In het tweede gevoelt hij zich inwendig verjongd. Eerst ziet

FAUST.

DRAMATISCH DICHTSTUK

VAN

GOETHE.

NAGEVOLGD

DOOR

H. FRIJLINK.

MET EEN ZESTAL SCHETSEN, NAAR TEEKENINGEN VAN

MORITZ RETZSCH.

TWEEDE, HERZIENE EN VERMEERDERDE UITGAVE.

AMSTERDAM,

HENDRIK FRIJLINK.

1866.

EEN WOORD VAN DEN VERTALER.

Faust wordt als het uitstekendste werk van Goethe beschouwd. De naam er

van is in aller mond; ook bij Nederlanders, die maar eenigzins op

beschaving aanspraak maken, is dit het geval. Maar kennen wij Goethe’s

Faust wel—zelfs in het oorspronkelijke? Shakspere, die vóór omstreeks

eene eeuw zelfs onder zijne landgenooten alleen bij name bekend was, en

door eenige Duitschers uit het stof der vergetelheid, waaronder hij

begraven lag, moest worden opgedolven, wordt nu ook bij ons, door het

uitgeven van sommige zijner werken, met allerlei toelichtingen ten

gehoore gebragt. Maar nu Goethe’s Faust? Wij kennen, als navolging in

onze taal, slechts een paar fragmenten, te klein van omvang, om ons van

het geheel een denkbeeld te maken. Moet het daarbij nu blijven? Maar

“Faust kàn niet vertaald worden” oordeelen velen, omdat in dit

dichtstuk allerlei takken van wetenschap ter sprake komen (Goethe was

zeer wetenschappelijk gevormd), en eene navolging dus hoogst moeijelijk

is te achten, terwijl Goethe bovendien tot de dichters behoort, welke

niet ieder bij de eerste lezing kan verstaan.

Ik geef dit toe. Maar zou het zóó bepaald eene onmogelijkheid moeten

heeten, dat elke poging om Faust te vertolken doelloos en dwaas moet

zijn?

Dit kwam mij anders voor; en daarom heb ik mij aan eene—zoo veel

mogelijk getrouwe—navolging van Goethe’s Faust gewaagd, en bied deze

met alle bescheidenheid, en in het bewustzijn dat er niets volmaakt is

op deze wereld, hierbij onzen landgenooten aan.

Weinig heb ik hierbij te voegen. De Zueignung, het Vorspiel auf dem

Theater en den Walpurgisnachttraum heb ik weggelaten, als blijkbaar

latere bijvoegselen. Even zoo is van den Prolog im Himmel slechts de

inhoud teruggegeven. Waar, aan het slot, de Heer sprekende wordt

ingevoerd, geeft dit, naar mijn gevoel, wat al te zeer aanleiding tot

spotternij of verkeerde toepassing. In eene onlangs uitgegeven

geïllustreerde uitgave van Faust (bij Cotta, te Stuttgart) heeft men

dan ook den Heer door den Paus in groot pontificaal vertegenwoordigd!

Eindelijk staat het dusgenaamde “tweede deel” van Faust, mijns inziens,

zoo op zichzelf, dat ik er hier alleen van gewaag; het “eerste deel”

vormt inderdaad een afgesloten geheel.

Dat ik, in deze navolging, enkele eigennamen, als Wagner, Frosch en

andere, heb verhollandst, geschiedde om alle hardheid te vermijden, die

uit een dichtstuk verbannen behoort te zijn. Dit zijn nu nog maar

gefingeerde namen; maar Vondel gaf den naam Rabenhaupt zelfs door het

meer welluidende Ravenhooft terug, ofschoon de eerste toch historisch

was.

Eindelijk heb ik nu en dan voor iets, wat niet letterlijk vertaald kon

worden, een æquivalent in de plaats moeten stellen. Het zal mij tot een

aangenaam blijk van erkentenis strekken, zoo desbevoegden verklaren,

dat ik daarin niet al te ongelukkig geslaagd ben.

Januarij, 1865. F.

Dit schreef ik vóór de eerste uitgave, die met bijzonder welgevallen

door onze landgenooten is ontvangen; inzonderheid scheen mijne

vertolking zeer aangenaam te zijn aan het meer en meer toenemend getal

Rederijkers-genootschappen, omdat men, bij het kiezen van het een of

ander fragment uit een dichtstuk tot voordragt, in deze navolging

daartoe ruime keuze heeft.

Men heeft echter vrij algemeen zijn leedwezen betuigd, dat ik het

dusgenaamde “Voorwerk” onvertaald heb gelaten, terwijl men de reden,

die ik daarvoor opgaf, niet gegrond genoeg achtte. Dat verzuim,

waarvoor men het hield, wordt in dezen tweeden druk hersteld. Maar ook

de tekst zelf is hier en daar herzien, waar de vertaling wel iets

eenvoudiger en daardoor vloeijender gemaakt kon worden. [1]

Nog iets. In mijn berigt vóór de eerste uitgave gewaagde ik slechts van

fragmenten, die uit Faust in onze taal waren overgebragt. Onlangs

echter kwam mij een nommer van een onzer weekbladen in handen, waarin

mijne vertaling de eer werd aangedaan tot vergelijking te dienen met

eene van den heer L. Vleeschouwer, te Antwerpen, waarvan in 1865 eene

tweede uitgaaf het licht zag. Ik heb mij een exemplaar daarvan

aangeschaft, terwijl een vriend mij den eersten druk ter leen heeft

verstrekt, waarvan de uitgave in 1842 plaats had.

De aandacht van den lezer, bij het ter hand nemen van de tweede uitgaaf

dezer vertaling, wordt dadelijk getrokken door eene Voorrede, waarin de

heer Vleeschouwer zich zoo zeer in letterkundige en dichterlijke

bekwaamheid boven anderen verheven acht, dat men terstond denkt aan

Langendyk’s bekend blijspel, waarin Miester Jochem met veel wind het

tooneel opkomt, uitroepende:

Puf nou, Poëetjes! ’k ben de baas van ’t gantsche land!

Zoo ook Vleeschouwer. Al wat niet van hem afkomstig is, deugt niets

hoegenaamd,—de navolging, waarvan bij deze eene tweede editie geleverd

wordt, natuurlijk ook niet. [2]

Maar nu zijn eigen onovertroffen meesterstuk dan? Uit het zoo even

geleverde staaltje blijkt reeds, dat hij van maat en rijm, zoo als

beide op Nederlandsche poëzij worden toegepast, geen het minste begrip

heeft. Maar meer nog! Bij het vlugtig doorbladeren van zijn werk blijkt

terstond, dat hij onze taal in ’t geheel niet verstaat, en het

Hoogduitsch met Vlaamsche woorden is, wat hij opdischt. Men oordeele

uit enkele staaltjes:

Stieren (leiden) rijmt bij hem op verlieren (verliezen); verzwakken op

werken; loop op op (Hoogd. Lauf, auf); stilt op welt; zegelen op

bespiegelen; vochten op krachten; vermindert op lindert; verbant op

vlamt; feesten op begeesten; doordringen op zwingen; specerijen op

getrouwen (Spezereien, Getreuen); banden op vinden; zijnen op beweenen

(seinen, beweinen); geweld op balt; druiven op gelooven (Trauben,

glauben); en zoo verder in menigte. Keurigheden, als

Stof zal hij vreten met begeeren

Lyk mijne moeie, de beroemde slang,

Dat een komediant een pastor kan beleeren,

en dergelijken, komen ieder oogenblik voor.

Maar genoeg! Als de heer Vleeschouwer niet, bij deze gelegenheid, met

wat al te veel “bewaei” aan het publiek zijne onovertrefbaarheid had

willen opdringen, zou zijne vertaling thans wel genoemd, maar daarbij

zou het gebleven zijn.

Aug. 1866. F.

OVERLEVERING OMTRENT FAUST.

Johann Faust, zoon van een boer uit Weimar, werd in het begin der

zestiende eeuw geboren. Door een zijner ooms opgevoed, studeerde hij

eerst in de theologie, en ontving, in weêrwil van een vrij losbandig

leven, den doctortitel. Daarna liet hij deze studie varen, om zich op

bovennatuurkundige wetenschappen en tooverkunst toe te leggen.

Deze bijzonderheden ontleenen wij aan een werk, over zijn leven en

zijne merkwaardige avonturen, van Georg Rudolph Widmann, uitgegeven te

Frankfort in 1587. Het schijnt echter, dat deze auteur niets anders

heeft geschreven dan een roman of een dier fabelachtige legenden, die

in dat tijdvak zoo in zwang waren. Hij stelt ons doctor Faust voor als

den eersten der magici of sterrewigchelaars, die metalen kon

zamenstellen, de elementen gebieden, naar zijne verkiezing al de

gedeelten van dit ondermaansche doorklieven niet alleen, maar zich

zelfs tot de verst verwijderde planeten verheffen. Op zijn gebod

verrezen de dooden uit hunne graven; hij deed zich omringen door de

schimmen van Alexander den Groote en meer andere helden der oudheid.

Voor hem heeft het noodlot niets verborgens; en boeken, die hij met

behulp van Beëlzebub tot in het oneindige zamenstelt en

vermenigvuldigt, openbaren allerwege een groot aantal van onfeilbare

voorspellingen.

Wij zullen over de geloofwaardigheid van het in een werk als dit

aangevoerde geen woord verliezen. Bijna zouden wij in het gevoelen

deelen van een Hoogduitsch schrijver, die deze geheele historie

eenvoudig als eene lastering beschouwt, uitgevonden door de monniken

dier ligtgeloovige eeuw, tegen Johann Fust of Faust, van Ments, een der

verbeteraars—volgens sommigen uit dien tijd de mede-uitvinder—van de

boekdrukkunst, en derhalve hun vijand. Intusschen moeten wij bekennen,

dat deze opvatting slechts op zwakke gronden steunt. Sommige

landgenooten van Faust, den toovenaar van Weimar, twijfelen niet aan

zijn bestaan; en een bibliograaf heeft zelfs een catalogus van zijne

werken over tooverkunst uitgegeven.

Goethe had echter niet noodig, dat een historisch feit van zoodanige

belangrijkheid goed toegelicht en behoorlijk bewezen was, om het tot

een onderwerp voor een dramatisch dichtstuk te maken, waarin hij de

ijdelheid der menschelijke kennis wilde voorstellen, het gevaar om de

studie van afgetrokken wetenschappen te ver te drijven, kortom, een

man, die onder den invloed van den booze handelt. Er is iets grootsch

zoo wel als iets vreemds in deze opvatting. Het werk van den Duitschen

Shakspere bevat sublime stukken en tafereelen. Alleen heeft de dichter

misschien wat te veel toegegeven aan de zucht om, bij het schilderen

van helsche tooneelen, staatkundige en andere zinspelingen op het hof

van Weimar in te lasschen, die de Duitschers uit den tegenwoordigen

tijd niet meer begrijpen. Maar zijn ook de dingen van het oogenblik

voorbijgegaan, wat het genie leverde, is onsterfelijk.

OVERZIGT VAN HET DICHTSTUK.

Goethe heeft zijn Faust een treurspel genoemd. Wat men onder deze

benaming ook versta, op het werk van onzen dichter is zij niet van

toepassing, en het wordt dan ook in Duitschland, sedert eene halve eeuw

en langer, als Dramatisches Gedicht (met de noodige bekortingen

natuurlijk) ten tooneele gevoerd. Reeds Mad. de Stael noemde het un

poème dramatique, en in deze navolging is daarom de aanduiding

behouden, die er algemeen aan gegeven is. Men moet hierbij echter niet

uit het oog verliezen, dat van het “treurspel” eerst een fragment is

uitgegeven, en het stuk later is bijgewerkt. Het eerste plan er van is

in den winter van 1787–1788 te Rome ontworpen. Men zie hierover

Goethe’s Brieven uit Rome.

Het dichtstuk wordt geopend met een Prolog, waarvan het tooneel in den

hemel is. Het koor der engelen verheft den roem van het Opperwezen, en

de drie aartsengelen komen rekenschap afleggen van de taak, die aan elk

hunner in het heelal is toegewezen. Zij zeggen tot den Heer:

Uwe almagt, zonder paal noch perken,

Vervalt ook de englen met ontzag;

Uwe ondoorgrondelijke werken

Zijn schoon, als op den eersten dag.

Te midden van dit engelenkoor hoort men de bloeddorstige en spotachtige

stem van Mephistopheles [3], den geest des kwaads; een gevallen

aartsengel, maar die door den Heer somwijlen in zijne tegenwoordigheid

wordt toegelaten, even als de bijbel ons leert in de geschiedenis van

Job, en met wien hij niet terugdeinst over de belangen dezer wereld te

spreken. “Van al de demons”, zegt de Heer, “zijt gij degene, dien ik

het minst haat. De werkzaamheid van den mensch is aan verslapping

onderhevig, en om hem aan te prikkelen, heb ik uwe hulp noodig.”

Mephistopheles maakt van deze gelegenheid gebruik, om het menschelijk

geslacht te vervloeken, waaraan hij even veel haat als verachting

toedraagt. De Heer stelt hem het voorbeeld van Faust voor oogen, een

man vol van wetenschap en vroomheid, even als dit bij Job het geval

was. De vermetele demon, met al de zwakheden van het menschelijk hart

bekend, vraagt den Heer verlof om den wijsgeer lagen te leggen; en de

vreemdste overeenkomst wordt nu gesloten tusschen den Schepper aller

dingen en den Boozen Geest, aan wien hij heeft toegestaan vrijelijk

kwaad te mogen plegen.

Nu leidt de dichter ons de woning van Faust binnen. Het is nacht. De

geleerde is in zijn studeervertrek alleen, gezeten voor eene

schrijftafel, die met boeken en papieren bedekt is. Het vertrek wordt

door eene lamp verlicht, en om hem heen zijn allerlei instrumenten

verspreid, die tot verschillende studiën dienen. Zijn geest wordt

gepijnigd door de onzekerheid der wetenschap, en te gelijker tijd

overweldigd door dien dorst naar kennis, die zich van den mensch

meester maakt, naar mate zijne kundigheden zich uitbreiden. Deze

ontevredenheid van een grooten geest, in strijd met de grenzen van het

gewone leven, is uitstekend uitgedrukt in eene alleenspraak, die door

verscheidene tusschenkomende zaken wordt afgebroken, waarvan de

voornaamste de verschijning is van den Aardgeest, die, getrokken door

de magtige oproepingen van Faust, zich aan hem vertoont onder de

gedaante van een gelaat, dat door vlammen is omringd. In weêrwil der

ontzetting, die dit gezigt op Faust te weeg brengt, doet de hoogmoed,

die de voornaamste trek van zijn karakter is, hem tot den geest zeggen:

Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?

Ik ben het, Faust; ik, uws gelijken!

Een ironisch en dubbelzinnig antwoord werpt den geleerde in den afgrond

van twijfel en wanhoop.

Zijne klagten worden afgebroken door de komst van Wagenaar, zijn

leerling, of zijn famulus [4], zoo als Goethe hem noemt. Deze denkt dat

hij uit een treurspel declameert, en komt om iets van de geestdrift van

Faust op te vangen, dien hij aanhoort, zonder hem te begrijpen. Het

onderhoud, dat tusschen hen plaats heeft, is zeer geestig; men

onderscheidt er duidelijk in wat den man van genie van den droogen

geleerde onderscheidt. De eerste is een adelaar, die zich met zijne

uitgespreide vleugelen tot de bron des lichts verheft; de andere is een

boekworm, die in het stof der bibliotheken rondkruipt, en meer niet.

Worm is hij geboren, worm zal hij sterven.

Wij gaan het tooneel voorbij, waar Faust zich wil vergiftigen, dat door

Mad. de Stael zoo schoon beschreven is. Klokgelui en kerkgezang,

waardoor het Paaschfeest wordt aangekondigd, onttrekken Faust aan de

naargeestige gedachten van zelfmoord, en herinneren zijne ziel aan het

vertroostende gevoel der onsterfelijkheid. [5]

Een nieuw tooneel brengt den lezer buiten de stad, ter plaatse waar het

volk bijeenkomt, om zich te verlustigen. Faust begeeft er zich ook heen

met Wagenaar; verscheidene omstandigheden vereenigen zich, nu eens om

in hem die bittere ironie op te wekken, die somwijlen in het hart van

den wijsgeer op het gezigt der ijdelheid in onze kennis schijnt te

ontwaken, en dan weder om de verbeelding en den geest te verheffen bij

het zien van de merkwaardigheden der natuur. Het contrast tusschen den

geleerde, die zijne kennis uit de natuur, en hem, die haar uit boeken

put, blijkt hier uit het gesprek tusschen Faust en Wagenaar. Eindelijk

wenscht Faust, als door een toovermantel, opgetrokken te worden, om

dingen te aanschouwen, die hem onbekend zijn. Wagenaar waarschuwt hem

wel, doch te laat; want deze onvoorzigtige wensch is gehoord. De

helsche geest heeft op dit appèl geantwoord; de avond begint te vallen,

en in de schemering ziet Faust een dier, waarvan vorm en bewegingen hem

buitengewoon voorkomen; hij deelt zijne bevinding aan zijn medgezel

mede, die in het verschijnsel niets dan een zwarten poedel ziet, die op

het veld zijnen meester verloren heeft. Faust ontdekt een vurig spoor

op de schreden van het beest, en in de kringen, die het al nader

komende beschrijft, iets dat wel naar tooverkringen gelijkt. Maar door

Wagenaar gerustgesteld, zet hij zich over zijne bedenkingen heen, en

gaat weder de stad in, door den zwarten poedel gevolgd, een omkleedsel,

waaronder Mephistopheles verborgen is.

In zijne studeerkamer teruggekomen, wil Faust zich aan zijne gewone

studiën overgeven. Hij wordt hierin echter telkens gestoord door

gegrom, geknor en buitengewone bewegingen van den gevaarlijken

logeergast, die hij bij zich ontvangen heeft. Weldra wordt dit geknor

zoo hevig en verschrikkelijk, dat de geleerde het beest de deur wil

uitzetten; maar wel verre van gebruik te maken van de gelegenheid, die

hem wordt aangeboden, staat de poedel op, zet zich uit, wordt al

grooter en grooter, en neemt eindelijk eene reusachtige gedaante aan.

Te zelfder tijd hoort men buiten het vertrek een koor van geesten, die

weeklagen en de gevangenschap betreuren van een hunner, die

teruggehouden wordt door een tooverband, dien zij niet kunnen losmaken.

Faust neemt zijne sterkste bezweringen te baat, om zich geheel meester

te maken van den gevangene, dien het toeval hem in handen heeft

gespeeld. De dampen, door den helschen geest verspreid, verdwijnen, en

in plaats van het monster vertoont zich een jongman in het gewaad van

een reizenden student, die kortaf en op een stouten toon vraagt, wat

zijn meester begeert.

Faust, reeds aan wonderen gewoon, verliest zijne tegenwoordigheid van

geest niet; hij ondervraagt zijn nieuwen leerling zeer familiair over

het een en ander. De duivel laat zich met alle mogelijke voorkomendheid

in een gesprek met hem in; vervolgens stelt hij listiglijk zijn

antwoord tot eene volgende gelegenheid uit, en vraagt verlof om te

vertrekken; want hij is onvoorzigtig in een valstrik geloopen: een

tooverformulier op den drempel der kamer houdt hem gevangen. Faust

verheugt er zich over: maar in plaats van zich de gelegenheid ten nutte

te maken om den Boozen Geest te overwinnen of eenig voordeel uit de

zaak te trekken, bepaalt hij zich om hem zijn goed geluk te laten

voorspellen. Dit ijdel verlangen geeft aan Mephistopheles al zijne magt

terug. Hij roept de geesten, die hem gehoorzamen; deze benevelen door

allerlei begoochelingen de zinnen van den wijsgeer, en dompelen hem

weldra in een diepen slaap. Mephistopheles maakt van dit oogenblik

gebruik om door eene rat het formulier te doen doorknagen, dat hem

gebannen houdt. Hij ontvlugt, en met hem verdwijnen al de fantastieke

droombeelden, die hij had te weeg gebragt.

Faust ontwaakt. Hij is alleen, en meent gedroomd te hebben, toen hij

aan de deur hoort kloppen. “Binnen!” roept hij, vol wrevel dat hij

alweêr gestoord wordt. Na te hebben voldaan aan het bevel, dat dit

“binnen!” driemaal gezegd moet worden, ziet hij een jong heer binnen

treden, in een scharlaken kleed met gouden borduursel, met een korten

satijnen mantel, eene haneveêr op zijn hoed en een degen op zijde. Het

is Mephistopheles, die Faust komt voorstellen om de wetenschap nu maar

aan den kapstok te hangen en eindelijk het leven eens te genieten. De

bitterheid, die dit voorstel in de ziel van den wijsgeer te weeg

brengt, afgemat door jaren studie en nachtbraken, verleidt hem om alles

te vervloeken, tot zelfs het geloof, de hoop en het geduld.

Mephistopheles, door deze vlaag van somberheid aangemoedigd, zegt nu:

“Zoo gij u bij mij wilt aansluiten, en mij uwe schreden door het leven

laat besturen, wil ik terstond uw medgezel, of, als dit u beter

voorkomt, uw dienaar en slaaf worden.” Faust vraagt hem, op welken

prijs hij zijne diensten stelt. De duivel ontwijkt deze vraag. Faust

volhardt er bij. Nu antwoordt Mephistopheles: “Ik wil mij hier in uwe

dienst verbinden, en aan uwen minsten wenk gehoorzamen; als wij echter

daarginds elkander wedervinden, zult gij voor mij het zelfde doen.”

Faust, wiens wetenschap hem tot razernij heeft gebragt (om met den

apostel Paulus te spreken) stoort zich weinig aan deze bepaling,

waarvan hij toch zeer goed de waarde begrijpt; hij twijfelt alleen, of

de duivel zijne belofte wel zal houden, en zegt bij wijze van

uitdaging:

Begin ik immer naar gemak te haken,

Dan zij ’t met mij terstond gedaan!

Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,

Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—

Kunt gij mij met genot bedriegen,—

Dan zij ’t voor mij de laatste dag!

Mephistopheles stelt nu een geschrift hierover op, en Faust

onderteekent het met zijn bloed. In geheel het overige van dit tooneel

ontwikkelt Mephistopheles een karakter en beginselen, die waarlijk

duivelsch zijn. De ongelukkige geleerde gevoelt er reeds den

noodlottigen invloed van; maar hij werpt zich wetens en willens in de

armen van den goddelooze, en is nu alleen vervuld van het denkbeeld aan

de genietingen, die hem tot zoo hoogen prijs worden aangeboden.

Wij gaan de episode van den naïven leerling voorbij (die Faust komt

raadplegen over den weg, dien hij heeft in te slaan, om het veld der

wetenschappen binnen te treden, en waar Mephistopheles, in het gewaad

van den doctor vermomd, den kandidaat ondervraagt, en hem geheel de

hersens op hol brengt), om Auerbach’s wijnkelder te Leipzig op te

zoeken, waar vrolijke drinkebroêrs bijeenkomen. De gesprekken, de

liedjes, de kwinkslagen, die daar worden aan den man gebragt, zijn op

de hoogte van het personeel, dat er bijeen is. Mephistopheles, die zich

belast heeft met Faust de wereld in te leiden en hem er de genoegens

van te leeren kennen, begint die taak van onderen op, of uit de laagste

kringen. De nieuw aangekomenen worden voor vreemdelingen gehouden, en

men ontvangt hen als zoodanig. Mephistopheles doet zich aan het

gezelschap voor als iemand, die gaarne een ander eenig pleizier doet,

als het in zijn vermogen staat, en ofschoon hij voor den wijn van het

gezelschap bedankt, neemt hij toch plaats aan tafel. Weldra—om aan zijn

kweekeling eens een denkbeeld te geven van den trap van verlaging,

waartoe de dronkenschap iemand brengt, en tevens om te doen zien

waartoe hij in staat is—stelt hij aan de drinkebroêrs voor, dat ieder

eene wijnsoort zal opgeven, die zij het aangenaamst vinden. Het

voorstel, dat men natuurlijk slechts als eene grap beschouwt, wordt

aangenomen. Terstond boort Mephistopheles gaatjes in de tafel, en ieder

drinker, nadat hij in zijn beker den verlangden wijn ontvangen heeft,

drinkt het door hem begeerde druivensap met lange teugen. Maar hunne

vreugde is van korten duur. Een van hen heeft, in weêrwil der

waarschuwing van Mephistopheles, wijn op den grond gestort; het helsch

brouwsel—want dit is het—verandert in eene vlam. Nu ontstaat eene

groote opschudding onder de dronkaards; zij schreeuwen dat het

tooverwerk is, en willen allen Mephistopheles te lijf; maar deze

spreekt eenige woorden, waardoor hunne zinnen verward worden. Zij wanen

zich in een verrukkelijk oord te bevinden: de een ziet wijnbergen met

rijpe druiven bedekt, de ander bekers vol wijn. De Booze Geest maakt

van hunne verwarring gebruik om met Faust te ontsnappen, wien deze

dronkemanspret begint te walgen.

Hij brengt hem nu over in de keuken van eene heks, om hem een

minnedrank te doen slurpen, die hem moet verjongen. Bonte dieren, half

aap en half kat, rondom den haard gehurkt, passen op een soepketel, die

op het vuur staat te koken. Faust, wien dit alles bijzonder afkeer

baart, vraagt, of het niet mogelijk is om het doel te bereiken zonder

al dien omslag, waarvan hij de doelloosheid reeds sedert lang heeft

ingezien. Het antwoord van Mephistopheles is merkwaardig. Hij zegt:

Een middel zonder geld

En arts en tooverkunsten wilt ge weten?

Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,

En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;

Beperk u, vóór elk ander ding,

In een zeer kleinen, engen kring;

Voed u, op ’s landbewoners wijzen,

Met schamele, ongekruide spijzen;

Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,

Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:

Dat zijn, om te verjongen, vrind,

Van al de middelen de besten.

Faust antwoordt hierop, dat dergelijke arbeid voor hem niet geschikt

is, en hij niet eens weten zou, hoe hij een schop of spade in de hand

moest nemen. “Wel nu,” zegt Mephistopheles, “dan is de heks het eenige

wat u overblijft.”

Intusschen is Faust een tooverspiegel genaderd, en het beeld, dat hij

daarin ontdekt, brengt een geheelen ommekeer in zijn binnenste te weeg:

het is eene slapende schoone jonge vrouw. Door verbazing en liefde

bevangen, verlangt hij het origineel te bezitten; Mephistopheles

belooft hem daaraan te helpen. De heks komt nu door den schoorsteen de

keuken in, maakt den minnedrank gereed, en trekt een tooverkring; bij

het licht van toortsen, welke de dieren in de hand houden, wier rug

tevens tot lessenaar dient, leest zij uit een foliant een geheimzinnig

formulier voor, en Faust drinkt het brouwsel, dat hem zijne jeugd moet

hergeven.

Hier eindigt het eerste gedeelte van dit dramatisch dichtstuk.

In het tweede gevoelt hij zich inwendig verjongd. Eerst ziet men hem op

straat een jong meisje aanspreken, dat juist van de biecht huiswaarts

keert. Door hare schoonheid getroffen, vraagt hij haar, of hij haar mag

te huis brengen; zij wijst echter vol fierheid zijn aanbod van de hand,

en gaat haren weg.

Deze ontmoeting heeft intusschen het lot van Faust beslist. “Hoor!”

zegt hij tot Mephistopheles, die op de loer heeft gestaan en nu naar

hem toe komt: “gij moet mij dat meisje bezorgen!” De duivel, die zijne

dienst op prijs gesteld wil zien, maakt allerlei zwarigheden. In zijn

verliefd ongeduld zet Faust zich over alle heen, en de duivel belooft

hem eindelijk zijn best te zullen doen.

Het wordt avond. Margareta—dus heet het jonge meisje—is in haar

kamertje teruggekeerd. Terwijl zij hare schoone lokken ontbindt, denkt

zij na over den eleganten heer, die haar dien morgen heeft

aangesproken, en verklaart, dat het haar wel wat waard zou zijn, indien

zij wist wie hij was.

Met dezen wensch beslist zij ook haar lot, en laat het veld aan haren

verleider vrij, die, onder geleide van Mephistopheles, haar kamertje

binnensluipt. De ziel van Faust gevoelt zich onwillekeurig aangetrokken

door het gezigt van orde en netheid, die in het vertrekje heerschen, en

het schijnt alsof de Engel der Eerbaarheid dit maagdelijk verblijf

verdedigt tegen de gevaarlijke begoochelingen van den Geest des Kwaads.

Deze, onvatbaar voor alle dergelijke indrukken, plaatst, met een

zekeren triomf, een klein koffertje met juweelen in Margareta’s kast,

en vertrekt nu onverwijld met den smoorlijk verliefden Faust, die

echter reeds wroeging begint te gevoelen over eene daad, die hij

verfoeit.

Margareta is teruggekeerd. Zij vindt het in haar kamertje benaauwd en

drukkend; een onbekend iets beklemt haar; zij schijnt een voorgevoel te

hebben van het gevaar, dat haar toeft. Eindelijk ontkleedt zij zich,

onder het zingen van eene oude ballade. Toen zij hare kleederen in de

kast wil bergen, ontdekt zij het koffertje. Een kleine sleutel hangt er

bij. Het meisje, door nieuwsgierigheid gedreven, opent het, en wordt

verbijsterd op het gezigt der kostbaarheden, die het bevat. De glans er

van verleidt haar, en wekt eerst in haar het verlangen op om er zich

mede te tooijen, vervolgens om den schat te bezitten. Zij beproeft voor

haar spiegeltje, hoe dat alles haar staan zou; maar deze gevaarlijke en

ijdele bezigheid laat in hare ziel slechts het gevoel van hare armoede

achter.

Intusschen heeft de zegepraal van den Boozen Geest schipbreuk geleden.

De voorzigtige moeder van Margareta, aan wie dat geheimzinnige

koffertje verdacht voorkomt, heeft haren biechtvader er over gesproken,

en deze steekt het eenvoudig bij zich, alleen te kennen gevende, dat

hij er een goed gebruik van zal maken. Mephistopheles wordt hierdoor

echter niet afgeschrikt; hij bezorgt een ander juweelkoffertje in

Margareta’s kamer, en het onvoorzigtige meisje, misnoegd over de wijze

waarop hare moeder zich van het eerste heeft ontdaan, houdt het

zorgvuldig verborgen, en heeft geene andere vertrouwelinge dan hare

buurvrouw Martha, eene vrouw van niet al te gestrenge grondbeginselen.

Deze maant het meisje aan, om er hare moeder nu vooral niets van te

zeggen, daar anders de biechtvader er weder mede heen zou gaan. Nu laat

zij Margareta alles aan- en omdoen, en roept ten slotte: “O kind, wat

zijt ge gelukkig!”—“Maar”, merkt deze aan, “ik, arm schaap, zal mij zoo

toch niet in de kerk of op straat durven vertoonen?”—“Dat hoeft ook

niet,” zegt Martha. “Kom ’s avonds nu en dan maar eens bij me, dan kunt

ge al die dingen omdoen. Als ge dan daarmede voor den spiegel heen en

weêr loopt, zult ge zelf zien hoe mooi u dat alles staat. En als uwe

moeder soms mogt vragen, waarom gij zoo dikwijls bij mij komt, dan

zullen wij haar wel wat op de mouw spelden.”

Het meisje, reeds ten halve verleid, wijst deze verderfelijke

raadgevingen niet van de hand, en op dit oogenblik wordt er aan de deur

geklopt. Het is Mephistopheles. Deze begint met Margareta allerlei

vleijerijen te zeggen; en om Martha voor zich in te nemen, onderhoudt

hij deze over haren man, die sedert lang afwezig is, en van wien zij in

geruimen tijd niets gehoord heeft. Hij vertelt haar dat zij weduwe is,

en dat een zijner vrienden, die even als hij bij het overlijden in

Italië tegenwoordig is geweest, gereed is om voor den regter eene

verklaring daarvan af te leggen. Dit is echter slechts een voorwendsel

om Faust bij haar toegang te verschaffen. Een rendez-vous heeft nog

dien zelfden avond plaats in den tuin achter Martha’s huis; en

inderdaad, het paartje maakt met elkander kennis, terwijl

Mephistopheles zich van Martha heeft meester gemaakt, en wel zorgt, dat

de gelieven niet gestoord worden. De minnaar is teeder en

hartstogtelijk, het meisje eenvoudig en beschroomd, ja durft

naauwelijks antwoorden. Intusschen komt zij aan het spreken over hare

huiselijke omstandigheden, en deelt het een en ander daarvan mede.

Allengs echter begint hare verlegenheid te wijken, en teedere

verklaringen volgen.

Eindelijk ontrukt zij zich aan zijne omhelzingen, en vlugt in een

tuinhuisje, waar zij, om haren minnaar te plagen, zich achter de deur

verbergt. Faust is haar gevolgd; hij vat haar op nieuw aan, omhelst

haar, en het meisje beantwoordt zijne kussen en bekent hem hare liefde.

Weldra echter wordt dit bijeenzijn gestoord door Mephistopheles, die

zich in de deur vertoont en de beide gelieven scheidt.

Hier weidt de dichter niet uit in het schilderen van tooneelen van

zielsverrukking, die op deze eerste bijeenkomst gevolgd zijn;

integendeel vertoont hij ons Faust als reeds geblaseerd door zijn

geluk. Hij begint het gewigt te gevoelen der keten, waaraan hij

zichzelven heeft vastgeklonken door zich met een wezen te verbinden als

Mephistopheles. Deze, vindingrijk in allerlei plagerijen, wakkert

tevens den hartstogt van Faust aan, die Margareta in het ongeluk moet

storten. Deze waant zich reeds verlaten, en geeft, in haar kamertje bij

het spinnewiel gezeten, aan hare boezemklagten lucht. Ten slotte

daarvan roept zij:

Hoe hijgt mijn boezem

Alleen naar hem!

Mogt ik hem grijpen

Met tooverklem!

Mogt ik hem kussen

Naar hartelust!

O, stierf ik dan ook,

Ik stierf gerust.

De vervulling van dit noodlottig verlangen laat niet lang op zich

wachten. Faust komt terug, en de nu gelukkige Margareta legt haar hart

voor haren minnaar bloot, doch geeft hem tevens den afkeer te kennen,

dien zij voor Mephistopheles gevoelt. Nu zou men denken, dat al de

rampen, als gevolgen van zulk eene betrekking, haar drukken; maar zoo

de onschuld van het ongelukkige kind op hare hoede is tegen de

inblazingen van den Geest der Duisternis, zij is zonder wapenen tegen

de liefde. Op de dringende aanzoeken van Faust werpt zij hem slechts de

moeijelijkheid tegen om alleen te zijn, de vrees dat hare moeder zal

wakker worden, die, zoo als zij zegt, zoo ligtslaapsch is. Faust stelt

haar een fleschje ter hand, met bijvoeging, dat slechts een paar

droppels er uit hare moeder in een diepen slaap zullen doen verzinken.

Deze droppels doen hare moeder dan ook insluimeren, doch om nooit weêr

te ontwaken. In de volgende tooneelen worden de wroegingen geschetst,

die haar na haren val aangrijpen.

Intusschen hebben de buren haar gadegeslagen, en aan aanmerkingen heeft

het niet ontbroken. Deze praatjes komen ter ooren van haren broeder

Valentijn, den soldaat, waarvan zij vroeger gesproken heeft. Op zekeren

avond komt hij eens over, om haar over haren toestand en de gevolgen er

van te onderhouden, en vindt twee mannen onder haar venster, bezig om

haar eene serenade te geven. Terwijl hij naar de woorden van het lied

luistert, die luchtig genoeg zijn, maakt een hevige toorn zich van den

krijgsman meester: hij werpt zich op de twee onbekenden, verbrijzelt de

guitar van den eenen, en overlaadt beide met smaadredenen.

Mephistopheles laat Faust den degen trekken, en, terwijl hij zelf zijne

stooten bestuurt, valt Valentijn doodelijk getroffen neder. De twee

schuldigen ontvlugten.

Margareta en Martha openen nu hare vensters en roepen: “moord!” De

buren komen met licht toesnellen. Margareta verlaat hare woning; men

omringt den doodelijk gewonde, en zij vraagt wie daar is neêrgestooten,

waarop men haar antwoordt, dat het haar broeder is. Al stervende wendt

deze nu zich nog eens tot zijne zuster, en overlaadt haar met

verwijtingen over haar levensgedrag. Daarop blaast hij den laatsten

adem uit.

Van dat oogenblik af wordt Margareta’s hart door wroegingen bestormd,

die vooral in een tooneel geschilderd zijn, dat in de kerk wordt

voorgesteld. De Booze Geest (Mephistopheles), achter haar verborgen,

herinnert haar den tijd, toen zij, nog onschuldig, in dien zelfden

tempel hare gebeden kwam uitstorten. Het is eene zamenspraak tusschen

den Boozen Geest, die hier de rol van het geweten speelt, het

ongelukkige meisje en het koor van priesters, die in de tusschenpoozen

het Dies irae, dies illa aanheffen; zijnde een kerklied of hymne uit de

dertiende eeuw, voor welks vervaardiger de Italiaan Tomo de Celano

gehouden wordt. Deze hymne behoort tot het Requiem der Katholieken. Dit

geheele tooneel is van eene sombere en verschrikkelijke schoonheid, in

de manier van Dante’s tafereelen.

Het ongeluk van Margareta is volbragt, en Mephistopheles bemoeit zich

verder niet met haar, daar het doel bereikt is; hij heeft nog alleen

met Faust te doen, wiens val hij voltooijen moet. Om zijn geest verder

van edele gevoelens af te leiden, brengt hij hem naar den heksensabbat,

die op het Hartsgebergte gevierd wordt. Een sombere en stormachtige

nacht vertoont zich aan beide reizigers in al zijne verschrikkingen en

gevaren. Men hoort het gekraak van boomen, die door den storm worden

neêrgeworpen, of van hunne takken, die van den stam worden afgerukt.

Dit geheele tooneel moet worden gelezen zoo als Goethe het beschrijft,

of de vertaler in zijne navolging getracht heeft het terug te geven.

Dat de gevolgen van een eersten misslag, door Margareta begaan, haar

eene misdaad hebben doen plegen, komt Faust eindelijk ook te weten,

alsmede dat de menschelijke geregtigheid zich van de schuldige heeft

meester gemaakt. Overstelpt door de opeenvolgende verliezen, die zij

heeft ondergaan, verlaten door Faust, aan wien zij alles heeft

opgeofferd, heeft zij de schande niet kunnen doorstaan, die gereed is

haar te verpletteren. De ongelukkige droeg een pand der rampzalige

liefde voor Faust onder het hart, en—heeft haar kind omgebragt.

Zij is zonder mededoogen in de gevangenis geworpen, en in afwachting

dat het vonnis aan haar voltrokken zal worden, geeft zij zich aan al de

angsten van wroeging en wanhoop over. Mephistopheles verheugt zich met

koelheid over eene ramp, die zijn werk is. Hij heeft dezen afloop

zorgvuldig voor Faust verborgen gehouden; hij heeft hem in drinkgelagen

gebragt, om hem van eene liefde los te maken, die misschien nog een

sprankje deugd in zijn hart zou achterlaten, en tevens om Margareta aan

zijne hulp te onttrekken en haar aan de wanhoop ten prooije te geven.

En toen Faust hem daaromtrent hevige verwijten doet, geeft hij ten

antwoord: “Zij is de eerste niet!”

Op deze helsche woorden kent de woede van Faust geen perken meer. Hij

vervloekt den helschen geest, aan wien hij zich heeft overgeleverd; hij

gaat zelfs verder, door hem met den toorn des Hemels te bedreigen. Op

deze verwijten geeft de duivel aan Faust koel ten antwoord, dat deze,

in weêrwil van zijne verhevene denkbeelden omtrent eer en deugd, het

toch alleen is, die Margareta heeft verleid en bewerkt dat zij ter

plaatse gekomen is, waar zij zich thans bevindt. Hij herinnert hem den

moord waarvan hij oorzaak is, dien welken hij zelf begaan heeft;

kortom; hij stookt zijne smartelijke vervoering op eene afschuwelijke

wijze aan. Maar in een van nature edelen geest, al is deze ook van

zijnen rang nedergedaald, behaalt de liefde toch de overhand, en

verheft zich te midden van al de wanhoop van Faust. Hij vraagt slechts

één ding van zijn gids ten kwade, namelijk dat Margareta bevrijd worde;

de duivel belooft hem de middelen om dit doel te bereiken. “Ik zal,”

zegt hij, “de zinnen van den gevangenbewaarder benevelen, en u in het

bezit der sleutels stellen; want er is slechts ééne menschelijke hand,

die haar de vrijheid hergeven kan. Maar ik zal aan de deur de wacht

houden. Tooverpaarden staan gereed, en ik zal u beide van daar

vervoeren; dit is al wat ik voor u doen kan.”

Zij vertrekken terstond op paarden, die als door den wind worden

voortgedreven. Het is nacht, en als zij de stad naderen, komen zij het

galgeveld voorbij, waar Faust nog het een of ander meent te ontdekken,

en Mephistopheles daarnaar wil vragen; doch deze maant hem aan om zich

nu maar voort te spoeden.

Faust komt eindelijk de gevangenis binnen. Op het zien van het jeugdig

en teeder slagtoffer, in hare cel op vochtig stroo uitgestrekt,

bestormt alles, wat de smart het grievendst heeft, de ziel van den

schuldige.

Terwijl Margareta de deur van hare cel hoort openen, denkt zij dat men

haar reeds ter strafplaats komt halen. Zij herkent de stem van haren

minnaar niet, maar meent die van den scherpregter te hooren; de

ongelukkige heeft het verstand verloren! Hartverscheurend is dit

tooneel, waar de eenvoudige woorden den hoogsten trap van verhevenheid

bereiken. Faust werpt zich aan hare voeten; hij bezweert haar bij hunne

liefde, dat zij hem hare boeijen late losmaken en hem volge. Het slot

van dit alles is een worstelstrijd tusschen Mephistopheles, die zich nu

in de deur van den kerker vertoont, Margareta, welke, in hare

krankzinnigheid, hem voor den persoon aanziet, die haar naar de

strafplaats wil voeren, en Faust, wiens wanhoop geen grenzen meer kent.

Eindelijk heft Margareta hare handen ten hemel, en roept:

O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!

Gij engelen, gij heilge scharen,

Omringt mij en wilt mij bewaren!...

O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!

waarop zij den laatsten adem uitblaast. “Zij is gevonnisd!” roept

Mephistopheles nu. Maar eene stem van den hemel doet zich hooren, en

zegt dat zij gered is. “Kom meê!” roept Mephistopheles thans Faust toe,

en beide verdwijnen.

TOEWIJDING.

Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,

Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!

Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?

Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?

Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,

Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.

Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,

Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.

Gij brengt met u wat eens mij mogt behagen

En menig zoete erinring van weleer;

Gelijk een droom uit lang vervlogen dagen

Komt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.

De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagen

Van ’s levens kronkelpaden meer en meer,

En noemt het goede, dat ik mogt genieten,

Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.

Zij zullen deze liederen niet hooren

De zielen, in wier kring ik vroeger zong;

Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;

Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.

Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,

Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;

En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,

Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.

En mij bevangt een reeds ontwend verlangen

Naar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;

Daar zweven nu mijn fluisterende zangen

Als windgesuis, de Eolusharp gelijk.

Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;

Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.

Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;

En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.

VOORSPEL OP HET TOONEEL.

TOONEELDIRECTEUR. TOONEELDICHTER. EERSTE KOMIEK.

DIRECTEUR.

Gij, die mij vaak te helpen plagt,

Wanneer de zorg mij overmande,

Zegt me eens, wat gij wel hier te lande

Van onze nieuwe zaak verwacht!

Zoo graag wilde ik de menigte behagen,

Vooral omdat zij leeft en leven laat;

Reeds is het groot theater opgeslagen,

En men verwacht een kunstwerk inderdaad.

Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken,

Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijken

Ik ben wel met den geest des volks bekend,

Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen:

Wel zijn zij aan het beste niet gewend,

Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen.

Hoe maken wij het nu, dat alles slaagt

En zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt?

Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen,

Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt,

En oud en jong, bij groote hoopen,

Door de enge poort der tent zich binnenwringt,

Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren,

Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt,

En met de drift van wilde dieren

Om een biljet bijna den hals zich breekt.

Alleen de dichter roept dit wonder in het leven

Bij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even!

DICHTER.

O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,

Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!

O zwijg van al dat golven en dat woelen,

Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!

Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,

Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;

Waar liefde en vriendschap onzen besten zegen

Met godenhand doen kiemen en verplegen.

Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,

Wat soms de tong al weifelend laat hooren,

Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,

Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.

Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,

Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.

Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.

KOMIEK.

Stel vrij het nakroost uit uw zinnen!

Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen,

Wat toch heeft ons geslacht daaraan?

Dat wil en zal zich diverteeren;

En met een snaak, als ik, zich te amuseeren,

Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan,

Wie aardig meê kan praten op zijn tijd,

Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren;

Hij wenscht een kring zich wijd en zijd,

Om des te meer voor zijn publiek te schittren.

Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel:

Laat phantasie, met alle hare koren,

Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel,

Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren!

DIRECTEUR.

Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld—

Vooral wat veel te kijken voor zijn geld!

Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen,

Zoodat het gapend zich verbazen kan,

Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen,

En zijt weldra zijn lievling, beste man!

De massa kunt gij slechts door ’t vele trekken;

Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak:

Waar veel is, zal wel iets den kijklust wekken,

En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak.

Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken:

Zulk een ragout zal nooit mislukken;

Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht.

Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt?

’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.

DICHTER.

Gij voelt niet, dat met zulke kladderij

Geen echte kunstenaar zich af zal geven;

Maar ’k merk het wel: die morserij

Is bij ulieden lust en leven.

DIRECTEUR.

Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan.

Hij, die wil vast en zeker gaan,

Moet steeds den grooten hoop gerieven.

Bedenk welk hout gij hebt te klieven,

En zie maar toe, voor wie gij schrijft!

D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalen

Een ander komt van ’t hartig middagmalen,

En, wat het allerlastigst blijft,

Nog andren komen van het lezen der journalen.

Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen,

En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê.

De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen,

En spelen zonder gage meê.

Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken?

Vult uw talent de zaal alleen?

Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken:

De helft is koud, de helft gemeen.

Dees zit naar ’t kaartspel te verlangen,

Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht;

Die naar zijn liefje dezen nacht:

En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen!

Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer;

Want hoe gij ook het aan wilt vangen,

Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer!

Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!

DICHTER.

Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht!

De dichter zou aldus het hoogste regt,

Het menschenregt, hem door natuur geschonken,

Verbeuzelen voor zulk een doel?

Waardoor toch treft hij elks gevoel

En laat geen menschenharte koel?

Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt,

En ’t alledaagsche op zijde dringt?

Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen,

Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,—

Disharmonie van zotten en zottinnen

Vervelend door elkander klinkt,—

Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen,

Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit?

Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen,

Zoodat de ziel in weelde ontgloeit?

Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden?

Wie de avondzon zoo statig ondergaan?

Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden,

Den minnenden gelieven op hun paân?

Wie vlecht van groene, onoogelijke bladen

Een eerkrans voor verdienste hier beneên?

Wie, wie bezingt de goden en hun daden?

De dichter slechts—en hij alleen.

KOMIEK.

Dat hij dan al die schoone krachten knede,

En heel die dicht-affaire smede,

Alsof ’t een minnarijtje was.

Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alras

Gevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken,

En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken...

Maar dat was al te mooi; dus komt er een,

En scheidt de twee gelieven wreed vaneen.

Laat ons ook zulk een stuk eens geven!

Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven!

Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand,

En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant.

In bonte kleuren weinig klaarheid,

Veel dwaling en een vonkje waarheid,

Zoo wordt het brouwsel toegerigt,

Dat iedereen verkwikt en sticht.

Dan komt de jeugd met gretige ooren,

Om in uw tent orakeltaal te hooren;

Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed,

Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed;

Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smart

En elk gevoelt wat omgaat in zijn hart.

Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen;

Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn:

Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen;

Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.

DICHTER.

Geef mij dan ook terug die tijden,

Toen ik nog nieuwling was, mijnheer!

En mij mogt aan de liedren wijden,

Die mij ontstroomden keer op keer!

Toen de aard was voor me in nevelen gehuld,

De bloesem nog mijn geest verrukte;

Toen ik de duizend bloemen plukte,

Waar dal aan dal meê was gevuld!

Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen;

De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen.

Geef al wat mij toen streelde of griefde,

Het zalig lijden van weleer,

De kracht des haats, de magt der liefde...

O, geef mij mijne jonkheid weêr!

KOMIEK.

De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad.

Als in een slag geen vijand zich laat temmen;

Als om uw hals, met blij gelaat,

Zich allerliefste meisjes klemmen;

Als ge u van verre d’ eerekrans

Van ’t zwaar bereikte doel ziet wenken;

Als men, na zang en spel en dans,

Den nacht besluit met wijn te schenken.

Doch het bekende snarenspel

Ter hand te nemen onverschrokken,

En uit die reine en zuivre wel

De accoorden spelende te ontlokken—

Dat, oude heeren, is u opgelegd,

En zal onze achting niet voor u vermindren:

De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt;

Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.

DIRECTEUR.

Nu is de zaak genoeg bedisseld;

Laat mij nu ook eens daden zien:

Terwijl gij complimenten wisselt,

Kan iets veel nuttigers geschiên.

Geen stemming riep iets deeglijks ooit in ’t leven;

Zij laat beschroomden in den steek.

Zoo ge u voor dichter uit wilt geven,

Dat dan de dichter uit u spreek’!

U is bekend wat wij behoeven:

Men wil iets sterk gepeperds proeven.

Pak onderwijl den boel maar aan!

Zoo gij niet nu begint, is ’t morgen ongedaan.

Men moet geen enklen dag verzuimen;

Neem al wat ge aantreft, dwaas of vroed,

Gaauw bij den kop maar, kort en goed;

Wil dan het wel ter dege schuimen,

En werk maar voort, omdat het moet.

Op ons tooneel, zoo gij kondt merken,

Probeert een ieder wat hij kan:

Ontzie dus ook op heden dan

Decoratief noch tooverwerken!

Gij kunt vrij over zon en maan

En over starren ook bevelen;

Op water, vuur en rotstooneelen

Of beesten komt het meê niet aan.

Zoo doet in ’t planken heilig koor

Zich heel de schepping aan ons voor,

En wandelt welbedacht en snel

Van ’t hemelrijk door de aard ter hel.

VOORAFSPRAAK IN DEN HEMEL.

Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1] · 第 1 / 9 段