hoop dat ik je zoo gauw mogelijk naar huis kan terugsturen. Dat zal
ook veel van jezelf afhangen. Er is te eer kans op, naar mate je je
tegenover ons gedraagt als vriend. En dat laatste zal je gemakkelijk
vallen, want je zult hier aan boord niets zien gebeuren of niets
behoeven te verrichten dat niet met eer en geweten is overeen te
brengen. Om een duidelijker indruk van je goeden wil te krijgen, zal
ik je nu en dan een kleine opdracht doen uitvoeren in verband met onze
ondernemingen. Ik twijfel niet of je zult er eer mee inleggen. Ben
je gezond en sterk?"
"O ja," antwoordde Rob. "Ik mankeer nooit wat."
"Dat zal je goed te pas komen. Bovendien leiden wij hier een
regelmatig leven, bewegen ons doorgaans in hooge, zuivere lucht,
en hebben ten overvloede een uitstekenden dokter, onzen geleerden
La, aan boord. Ziekten komen dan ook zoo goed als nooit voor. Nu,
we spreken elkaar wel nader. Heb je nog iets te vragen?"
"Ja, ik zou wel graag willen dat mijn voogd iets van me hoorde;
die zal wel ongerust zijn...."
"Ik was juist bezig maatregelen daaromtrent te beramen; maar ik
vrees dat je nog eenig geduld zult moeten hebben. We maken op 't
oogenblik"--Li drukte op een knop aan den wand, en achter een zich
daarnaast bevindend ruitje sprong het cijfer 150 te voorschijn--"we
maken op 't oogenblik 150 K.M. per uur, en hebben dus sedert halftien
bijna 400 K.M. afgelegd. Op dit oogenblik een van de vliegtoestellen
af te zenden, zou nutteloos zijn, zooals je later zult leeren
begrijpen. In elk geval moet je maar beginnen met een briefje te
schrijven. Zoodra er gelegenheid is zend ik het af. Nog iets anders?"
Rob had geen andere wenschen kenbaar te maken, en werd nu weer verzocht
Lo te volgen, die hem in kamer 9 terugbracht.
Lo deed kastje 2 openspringen, en zei:
"Kies je hier nu een pak kleeren uit; in de Handleiding zal je vinden,
welke je noodig hebt en hoe je ze aan moet trekken. Kastje 6 is leeg,
en dient als bergplaats, doe daar de kleeren maar in die je nu aan
hebt. Vijf minuten vóor het eten zal je een bel hooren; ik kom je
dan halen voor den gemeenschappelijken maaltijd. Dan maak je tevens
met de andere schepelingen kennis."
Lo verdween en Rob begon van kleeren te verwisselen. Het trof
hem hoe practisch de kleeding, die hij uit het kastje haalde, was
ingericht. Alles zat vrij sluitend en belemmerde toch nergens de
bewegingen; hij had zelf een gevoel alsof hij bijna geen kleeren
aan had, en vond toch niet dat hij last had van de kou. De schoenen
waren van dezelfde stof als het pak, en maakten niettemin een zeer
solieden indruk; ze gleden gemakkelijk aan den voet, knelden nergens
en behoefden niet geregen of geknoopt te worden. Rob bekeek zich in
den spiegel en was van oordeel dat het pak hem heel goed stond. Hij
had zich in deze kleeding wel eens willen laten kieken!
Juist toen hij klaar was, ging de bel; een oogenblik daarna kwam
Lo binnen en verzocht hem mee te gaan. In de eetkamer waren de
overige reisgenooten reeds verzameld. De kennismaking werd Rob
zeer gemakkelijk gemaakt, want allen kwamen naar hem toe alsof hij
volstrekt geen vreemde voor hen was, drukten hem de hand en heetten
hem hartelijk welkom.
Aan tafel heerschte een opgewekte en gezellige toon. Er werd gepraat en
gelachen, en uit beleefdheid tegenover den gast werd er dezen middag
Hollandsch gesproken, ofschoon er uit gewoonte nu en dan een woord
Laïsch in het gesprek werd gemengd. Rob was in het eerst vrij stil,
want hij zag zooveel vreemde dingen om zich heen, dat zijn oogen en
ooren er geen raad mee wisten. Maar La en Lo, in wier midden hij zat,
lokten hem tot praten uit en beantwoordden met onuitputtelijk geduld
al wat hij vroeg.
De geleerde La vertelde hem, dat de toestanden op het schip niet
dadelijk waren geweest als nu. Men was begonnen met vrij gebrekkige
hulpmiddelen, had vooral onoverkomelijke bezwaren ondervonden ten
opzichte van voeding, kleeding, verlichting en verwarming. Maar La
was er in geslaagd door de eene uitvinding na de andere het leven
aan boord te vergemakkelijken en te vereenvoudigen, zoodat men
ten slotte door eigen productie in alle behoeften kon voorzien. De
verlichting bijvoorbeeld was geheel electrisch, en werd door dezelfde
toestellen geleverd als die, welke De Vogel in beweging brachten; met
accumulatoren had men niet te maken, daar de vele steeds rondwentelende
vliegschroeven en luchtschepraderen voor een onuitputtelijke
hoeveelheid wrijvingselectriciteit zorgden. De verwarming werd
geregeld door buizen met langs electrischen weg verhitte lucht. De
voeding, zooals Rob gelegenheid had proefondervindelijk op te
merken, was zeer eenvoudig, maar daarom niet minder versterkend; haar
voornaamste eigenschap bestond daarin, dat ze opwekte en verzadigde,
zonder dat loome, vadzige gevoel na te laten dat een "goed diner"
op aarde gewoonlijk tevoorschijn roept. Door langs chemischen weg uit
plantaardig voedsel die bestanddeelen af te scheiden, welke de mensch
in hoofdzaak voor het onderhoud van zijn lichaam noodig heeft, had
La in een betrekkelijk kleine ruimte genoeg levensmiddelen opgehoopt
om de eerste tien jaren aan een hongersnood het hoofd te kunnen
bieden; het laboratorium was de bewaarplaats van dezen voorraad,
waarvan elk onderdeel door hermetische sluiting tegen bederf werd
gevrijwaard. Elken dag bepaalde La het menu, dit op wetenschappelijke
gronden samenstellend; Naf, de kok, had dan slechts de capsules te
openen, door La aangewezen, en na enkele eenvoudige bewerkingen--de
eene spijs wat verwarmen, de andere oplossen in water--was de
maaltijd gereed. Daar men de gezelligheid en een vriendschappelijken
omgang aan boord naar waarde wist te schatten, was het gewoonte de
gemeenschappelijke maaltijden niet al te vluchtig in te richten,
hoewel de weinig omslachtige wijze van voedsel bereiden en nuttigen
er al licht toe leiden zou aan die maaltijden slechts een zeer
ondergeschikte plaats toe te kennen.
"Zooals je ziet," vertelde La, "drinken we water. Dat is onze
gewone drank, en we bevinden er ons op den duur best bij. Gezond
en gemakkelijk te verkrijgen, want aan regen hebben we natuurlijk
zelden gebrek! Dierlijk voedsel en alcohol komen aan boord nooit
op het programma. Hoogstens tracteeren we ons nu en dan op fructa,
een oplossing in water van nuttige bestanddeelen uit vruchten, met
wat koolzuur vermengd. Fructa heeft een mooie blauwe kleur."
"En hoe worden de kleeren gemaakt, die we dragen?" vroeg Rob, steeds
nieuwsgieriger.
"Bijna alles op het schip is van metaal," antwoordde La. "Dat wil
zeggen, ik noem het metaal omdat het zich ongeveer als zoodanig laat
bewerken. Voor zulk een stof hebben we eigenlijk op aarde geen naam. In
het Laïsch noemen we het monum. Monum is een delfstof--misschien
vertel ik je later wel eens waar we die vinden--die zeer taai en
buigzaam is, maar toch zoo goed als onbreekbaar. Wat uit monum is
vervaardigd, is althans gedurende een menschenleeftijd niet aan
slijtage onderhevig. Door het met azijnzuur te behandelen wordt 't
week en plooibaar, zoodat we er tapijten, dekens, kleedingstukken, uit
kunnen vervaardigen, meer of minder poreus, al naar mate we er meer of
minder door verwarmd wenschen te worden. De inwerking van salpeterzuur
maakt het doorschijnend, zoodat het voor glasruiten geschikt is; in
vloeibare lucht gedompeld (waarvan we hier een ruim gebruik maken,
zooals je zien zult) wordt het ruig en vouwbaar, en is het geschikt
voor schrijfpapier; in 't vuur gesmeed kunnen er zeer lange en toch
onbuigzame kabels van gemaakt worden...."
"Aan zoo'n kabel heesch ik jou naar boven, Rob," viel Nef den geleerden
spreker in de rede. "Je had zeker wel gewild dat 't ding gebroken was!"
"Nu, in 't eerst vond ik 't maar half leuk, zoo opgenomen te worden,"
antwoordde Rob, "maar nu begin ik er heusch schik in te krijgen!"
Deze woorden kwamen er zoo van harte uit, dat allen er om lachten. Li
knikte Rob eens toe en zei:
"Nu, we willen maar hopen dat je geen spijt zult hebben van je verblijf
aan boord."
Het liep intusschen tegen twee uur, en de tafel werd opgeheven. Rob
zag dat iedereen meehielp om een deel van het servies op te ruimen en
schoon te maken, en stak ook dadelijk een helpende hand uit, hetgeen
klaarblijkelijk een goeden indruk maakte. Later vertelde Lo hem,
dat het gewoonte was ieder te laten wegbergen en in orde houden wat
hij zelf gebruikte, een maatregel die tijd en arbeid bespaarde.
Toen ieder weer aan zijn bezigheden gegaan was, bracht Lo den gast in
de leeskamer, waar talrijke schilderijen aan den muur hingen en een
geheele wand door een kolossale boekenkast ingenomen was. Ook bevond er
zich een kleine vleugel en zag Rob er viool- en violoncelkisten staan.
"Hier brengen we onzen vrijen tijd door," zei Lo. "Je vindt hier
lectuur voor een menschenleeftijd; wetenschappelijke werken--voor een
groot deel handschriften van La--en ook zuiver letterkundige. Allerlei
geduld- en gezelschapsspelen vind je er ook, maar alleen zulke waarbij
alles aan het verstand, niets aan het toeval wordt overgelaten. Er zijn
ook zeer ingewikkelde en moeielijke bij--uitvindingen alweer van La."
Rob bracht den heelen middag in de leeskamer door, waar hij voortdurend
nieuwe dingen vond die zijn belangstelling gaande hielden; om zeven
uur had er wederom een gemeenschappelijke maaltijd plaats, en tegen
acht uur was Rob zoo vermoeid van de elkaar verdringende indrukken,
dat hij naar bed ging en weldra zoo vast insliep alsof hij in zijn
eigen kamertje op den Willemsparkweg lag.
VIERDE HOOFDSTUK.
HOE DE VOGEL ER UITZAG.
Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.--La toont
hem eenige wonderen.--De geheimen van de stuurkamer.--Bijna
zoo hoog als de Mont-Blanc.--Rob gaat vroeg naar bed.
Den volgenden morgen werd Rob door een electrisch belletje, dat zich
boven zijn bed bevond, om zes uur gewekt. Hij had aan éen stuk door
geslapen, en voelde zich verkwikt en uitgerust. Hij zette zijn horloge
gelijk met de klok die zich, zooals in alle andere kamers van 't schip,
boven de deur bevond en zag nu eerst dat de wijzerplaat niet in twaalf
doch in vier-en-twintig uren verdeeld was. Na twaalf uur in den middag
begon men dus van dertien tot en met vier-en-twintig te tellen, om
dan weer met éen te beginnen. Zooals Rob later hoorde, was de tijd
aldus ingedeeld, omdat de soms zeer snelle verplaatsingen van het
luchtschip een regelmatige indeeling van dag en nacht, zooals men die
op aarde heeft, niet mogelijk maakten. Men zou dan immers de klokken
aan boord steeds moeten gelijk zetten met die van de plaats op aarde,
waarboven men zich op dat oogenblik bevond, hetgeen natuurlijk ten
gevolge kon hebben dat men eenige aarde-uren lang volgens de lucht-klok
slechts een enkel uur of misschien zelfs geheel niet vooruitging. Men
had daarom aan boord de volgende tijdsverdeeling, gelijk Rob ook
in de Handleiding vermeld vond: zes uur opstaan, zeven uur ontbijt,
dertien uur middagmaal, negentien uur avondeten, twee-en-twintig uur
naar bed. Zoo gebeurde het wel, dat men bij daglicht sliep, en in
het donker aan 't werk was; meestal echter zweefde men op zulk een
hoogte, dat het zonlicht weken achtereen zichtbaar bleef, en in elk
geval wendde men aan deze schijnbaar abnormale toestanden spoedig.
Na het ontbijt werd Rob verzocht in La's kamer te komen, en nu
vernam hij dat deze hem elken dag van acht tot elf en van veertien tot
zestien les zou geven in dezelfde vakken, die hij nu op de H.B.S. moest
missen. Eerst vond Rob dit wel een beetje 'n teleurstelling, want hij
vond zoo'n tijdje gedwongen vacantie wel aardig; maar hij moest La toch
toestemmen, dat 't niet prettig zou zijn wanneer hij zoo ten achter
was als hij in Amsterdam terugkwam, en ook begreep hij dat hij daardoor
in zijn heele volgend leven schade zou kunnen ondervinden. Weldra zag
hij dan ook in, hoe dankbaar hij voor deze welwillende en verstandige
beschikking van den commendant moest zijn. En toen hij ondervond hoe
kalm en duidelijk La in al zijn uitleggingen was, en hoe deze het
"droogste" vak intressant wist te maken, was hij niet alleen spoedig
met zijn lesuren verzoend, maar begon hij er een dagelijks weerkeerend
genot in te vinden. Ook stak hij in enkele dagen meer op, dan hij
bij klassikaal onderwijs in weken gedaan zou hebben. Dikwijls bleven
er van het werkprogram enkele uren over, die La gebruikte om hem in
allerlei dingen van het luchtschip-leven in te wijden, en zoodoende
hoorde hij telkens meer wat zijn achting en zijn vriendschap voor
zijn nieuwe kennissen deed toenemen. Hoewel hij nog steeds niet wist
wat het doel van hun eigenaardig bestaan was, leerde hij elken dag
hun opvattingen en hun levensbeschouwing hooger schatten. Vooral
de groote waarde, die zij aan een gezond, regelmatig leven bleken
te hechten en aan de juiste verdeeling van rust, handenarbeid en
hoofdwerk, maakte een aangenamen indruk, en hij begreep al gauw
dat hij hier met goede, hoogstaande menschen te doen had. Er werd
van elk zonder onderscheid tamelijk veel inspanning gevergd, maar
daartegenover stond dat men op de rustdagen ook in den uitgebreidsten
zin van het woord voor ontspanning zorgde. Steeds heerschte er een
opgewekte, vriendschappelijke geest onder de leden der bemanning,
en de waardeering waarmee men elkaars daden en woorden besprak en
beoordeelde, leidde tot de onmisbare eenheid en samenwerking, die voor
't bereiken van een gemeenschappelijk doel onontbeerlijk is.
Toen de middagles dien dag was afgeloopen, vertelde La aan Rob, dat
Nof gereed stond om met een van de kleine vliegtoestellen naar de
aarde te gaan, en of hij hem dus een briefje voor zijn voogd wilde
meegeven. Rob schreef een paar regels, en nadat Li deze had gelezen
en goedgekeurd, vertrok Nof er mee.
"Je moet je niet al te veel van deze zending voorstellen," zei La. "De
vliegtoestellen hebben nog niet die volmaking, welke wij ze op den
duur hopen te geven. De grootste moeielijkheid bestaat echter in het
vinden van den weg, afgezien nog van de omstandigheid dat ze meer aan
de willekeur van weer en wind zijn blootgesteld dan 't schip. Hier
aan boord kunnen we steeds met de meeste nauwkeurigheid bepalen waar
we ons ten opzichte van de aarde of van een andere planeet bevinden;
dat is een groot voordeel."
"Maar hoe gebeurt dat dan?" vroeg Rob.
"Wel, we hebben natuurlijk allerlei instrumenten voor plaatsbepaling,
die op zee en ook door den gewonen ballonvaarder gebruikt worden,
maar op den duur zijn die voor ons gebruik te omslachtig en ook niet
altijd toereikend gebleken. Ga maar eens mee naar de stuurkamer,
dan zal ik je laten zien wat ik er op gevonden heb."
Ze gingen samen de monum trap op, die naar het dek leidde, en werden
door Mu met een vriendelijk woord ontvangen.
"Ik ben altijd maar blij als er gasten aan boord zijn," zei Mu. "Dan
sjouwt onze museumgids La het schip met hen rond en krijgt de
stuurkamer in de eerste plaats een beurt."
"Je zit hier ook wel erg eenzaam, hè?" vroeg Rob.
"Jawel," antwoordde Mu, "maar dat is zoo erg niet. Ten eerste houd ik
wel van eenzaamheid; daaraan zijn we hier allemaal aan boord gewend,
en voor menschen die van denken en werken houden is alleen-zijn
trouwens niet zoo'n verdriet. Maar dat neemt niet weg dat ik zoo nu
en dan wel van een praatje houd."
"Neen, Mu heeft het nog zoo kwaad niet," zei La. "Hij doet vrijwel
't intressantste werk aan boord, ook wel 't meest inspannende en
verantwoordelijke, maar daarom kan hij zich ook nu en dan door Naf
laten aflossen."
"En welk stuk zal ik de heeren nu 't eerst vertoonen?" vroeg Mu
schertsend.
"Ik ben er 't meest benieuwd naar hoe je hier midden in de wolken
den weg kan vinden," zei Rob, die het een zonderlinge gewaarwording
vond zich te midden van een ruimte te bevinden, die niets dan lucht
en wolken te zien gaf. Het was een heerlijk, frisch gevoel, daar
boven op het dek, en elke ademhaling gaf genot. Iets griezeligs was
er ook wel in, zoo door de lucht te vliegen, maar toch bemerkte men
de voortgaande beweging alleen doordat de schroeven hun voortdurend
gesnor deden hooren, en het dek van monum-planken licht trilde;
overigens had men zich evengoed kunnen voorstellen, dat het schip
stillag en alleen de wolken bewogen.
Mu had bij Rob's vraag La even aangekeken, maar deze knikte
geruststellend en zei:
"De commandant heeft geen bezwaar, dat ik enkele dingen aan onzen
gast laat zien. Rob kan dat als een aangenaam bewijs van vertrouwen
opvatten."
Mu schoof nu een langwerpige metalen plaat opzij, die het bovenblad
van een vlak voor hem staand tafeltje bedekte, en nu zag Rob een
glazen oppervlak, waarover zich een reeks fotografische beelden
voortbewoog, die hem aan een voorstelling met den bioscoop deden
denken. Onwillekeurig riep hij dan ook uit:
"Net een kinematograaf!"
"Dat is het ook," zei Mu glimlachend. "Door middel van een verbeterde
kinematografische opname trekken langs deze plaat, sterk verkleind, de
afbeeldingen van het aardoppervlak, waarboven we ons bevinden. Zoolang
we ons binnen den dampkring bewegen en evenwijdig aan de oppervlakte
der aarde blijven, kan ik op de plaat precies den stand van het schip
ten opzichte der aarde waarnemen. Een enkele maal mag een hevig onweer
of een andere atmosferische storing de beelden eens onzuiver maken
of zelfs geheel verstoren--in het algemeen kan ik het gebruik van de
gewone instrumenten tot plaatsbepaling ontberen. De wolkenlaag die
ons van de aarde scheidt oefent geen nadeeligen invloed; het toestel
is zoo ingericht dat het door dergelijke beletselen heen toch zijn
werk blijft verrichten. Zijn we toevallig in de schaduw van de aarde
verzeild geraakt, dan hebben we maar wat hooger te stijgen en de
opname geschiedt weer even duidelijk. Deze uitvinding, de volmaking
van den kinematograaf, hebben we, evenals bijna alles aan boord,
aan onzen professor La te danken."
Toen La spottend een buiging maakte bij deze laatste woorden,
plaagde Mu:
"Ja, als de professor eens een oogenblik niet verstrooid is, vindt hij
soms wel een aardig stukje speelgoed uit. 't Is een echte knutselaar."
"Kijk jij maar naar je hoogtemeter," schertste La terug, "anders
zeilen we weer tegen den een of anderen top van de Himalaya aan,
zooals je ons al eens geleverd hebt!"
"Vierduizend meter," zei Mu, den hoogtemeter aflezend, een toestel
dat door middel van een kwikkolom, welks stand van de luchtdrukking
afhankelijk was, de hoogte boven het zeepeil aangaf.
"Dan zouden we tegen den Mont-Blanc kunnen stooten," zei Rob. "Die
is immers 4800 Meter!"
"Juist," zei Mu. "Maar op botsingen hebben we nu weinig kans, want
we zeilen boven den Atlantischen Oceaan. Kijk maar."
Rob keek naar de glazen plaat, en zag daarop inderdaad niets dan
een golvende beweging, waaruit hij begreep dat zich onder hen de
zee bevond. Nu en dan schoof er een vlekje, groot als een vlieg,
over de plaat; dat was zeker een schip.
"Wie stuurde er van morgen en van middag toen we aan tafel
zaten?" vroeg Rob, opeens bedenkend dat er toen niemand in de
stuurkamer kon geweest zijn.
"Niemand!" antwoordde Mu. "Wanneer er niets bizonders aan de hand
is, kom ik gewoonlijk aan tafel. Tusschen Li en mij in bevindt zich
een dergelijke plaat als hier, zoodat we ook gedurende de maaltijden
precies kunnen nagaan waar we zijn. Bovendien vliegen we dan meestal
met een matige snelheid of liggen we stil, zoodat er volstrekt geen
gevaar bij is. In de werkkamer van den commandant is ook zoo'n plaat,
benevens toestellen om de snelheid en de hoogte af te lezen. En verder
zijn alle kamers telefonisch met de stuurkamer verbonden. Ja Rob,
je kunt 't niet zoo verzinnen, of 't is er!"
Rob had veel schik in de vroolijke en duidelijke uitleggingen van Mu,
en hij hield dezen wel een uur met allerlei vragen aan de praat. Mu
legde hem de toestellen uit, waarmee de snelheid, het voor- en
achteruit vliegen, het stijgen en het dalen werden geregeld, en wees
hem ten slotte op de eenvoudige manier waarop het gas gefabriceerd en
naar den ballon gevoerd werd. Voor dit laatste was trouwens slechts
een zeer eenvoudige inrichting noodig, omdat het monum omhulsel van
den ballon maar éen liter gas per maand doorliet, geen noemenswaard
verlies dus.
Toen Rob zijn nieuwsgierigheid in de stuurkamer bevredigd had, maakte
La een wandeling met hem over het dek.
"Zijn dat allemaal kanonnen?" vroeg Rob, op een twaalftal toestellen
wijzend, die langs de verschansing stonden opgesteld.
"Ja, dat is ons geschut," antwoordde La. "Dat ziet er oorlogszuchtig
uit, hè? Maar toch is 't een heel humaan soort geschut. We kunnen nu
eenmaal niet buiten verweermiddelen, omdat we soms met kwaadwilligen
te doen hebben--wilde volksstammen bijvoorbeeld. En dat komt nog al
eens voor, daar we de enkele maal dat we aan land stappen, dit meestal
ergens in een afgelegen streek doen, waar we geen kans loopen door
beschaafde menschen ontdekt te worden. Dan moeten de kanonnen soms een
woordje meespreken. Maar dooden vallen er nooit. Een evenmensch het
leven te benemen--dat staat niet op ons programma; daartoe meenen we
het recht niet te hebben. Dit geschut, en evenzeer de pistolen, die elk
van ons onder zijn uitrustingstukken heeft, wordt geladen met patronen
die een bedwelmend gas bevatten. Wie er door getroffen wordt, blijft
volle vier-en-twintig uur buiten kennis, zonder daarvan later eenige
nadeelige gevolgen te ondervinden. Het is een poging om den oorlog,
zoolang deze helaas onvermijdelijk is, te humaniseeren. Overigens
zijn al deze kanonnen, evenzeer als onze pistolen, snelvuurwapenen."
"Maar als er nu toch eens iemand aan boord weet te komen, wat
dan?" vroeg Rob.
"Dat gebeurt uiterst zelden," zei La. "De kanonnen verspreiden zulk
een grooten kring van gas om het woord verwijderd]schip, dat niemand
daar straffeloos doorheen komt. Maar als laatste middel kunnen we
de geheele verschansing met electriciteit laden, zoodat ieder die
ze aanraakt, teruggeslingerd wordt. Zelfs het dek kunnen we over het
heele oppervlak van zulk een lading voorzien."
"Maar hoe kunnen we er dan zelf op loopen?" vroeg Rob.
"De zolen van onze schoenen zijn volkomen geïsoleerd."
"En hoe zit 't met dat bedwelmend gas?" ging Rob voort, "krijgen de
schutters daar dan geen last van?"
"Daartegen hebben we ieder een klein toestel, dat we met een enkele
beweging voor den mond kunnen vastmaken. Het sluit de neusgaten af en
voert versche lucht aan den mond toe. Je zult er zoo een in je kamer
vinden, kastje 5; ik raad je aan het steeds bij je te dragen. Zooals
je ziet, hebben wij die dingen meestal aan een gordel om ons middel,
dan zijn ze vlug bij de hand. Bovendien hoort tot ieders uitrusting een
kleine ransel om op den rug te dragen; die bevat genoeg om verscheiden
weken van huis te kunnen blijven zonder in eenig opzicht gebrek te
behoeven lijden."
"Wat zit daar dan allemaal in?"
"Te veel om op te noemen! Een doosje met voedings-capsules;
verbandmidden; een kleine electrische fakkel; schrijfgereedschap;
een cilinder met zuurstof--ziedaar de hoofdzaken."
"Maar er zit toch zeker wel een reserve-stel ondergoed in?"
"Neen; wel een klein toestel om zoowel boven- als ondergoed vlug
en eenvoudig schoon te maken. Onze monum-kleeding is namelijk zoo
goed als onverslijtbaar; met het stel kleeren dat we aan hebben
kunnen we dus verscheiden jaren toe. Het reinigen geschiedt niet,
zooals op aarde, door het goed te wasschen; dat zou te omslachtig
zijn. We persen er eenvoudig machinaal ozon doorheen; dat werkt tevens
ontsmettend. Ozon wordt ons natuurlijk in onbeperkte mate door onze
electriciteits-toestellen geleverd. Electriciteit en ozon kunnen we
hier in de lucht genoeg fabriceeren om alle fabrieken van de wereld
te voorzien."
Rob vroeg zooveel, en kreeg zooveel antwoorden, dat het hem begon
te duizelen en hij geen tijd had alles behoorlijk in zich op te
nemen. Toch kon hij niet nalaten nog te vragen:
"Hoe houden we 't hier uit, als we héel hoog stijgen? Dan is immers
de lucht zoo ijl, dat we er geen adem in kunnen halen? En komen we
wel eens buiten den dampkring?"
"Ja--nu vraag je te veel," zei La. "Dat is allemaal niet in 'n paar
woorden uit te leggen. Maar ik denk, dat je op die vragen wel eens
proefondervindelijk het antwoord zult krijgen. Heb dus wat geduld. Je
zult hier nog genoeg wonderlijke dingen meemaken."
Het was intusschen tijd voor het avondmaal geworden, dat in een even
gezellige stemming verliep als den vorigen dag.