Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Van Schooljongen tot Koning
Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen
Van
Robert I
Koning van Czernovië
Door
A. Bertrand
Geïllustreerd door Jan Sluyters
Amsterdam
H.J.W. Becht
1903
INHOUD.
I. Hoe dit Boek ontstond 1
De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October
1901.--Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden
hem terug.--Er wordt hem f10.000 geboden voor een beschrijving
van zijn lotgevallen.
II. Rob vliegt de Lucht in 11
Wat Rob in het Vondelpark vond.--De geheimzinnige
doos.--Rob meent een komplot op het spoor te zijn.--Hoe zijn
nieuwsgierigheid gestraft werd.
III. Op het Luchtschip 16
Rob komt aan boord van "De Vogel".--Hij wordt vriendelijk
ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich
ingericht.--Hij leert het leven aan boord kennen.--De eerste
dag valt hem niet tegen.
IV. Hoe "De Vogel" er uitzag 35
Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.--La toont
hem eenige wonderen.--De geheimen van de stuurkamer.--Bijna
zoo hoog als de Mont-Blanc.--Rob gaat vroeg naar bed.
V. Een Strijd tusschen een Lucht- en een Oorlogsschip 46
"De Vogel" gaat aan land.--Er dreigt gevaar.--Rob redt
den commandant.--Een Engelsch oorlogsschip.--Een onbloedig
gevecht.--Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.--Rob
wordt zeeman.--De landing te Dover.
VI. Rob komt in Londen 68
De ontvangst te Dover.--De aankomst in Londen.--Het huis in
Longmanstreet.--Li's eerste lezing over een nooit gemaakte
Zuidpoolreis.--Alle Londensche heeren wenschen zich een
poolmeisje tot vrouw.--Het diner van het Aardrijkskundig
Genootschap.--Rob drinkt thee met den Koning.--De
kroonjuweelen.
VII. Li steelt de Kroonjuweelen 80
Li krijgt het koffertje te leen.--La verricht nieuwe
wonderen.--De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.--Hoe
hij beetgenomen werd.--De kroonjuweelen zijn gestolen!--Het
verhaal van de diefachtige poes.--Li heeft de diamanten te
pakken.--De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht
van wal.--Terug op "De Vogel".--De reis naar Transvaal.--Hoe
het met de diamanten afliep.
VIII. Li vertelt z'n Geschiedenis 95
Waarin verteld wordt, hoe 't maar 'n haartje gescheeld had,
of Rob was weer in 't Vondelpark gaan wandelen.--Li vertelt
zijn levensgeschiedenis.--Rob hoort van de stichting der
Oranje-Republiek, van Rusland's booze plannen, van de dappere
Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.
IX. Een onverwacht Avontuur 112
De kust van Tripolis.--De leeuwenjacht.--De onderaardsche
gewelven.--In handen van menscheneters!--De ontdekkingsreiziger
Korling als goochelaar.--De vlucht.--Weer op "De Vogel"!
X. Nof en de Strandroover 138
Nof is verdwenen.--Men wacht hem tevergeefs.--De man in het
schuitje.--Het losgeld.--Nof komt terug.--Het verhaal van
Quebranto den Strandroover.--Naar Czernovië!
XI. De "Vogel" wordt vernietigd 156
De reis wordt door stormen vertraagd.--De nederdaling bij
Midia.--Er ontploft een mijn en "De Vogel" vliegt in de
lucht.--In Turksche gevangenschap.--De Dardanellen-Oorlog.--Li
en Rob herkrijgen hun vrijheid.--De Engelsche spionnen gaan
de doos in.--Naar Slavowitz!
XII. Rob maakt kennis met den Hertog van Bora 168
In het Hotel Czernovië.--Van Stralen ontmoet zijn broer.--Daar
komt de Prinses!--Een ontmoeting met den aanstaanden
Prins-Gemaal.--Esse quam videri.--Van Stralen doet een duel
op.--De tooneelspelen van Aeschylus.--Van avond om zes uur.
XIII. De Verrader 193
Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren
kennen.--Wat de gezant te Petersburg schreef.--Een verrader
onder de Ministers.--Russakoff is ontsnapt!
XIV. Ivan Bavenski 202
Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.--De
drie verzegelde pakketten.--Elizabeth hoort van het duel.--De
brief van Felix.--Zou hij het zijn?--Naar het Roode Woud!
XV. Het Duel 213
De ontmoeting in het Roode Woud.--De Russische
schildwacht.--Het duel begint.--De plotselinge verschijning
der Prinses.--De Hertog wordt gearresteerd.--Zij hebben
elkaar herkend!
XVI. Wat Katina van Russakoff vertelde 220
De drie vrienden ontmoeten Zabern.--Katina, de patriot.--Zabern
komt Russakoff op het spoor.--Met spoed naar Slavowitz terug!
XVII. Russakoff begaat een Moord 238
Hoe Katina een troïka ment.--Het klooster.--De Russische wijk
van Slavowitz.--De troïka komt in het gedrang.--Paul wordt
doodelijk gewond.--Felix, Zabern en het raadselschrift.--Zou
Rob werkelijk de oplossing gevonden hebben?
XVIII. Felix en Elizabeth 254
Felix wordt bij de Prinses ontboden.--Het
weerzien.--Wederzijdsche ontboezemingen.--Felix wordt tot
Secretaris benoemd.
XIX. Een Staaltje van Schermkunst 262
De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.--Een
opstootje in de Kamer.--Wat het orkest van Mengelberg op z'n
geweten heeft.--Felix verslaat zes tegenstanders.--De Furiën!
XX. Rob betrapt een Inbreker 278
Rob gaat aan het cijferen.--Gevonden!--De inbraak in het
Paleis.--Zabern redt Rob nog juist op tijd.--Het verbrande
Charter.--Wat zal er van Czernovië worden?
XXI. Het Gezantschap van den Czaar 295
Felix aanvaardt zijn nieuwe betrekking.--Graaf Feodor Orloff,
Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.--Elizabeth
antwoordt hem zeer beleefd.--Katina wordt eerst tegen haar zin,
daarna vrijwillig gevangen.--Zabern schrijft een brief.
XXII. Een gemaskerd Bal 319
Het wetsontwerp-Lipski.--Prinses Elizabeth teekent een
contract.--De schatten van het St. Nicolaas-klooster.--Iedereen
verliest den moed, behalve Zabern.
XXIII. Een Moordaanslag op de Prinses 338
Rob wordt met een benoeming verrast.--De wapenschouwing.--Twee
schoten op de Prinses.--De daders ontsnappen.--De wet-Lipski
komt in stemming.--De verrassing van Zabern.--De moordenaar
wordt gevat.--De kelder van Lipski.--Zabern schrijft een
brief.--
XXIV. Een Russisch Leger aan de Grens 364
Felix wordt uit Czernovië verbannen.--Hij gaat, maar hij
zal terugkomen!--Zes Turksche krijgsgevangenen in het
studeervertrek van Zabern.--Rob verdwijnt.--Ravenski komt
met nieuwe bedreigingen.--De Czaar staat aan de grens!
XXV. De Vooravond van de Kroning 381
Het Russische leger komt nader.--Ravenski hernieuwt zijn
bedreigingen.--Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog
van Bora.--De drie verraders geknipt.
XXVI. Zabern en Ravenski 388
Melchior, de verrader.--Zabern verschijnt.--De
postduif.--Ravenski ontvangt een sabelhouw.--Het kanon van
de Citadel.
XXVII. De Kroning 398
Hoe het kwam dat de Hertog ontvluchtte.--De stoet zet zich
in beweging.--Waar blijft Felix?--Waar blijft Rob?--Het
St. Nicolaas-klooster door de Russen bezet.--De stem van
Orloff.--De Hertog verschijnt.--De Czaar!--Rob brengt het
Charter.--Elizabeth kiest Felix tot kampioen.
XXVIII. Het Kroningsduel 426
De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.--Het duel
begint.--Edelmoedigheid van Felix.--De Hertog wordt doodelijk
gewond.
XXIX. Eind goed, Al goed 438
De kroning gaat door.--Czernovië is vrij!--Felix wordt
Prins-Gemaal.--Felix en Elizabeth doen afstand van den
troon.--Robert Rensma, President der Oranje-Republiek.--
EERSTE HOOFDSTUK.
HOE DIT BOEK ONTSTOND.
De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October
1901.--Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden
hem terug.--Er wordt hem f10.000 geboden voor een beschrijving
van zijn lotgevallen.
De groote gebeurtenis, die den 13en October 1901 het geheele land
in rep en roer bracht, waarover de kranten weken lang kolommen vol
schreven, en die weldra in alle deelen van Europa met schrik en
verwondering besproken werd--die gebeurtenis ligt ons allen nog zoo
versch in het geheugen, dat ik ze den lezer nauwelijks nader behoef
aan te duiden.
Nu echter de geheimzinnige sluier opgeheven is, waarmee deze
gebeurtenis een jaar lang was bedekt, en de geschiedenis van Rob
Rensma's lotgevallen in dit boek wordt bekend gemaakt, nu zij het
mij volledigheidshalve vergund de feiten nog even in 't kort aan
te stippen.
Het was ongeveer half negen in den morgen van den 13en October
1901. Rob bevond zich op dat tijdstip op het Leidsche Plein te
Amsterdam, en had dus geen haast te maken om met het spelen van negenen
in de Hoogere-Burgerschool te zijn. Maar daarom alleen liep hij niet
zoo langzaam: hij had twee zware repetities in 't vooruitzicht--en
hij had den heelen vorigen avond in 't Vondelpark gefietst! Meer
behoef ik er niet van te zeggen.
Rob slenterde dus zoo'n beetje langs de straat, z'n boeken onder
den arm en z'n oogen naar den grond, en hij trachtte zich vergeefs
'n formule uit zijn natuurkundeboek te binnen te roepen, die hij
totaal vergeten was, en waarnaar hem vandaag zeker gevraagd zou
worden. Ze vroegen hem altijd dingen die hij niet wist! Rob was niet
dom--integendeel. Hij had een vlug en helder verstand, maar hij
gebruikte 't niet altijd. Hij hield meer van lichamelijke dan van
geestelijke inspanning. Fietsen, zwemmen, voetballen--dat was je ware;
maar langer dan 'n uur rustig op de bank te zitten, daarvoor was Rob
te ongedurig.
"Ik gaf mijn nieuwe fiets ervoor," dacht Rob, "als ik vandaag niet naar
hok hoefde. Hè, als er nu eens onverwacht iets gebeurde, waardoor..."
Hij had dezen zin bij zichzelf nog niet voltooid, toen hij zich
opeens krachtig om het middel voelde gegrepen, opgetild en snel omhoog
gevoerd worden.
Eén minuut daarna was hij nog slechts als een stip, twee minuten
later was hij geheel niet meer te zien.
's Morgens om halfnegen is het op 't Leidsche Plein al zoo druk als in
een kleinere stad wanneer 't kermis is. 't Spreekt dan ook vanzelf, dat
zijn ontvoering niet onopgemerkt bleef. Maar 't is merkwaardig zooveel
verschillende verhalen men te hooren krijgt, als tien ooggetuigen
een gebeurtenis ieder op zijn eigen manier weergeven. Meer dan tien
menschen hadden waarschijnlijk 't verdwijnen van den zooeven nog
rustig wandelenden jongen niet van 't begin tot 't eind gezien;
want alles ging zoo verbazend snel in zijn werk, dat Rob al uit
't gezicht verdwenen was eer men goed begreep wat er gebeurde. Maar
toen later, ten behoeve van 't onderzoek, door de justitie getuigen
werden opgeroepen, verklaarden zich 234 personen bereid onder eede
te verklaren wat ze gezien hadden, terwijl bij vergelijking der op
schrift gebrachte verklaringen daarvan 159 zeer aanmerkelijk van
elkaar bleken te verschillen! De een had duidelijk gezien, dat een
groote roofvogel den jongen in zijn klauwen had gepakt; de tweede wist
zeker, dat er op het dak van den Stadsschouwburg een man had gestaan
die een langen lijn uitwierp met een haak er aan, en zoo den jongen
naar zich toe trok; de derde had Rob, dien hij zeer goed kende, om
halfnegen bij het Centraal-Station ontmoet, zoodat hij niet begreep
hoe er van dat ontvoeringsverhaal iets waar kon zijn; een vierde had
zonder eenigen twijfel een luchtballon gezien, waar Rob met een dreg
ingeheschen werd--kortom, ieder had een andere lezing van het geval,
en de een sprak tegen wat de ander gezien had.
Van een geregeld onderzoek kon in deze zaak geen sprake zijn. De
rechter van instructie bepaalde zich tot 't doen opschrijven van 234
getuigen-verklaringen, en overigens was niemand bij machte ook maar
de geringste aanwijzingen te geven omtrent een vermoedelijken dader
of omtrent de mogelijke aanleiding tot de daad.
"Het onderzoek wordt voortgezet"--dit was het laatste, wat de kranten
het nieuwsgierig publiek omtrent het positieve gedeelte van deze
geheimzinnige geschiedenis konden opdisschen. Maar het publiek was
daarmee natuurlijk niet tevreden, en zoo moesten de nooit uit het
veld geslagen krantenmannen het terrein der feiten wel verlaten,
om over te gaan tot dat der fantasie. Men _wilde_ nu eenmaal
niet tevreden zijn met het weinige, dat de justitie te weten was
gekomen. En de verslaggevers begonnen ijverig op hun onuitputtelijken
duim te zuigen. Avond aan avond verschenen er ellenlange artikelen
om de verdwijning te verklaren. In de buitenlandsche bladen werd
duchtig meegedaan. Zoo verscheen in de Figaro een meer geestig
dan wetenschappelijk artikel van een ongenoemde, waarin betoogd
werd dat hier niet anders kon gewerkt hebben dan een chemisch
proces. Aangezien immers door de proeven van professor Raymond
gebleken was dat het element falmium, door hem in het zonnespectrum
geconstateerd, een sterke oplossende kracht bezat, was het zeer goed
mogelijk--zoo redeneerde de Figaro-schrijver--dat door een tijdelijke
en plaatselijke versterking van dat element een zoo sterke oplossende
inwerking had plaatsgehad, dat Rob binnen enkele seconden in den
poedervorm was overgegaan. Niemand dacht eraan, en de schrijver zelf
waarschijnlijk 't minst van allen, deze redeneering in ernst op te
nemen. Maar evenmin wilde men geloof hechten aan het zeer geleerde en
langdradige opstel van den beroemden Duitschen metereoloog Von Müller
in de "Wissenschäftliche Blätter," dat ten doel had de verdwijning te
verklaren uit de opzuigende werking van een krachtigen luchthoos. Was
deze verklaring inderdaad de juiste, dan moest Rob immers hier of daar
weer neergekomen zijn, en zou men zijn overblijfselen hebben moeten
vinden. Dat nu was niet het geval. Aan de rechtbank werd niets anders
gedeponeerd dan het pak boeken, dat Rob onder den arm had toen hij
zich op weg naar school bevond, en dat hij klaarblijkelijk gedurende
zijn vliegtocht had laten vallen. Het was door een agent van politie
bij de kiosk opgeraapt.
De heer Von Müller liet het er echter niet bij zitten. Hij gaf nog
ettelijke naschriften op zijn artikel, en richtte ten slotte zelfs
zulke krachtige vertoogen tot de Nederlandsche Regeering, dat deze
zich tegenover de autoriteit van den geleerde niet verantwoord achtte
zijn mededeelingen over het hoofd te zien. Op last van den Minister
van Justitie werden gedurende eenige weken alle daken van alle huizen
in den omtrek van het Leidsche Plein onderzocht--echter zonder ander
resultaat dan dat de post "onvoorziene uitgaven" op de begrooting
met f10.000, zijnde de kosten van het onderzoek, moest verhoogd worden.
Na ongeveer vier weken begon de publieke belangstelling te luwen,
totdat opeens een nieuwe gebeurtenis alle gemoederen weer in beroering
bracht. Den 11en November toch werd bij den voogd van Rob, zijn ouders
leefden niet meer, Willemsparkweg 921, een brief in de bus gevonden
van den volgenden inhoud:
"Ik ben in leven, en u hoeft u dus niet ongerust over me
te maken. Alleen zult u geduld moeten hebben, want ik zal
waarschijnlijk wel een jaar moeten wegblijven. Maar u kunt
er vast op rekenen dat ik dan gezond en ongedeerd bij u
terugkom. Ontvang de hartelijke groeten van
uw liefhebbenden Rob."
"P.S. Wilt u er vooral aan denken, dat mijn konijnen iederen
morgen hun eten krijgen?
Rob."
Ook deze gebeurtenis, de ontvangst van den brief, zal de lezer zich
nog duidelijk herinneren. Afdrukken ervan werden overal verspreid;
aan alle winkelruiten werd er een aangeplakt en alle kranten gaven
er een als gratis bijlage. Opnieuw ging er een storm van ontroering
door het land.
Professor Von Müller moest er het zijne weer van hebben. Hij schreef
aan de Nederlandsche Regeering, dat deze brief vervalscht moest
zijn. De hoos alleen was echt, en zou dit blijven zoolang niemand het
tegendeel bewees. De geleerde heer roerde zich zóo, dat een onderzoek
gelast werd naar de echtheid van het handschrift. Alle schoolcahiers,
alle verjaarbriefjes, die Rob ooit aan tantes en ooms had geschreven,
kwamen voor den rechter. Maar door iedereen, door Rob's voogd en
de familie Rensma in de eerste plaats, door de onderwijzers en de
schriftkundigen, werd pertinent verklaard dat niemand anders dan
Rob het bewuste briefje geschreven kon hebben. Nu werd de professor
kwaad, en begon een verwoeden veldtocht tegen de schriftgeleerden,
die volgens hem allemaal ezels waren. Hij schreef de eene brochure na
de andere, en werd ten slotte zoo vervelend, dat niemand meer notitie
van hem nam. Toen schonk de Duitsche Keizer hem de Kroonorde en den
personeelen titel van Geheimrath.
De zaak werd er niet duidelijker op, en er zou zeker nog heel wat tijd
en inkt aan besteed zijn, wanneer niet in die dagen de Transvaalsche
Oorlog alle aandacht in beslag had genomen. De kranten bepaalden
zich nu alleen tot enkele sensatieberichten. Ongeveer elke zes weken
kwam er opeens een telegram, nu uit Singapore, dan uit Groenland,
dan weer uit Valparaiso, dat er een jongen aangehouden was, wiens
signalement geheel overeenkwam met het overal verspreid portret
van den ontvoerde. Natuurlijk brachten zulke berichten telkens een
kortstondige maar hevige spanning, en bleken zij ook telkens onjuist te
zijn. Eens werd zelfs door de Japansche Regeering, op verzoek van de
onze, een jongmensch op staatskosten naar Amsterdam getransporteerd,
omdat men nu zeker meende Rob gevonden te hebben. Maar alle kosten
en moeiten waren vergeefs. Het jongemensch, een reizend Mongoolsch
marskramer, die eigenlijk heelemaal niet begreep wat men van hem
wilde, genoot eenige dagen de belangstelling van heel Amsterdam,
maar werd zoo bekeken, nageloopen, gedrongen en van het kastje naar
den muur gestuurd, dat hij dol blij was toen de Japansche Consul hem
weer overnam. Toch had hij de voldoening, met een aardig spaarduitje
weer naar zijn land terug te keeren, want de handige directie van
het Rembrandt-Theater had kans gezien hem tegen buitensporig hooge
betaling voor twee avonden te engageeren, en zijn aardige Mongoolsche
volksliederen hadden een uitbundig succes gehad.
Men kan begrijpen dat de familie Hartog, bij wie Rob in huis was
geweest, in groote spanning leefde. Ofschoon zij het 't beste
oordeelde, den raad van Rob op te volgen en te berusten, was de
justitie van oordeel dat men zich hier niet bij mocht neerleggen, en
gedurende drie maanden werd het huis op den Parkweg door een sterke
politiemacht bewaakt, ten einde te trachten den brenger van het
briefje, mocht hij opnieuw komen, in handen te krijgen. Men ontdekte
echter geen enkel spoor, en daar ook, noch uit het papier, noch uit
den inkt iets omtrent de herkomst der berichten kon afgeleid worden,
gaf men het ten slotte op.
Zoo verging het jaar 1901; het werd October 1902, en de belangstelling
was langzamerhand verflauwd; men begon het geval Rensma te vergeten.
Toen--we herinneren het ons allen nog levendig--gebeurde er opeens
iets, dat als een electrische schok door heel Nederland voer. Den
9en October ontving de familie Hartog een telegram uit Slavowitz,
de hoofdstad van Czernovië, luidende:
"Ik kom den dertiende thuis.
Rob."
Vier dagen van vreeselijke spanning! Zou het waar zijn? Zou dit
telegram werkelijk door Rob zijn afgezonden? Of had men weer met
een van die leugenachtige sensatieberichten te doen, waardoor al zoo
dikwijls teleurstelling was veroorzaakt?
Den 13en October, des avonds te elf minuten over achten, werd er
forsch aan de bel getrokken, en tien seconden daarna.... stond Rob
in de huiskamer, stralend, gezond, stevig!
Men begrijpt niet hoe zulke dingen uitlekken, maar zeker is, dat
de ochtendbladen van den 14en met vette letters aan het hoofd van
de eerste pagina de groote gebeurtenis meldden. Op den Parkweg zag
het zwart van de menschen; men verdrong zich voor de woning van de
familie Hartog. Rob moest op het balcon komen en werd met luide hoera's
begroet. De heele buurt vlagde. Krantenjongens deden buitensporige
zaken. De Amsterdammer Nieuwsbode, tot op dat oogenblik een kwijnend
blaadje van den derden rang, wist door een reeks handig-gestelde
artikelen de aandacht te trekken, en kreeg er in acht dagen tijds
zevenduizend abonnés bij. Zooals men weet is 't nu een Naamlooze
Vennootschap met een kapitaal van twaalfmillioen gulden. In alle
winkels verrezen speciale etalages, men kocht eenige weken slechts
Rensma-brood, Rensma-sigaren, Rensma-paraplu's, en er was geen lief
meisje in heel ons land, die Rob's portret niet op haar étagère
had staan.
Maar het handigst van allen wist de uitgever van dit boek van Rob's
terugkomst partij te trekken. Om ongeveer acht uur in den morgen was
door bulletins en telegrammen het groote nieuws bekend geworden;
om kwart voor negen stapte er iemand voor het huis Willemsparkweg
921 van zijn fiets, belde, gaf zijn kaartje af en fietste vijf
minuten later weer weg, met de schriftelijke verklaring in zijn zak,
waarbij hem--nadere regeling voorbehouden--de alleenuitgave verzekerd
werd van Rob's reisavonturen! De 17 Amerikanen, 11 Duitschers, 8
Franschen, 3 Russen, 2 Engelschen, 1 Deen en 1 Griek, die later op
den dag telegrafisch dezelfde autorisatie vroegen, vischten achter
het net. Eerst den volgenden dag kwamen de eerste aanbiedingen van
andere Hollandsche uitgevers in. Niet alleen waren zij allen te laat,
maar hun voorwaarden bleven ver ten achter bij die van eerstgenoemden
uitgever, die zonder nadere onderhandelingen f10,000 bood, en dit
bedrag onmiddellijk verdubbelde toen hij vernam, dat Rob het voor de
algemeene armen van Amsterdam wenschte te bestemmen.
Ondanks het gedane verzoek, had Rob geweigerd zelf het relaas van
zijn lotgevallen te schrijven. Hij verklaarde daartoe den tijd te
missen, en zooals we later zien zullen, was dit motief alleszins
gegrond. Het gevolg van een en ander was, dat de uitgever denzelfden
dag een telegram verzond van dezen inhoud:
"A. Bertrand--Hotel de Draak-- Peking.
"Rob Rensma terug--ben in het bezit van zijn
aanteekeningen--wilt ge daaruit reisverhaal
samenstellen--honorarium f5000."
De bewerker van dit verhaal maakte op dat oogenblik een reis
door China, bezig met het verzamelen van gegevens voor een nieuw
jongensboek, en seinde terug:
"Ja--ik kom.
A. Bertrand."
Veertien dagen later werd te Amsterdam een begin gemaakt met het
schiften en ordenen van Rob's notities, en als resultaat daarvan
ligt thans het volledige en getrouwe overzicht van Rob's wonderlijke
avonturen voor u.
TWEEDE HOOFDSTUK.
ROB VLIEGT DE LUCHT IN.
Wat Rob in het Vondelpark vond.--De geheimzinnige
doos.--Rob meent een komplot op het spoor te zijn.--Hoe zijn
nieuwsgierigheid gestraft werd.
Het ligt voor de hand, dat men al gauw na Rob's verdwijning
zich de vraag stelde: wat is de onmiddellijke aanleiding tot zijn
ontvoering? Is hier een wraakoefening in het spel? Is er een bepaalde
reden waarom juist Rob het slachtoffer van deze geheimzinnige
geschiedenis moest worden?
De lezer zal zich deze vraag ook gesteld hebben, en het ligt daarom in
de bedoeling allereerst in dit opzicht een nadere verklaring te geven.
Iedereen weet, dat Rob den avond vóor de ontvoering in het Vondelpark
gefietst had, daarna nog even in zijn studieboeken had gesnuffeld,
en vervolgens naar bed gegaan was. Er was dien dag, noch de vorige
dagen, iets bizonders met hem gebeurd, en den volgenden dag was hij op
het gewone uur naar school gegaan. Deze eenvoudige feiten waren aan
ieder bekend, en men kon er met geen mogelijkheid eenige aanwijzing
in vinden, die steun aan het gerechtelijk onderzoek zou geven.
Maar wat tot op heden niemand geweten heeft, is het volgende.
Toen Rob door het Park fietste, liet hij zich als gewoonlijk geen
enkelen kwajongensstreek ontgaan, en, in zijn neiging om dingen te doen
die verboden zijn, reed hij ook zoo nu en dan door de voetpaden. De
parkwachter had hem voor deze overtreding al menig standje gemaakt,
maar op dat oogenblik was de man niet te zien, en bovendien begon
't al te schemeren. Op het wandelpad, dat langs den vijver loopt, had
Rob het ongeluk met zijn voorwiel een van twee mannen te raken, die
daar op een bank in fluisterend gesprek zaten. De mannen, blijkbaar
verschrikt, stonden haastig op; de een mompelde iets dat Rob niet
verstond, en daarna verwijderden beiden zich snel. Rob was ook even
geschrokken, meenende dat hij den man bezeerd had, maar toen hij
zag dat ze 't blijkbaar niet boos opnamen, maakte hij zich gereed om
weer in het zadel te springen. Daar werd hij echter op zijn schouder
getikt, en de parkwachter stond naast hem, zeggend: "al weer zonder
licht?" De wachter, een goedhartig man, wist wel dat Rob nu eenmaal
onverbeterlijk was, en liet het dus bij deze vermaning. Maar Rob vond
het toch verstandiger, zijn lantaren aan te steken. Daarom zette hij,
terwijl de wachter weer verder wandelde, zijn wiel tegen de bank, en
stak een lucifer aan. Weldra brandde de lantaren helder, en Rob wou
juist wegrijden toen hij op de bank een metalen voorwerp zag liggen,
dat de stralen van het lantarenlicht scherp weerkaatste. Dadelijk
was zijn nieuwsgierigheid geprikkeld; hij nam het voorwerp, dat een
stalen doos of kistje bleek te zijn, op zijn fiets mee, en besloot
het thuis eens op zijn gemak te bekijken.
Het zou zeer zeker verstandiger van Rob geweest zijn, als hij het
kistje aan den parkwachter ter hand had gesteld, of getracht had
de beide mannen in te halen, die het klaarblijkelijk hadden laten
liggen. Maar de vorm en het uiterlijk van zijn vondst trokken hem
zoo aan, dat hij niet laten kon het voorloopig in zijn bezit te
houden. Dat hij, thuisgekomen, het voorwerp aan niemand liet zien,
heeft een verklaarbare oorzaak. Een paar maanden geleden toch, in
de zomervacantie, had Rob, bij familie in Utrecht logeerende, bij
een der forten in den omtrek der stad een langwerpige huls gevonden,
die later bleek een dynamietpatroon te zijn, welke vermoedelijk na
een oefening van de genie-troepen was blijven liggen.
Dat wist Rob toen echter nog niet; hij had er aan gepeuterd en er
op gehamerd, en het gevolg was geweest dat 't ding, waarin zich nog
een overblijfsel van het springmiddel had bevonden, plotseling met
een hevigen slag was ontploft. Rob had vrij ernstige brandwonden aan
gezicht en handen gekregen, zijn haren en wenkbrauwen waren geschroeid,
en 't had maar weinig gescheeld of hij zou er een oog bij verloren
hebben. Natuurlijk had zijn voogd hem onder handen genomen, en hem
streng verboden ooit weer iets op te rapen waarvan hij vermoeden kon
dat het zulk een gevaarlijken inhoud bezat.
Rob had dit verbod op zijn manier opgevat, en bracht het in practijk
door voortaan nooit iets van zijn vondsten te vertellen. Toen hij
dan ook thuis kwam, bracht hij het doosje dadelijk op zijn kamer,
en eerst 's avonds in bed begon hij bij kaarslicht zijn buit te
onderzoeken. Hij bleek een blank stalen doos in den vorm van een
boek te pakken te hebben, ongeveer 20 cM lang, 15 cM breed en 3 cM
dik. Langs een der lange zijden liep een stalen draad, waarmee de
doos klaarblijkelijk gesloten werd gehouden. Daar de draad aan beide
uiteinden tegen de doos was vastgesoldeerd, trachtte Rob het soldeer
in de kaarsvlam te doen smelten. Dit lukte echter niet, en daar Rob
door de treurige ervaring van den afgeloopen zomer wel wat huiverig
was gevonden voor proefnemingen met vuur, stapte hij zijn bed uit en
scharrelde in zijn timmerkist een nijptang en een vijl op. Met behulp
van deze beide werktuigen gelukte het hem den draad te verbreken,
en nu ging de doos zonder veel moeite open. De inhoud bleek uit drie
bladen perkament te bestaan, althans uit bladen van een zeer taaie,
geoliede papiersoort. Het eerste blad was blanco, de beide anderen
waren met diepzwarten, glanzenden inkt beschreven. Op het eene bevonden
zich niets dan cijfers; het andere bevatte de volgende regels:
Kroonjuweelen £1000.000
15 October Green-eiland
20 October Dover
Huur hoek Longmanstreet 2610 en 2612
Advertenties en aanplakbiljetten.
De beteekenis van deze zinnen was voor Rob totaal onverstaanbaar. Hij
begreep echter wel, in verband met het vreemde gedrag der beide mannen,
die de metalen doos verloren hadden, en ook omdat dit document zoo
stevig was verpakt, dat hij vermoedelijk met aanteekeningen te doen
had, die voor den eigenaar van groote waarde waren. Zijn levendige
fantasie spon een ganschen roman om de drie perkamenten bladen, en
toen hij, moe gekeken op de geheimzinnige woorden, die hij te vergeefs
met elkaar in verband trachtte te brengen, ten slotte in slaap was
gevallen, droomde hij voortdurend van alle wonderverhalen die hij in
zijn leven gelezen had. Hij was er van overtuigd dat hij een zeer
belangrijke vondst had gedaan, die hem misschien op het spoor van
een samenzwering of een andere avontuurlijke onderneming zou brengen.
Den volgenden morgen verborg hij de doos in den binnenzak van zijn
jas, voornemens om na schooltijd een kameraad in het geheim te nemen
en met diens hulp het document eens aan een nauwkeurig onderzoek
te onderwerpen.
Rob vermoedde weinig, dat hij niet lang ongestraft in het bezit van
het gevondene zou blijven. Toen hij den vorigen avond naar huis ging,
was een der mannen, die het kistje hadden laten liggen, hem gevolgd;
voor de deur van zijn woning had deze een eigenaardig gefluit doen
hooren, en kort daarna zweefde een donker voorwerp boven het huis,
en bleef daar gedurende den geheelen nacht, door niemand opgemerkt,
hangen. Hoe het verder met Rob toeging, weten we, en we hebben dus
nu na te gaan waar hij te land kwam, toen hij door die onverklaarbare
aantrekkingskracht van de aarde werd opgeheven.
DERDE HOOFDSTUK.
OP HET LUCHTSCHIP.
Rob komt aan boord van "De Vogel".--Hij wordt vriendelijk
ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich
ingericht.--Hij leert het leven aan boord kennen.--De eerste
dag valt hem niet tegen.
Zij, die twee jaar geleden meenden gezien te hebben dat Rob van het
dak van den Stadsschouwburg door een man, die zich daar verborgen
hield, omhooggehaald werd, kunnen er zich thans op beroemen dat hun
getuigenis voor den rechter van instructie de waarheid het meest
nabij kwam. Want inderdaad kwam de gang van zaken ongeveer daarop neer.
Het bolvormige voorwerp, dat gedurende den nacht boven het huis van
den heer Hartog had gezweefd, had zich tegen den morgen tot boven
het dak van den Schouwburg verplaatst, waar het onzichtbaar bleef
voor de voorbijgangers. Toen Rob langs kwam, werd een metalen lijn
uitgeworpen, die ondanks zijn uiterste dunheid geheel onbuigbaar was,
en aan welks uiteinde een cirkelvormige band was bevestigd, die over
Rob's hoofd heengleed en daarna vast om zijn armen en zijn middel
werd dichtgetrokken. Boven op het dak gekomen, werd Rob door een man,
in een nauwsluitend zwart pak zonder eenige versiering gekleed en met
een zwart masker voor, in ontvangst genomen. Deze zei alleen: "niet
bang zijn; rustig blijven." Daarna haakte hij de lijn los, legde Rob
op een klein platform, dat onder aan een bol was bevestigd die op een
luchtballon leek, nam zelf plaats op een soort stuurstoel, die zich
aan het uiteinde van het platform bevond, en draaide snel een houten
kruk eenige malen om. Onmiddellijk daarna schoot de geheele toestel
met fabelachtige snelheid omhoog, zoo snel dat Rob den wind langs zijn
ooren voelde suizen. Rob was wel een beetje verschrikt, maar hij was
nog al niet bang van aard, en de manier waarop zijn ontvoerder hem
met kalme, heldere stem had aangemaand rustig te blijven, boezemde
hem zulk een vertrouwen in, dat hij weldra zijn bedaardheid terug
voelde keeren. Met open oogen lag hij rond te kijken; hij vond de
snelle beweging en de frissche wind die langs zijn gezicht streek niet
onaangenaam. Wel kon hij zich geheel niet bewegen, want zijn geleider
had ook een ring om zijn beenen gesloten, maar hij bemerkte dat zijn
boeien hem geheel geen pijn deden, en waarschijnlijk met een zachte
stof gevoerd waren. Ook begon hij het reisje wel romantisch te vinden,
en stelde hij zich al de verbaasde gezichten van zijn kameraden voor
als zij van zijn geheimzinnig verdwijnen zouden hooren.
Na enkele minuten zeer snel gestegen te hebben, draaide zijn geleider
weer aan de kruk, en de ballon bleef onbewegelijk hangen. Naar
beneden ziende, bemerkte Rob dat hij zich boven een dikke wolkenlaag
bevond, die de aarde aan zijn oog onttrok. De zon scheen vroolijk,
en kleurde de wolken met roze en gele tinten, zoodat ze een geheel
ander aanzien kregen dan men van beneden af gewoon was waar te nemen;
een paar vogeltjes kwamen op den rand van het platform zitten en
kwinkeleerden vroolijk; de heldere hemel boven de luchtschippers was
zoo diep en glanzend blauw als men dat in onze noordelijke landen
zelden of nooit waarneemt.
De man aan het roer opende een klein deurtje in den bodem van het
platform, en bracht een flesch, een glas, een bord en een doos van
eigenaardigen vorm en uit een paarlmoer-achtig metaal vervaardigd,
te voorschijn. Uit de flesch schonk hij een blauwe vloeistof in,
terwijl hij uit de doos een paar roodgekleurde rolletjes nam en die
op het bord legde. Ofschoon Rob kort geleden stevig ontbeten had,
voelde hij nu opeens een prikkelenden honger, en hij liet zich dus ook
niet lang nooden, toen zijn geleider een van zijn handen vrijmaakte,
en tot hem zei:
"Eet en drink iets. In deze hooge lucht krijgt men gauw honger."
Het zag er vreemd uit: die blauwe vloeistof en dat roode voedsel. Maar
de stem van den geheimzinnigen stuurman klonk weer zoo vriendelijk en
vertrouwenwekkend, dat Rob geen oogenblik aarzelde. Hij at en dronk,
en de uitwerking was hoogst merkwaardig. De drank had het prikkelende
en opwekkende van champagne, zonder de benevelende eigenschappen
daarvan; de kleine roode broodjes deden aan pasteikorst denken, maar
waren lichter en brosser, en toch voelde Rob zich na ze gegeten te
hebben zoo verzadigd en versterkt alsof hij een voedzaam maal genoten
had. Toen hij gereed was en zich weer heelemaal op zijn gemak voelde,
vroeg hij:
"Wat gebeurt er eigenlijk met me?"
De man met het masker antwoordde:
"Voorloopig kan ik je geen enkele inlichting geven. Vraag dus
niets. Ik zal je boeien losmaken, maar wees zoo verstandig en blijf
rustig zitten. Ontvluchten is natuurlijk onmogelijk, doe dus ook geen
poging om mij te bemoeilijken."
Rob beloofde dat hij in alles gehoorzamen zou. Toen deed de man ook den
band van zijn voeten af, en Rob ging rechtop zitten. Zijn geleider
schoof nu het masker opzij, en Rob keek in een flink, mannelijk
gezicht, waarin de donkere oogen scherp en helder schitterden. Om
den mond lag een ernstige, vastberaden trek.
"Schrik niet," zei de stuurman, "ik zal een signaal geven."
Hij opende een klepje in een buis, die zich naast de stuurkruk
bevond, en nu deed zich een zwaar, doordringend geluid als van een
misthoorn hooren. Na ongeveer een minuut werd dit signaal van uit de
verte beantwoord, en de stuurman sloot de klep. Weldra zag Rob uit de
wolkenmassa een donker gevaarte naderen, het nam snel in omvang toe, en
hield vlak naast het schuitje waarin Rob zich bevond stil. Nu zag Rob,
dat zich boven het kolossale luchtschip een aantal vleugelschroeven
bevond, die snel ronddraaiden, en hij begreep dat deze dienden om
den winddruk te neutraliseeren en het schip zwevende te houden. Op
dergelijke wijze was het ook mogelijk geweest het "schuitje," zooals
Rob het bij zichzelf noemde, bijna onbewegelijk op dezelfde plaats
te doen blijven.
Het luchtschip, waarop Rob nu overstapte--nadat hij met verbazing
gezien had, hoe zijn geleider met enkele weinige handbewegingen de
ballon van het schuitje deed leegloopen en daarna den geheelen toestel
opvouwde en in een betrekkelijk kleine kist borg--bleek een langgerekt
sigaarvormig lichaam te zijn, waarboven zich een ballon bevond die er
ongeveer als een liggende O uitzag. De lengte van het schip schatte Rob
op ongeveer 25 M., de breedte op nagenoeg 8 M. Verscheidene wentelende
schroeven en raderen deden een eigenaardig gedempt snorren hooren; hier
en daar merkte Rob toestellen en instrumenten op, waarvan de beteekenis
hem natuurlijk ontging. Aan het achtereinde van het dek stond een
huisje met glazen wanden, waarin zich een man, klaarblijkelijk de
stuurman, bevond; ook deze droeg dezelfde eenvoudige zwarte uniform
als zijn geleider, en was het eenige levende wezen dat op het dek te
bespeuren viel.
Op aanwijzing van zijn geleider daalde Rob een trap af, die zich aan de
voorzijde van het dek bevond en toegang gaf tot een gang, welke in de
lengte van het schip liep, en waarop verscheidene deuren uitkwamen. Een
daarvan, het nummer 9 dragende, werd voor hem geopend, en Rob werd
verzocht binnen te gaan en te wachten tot men hem zou doen roepen.
Toen de deur zich achter hen gesloten had, bleek Rob zich in een
kamertje van ongeveer 3 bij 4 M. te bevinden, dat er lang niet
ongezellig uitzag. Het was smaakvol gemeubeld, en ontving zijn licht
door een breed, vrij hoog in den wand aangebracht venster. Aan de
zoldering en langs de wanden bevonden zich electrische lampjes; tegen
een der zijmuren stond een ledikant, de andere was in regelmatige en
even groote vakken verdeeld, die elk een opschrift hadden in een voor
Rob onbekende taal, en klaarblijkelijk de deuren vormden van zich in
dien zijwand bevindende kastjes of bergplaatsen. De vloer was bedekt
met een zachte, veerkrachtige stof; de wanden waren van een glad, warm
gekleurd behangsel voorzien; het heele vertrek was even eenvoudig,
smaakvol als practisch ingericht. Op een bij het raam aan den muur
bevestigd lessenaartje lag een boek, waarop in het Hollandsch, Fransch,
Duitsch, Engelsch en de Rob onbekende taal het woord "Handleiding"
stond gedrukt; Rob wilde dit juist opnemen en inzien toen een stem
naast hem sprak:
"Ik kom eens even met je praten."
Rob schrikte een oogenblik, want hij had niemand hooren binnenkomen;
de deur was volkomen geruischloos opengaan en had zich evenzoo weer
gesloten. Hij keek om en zag iemand in de bekende zwarte kleeding
naast hen staan. Voor hij iets kon zeggen, sprak de binnengekomene:
"Je hebt zeker die metalen doos bij je, die je gisteren gevonden hebt?"
Rob haalde het gevraagde uit zijn binnenzak, en de ander nam haar
met een tevreden hoofdknik aan, bekeek den inhoud, en zei toen:
"Dat maakt het ons gemakkelijk. Ik vreesde dat we het voor goed kwijt
zouden zijn. Heb je gelezen wat er in staat?"
"Ja, dat heb ik."
"Ik dacht het wel; de sluiting is verbroken. Nu vrees ik echter,
dat de commandant je vooreerst niet kan laten gaan. De inhoud is zeer
belangrijk en niemand buiten ons mag die weten."
"Ik wil u graag beloven dat ik er nooit met iemand over spreken zal,"
zei Rob.
"Ja--dat geloof ik wel. Maar daar mogen we niet op rekenen. Het is
heel jammer, dat je het slachtoffer bent geworden van de slordigheid
van een onzer kameraden. Maar daar is niets aan te veranderen. Neem nu
een goeden raad van me aan. Wees kalm en onderwerp je in alles aan wat
je hier voorgeschreven zal worden. Dan verzeker ik je dat je 't hier
heel goed zult hebben en dat je, zoo gauw maar eenigszins mogelijk
is, weer vrijgelaten zult worden. Ik zal nu beginnen met je wat beter
thuis te brengen in onze omgeving, dan zal je ook spoedig op je gemak
zijn en je gevangenschap geduldig dragen. Laten we gaan zitten."
De spreker schoof twee stoelen bij het raam, en vervolgde nadat beiden
hadden plaats genomen:
"Hoe heet je?"
"Rob."
"Dat is een goede, korte naam. Dien zal je wel kunnen houden. We
houden hier van eenvoud en kortheid, en hebben daarom allen bondige
namen. Ik heet Lo; zoo moet je me ook voortaan noemen. Als je er aan
gewend bent, zijn onze namen volstrekt niet onwelluidender dan die
de menschen op aarde dragen. Verder behoor je te weten dat we elkaar
hier allemaal bij den naam noemen en met jij en je aanspreken. Ook
dat is eenvoudig en went gauw. Het maakt den omgang gemakkelijker en
aangenamer, en neemt volstrekt de achting voor elkaar niet weg. We
spreken ook den commandant, die Li heet, op die gemeenzame wijze
aan, en toch gehoorzamen wij hem gaarne. Kijk eens, in dat Handboek,
waarnaar je zooeven keek, vind je alles wat noodig is om je hier met
kennis van zaken te kunnen bewegen; maar om het je gemakkelijker te
maken, zal ik je in hoofdtrekken den inhoud vertellen, dan kan je
het later nog wel eens nalezen."
Lo nam nu het Handboek van het lessenaartje, sloeg het open, en zei:
"Je bent hier op het luchtschip De Vogel. Alweer een eenvoudige
naam, en tevens doelmatig, want je zult later bemerken dat dit schip
geconstrueerd is volgens dezelfde beginselen als het lichaam van
een vogel.
"Met het doel en de bestemming van De Vogel heb je voorloopig nog
niet te maken.
"Er zijn hier de volgende personen aan boord: Li, de commandant,
iemand van ongeveer dertig jaar, dien je straks zult leeren kennen;
La, onze geleerde, de wetenschappelijke raadsman van het schip, van
wien je nog wel genoeg zult hooren; zijn eenige fout is verstrooidheid,
en daaraan heb jij ook te danken dat je op 't oogenblik hier ben--maar
dat komt later wel ter sprake. Ten derde Mu, de stuurman, die je op
het dek zeker wel in zijn huisje hebt zien zitten; hij vervangt zoo
noodig den commandant. Dan hebben we Naf, Nef en Nof, die alle drie
een veelzijdigen, soms drukken werkkring vervullen. De eerste heeft
het toezicht op de gemeenschappelijke vertrekken--je zult weldra in
de gelegenheid zijn te zien welke dat zijn--hij springt desvereischt
voor den stuurman in, zorgt voor de bereiding van het voedsel, regelt
de uurwerken, houdt de vrij talrijke instrumenten in orde die er aan
boord zijn, en is kortom met de geheele leiding van de dagelijksche
bezigheden belast. Nef en Nof zijn onze boden; ze worden met
belangrijke zendingen naar de aarde belast--soms zelfs naar een andere
planeet--doen allerlei speur- en onderzoekingsdiensten, behandelen
in ernstige omstandigheden onze verweermiddelen (het geschut, zouden
ze op aarde zeggen) en hebben elk een klein vliegtoestel tot hun
beschikking, waarvan je er een dezen morgen hebt leeren kennen. De
zevende en laatste ben ik; je zoudt me den particulieren secretaris
van den commandant kunnen noemen. Ik breng het grootste deel van
mijn tijd in zijn werkkamer door, werk zijn plannen en bevelen uit,
breng die ter kennis van de overige bemanning, schrijf de geschiedenis
van het schip, beheer de geldmiddelen--die we hier in de lucht ook
noodig hebben, zooals je zien zult--voer daarvan de administratie,
en ben ten slotte belast met de zorg voor onze gasten."
"Hoor ik ook tot de gasten?" vroeg Rob eenigszins ondeugend.
"We noemen iedereen zoo die geen deel uitmaakt van de vaste bemanning,"
antwoordde Lo. "Op 't oogenblik ben je dus aan mijn bizondere zorgen
toevertrouwd. Je bevindt je in het vertrek voor de gasten van het
schip. Er zijn hier de volgende kamers, zooals je op dezen platten
grond duidelijk zien kunt: aan het einde van de gang de kamer van
den commandant, waarin tevens een schrijftafel voor mij; daarnaast de
eetkamer, waarin de leeskamer inkomt. Deze vertrekken zijn genummerd:
1, 2 en 3. Langs de gang bevinden zich 7 kamers, 4 rechts en 3
links, doorloopend genummerd; de nummers 4, 5, 6, 7 en 8 zijn voor
de bemanning (de commandant en ik hebben onze slaapvertrekken achter
de werkkamer); kamer 9 is voor eventueele gasten en kan zoo noodig
voor meerdere personen worden ingericht; kamer 10 is het zoogenaamde
laboratorium, tevens keuken--twee bestemmingen die zich hier, zooals
je zien zult, zeer goed laten vereenigen. Eindelijk bevindt zich
onder in het schip de badkamer, genummerd 11, en een bergruimte die
het nummer 12 draagt; met het glazen huis van den stuurman, n°. 13,
is het aantal compleet. In dit huis bevinden zich alle toestellen,
die voor het voortbewegen van het schip noodig zijn.
"Ziezoo, nu weet je den weg.
"Wat onze taal betreft, die is hoogst eenvoudig, en gemakkelijk
te leeren. La is er de uitvinder van en heeft het vraagstuk van
een practische, duidelijke en niet moeielijke taal schitterend
opgelost. Misschien, als je ons vertrouwen hebt weten te winnen,
zal hij je in de geheimen ervan inwijden. Maar voorloopig zal het
wel Latijn voor je blijven.
"En nu zal ik je nog even vertellen wat je hier in je kamer vinden
kunt.
"Zooals je ziet, is alles aanwezig wat je op aarde in een goed
ingerichte logeerkamer maar zou kunnen verlangen. Je hebt zeker
al opgemerkt dat alles er even eenvoudig en toch uiterst sierlijk
uitziet. En bovendien heeft elk voorwerp de uitstekende eigenschap van
onbreekbaar te zijn; glas of hout komt niet voor, alles is van metaal,
tot de dekens van je bed toe, hoe vreemd dit ook klinkt. Later zal
je dit duidelijker worden.
"Hier in dezen zijwand vind je alles wat je maar wenschen kunt;
elk vak heeft een deurtje--kijk, als ik op dit knopje druk, springt
bijvoorbeeld deur 2 open. In dat kastje liggen kleeren; je vindt
er compleete stellen van boven- en ondergoed, het is eenvoudig,
practisch en hygiënisch. Hoe het schoongehouden wordt, leer ik je
later. In kast 3 is beddegoed, in kast 4 schrijfgereedschap, nummer
5 bergt eenige wapens en instrumenten die je te pas komen--kortom,
je vindt hier alles wat maar nuttig of aangenaam kan zijn.
"Zie zoo. Nu ben je voorloopig op de hoogte. Het is nu halftwaalf. Kijk
nu eens een half uur in je kamer rond totdat je met alles vertrouwd
bent. Om twaalf uur kom ik je halen en gaan we naar den commandant."
Met deze woorden nam Lo afscheid en Rob werd voor een half uur aan
zichzelf overgelaten.
Hij moest bekennen dat hij zijn toestand zóo avontuurlijk vond, dat
hij eigenlijk hoopte voorloopig niet vrijgelaten te zullen worden. Hij
ging in gedachte alle boeken na, waaruit hij van wonderlijke reizen
en romantische avonturen had gelezen, en 't leek hem dat in geen
van die verhalen zulke ongeloofelijke dingen werden verteld als
hij nu meemaakte. Zoo dikwijls had hij gehoopt zélf eens zulke
avontuurlijke reizen te mogen maken, en nu werd op eens onverwacht
aan dat verlangen voldaan. Wat zouden het toch voor menschen zijn,
onder wie hij zich nu bevond? In elk geval wilden ze hem geen kwaad
doen, want de beide mannen met wie hij tot nu toe te doen had gehad,
waren bizonder vriendelijk voor hem geweest. Hij begreep wel dat
ze hem gevangen hielden omdat hij toevallig op het spoor van een
hunner geheimen was gekomen, maar hij zag eveneens in dat men hem
niet langer van zijn vrijheid zou berooven dan hoog noodzakelijk
was. In dit opzicht zag hij den toestand niet ernstig in. Wel was hij
bezorgd dat zijn kennissen in angst zouden verkeeren, en dat vergalde
veel van 't genoegen dat hij al in zijn avontuur gekregen had. Wat de
onderwijzers en de jongens van de H.B.S. van zijn verdwijnen zouden
denken, dat trok hij zich zoo erg niet aan; integendeel voelde hij
zich wel gewichtig tegenover hen. Maar 't hinderde hem dat zijn voogd
en diens vrouw ongerust zouden zijn. Waarschijnlijk zouden ze wel
gehoord hebben dat hij op het Leidsche Plein naar boven getrokken was,
want er waren natuurlijk menschen geweest die hem hadden zien vliegen,
al wist hij zich door den eersten schrik heelemaal niet te herinneren
welken indruk zijn ontvoering op de voorbijgangers had gemaakt. Maar
als niemand verdere berichten van hem kreeg, dan zouden ze zich thuis
toch erg ongerust gaan maken.
Rob dacht over dit alles nog na, toen de deur weer geruischloos werd
geopend en Lo hem uitnoodigde mee te gaan.
Ze liepen de gang ten einde en Lo opende de deur van een niet groot
maar eenvoudig en smaakvol ingericht studeervertrek, waar de commandant
Li aan zijn schrijftafel zat. Li bleek een man van ongeveer dertig
jaar te zijn, met een ernstig, energiek, maar vriendelijk gezicht,
die dadelijk toen Rob binnentrad, opstond, hem tegemoet kwam en de
hand uitstak.
"Ga zitten, Rob," zei Li. "Ik heb van den secretaris al 't een en ander
van je gehoord. Het spijt me dat ik genoodzaakt ben geweest je te doen
oplichten; maar daar was niets aan te verhelpen. Door een toeval had
je een document in handen gekregen, dat voor mij van veel gewicht is;
ik mocht je niet in 't ongestoord bezit daarvan laten. Vertel me nu
eens; hoe heet je?"
"Rob Rensma."
"Hoe oud ben je?"
"Zestien jaar."
"Waar ga je school?"
"Op de H.B.S. in Amsterdam."
"En waar woon je?"
"Willemsparkweg 921."