DE HEER. DE HEMELSCHE HEERSCHAREN. Naderhand MEPHISTOPHELES.

De drie aartsengelen treden voor.

RAPHAËL.

De zon doet weêr haar loflied hooren,

In ’t koor der spheren als altijd;

Haar baan voleindigt ze als te voren,

Al donderende wijd en zijd.

Haar glans, die grenzen kent noch perken,

Vervult zelfs de englen met ontzag;

Gods ondoorgrondelijke werken

Zijn schoon, als op den eersten dag.

GABRIËL.

En snel draait, in haar voorwaarts zweven,

Zich de aarde rond met al haar pracht,

Hier als door hemelgloed omgeven,

En daar gehuld in diepen nacht.

De zee drijft, onder schuimend klotsen,

Gevaarten uit haar worteling,

En verder rukken zee en rotsen

In eeuwig snelle wenteling.

MICHAËL.

En hevig bruisen storm op stormen

Van zee naar land, van land naar zeên,

Terwijl ze in ’t woên een keten vormen

Der diepste wieling om zich heen.

Daar vlamt de bliksem alvernielend;

De donder volgt met majesteit:

Maar wij vereeren, Heer, al knielend

Uwe almagt en uw heerlijkheid.

TE ZAMEN.

Uwe almagt, zonder paal noch perken,

Vervult ook de englen met ontzag;

Uwe ondoorgrondelijke werken

Zijn schoon, als op den eersten dag.

MEPHISTOPHELES.

Daar gij ons nu eens weder nadert, Heer,

En vraagt hoe ’t zoo al gaat in deze tijden,

Terwijl ge ook vroeger mij nog al mogt lijden,

Zoo ziet gij me ook in dit gezelschap weêr.

Maar ’k ben niet thuis in deftige gesprekken,

En mooije woorden heb ik nooit gekend:

Mijn pathos zou gewis den lachlust wekken,

Al had men zich ook ’t lagchen afgewend.

Naar hemelbollen moet men mij niet vragen;

Ik zie alleen, hoe zich de menschen plagen.

De kleine wereldgod blijft van den zelfden slag

En is zoo wonderlijk als op den eersten dag.

Misschien zou hij een weinig beter leven,

Hadt gij hem niet een glimp van ’t hemellicht gegeven;

Hij noemt het Rede, om, onder dezen schijn,

Nog dierlijker dan eenig dier te zijn.

Hij heeft—wil ’t mij ten goede houên!—

Veel van een sprinkhaan in landouwen,

Die altijd vliegt en vliegend springt,

En in het gras zijn oude liedje zingt;

En bleef hij nu nog in het gras maar preêken,

Maar overal wil hij zijn neus in steken.

DE HEER.

Hebt gij mij anders niets te vragen?

Komt gij dan altijd bij mij klagen,

En wordt van de aarde nooit iets goeds door u gezegd?

MEPHISTOPHELES.

O Heer, ik vind het daar, als altijd, bitter slecht.

De menschen gaan me aan ’t hart in hunne jammerdagen;

Ik mag die halzen zelfs niet meer nog plagen.

DE HEER.

Zeg! kent gij Faust?

MEPHISTOPHELES.

Den doctor?

DE HEER.

Ja, mijn knecht.

MEPHISTOPHELES.

Voorwaar, hij dient u op bijzondre wijze:

Niet aardsch toch is zijn drank en spijze.

Zijn gistend brein brengt hem aan ’t malen.

Van zijne dolheid naauwlijks half bewust,

Wil hij van ’t firmament de schoonste sterren halen,

Van de aarde elk hoogst genot en lust;

En waar zijn geest ook heen moog’ dwalen,

Niets brengt zijn kloppend hart tot rust.

DE HEER.

Al dient hij me ook zoo als het mogt wel niet,

’k Zal toch hem spoedig in de waarheid leiden:

De tuinman weet, als ’t spruitje knopjes schiet,

Dat rijpe vruchten later hem verbeiden.

MEPHISTOPHELES.

Wat wedt ge, dat hij u zal wederstreven,

Wanneer gij mij verlof wilt geven,

Hem aan mijn hand te voeren door het levend?

DE HEER.

Zoo lang hij nog op aarde leeft,

Zoo lang zij dat u niet verboden:

De mensch toch doolt zoo lang hij streeft.

MEPHISTOPHELES.

Ik dank u, Heer! want met de dooden

Heb ik nooit gaarne iets aangevangen;

Het meest bevielen me altijd frissche, volle wangen;

Voor al wat dood is ben ik niet te huis;

Het gaat mij als het poesje met de muis.

DE HEER.

Nu, ’k wil hem aan u overlaten.

Trek vrij dien geest van zijnen oorsprong af;

Voer hem, zoo gij hem kunt bepraten,

Op uwen weg meê in het graf,

En sta beschaamd, als gij bekennen moet,

Dat de edele ook op ’s levens kronkelpaden

Zich voor het struikelen behoedt!

MEPHISTOPHELES.

Ik zal mij hierop niet beraden,

En ben ook voor die weddingschap niet bang.

Wanneer ik eindelijk mijn doel heb mogen treffen,

Veroorloof dan me een juichkreet aan te heffen.

Stof eten zal hij al zijn leven lang,

Gelijk mijn nicht, de alom beroemde slang!

DE HEER.

Gij moogt ook daar u vrij vertoonen.

’k Heb uws gelijken nooit gehaat:

Van alle geesten, die door hun verzet mij honen,

Deed mij de schalk altijd het minste kwaad.

Des menschen werkzaamheid kan al te ligt verflauwen;

Hij is het liefst van alle zorgen vrij:

’k Voeg daarom graag hem een gezel ter zij,

Die hem als duivel wakker weet te houên.

Doch gijliên, de echte godentelgen,

Blijft in het levend rijke schoone zwelgen!

Het wordende, dat eeuwig werkt en leeft,

Omvatte u met de liefde in al haar krachten,

En wat als nevel u voor de oogen zweeft,

Bevestig dat met blijvende gedachten.

De hemel sluit; de aartsengelen gaan hunnen weg.

MEPHISTOPHELES alleen.

Van tijd tot tijd mag ik den Heer wel zien,

En ’k wacht mij wel met hem te breken.

Het is toch mooi van zulke groote liên,

Ook met den duivel zelf zoo familjaar te spreken.

Eene hooggewelfde Gothische kamer. Het is nacht.

Faust onrustig op zijnen stoel aan de schrijftafel.

FAUST.

’k Studeerde nu philosophie,

Geneeskunde en juristerij,

En ook, helaas, theologie;

Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!

Daar sta ik nu, ik brekebeen,

En ben zoo wijs nog als voorheen!

’k Heet meester, doctor, redenaar,

En leid reeds in het tiende jaar,

Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,

Mijn jongren bij hun neuzen om—

En zie toch dat wij niets beseffen.

Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!

Ik weet wel meer dan al die apen,

Magisters, doctors, schrijvers, papen;

Geen angst noch twijfel kan mij plagen,

Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:

Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;

Ik heb ’t geloof geheel verloren.

Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leeren

Om zich te beteren of te bekeeren;

Ook heb ik goed noch geld bespaard

En eer noch roem mij opgegaard.

Maar langer zou geen hond zoo willen leven;

’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:

Ligt worden mij door hare kracht

Geheimen aan het licht gebragt,

Waardoor ’k niet meer in angst en zweet

Moet zeggen wat ik zelf niet weet;

Welligt wordt mij dan toevertrouwd

Wat heel de wereld zamenhoudt,

Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,

En woordgezift aan andren overlaat.

O, zaagt gij, vriendelijke maan,

Voor ’t laatst het harteleed eens aan,

Waarmeê ’k zoo menig winternacht

In dit vertrek heb doorgebragt,

Gij waart voorzeker aan mijn zij,

Ook zonder al die schrijverij!

Mogt van een bergtop mijn gezigt

Zich spieglen in uw helder licht!

O, mogt ik ginds met geesten leven,

Op velden in uw schijnsel zweven,

En, niet door boekenstof beladen,

In uwe frissche dauw mij baden!

Maar—’k steek nog in den kerker, dat

Vervloekt en vunzig, muffend gat,

Waar zelfs het lieve hemellicht

Zich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!

Benaauwd door dezen boekenlast,

Met rook en vuil en stof bedekt,

Die, tot de zoldring opgetast,

Tot spijs van mot en worm verstrekt;

Met flesschen, potten om mij heen,

Met instrumenten volgepropt,

Grootvaders pruik er in gestopt—

Dat is uw wereld—anders geen!

En vraagt gij nog, waarom uw hart

Zich bang in uwen boezem klemt?

Waarom eene onverklaarbre smart

Den bloedloop in uwe adren stremt?

In plaats van ’t leven der natuur,

Waarvoor de Heer den stervling schiep,

Omringt ge u door een beendrenmuur;

In rook en walm verzinkt gij diep.

O vlugt! Ruk af dien slavenband!

En hier, dit boek, dees gouden mijn,

Van Nostrodamus’ eigen hand,

Laat dit u tot geleider zijn!

Erken daarin der sterren loop;

En als natuur u onderwijst,

Ontwaakt de zielskracht en de hoop,

Gelijk een geest den andren spijst.

O ja! De diepste duisterheên

Verklaren deze teekens u.

Gij zweeft, o geesten, om mij heen:

Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!

Hij slaat het boek open, en ontdekt het Makrokosmus-teeken.

O, welk een weelde heeft bij dit gezigt

Op eenmaal al mijn zinnen ingenomen!

Ik voel een jong, een heilig levenslicht

Gelijk een vuurgloed door mijne adren stroomen.

Was het een God, die deze teekens schreef,

Die thans mijn weetlust stillen zullen,

Het arme hart met vreugd vervullen,

En met een drift, die steeds mij dreef,

De krachten der natuur me onthullen?

Ben ik een God? Het floers verbleekt;

Ik zie in deze reine trekken

Wat bovenzinlijk is zich voor mijn oog ontdekken.

Thans eerst besef ik wat de wijze spreekt:

“Het geestenrijk is niet gesloten;

“Uw zin is weg, uw hart is dood.

“Op, kweekeling! baad onverdroten

“Uw aardsche borst in ’t morgenrood!”

Hij beziet het teeken.

Hoe alles zich hier zamenweeft,

Het eene in ’t andre werkt en leeft!

Hoe hemelkrachten op en neder zweven,

Elkaâr de gouden emmers geven,

En onder ’t Hallelujah zingen

Van boven door deze aarde dringen,

Harmonisch ’t wereldruim omringen!

Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!

Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?

Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,

Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,

Waarnaar het dorstend hart verlangt?

Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!

Hij slaat misnoegd eenige bladeren om, en ontwaart het teeken van den

Aardgeest.

Hoe anders treft dit teeken mijn gemoed!

Gij, geest der aarde, zijt mij nader;

’k Voel reeds mijn krachten al te gader,

En mij doordringt een frissche gloed.

’k Voel sterkte om in de wereld mij te wagen,

Het leed der aarde en haar geluk te dragen,

Het hoofd te biên aan storm en onweêrsvlagen,

Niet bij orkaan of schipbreuk te vertsagen....

Een floers benevelt mijn gezigt....

De maan verbergt haar licht....

De lamp verdwijnt;

Een damp verschijnt;

Een ijskoude adem daalt van dit gewelf....

O, spaar mij verdre smart!

Ik voel ’t, gij zweeft om mij, bezworen geest, gij zelf!

Ontsluijer u! niet lang gemard!

Ha! Hoe, hoe dringt het mij in ’t hart,

Tot nieuw en blij gevoelen

Mijn zinnen komt doorwoelen!

’k Gevoel geheel mijn hart u overgeven;

Gij moet, gij moet, al kostte ’t mij het leven!

Hij neemt het boek, en spreekt het teeken van den Geest geheimvol uit.

Eene roodachtige vlam flikkert. De Geest verschijnt in de vlam.

GEEST.

Wie roept me?

FAUST, afgewend.

O, wat mijn oog daar ziet!

GEEST.

Uw roepstem heeft mij hier doen komen

En uit mijn spheer mij weggenomen,

En nu—

FAUST.

Wee, ik verdraag u niet!

GEEST.

Gij ademt weêr, nu gij mij kunt aanschouwen,

Mijn stem kunt hooren, mijn gelaat kunt zien:

Wel nu, kan ik mijn hulp u biên—

Hier ben ik! Welk erbarmelijk mistrouwen

Grijpt thans u aan! Waar is de wil, die hier mij riep?

Waar is de borst, die zich een wereld schiep,

Haar koesterde, haar droeg, en, onervaren,

Zich inbeeldde ons, de geesten, te evenaren?

Waar zijt ge, Faust, wiens stem ik straks vernam?

Die wilde dat ik bij hem kwam?

Zijt gij het, die, door mijnen aâm omgeven,

Aan al uw leden schijnt te beven,—

Een worm, die wegkruipt in het stof?

FAUST.

Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?

Ik ben het, Faust, ik—uws gelijken!

GEEST.

In ’s levens stroom, in huis en hof,

Zweef ik op en neêr,

Zweef ik heen en weêr!

Geluk en wee,

Eene eeuwge zee,

Een wislend weven,

Een gloeijend leven,—

’k Werk zoo aan den snorrenden weefstoel altijd,

En lever het kleed aan de godheid gewijd.

FAUST.

Gij, die het wereldruim doorzweeft,

O geest, hoe na gevoel ik me aan uw zij!

GEEST.

Een geest der aarde, waar ge op leeft,

Gelijkt ge, maar niet mij!

Verdwijnt.

FAUST, in zijn stoel nedervallende.

Hoe nu?

Niet u?

Ik, evenbeeld der godheid,

En niet eens u?

Er wordt geklopt.

O ramp, wat hoor ik! Wie is daar?

Nu gaat mijn schoonst geluk te gronde!

Voor ’t proza wijkt mijn heil dees stonde.

Ik ken dien klop: ’t Is onze Wagenaar!

Wagenaar, in een nachtjapon, met eene slaapmuts op en eene keukenlamp

in de hand. Faust keert hem misnoegd den rug toe.

WAGENAAR.

Verschoon me; ik hoorde u declameeren;

’t Is vast een treurspel, dat ge in handen hadt.

’k Zou van die kunst ook wel iets willen leeren;

Want tegenwoordig wil men dat.

Men zegt zelfs, dat de geestelijke heeren

Van een komediant nog kunnen profiteeren.

FAUST.

Ja, als de geestlijke een komediant is,

Zoo als dat soms wel eens gebeurt.

WAGENAAR.

O, als men in zijn vak niet bij de hand is,

En van de wereld weinig maar bespeurt,

Of op haar door een kijker slechts mag turen—

Hoe kan men haar dan door verstand besturen!

FAUST.

Gevoelt gij ’t niet, gij zult het niet beseffen,

Wanneer ’t niet uit de ziel ontspringt,

En met een overstelpend treffen

In ’t hart van uwe hoorders dringt.

Blijf aan uw schrijfcel maar geklonken;

Maak daar ragout en andre morserij,

En blaas de jammerlijkste vonken

Uit uwe potjesbakkerij!

U wacht bewondering van apen en hun vrinden,

Zijt gij misschien daarmeê gebaat;

Maar nimmer zult gij hart aan hart verbinden,

Indien ’t u niet van harte gaat.

WAGENAAR.

Met voor te dragen maakt men meestal een begin;

Ik voel dit wel, maar ’t wil er nog niet in.

FAUST.

Hoor! Volg in eenvoud steeds uw pad,

En wees geen nar met bellen aan;

Hij toch bezit den grootsten schat,

Die nedrig op zichzelf kan staan.

En is ’t u ernst eens meê te spreken,

Waartoe naar woorden dan gekeken?

Veel woorden, vaak om keurigheid bemind,

En zoo het heet met geestigheid dooraderd,

Zijn, wel beschouwd, gelijk de dwarrelwind,

Die in den herfst giert door het dor gebladert.

WAGENAAR.

Helaas! De kunst is lang,

En kort slechts is ons leven.

Ik word, bij al mijn trachten en mijn streven,

Toch in mijn hart en nieren bang.

Hoe zwaar zijn niet de middlen te verwerven,

Waardoor men tot de bron geraakt!

En eer men nog ten halven weg genaakt,

Moet wel een arme duivel sterven.

FAUST.

Is boekenstof de bron van heil en zegen,

Waaruit een dronk u laafnis schenkt?

Verkwikking hebt gij niet verkregen,

Zoo die uw eigen ziel niet brengt.

WAGENAAR.

Vergeef! Het is een groot genoegen,

Zich in den geest der eeuw te voegen,

Te zien hoe eens een wijze heeft gedacht,

En zijn idée door ons dan verder wordt gebragt.

FAUST.

O ja, tot aan der sterren trans!

Mijn vriend, de tijden van ’t verleedne althans

Zij zijn een boek voor u en mij gesloten:

Wat als den geest der eeuw vaak wordt gevreesd,

Is, wel beschouwd, des menschen eigen geest,

Maar niet door God hem ingegoten.

Nu schreeuwt en tiert men als bezeten,

En kiest op stel en sprong het hazenpad;

Voor ontuig wordt deze eeuwgeest uitgekreten,

Waarbij ’t geluk zijn einde heeft gehad.

Dit alles klinkt heel stichtlijk in onze ooren;

Men kan het van Jan Klaassen ook zoo hooren.

WAGENAAR.

Maar zie—de wereld, wat de mensch al smeedt,

Daarvan kan ieder toch wel iets beseffen.

FAUST.

Ja, wat men zoo beseffen heet;

Wie durft den spijker op den kop steeds treffen?

De weinigen, geloof me, in ieder land,

Die, dwaas genoeg, zich daarvoor niet bewaarden,

Maar hun gevoel ’t gepeupel openbaarden,

Die heeft men steeds gekruisigd of verbrand.—

Maar, vriend! het is vrij laat reeds in den nacht;

Wij moeten nu elkaâr verlaten.

WAGENAAR.

Ik had dit waarlijk niet gedacht;

Ik zou bij u nog wel wat willen praten.

Maar morgen is het Paasch, dan kom ik weêr,

Als gij ’t niet kwalijk neemt, mijnheer!

’k Was altijd op de studie als bezeten;

’k Weet veel reeds, maar zou gaarne meer nog weten.

Vertrekt.

FAUST, alleen.

Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,

Die altijd zich aan flaauwheid laaft,

Met gierge hand naar schatten graaft,

En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!

Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,

Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?

Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,

Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!

Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,

Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,

Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,

Dat ik het als een dwerg genaakte.

Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,

Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—

Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,

En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—

Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije kracht

Vermat door de adren der natuur te vlieten

En ’t leven als de Goden te genieten—

Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;

Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!

’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,

Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;

U hier te houden, stond niet in mijn magt.

Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,

Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;

Maar, wreede! gij zijt heengetogen,

En laat mij met mijn lot alleen!

Wat staat mij nu te doen, te mijden?

Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?

Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,

Zij stremmen onzes levens gang!

Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,

Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;

Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,

Dan heet dit zelfbedrog en waan.

Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,

Verstijft in aardsche jammer en gewoel.

Terwijl verbeelding met een stoute vaart

En vol van hope de eeuwigheid gaat meten,

Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,

Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.

De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,

En vestigt daar geheime smart;

Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,

Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.

Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,

Als vuur, als water, gift of dolk,

Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,

En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.

’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;

Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,

Den worm, die in het stof zich laaft,

En dien de tred des wandelaars begraaft.

Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wanden

Uit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?

De prullekraam, die met zijn duizend banden

Me in deze mottenwereld d’ adem stremt?

Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?

Moet ik misschien in duizend boeken lezen,

Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?

Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?

Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!

Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?

Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,

En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?

’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,

Met rad en kammen, wals en bendel;

’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?

Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!

Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,

Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;

Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,

Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.

Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,

Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;

De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,

Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.

’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,

Dan hier des nachts te zweeten en te waken;

Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,

Ontvangt men om er van gebruik te maken.

Wat ons niet dient, dat is een zware last;

Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.

Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?

Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?

Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,

Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?

Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,

Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!

’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.

Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,

Extract van alle doodelijke krachten,

Bewijs uw meester nu uw gunst!

Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;

Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;

De springvloed van den geest begint terug te gaan;

Ik voel mij in de volle zee verwezen;

Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;

Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.

Een vuurge wagen komt mij nader zweven,

O zie! en ’k voel mijn geest bereid,

Op nieuwe baan den aether door te streven

Tot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.

Dit hooger leven, dat een godheid baarde,

Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?

Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aarde

Den rug vol moed en vastberaden toe!

Vermeet u stout de poorten in te dringen,

Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;

Hier is het tijd om naar den roem te dingen,

Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—

Niet voor die donkre holen te vertsagen,

Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,

Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,

Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;

Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,

En stout in ’t onbekende u te begeven.

Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,

Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—

Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!

Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:

Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,

Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.

Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,

De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,

En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,

Herinnert mij aan menig blijden nacht.

’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;

’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:

Hier is een sap van bovenaardsche kracht.

Een donker vocht zal ’k in u gieten;

Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;

Dees laatste dronk zij nu met blij genieten

Aan ’t hooge feest van morgen toegebragt!

Hij zet de drinkschaal aan den mond.

Klokkenspel en Koorgezang.

KOOR VAN ENGELEN.

Hij is verrezen!

Juich nu, o sterveling,

Die het verderf ontving,

En wien beangstiging

Kwelde voordezen!

FAUST.

Wat diepe toonen treffen daar mijne ooren,

En rukken met geweld de schaal mij van den mond?

Laat plegtig klokgelui op dezen stond

Reeds d’ aanvang van het Paaschfeest hooren?

Is ’t weêrklank van uw lied, o hemelkoren,

Dat luid verkondde dat de Heiland was geboren?

KOOR VAN VROUWEN.

Wij, droeve vrouwen,

Daalden vol smart hier af;

Wij, zijn getrouwen,

Legden hem neêr in ’t graf.

Balsemen, winden,

’t Is al door ons geschied:

Maar ach, wij vinden

Christus hier niet!

KOOR DER ENGELEN.

Hij is verrezen!

Zalig de sterveling,

Die na een loutering,

Als hij van God ontving,

Nu is genezen!

FAUST.

Wat zoekt gij, die daarboven zweeft,

Mij in het stof, o hemeltoonen?

O klinkt daar, waar men menschen heeft,

In wie ’t geloof altijd mogt wonen!

Het wonder is steeds aan ’t geloof verkleefd;

Maar ’k zal mij in de spheren niet begeven,

Waaruit het englenkoor de blijde boodschap zendt.

En toch—van kindsbeen af aan dezen klank gewend,

Roept hij ook nu mij weêr terug in ’t leven!

Voorheen, o ja, ontving ik van omhoog

Een hemelkus bij plegtig sabbathvieren;

’t Was een gebed, dat mij aan de aarde onttoog.

Een onbeschrijfelijk verlangen

Dreef mij door bosch en velden rond,

En met de tranen op de wangen

Gevoelde ik hoe een wereld in me ontstond.

Dit lied herinnert mij mijn kinderjaren,

Herinnert mij mijn lentetijd,

En houdt mij nu terug, daar ’k op mijn jeugd blijf staren,

Van dezen laatsten worstelstrijd.

O, klinkt vrij voort, gij liedren zacht en teeder!

De traan ontwelt me; de aarde heeft mij weder!

KOOR VAN JONGEREN.

Heeft die den dood verwon

Reeds in dit leven,

Heeft onze gloriezon

Ons reeds begeven?

Is hij hierboven al

Hemelsche vreugd nabij?

Ach, in dit aardsche dal

Is ’t woestenij!

Liet hij de zijnen

Hier onder zorg en druk?

Ach, wij verkwijnen

Bij zijn geluk!

KOOR DER ENGELEN.

Licht werd het duister:

Christus verliet het graf!

Mensch, werp den kluister

Blij van u af!

Gij, die hem prijzen wilt,

Liefde bewijzen wilt,

Broederen spijzen wilt

En onderwijzen wilt,

U is de Heer nabij;

Hij ’s aan uw zij!

Buiten de poort.

Allerlei wandelaars komen er uit.

EENIGE WINKELBEDIENDEN.

Waarom dien weg nu op?

ANDEREN.

Wij gaan naar ’t Jagershuis op gindschen top.

DE EERSTEN.

Wij wandelen naar ’t Groene Laantje.

EEN WINKELBEDIENDE.

Kom, ga met mij naar de Eendenkooi!

EEN TWEEDE.

De weg daarheen is niet heel mooi.

EEN DERDE.

En wat doet gij?

EEN VIERDE.

Ik ga met Piet naar ’t Zwaantje.

EEN VIJFDE.

Ga meê naar Burgdorf! Bij dien herbergier

Zijn mooije meisjes en uitstekend bier;

Men heeft er altijd veel pleizier.

EEN ZESDE.

Gij, lieve jongen, wilt er weêr naar toe?

Zijt gij die gekheid nog niet moê?

Ik ga niet meê; ik weet wel wat ik doe.

EEN DIENSTMEISJE.

Neen, ’k ga niet verder, Pieternel!

EEN ANDER.

Die lindeboom, daar zal hij zeker bij staan.

DE EERSTE.

Ja, meisje! maar ik vat het wel:

Hij zal met u en niet met mij gaan.

Gij danst en springt, nu daar, dan hier:

Ik vraag: wat raakt mij uw pleizier?

DE ANDERE.

Maar heden heeft hij zeker iemand bij zich;

Hij sprak mij van Martinus Rijzig.

EEN STUDENT, tot een anderen.

Vertikt, wat snappen daar die meiden!

Kom, vriendlief, kom! Wij moeten ze geleiden!

Een goed glas bier, een lekkere cigaar,

Een lieve meid—dan ben ik kant en klaar.

EENE BURGERDOCHTER, tot eene vriendin.

Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1] · 第 2 / 9 段