghenoeghen kon.

[185] 495. C zuyvre Zon,

[186] 497. C En onder vliezen op mijn ooghen alle beyde,

[187] 498. C By róókrigh lampenlicht, het.

[188] 502. A Suiverden uwe glans de.

[189] 505, 506, C verwandren,--verandren.

[190] 508. C met haer.

[191] 509. A Soo sal mijn siel van wil in. C Zoo zal mijn ziel haer

wil, in all's.

[192] 512. C ('T en ware dat zy storf).

[193] 517 A, C talen van.

[194] 522. C En toont een.

[195] 526. C Zoo moet ik leeren hem, met--verdraghen.

[196] 528. C Om wilghe--, onwilghe.

[197] 531, 532. C Het naeste middel schijnt, om--Deez' Prins te

dienen, want.

[198] 534. A sal den uwen wesen.

[199] 536. C Hoort Daifilo.

[200] 541. C door hare.

[201] 546, 547. A 't soud--Goden sijn,--Waerop--tot mijn. C 's hemels

heerschappy,--zoud' het.

[202] 556. C Uit ydle hoop voortaen geen voedsel meer en trekken.

[203] 557. C der hoop' aen.

[204] 558. C zoo ruymlijk.

[205] 571. C O hooghe Venus,

[206] 572. C uytdrukken moogh'

[207] 575. C Grootachtbre Vorsten, ik heb tot noch toe--Te noemen

yemant,

[208] 580. C Van het.

[209] 581. C der haest ontslipte.

[210] 583. C De oorzaek dat ghy niet, o Tisiphernes, trouwde'.

[211] 584. A Granida' al overlang,--C Met haer al.

[212] 585. C braev' en welwaerde Prins,

[213] 586. C gehoude'.

[214] 596. C zy, dan d'andere zal.

[215] 599. C blijken doe den andren.

[216] 602. C inwendigh en uytwendigh 't rijk in.

[217] 599, 602. C rede.--vreede.

[218] 608. C vreez' verwerpt.

[219] 614. C uytgheroeyde.

[220] 615. C zullen baenen my.

[221] 617. C zy zullen zijn de.

[222] 621. C Vry klatre met.

[223] 624. C een' taeye peez'.

[224] 625 C 't gebruyk van 't.

[225] 630. C om Atlas te.

[226] 635. A d'opstokende trompet. C d'opstookende.

[227] 636. C Zijn 't dartelst van mijn spel;

[228] 639. A Kneusden u 't.

[229] 640. A Druckten u schouders.

[230] 641. C te zaem' ghegroeyde.

[231] 648. C Dan, volghende mijn' raedt, zoo zult ghy, zijt.

[232] 652. C Dat haer--heeft geleeken by de mijn'.

[233] 658. C Der Vorsten lange ry,

[234] 665. 666. C Uw volk, met slaeverny ondraghelijken strang,

Verdrukt, en overheert.

[235] 667, 669, 670, 672. C bravere'--verleere':--regeere':--in eere',

[236] 678. C Maer uwe gramschaps dull' en ydele gewelde',

[237] 679. C En vreez' ik meer niet, dan uw lompe.

[238] 682. C Dan oft het beurde, dat.

[239] 684. C (ken ik hen).

[240] 686. C Want nemmer zullen zy het heerschen fel en.

[241] 687. C Van een uitheemsch gebiedt staen toe in.

[242] 688. C Maer wreeken bitterlijk een' vorst hun allen.

[243] 689. C lofwaerde.

[244] 690. C Oprechter oordeelaers.

[245] 693. C Wat beurt u, Ostrobas?

[246] 695, 696. C onvervaerde',--aerde.

[247] 701. C Hooghachtbre.

[248] 707. C Uws vyandts harnas, al vermoordt ghy hem niet.

[249] 708. C Voll' overwinning.

[250] 709. C Wanneer als' d'aerde.

[251] 713. C de soete Lent' in haer'.

[252] 715. C dat die.

[253] 716. C Een leefbre ritseling.

[254] 729. C ghy, las! moet leyden 't leeven.

[255] 733. C Ay my!--stondt, in 't voorhooft, u.

[256] 734. B op de straten.

[257] 736. C van hunnen overlast.

[258] 737. A C hoopt.

[259] 740, 745. C aerde',--aenvaerde'.

[260] 767. C Een heel voll' overvloedt.

[261] 768. C veele drank', en.

[262] 782, 787. C ghelijke',--wijke'.

[263] 791. C Een' dubble lust.

[264] 813, 815. C trouwe'--bouwe',

[265] 817, 819. C aerde'--Paerde'

[266] 821, 823. C 'T gevecht zal morghen maeke'--een' zake,

[267] 822. C Mê vrouw haer.

[268] 825. C Van wat bekommeringen,

[269] 826. C Voel ik mijn' ziel.

[270] 837. C Zoud 't Daifilo wel.

[271] 844. C Nae toe.

[272] 845. C Ay my!

[273] 846. A sijn lieve lief.

[274] 849, 850. C verheve'--ghedreve'.

[275] 865. A vaeck den slechsten heeft.

[276] 871. C U hebben.

[277] 879. C maekt, den meesten mensch van maghten,

[278] 882 A het is verlies voor mijn.

[279] 893. C menschen, docht my, toe gheschapen.

[280] 896. A vecht,

[281] 906. A Dan moet hij u verbeyden.

[282] 912 C niet waere te.

[283] 919. C Maer ghy zult erven, Heer, al het.

[284] 923. C Uw' reên zijn groot. Ik ken 't. Doet.

[285] 925 A 'T is hooge tijt, C Het is hoogh tijdt,

[286] 929 A of sijn de wapens noch te smeden,

[287] 930, 931. A sijn--mijn?

[288] 932. A al beswoers'.

[289] 933. A Sij sullen wederstaen.

[290] 938. C Onsterfelijke Goon, versterkt.

[291] 944. C Uw Prins, o Persen, wint.

[292] 954. C O opper Goden, en.

[293] 963. A sijn omhelsen.

[294] 964, 965. C goedertiere--te viere',

[295] 969, 970. C strye'--heerschappye.

[296] 975, 976, 977. C liede',--ghebiede',--bediede.

[297] 980, 981. C delve',--zelve',

[298] 987, 988. A Dompten een ijder--wijder

[299] 1003, 1004, 1005. C twiste'--sliste,--giste':

[300] 1017. C Deughdige.

[301] 1022, 1023. C hede'--vrede'.

[302] 1029, 1030. C ghebede',--vrede'.

[303] 1046. C strye'.

[304] 1048. C peyzend'.

[305] 1058. C Tot morghen waer te.

[306] 1058, 1059. C inghebore'--Gheneyghtheidt t'haerewaerts, met

aenhoudende spore'

[307] 1060. A Prickelden als de mijn. C Hem prikkeld' als de mijn'

[308] 1062. C ter westzijd van de.

[309] 1065. A de maen slaept, en misschien Granida mee:--C slaept,

Granida lichtlijk mee,

[310] 1067. C. en dwingt my herwaerts.'

[311] 1070. A En maekten hem beschaemt.--C En maekt' haer roodt

van schaemt.

[312] 1073. C daermee beyd' heeml' en aerd.

[313] 1079, 1080, 1081. C: O Voester.--Dochter.--treedt uit,

[314] 1082. C want geirn', uit.

[315] 1083. C Ik, in wat staet zijn heer zich vinden magh, verstonde.

[316] 1084. C Ik vliegh, mê vrouw.

[317] 1091. A in onse siels verstandt.

[318] 1092. A Voorgaenden.

[319] 1096. C maer harders staet, gewis.

[320] 1097. C Waer--, en zorgh, en kommernis,

[321] 1100. C Keert Daifilo.

[322] 1104. C Dient u daer af.

[323] 1109. C En kundschap van de wel.

[324] 1112. C 'T geliev' u, Voester, aen.

[325] 1113. C Hooghmoghende Prinsses,--den Prins der Goden,

[326] 1115. A danck haer.

[327] 1117. C: O voester.

[328] 1118. C laet dat nae.

[329] 1119. C Hadt ghy my, Daifilo, niet.

[330] 1122. C Zoo moest uw heussche dienst.

[331] 1123. C De gonst verwekken, die ik u al.

[332] 1124. G Nu heeft hy.

[333] 1129. A dit.

[334] 1131. C De groothêen uwer ziel',

[335] 1133 C Had toen een vierigh Godt mijn hart noch.

[336] 1135. C Op voorwaerdt, dat elkeen, die kend' eens uw' waerdye.

[337] 1136. C Zich willigh geven moest, aen u, in.

[338] 1138. C steenklip--wardt.

[339] 1139. C uwer deughd.

[340] 1141. C mijns harts.

[341] 1142. C Dat--dat het vandt,

[342] 1154 A dat ick bespeurden aen.

[343] 1159. C Ik liev' u Daifilo, en.

[344] 1160. C Ten diersten dat.

[345] 1162. C Dit's, Daifilo, mijn raedt. leydt my.

[346] 1164. C Ik vrolijk ben.--kunt lijde'.

[347] 1166, C Ik kus de aerd, mijn'.

[348] 1178. C Maer heel afzightigh, slecht en needrigh, ongeacht.

[349] 1182. C Houdt, Daifilo, het mijn'.

[350] 1187. C Ach, ach, eenvouwde rust der hardren.

[351] 1192. C Die my genaeken, las! maer.

[352] 1198. A Dan yet vermeugen als ick.

[353] 1199. C Hoe dus verbaest, mijn vriendt?

[354] 1204 C Te klein is mijn gedacht.

[355] 1205. C Van mijn' ootmoêghe ziel!

[356] 1206. C Doch vaeren eeuw'lijk met der woon' uit my in d'uw!

[357] 1207. C En in een' wooning van die zuyverheidt, nae dezen.

[358] 1209. C O Daifilo, de tijdt moet zijn.

[359] 1212. C. varder,

[360] 1213. C dan uw te slecht een.

[361] 1219. C 'T Is onder zoo zeer veel'.

[362] 1220. C geenzins de.

[363] 1221. C Des hemels, dat zy licht ter yl.

[364] 1224. C Zy waeren.

[365] 1229. C Een' loozen raedt.

[366] 1230. C Den konink en al 't hof, dat zy zich zullen wenden.

[367] 1231. C Niet eens om.

[368] 1233. C Het minst op my. Neen, want.

[369] 1243. A Blosenden Uchtent. C ongerust.

[370] 1246. C eer dan nae.

[371] 1249. C Stelt, heldere Godin, uw brallen uyt, tot.

[372] 1251. C uw overzoeten brandt,

[373] 1253. C het hooghste luk.

[374] 1254. C Zijt ghy daer, Daifilo?

[375] 1265. C Wel? hoe, voester, dus.

[376] 1274. C Ach arme! 't is van beyds.

[377] 1275. C Van beyds? hoe soud.

[378] 1284. C Wat brengt ghy, voester.

[379] 1292. C die ver den een' voor andren.

[380] 1295. C Dan wast de liefd' geswindt:

[381] 1297. C Recht oft gepaert geweest al waeren onderlinge.

[382] 1298. C Die zielen eer zy lijf, en 't wereldsch licht ontfinge'.

[383] 1302. C Om dat het haer

[384] 1306. C was het hun' geliefte, t'haerwaert zenden.

Granida · 第 11 / 12 段