Na deze beschrijving van de landstreek en haar bloementooi ga ik over

tot de bespreking der warme bronnen en geysers, en begin met die,

welke den naam Mammoth Hot Springs voeren. Zij vormen het eerste punt,

dat de reiziger bezoekt, als hij van Gardiner, in het Noorden, het

Yellowstone-park ingaat. Dit punt ligt ruim een uur rijden ten zuiden

van den ingang van het park. Men vindt hier, zooals ik reeds opmerkte,

een hôtel en het militaire station, dat het centrale punt voor den

politie-dienst in het park is. De behoeften, daaruit ontsproten,

hebben allengs rondom deze twee een klein dorp van winkeltjes en

werkplaatsen doen ontstaan. Een post-bureau, een curiosity-shop [11]

een winkel met kunstmatige versieringen uit de bronnen, en de stallen

van de transportatie-maatschappij zijn daaronder voor de bezoekers

de belangrijkste.

De warme bronnen bevinden zich op de uitloopers van een der omliggende

bergen. Voor het grootste gedeelte liggen zij verscholen in het

bosch, maar schuin tegenover het hôtel is de berg, die ze draagt,

bijna geheel zonder boomen, een krijt-witte, afgeronde massa vormend,

die, van het hôtel uit gezien, onsierlijk is en in de zonnestralen

te sterk schittert, maar die van nabij bezocht als het ware bezaaid

is met de grootste wonderen der natuur.

Deze bronnen kan men in de eerste plaats verdeelen in werkzame

en uitgedroogde. Slechts een klein deel is feitelijk werkzaam, en

daarvan zijn de meeste op den bedoelden heuvelrug vereenigd. Maar

ook op dezen rug en op de hellingen bedekken zij niet het geheele

oppervlak. Integendeel zou men kunnen zeggen dat de geheele berg uit

opgedroogde bronnen bestaat, hier en daar afgewisseld met enkele

werkzame. Men kan dan ook nagenoeg overal loopen en een aantal

voetpaden doorkruisen de streek. Op die voetpaden moet men bij voorkeur

blijven, want het gesteente is zacht en wordt gemakkelijk tot poeder

vertrapt. Waar niet geloopen wordt, vertoont het daarentegen overal de

gekronkelde lijnen, die eenmaal elk de omtrek waren van een bassintje

met warm water. Zoo is de geheele berg, zoowel in het bosch als op

de onbegroeide gedeelten.

De bedoelde heuvel, waarop de meeste bronnen zijn, loopt langzaam

op tot omstreeks 100 M. boven de vlakte van het dal, waarin

het dorp gelegen is. Het is een uitlooper van een hoogeren berg,

die er achter gelegen is. Deze berg zelf heeft geen warme bronnen,

behalve in de onmiddellijke nabijheid van zijn voet. Maar er zijn nog

meer zulke bronnen-rijke uitloopers, die, van het hôtel uit gezien,

meer naar achteren liggen, en waarlangs de rijweg de toeristen eerst

den volgenden dag voert. Op die uitloopers echter zijn de bronnen,

met zeer enkele uitzonderingen, sinds eeuwen droog, en ziet men

nog slechts de gesteenten die zij voortgebracht hebben. De hoogste

uitlooper heet Terrace Mountain en is 500 M. hoog.

Het gedeelte dat gewoonlijk bezocht wordt, wordt eenvoudig "the

terraces" [12] genoemd, omdat de afzettingen rondom de bronnen steeds

den vorm van terrassen aannemen en dit vooral dan duidelijk doen,

als zij zich op een hellend gedeelte van den heuvel bevinden. Het

beste denkbeeld van de uitgestrektheid dezer formatie verkrijgt men

als men weet dat volle twee uren noodig zijn om de gewone wandeling

langs de merkwaardigste punten van "the terraces" te maken, waarbij

men dan Terrace Mountain slechts uit de verte ziet. Want de geheele

formatie strekt zich over een lengte van ruim drie mijlen langs de

Gardiner-rivier uit.

Vele terras-groepen, en vooral die, welker bronnen op dit oogenblik

werkzaam zijn, hebben afzonderlijke namen ontvangen, en door

naambordjes wordt men hieromtrent ingelicht, als men zonder gids deze

wonderen bezoekt. En dit doet men bij voorkeur, want ze zijn te schoon

en te treffend, en vooral te rijk aan afwisseling om ze door de oogen

van een ander te bekijken, en om daarbij niet wat verder te gaan dan

de gewone routine.

Een overzicht over de voornaamste bronnen moge eenig denkbeeld geven

van wat de natuur hier biedt. Allereerst ziet men, van het hôtel uit,

vóór den berg en vrij op de vlakte van het dal staande, een hoogst

eigenaardigen kegel, den Liberty-cap [13]. Dit is eigenlijk meer een

zuil met afgeronden top dan een kegel. De zuil is 17 meter hoog en

7 meter in diameter en bestaat als het ware uit een aantal schotel-

of panvormige schalen, die omgekeerd op elkander gestapeld zijn. De

randen zijn door den tand des tijds ruw afgebroken en de bovenste

schalen hebben den vorm, die aanleiding gegeven heeft tot den

naam. Een weinig verder op, en leunend tegen den heuvelrand, staat

een kleine dergelijke zuil met minder afgebroken schalen, en dus nog

bijna geheel door de buitenste laag bedekt. De naam duidt ook hier

eenigszins den vorm aan en luidt "Devil's thumb" [14]. Beide kegels

zijn oude formaties en brokkelen voortdurend af. Het eerste blijkt

uit de talrijke roodbruine korstmossen, waarmede zij begroeid zijn,

en het laatste uit de afgevallen brokken der schalen, die rondom hen

op den grond liggen.

Gewoonlijk gaat men den heuvel aan de noordelijke zijde op, om langs

de zuidelijke, dat is die waar hij aan de hoogere bergen aansluit,

terug te komen. Men bezoekt dan de beide fraaiste terrassen het eerst,

en krijgt, daar zij zeer verschillend zijn, een voorloopig overzicht

over hun formatie. Het eerst bereikt men, halverwege de hoogte van den

berg, het Minerva-terras, daarna, op het eind van den heuvelrug, het

terras van Jupiter. Dit laatste geeft het beste denkbeeld. Het bestaat,

als men het van een hoogeren bergtop beschouwt, uit twee donkerblauwe

oogen. Het zijn twee groote natuurlijke vijvers, die bijna rond en

met een prachtig doorschijnend donkerblauw water tot aan den rand toe

gevuld zijn. De rand en de bodem, voor zoover men die zien kan, zijn

van het zuiverste wit, en overal golvend. De kleurschakeeringen, die

daardoor ontstaan, zijn onovertreffelijk schoon, en het is een groot

genot in de heldere blauwe diepte te kijken. Telkens als ik kon, heb ik

mijn weg zóó gekozen, dat ik langs dit terras kwam, en steeds boeide

het mij in gelijke mate. Geysers heeft men spoedig afgezien, maar

langs de warme bronnen zou men weken lang elken dag willen wandelen.

In die twee vijvers kookt het water heftig. Of liever, de vorm is

die van een trechter of trompet, en uit de diepte van de buis stijgen

stoom en kokend water op. In elken vijver is een plaats waar men dit

opborrelen op de oppervlakte reeds van verre ziet. Het opstijgende

water vloeit dan over en door de voorhanden watermassa heen en

houdt deze op een temperatuur, die aan die van kokend water nabij

komt. Het vult de vijvers en doet ze overvloeien, en dit overvloeien

is de eigenlijke bron van de terrasvormingen. Want de beide vijvers

liggen op een vrij vlak plateau, en nemen daarvan het hoogste punt

in. Het water vloeit dus overal over den rand en bedekt de vlakte in

zeer ondiepe stroomen. In deze ontstaan lage dwarswalletjes, die het

water tegenhouden. Deze volgen elkaar, op de weinig hellende vlakte,

regelmatig op, en veranderen zoo het terrein in een stel van zuiver

horizontale terrassen. Op elk terras staat een duimbreed water of

iets meer, komt er nog meer in, dan vloeit dit naar het volgende

terras over. Zoo is de geheele omgeving der beide groote blauwe oogen

met ondiepe bassins bedekt, en slechts op een zeer enkele plaats kon

men droogvoets er zoo dicht bijkomen, dat men in de diepte der oogen

kijken kon.

Ten slotte vloeit al dit water over den heuvelrand omlaag. Daar heeft

het een vertikalen wand gevormd, waarlangs het met groote snelheid

afglijdt. Dan komt het weer op een hellend gedeelte. Hier is de

helling te steil voor de vorming van grootere bassins of bakken, en

vloeit het water over talrijke, zeer kleine kommetjes gelijkmatig naar

beneden. Ten slotte komt het tegen den rijweg aan en wordt daar door

een greppel opgevangen en zijwaarts geleid. Het is dan nog zeer warm.

Kabbelend vloeit het water en het vormt den bodem als het ware naar het

beeld zijner beweging. Het natte rotsoppervlak is bedekt met tallooze,

grootere en kleinere golvingen, die in de sierlijkste bochten dwars

op de stroomrichting staan. De kleinere heuvellijnen worden door het

water eenvoudig overstroomd, de grootere houden het een tijd lang tegen

en worden zoodoende tot de randen der bassins. Ook op den vertikalen

wand ziet men die dwarsche plooien, ofschoon hier de richting van

het water meer aanleiding geeft tot het ontstaan van zuilen, die aan

stalactieten of wel aan de naast elkander geplaatste pijpen van een

orgel herinneren.

Al dit gesteente bestaat uit kalk, die door het water wordt

afgezet. Even als ons duinwater met kalk beladen is, en dit bij koken

of bij lang staan aan de lucht als een dunne witte neerslag afzet,

evenzoo wordt ook hier de opgeloste kalk uit het water in vasten vorm

overgebracht. Maar de hoeveelheden zijn natuurlijk geheel andere, en

de verschijnselen, die in ons land het bekende meertje van Rockanje

vertoont, komen aan de kalkafzettingen uit de heete bronnen van het

Yellowstone-park nog het dichtst bij.

De afgezette kalk heeft een zeer eigenaardige, poreuze structuur,

geheel anders dan die van gewone kalksteen. Zij draagt den

bizonderen naam van travertijn. De geheele heuvelgroep bestaat uit

dit travertijn. Deze poreuze structuur hangt, zooals wij weldra zien

zullen, ten nauwste met de wijze van ontstaan samen en is de oorzaak

van de snelle en gemakkelijke verweering van het gesteente.

Het Minerva-terras onderscheidt zich van het Jupiter-terras zeer

sterk. Het ligt op een sterk hellenden heuvelrand en bestaat uit een

aantal vrij groote vijvers die trapsgewijze boven elkander liggen. In

een der bovenste vijvers is de warme bron, en het overvloeiende

water vult de lagere. Vele vijvers liggen een of twee meters boven

hun lagere en evenveel onder hun hoogere buren. Zij zijn dan elk

voorzien van een vertikalen wand met stalactieten en versteende

orgelpijpen. Hierdoor ontstaat een systeem van grootere en kleinere

terrassen, te zamen meer dan honderd in aantal en van onovertrefbare

schoonheid. Natuurlijk vloeit het water niet over al die terrassen,

want de minste breuk in een of anderen rand kan het bij voorkeur

naar één zijde doen stroomen. Sommige terrassen zijn dus actief,

andere droog. Tijdens mijn bezoek waren verreweg de meeste droog en

toegankelijk, en stroomde het water slechts over een breeden band in

het midden.

Ook hier is het water weer donkerblauw en volkomen helder. Maar het

bassintje waarin het opbruist en kookt, heeft slechts enkele meters

in doorsnede en boeit niet zeer sterk. Het fraaist is de groep als

men hem van ter zijde op korten afstand beschouwt.

Al die wanden zijn, zooals ik reeds zeide, uit bros travertijn

opgebouwd. Zij brokkelen voortdurend af. Grootere en kleinere brokken

ziet men in de diepte, aan den voet der geheele formatie liggen. De

toer door het park is zóó ingericht, dat men na vijf dagen te Mammoth

Hot Springs terug komt. Ik heb dus het terras beide keeren bezocht,

en daar ik den eersten keer een goed beeld in mij had opgenomen kon

ik, na vijf dagen, zien hoe een halve wand voor aan de terrassen

in dien tijd was afgebroken en uiteengevallen. De stukken lagen

nog ter plaatse en pasten nog aan de versche breukvlakken. Maar

voor mij werd daardoor de inwendige structuur op een zóó duidelijke

wijze zichtbaar, als noch door een beschouwing van het uitwendige,

noch door het onderzoek der oudere, steeds meer of min afgebrokkelde

formatiën, kon worden verkregen. De geheele inwendige massa bestond

als het ware uit een herhaling van het orgelpijpen-systeem, nu eens

met pijpen zoo dik als een potlood, en dan weer met dikkere.

Vlak achter het Jupiter-terras, dus op een uitgestrekt plateau,

ligt een systeem van kronkellijnen als randen van vroegere, vlakke

bassins. Maar dit alles is geheel droog en ten deele vertrapt en

verweerd. Iets verder ziet men het terras van Cleopatra, uit een

stelsel van vrij groote, maar lage bassins bestaande. Het heeft dit

eigenaardige, dat al het water, dat in vrij groote hoeveelheid uit

de bron in het bovenste bassin omhoog komt, ten slotte, na al de

bassins gevuld te hebben, zich weer verzamelt en met groot geraas in

een diepe spleet in de rotsmassa verdwijnt.

Het terras van Cleopatra grenst aan het bosch, en de verdere formaties

liggen meest alle in het bosch, zoo zij niet, door het bedekken van den

grond met dikke kalklagen, dit bosch gedood hebben. Zulk een dood en

aan de randen stervend bosch ziet men dicht bij, op de terrasvormige

hellingen van een grooteren heuvel. Het is allermerkwaardigst om

na te gaan hoe het kalkhoudende water zich, bij het voortbrengen

van randen en bassins, aan de aanwezigheid van boomen en planten in

het geheel niet gestoord heeft, maar eenvoudig met de productie der

allerfraaiste, zuiver witte vormen is voortgegaan, alsof deze niet

gemaskeerd en onderbroken werden door de doode, zwarte, bladerlooze

stammen. Honderden van die boomen, op deze wijze gedood, ziet men

hier te midden der terrassen van travertijn. Verderop ziet men overal

op de wandeling hetzelfde, maar de formatiën zijn daar al zoo oud,

dat de doode stammen verdwenen en door levende vervangen zijn, en dat

een prachtig bosch de terrasvormingen overdekt en voor een groot deel

aan het oog onttrekt. Nog werkzame bronnen zijn hier zeldzaam.

Daarentegen komt hier een andere zijde van het verschijnsel voor

den dag. Het zijn de rotsspleten. Over een lengte van verscheidene

tientallen van meters, en soms veel meer, is de travertijn-rots

opengespleten. De spleet kan nog open zijn, of door het afbrokkelen van

haar randen gedeeltelijk weer gevuld. Zij kan werkzaam of onwerkzaam

zijn. In het eerste geval ziet men een lange reeks van kleine bronnen

uit haar te voorschijn komen; door het invallen van steenbrokken en

door de formatie, die zij zelven afzetten, zijn dan die bronnen van

elkander gescheiden. Soms zijn die bronnen kleine zichtbare vijvertjes

vol water; soms echter ligt hun water in de diepte en kan men het

niet of bijna niet zien; men hoort dan echter het koken en ziet de

ontwijkende stoom. Vroeg of laat wordt zulk een barst, door dezelfde

oorzaak die haar deed ontstaan, wijder of krijgt zij zijbarsten,

en dan verdwijnt het water daardoor weer in de diepte en wordt de

barst onwerkzaam en droog. Op het Angel-terrace, op het zuidelijk

gedeelte van denzelfden heuveluitlooper, zag ik zulk een barst, die

klaarblijkelijk oud was maar eerst onlangs weer opengebarsten. Een

aantal kleine kegeltjes, zoo groot als omgekeerde emmers en grooter,

waren op den barst ontstaan, doordat het overvloeiende water hun randen

snel had doen groeien. Van binnen waren zij hol, en de zuiverheid van

het binnenvlak deed vermoeden, dat zij nog niet lang geleden actief

geweest waren. Maar de nieuwe barst had ze overlangs opengespleten,

aan twee zijden van boven naar beneden, en zoodoende het water doen

wegvloeien. In de kleinere was de spleet een handbreed of minder;

maar in den grootsten kegel was zij zoo breed dat ik er door heen

kon loopen en de inwendige kolk kon bereiken, zonder de randformatie

te beschadigen.

Veel oudere barsten zijn soms veel wijder. De wijdste die ik zag,

wordt genoemd Devil's Kitchen [15]; men kan hierin door middel van

een ladder tot op een diepte van een tiental meters afdalen. De

diepere ruimte bevat lucht die met koolzuur sterk bezwangerd en dus

doodelijk is, zooals uit de overgebleven gebeenten van allerlei dieren

blijkt. Maar daar is de spleet zoo smal, dat men er niet in kan komen.

Zulke barsten ziet men dikwijls in den vlakken grond, zoowel die met

werkzame bronnen als met uitgedoofde. Maar ook komt het voor, dat een

smalle heuvelring, die eenmaal uit travertijn werd opgebouwd, over zijn

lengte gespleten en daardoor onwerkzaam geworden is. De Devil's Kitchen

ligt in zulk een rug. Die ruggen zijn maar weinige meters breed en

dikwijls meer hoog dan dik. De White Elephant is een der meest bekende

formatiën van dien aard, en geeft door zijn naam den vorm vrij wel aan,

als men alleen aan den romp van het dier denkt. Andere zulke ruggen

zag ik rondom Angel terrace, en een zeer fraaien bij den pulsating [16]

geyser, die geen geyser, maar een gewone warme bron is. Een uitvoerige

beschrijving van een actieve en nog jonge spleet zal ik later geven,

als ik mijn waarnemingen over den Orange-geyser bespreek.

Bath Lake [17] is een groote vijver of klein meertje, in een diep

gedeelte van een der dalen tusschen de travertijn-heuvels gelegen,

dat ook voor baden gebruikt wordt. De warme bron bevindt zich aan

een der zijden, maar het meertje is zoo groot, dat het daardoor op

een aangename temperatuur gehouden wordt. Het instroomende water

vloeit ergens weer door een spleet weg. Hier als in de blauwe oogen

van Jupiter overtreft de heerlijke doorschijnendheid van het water

alles wat men zien kan. De kleine wolken aan den hemel worden op de

oppervlakte teruggekaatst en in de diepte ziet men overeenkomstige,

wolkachtige beelden van de zachte en glibberige, in allerlei bochten

en rondingen omhoog dringende en groeiende travertijn-gesteenten. De

fijnste trekken van dezen bron kan men op groote diepte zien, en

allerlei voorwerpen, als takken en bladeren van boomen, ziet men er

liggen, reeds bedekt door een fijne, groeiende kalklaag, maar nog

goed herkenbaar. Hier en daar neemt het levende travertijn bruine en

blauwe, gele en roode tinten aan, in onnoemelijke schakeeringen. Het

kleurenspel is even zacht en boeiend als het onuitputtelijk is.

Na deze zeer onvolledige beschrijving kom ik tot de bespreking van

de verklaring der behandelde verschijnselen. Allereerst wil ik dan

trachten de levenswerkingen van het travertijn te beschrijven, om

eerst daarna de aandacht te vestigen op de bronnen van het water en

van de kalk, en vooral op de bron van de warmte.

In kalkhoudend water pleegt de kalk door middel van koolzuur te

zijn opgelost. Verdwijnt dit, zoo slaat de kalk neer. Nu zijn er in

het algemeen twee middelen, die het koolzuur uit water kunnen doen

verdwijnen. Allereerst de gewone verdamping. Zooals iedereen weet

verdampt uit ons duinwater het koolzuur, als dit water eenvoudig open

aan de lucht staat, en wel des te sneller naarmate het warmer is. Uit

het water der heete bronnen kan dus het koolzuur ontwijken, zoodra

het aan de oppervlakte komt. Maar als er een overmaat van dit gas in

het water is opgelost, behoeft de kalk dan nog niet neer te slaan,

zooals zij bij het staan van duinwater aan de lucht doet, of zooals

blijkt uit de ketelsteen, die zich bij het koken van water vormt.

Het tweede groote middel, om koolzuur aan het water te onttrekken, is

het leven van planten. Het hoofdverschijnsel toch van de voeding

is juist het opnemen van dit gas en de verwerking er van tot

organische stof. De planten zijn hongerig en zouden gaarne veel meer

koolzuur nuttigen dan het water hun aanbiedt. Zij nemen dus ook de

laatste sporen er van op. Dientengevolge doen zij de kalk volledig

neerslaan. Dit neerslaan kan dan in of buiten de plant geschieden. Het

weefsel kan met kalk doortrokken worden, of het geheele gewas wordt

door een korst omgeven, of de kalk slaat in vlokken neer en zinkt op

den bodem. Onze gewone kranswieren doortrekken hun lichaam met de

neergeslagen kalk en worden daardoor witachtig en bros; men kan ze

haast niet drogen zoo bros zijn ze. Allerlei andere wieren verkalken

op deze wijze, zonder dat dit aan hun leven of aan hun groei schaadt,

en aan de kusten van Normandië vindt men zelfs wieren, die er uitzien

als witte en fijn vertakte koralen, en die geheel hard en kalkachtig

schijnen te zijn. Maar het microscoop doet overal de levende cellen

tusschen de afgezette kalkmassa's zien. Aan de kusten van warme zeeën

vindt men zulke wiersoorten, die zooveel kalk bevatten, dat men ze

eenvoudig voor een deel van den rotswand of voor steentjes in het

zand houdt, en het geslacht Lithothamnion of steenwier is een van de

meest bekende en vormenrijkste onder hen.

Zoo is het ook in de bronnen van Mammoth Hot Springs. Nagenoeg alle

kalk wordt door wieren afgezet, en het microscoop toont in de jonge

groeiende lagen overal de groene, levende cellen.

De geheele travertijn-rots, eenige mijlen lang en honderden meters

hoog, is het product van de werkzaamheid dier wieren, evenals

koraalriffen en de daaruit ontstane gebergten het resultaat van de

werkzaamheid der koraaldieren zijn. Maar de wieren, die het travertijn

voortbrengen, zijn over het algemeen zeer eenvoudig van structuur en

behooren tot de laagste afdeelingen. Het zijn deels draadbacteriën,

deels gekleurde vormen, die daarmede nauw verwant zijn.

Een van de meest vreemde verschijnselen is, dat deze wieren bestand

zijn tegen warmtegraden, die andere wieren en hoogere planten niet

verdragen kunnen zonder te sterven. Elk blad en elke bloem sterft

dadelijk, als men ze dompelt in het water der heete bronnen. Slap en

verflenst komen zij er uit. Maar de kalkwieren dezer bronnen kunnen er

tegen. Natuurlijk echter in zeer verschillende mate. Er zijn er enkele,

die zelfs in het warmste, bijna kokende water groeien en tieren, en

andere, die af moeten wachten tot het water afgekoeld is tot juist op

die graden, die voor het gewone leven de uiterste grenzen vormen. Maar

op die grenzen tieren zij dan ook bij voorkeur. In het algemeen kan men

zeggen dat het de kleurlooze, witte of lichtgele draadbacteriën zijn,

die die hoogere temperatuur verdragen, terwijl zoodra een groene

of daarmede verwante kleur de organen voor de voeding doortrekt,

de temperatuur niet hooger mag zijn, dan de hoogste grenzen voor het

gewone plantenleven.

De wanden der kokende vijvers en het eerste begin der overvloeibeekjes

zijn dus het gebied der draadbacteriën, terwijl in de volgende

bassins en in hun latere overvloeiïngen de groene en roode en bruine

en gele wieren in alle schakeeringen van den regenboog, tot bijna

zuiver zwart toe, welig tieren. Ginds het zuiverste wit, hoogstens

in licht zwavelgeel overgaand, hier een rijkdom van fraaie en meestal

schitterende kleuren, in de grootste wisseling die men zich denken kan.

Het kookpunt van water ligt, op de hoogte waarop het geheele

Yellowstone-park gelegen is, niet zooals bij ons, bij 100° C. of 212°

Fahrenheit. Het is aanzienlijk lager en bedraagt slechts 92° C. of

198° Fahr. De hoogste temperaturen, waarbij wieren levend gevonden

werden, waren omstreeks 85° C. of 185° Fahr., dus slechts weinige

graden lager dan het kookpunt. Het zijn verschillende soorten van

draadvormige bacteriën, waarvan sommige de witte golvende wanden

van de vijvertjes bekleeden, en andere in lange, buigzame en door de

stroompjes heen en weer bewogen draden van meest bleek gele kleur in

de overvloeibeekjes gezien worden. Onder de laatste speelt vooral

de zwavel-bacterie of Beggiatoa (zoogenoemd naar een Italiaansch

plantkundige) een hoofdrol. Zij ontleedt de zwavelzure zouten, maakt

de zwavel vrij, zet die in korreltjes in haar cellen af en verkrijgt

daardoor haar gele kleur. Zij leeft in water van 150--165°. Hoogere

temperaturen verdragen Leptothrix laminosa (135--185° F. = 58°--85°

C.) en Phormidium (165° F.)

De gewone levensgrens voor planten ligt omstreeks 50° C. of 120°

Fahr. Zoodra het water een lageren warmtegraad bereikt heeft,

laat het den groei van eigenlijke wieren, met echt bladgroen,

toe. Talrijke soorten, alle met een zeer eenvoudigen cellenbouw,

worden dan aangetroffen. Zij behooren tot verschillende geslachten,

als Chroöcoccus, Gloeocapsa en andere; ja, zelfs enkele met onze

gewone flab verwante soorten van Conferva, zijn in heete bronnen

waargenomen. Het zou mij echter te ver voeren hier op de namen of de

kenmerken dier wieren te willen ingaan. Zij bestaan meest uit kleine

ronde of rondachtige cellen, die onderling tot draden en vliezen

vereenigd zijn. Voor hun beteekenis voor de warme bronnen is vooral

van belang dat zij in soms dikke slijmlagen gehuld zijn, en het is

een zeer merkwaardige ondervinding, als men de allerbuitenste laag

van de travertijn-massa niet alleen gekleurd ziet, maar ook op het

gevoel als een zachte gelei gewaar wordt. Maar men moet zijn vingers

daartoe steken in water dat zoo heet is, dat men zich branden zou

als men er even te lang in bleef.

Al deze wieren nu maken samen het travertijn. En daar de eene soort

draadvormig en de andere vliezig is, de een in opstaande lijsten en

de ander in vlakke overtreksels groeit, daar er verder in stil water

meer opstaande koraaltjes en in stroomend water meer lange draden

ontstaan, en er allerlei andere kleine verschillen in hun levenswijze

zijn, kan men de eigenaardigheden van randformatie en bassinvorming,

van stalactieten en orgelpijpen en van allerlei andere zeer fraaie

trekken gemakkelijk verklaren. Ik wensch dit echter uit te stellen

tot de beschrijving van enkele der merkwaardigste bronnen.

Over den oorsprong van het heete water wil ik kort zijn, te meer

omdat ik daarop bij de bespreking der geysers uitvoerig terugkom. Op

de hoogere bergen valt de regen, en het water wordt voor een deel

in den humusachtigen bodem der bosschen teruggehouden. Hier belaadt

het zich met het koolzuur dat in dien humus rijkelijk ontstaat. Een

volgende regenbui doet het in den ondergrond verdwijnen, waar het door

de spleten in de rotsen ver in de diepte kan komen. Bestaat nu dit

rotsgesteente uit kalk, zoo belaadt zich het koolzuurhoudende water

daarmede, terwijl het verder vloeit. Dringt het in lagen die door de

onderaardsche warmte tot 100° C. en hooger verwarmd zijn, zoo kan het

die temperaturen aannemen, en dus, als het later weer te voorschijn

treedt, dit doen in den vorm van heete bronnen. Deze beweging van

het water is, afgezien van de temperatuurverschijnselen, geheel

overeenkomstig met wat elders, vooral in streken van kalkgebergten,

gezien wordt. Iedereen weet dat in de Grotte de Han de rivier aan

de eene zijde den berg instroomt, om door de onderaardsche grotten,

gangen en spleten, aan de andere zijde weer te voorschijn te komen. Op

dezelfde wijze verzamelen zich de wateren van Mammoth Hot Springs

voor een groot deel in onderaardsche spleten, en bij het terras van

Cleopatra kan men ze, zooals ik reeds gezegd heb, rechtstreeks daarin

zien verdwijnen. Al dat water, dat tijdelijk aan de lucht geweest

is, als het ware met het doel om zijn kalk af te zetten, verzamelt

zich tot een onderaardschen stroom, die dwars onder de bergen door,

met een verval van 200 meters en over een afstand van meer dan een

mijl naar de Gardiner-rivier stroomt om zich daar als een waterval

van heet water in dien hoofdstroom uit te storten. Die watervallen

worden aan de toeristen onder den naam van Boiling-river [18] vertoond.

Een zeer belangrijk punt is de vraag, waar de kalk vandaan komt. En

wel vooral, waar zooveel kalk vandaan komt dat een gebergte van enkele

mijlen gaans en van een hoogte van honderden meters daarvan in den

loop der tijden kan zijn opgebouwd. Natuurlijk moet een ongeveer even

groote rotsmassa daartoe opgelost en weggevoerd geworden zijn. Geheele

gebergten moeten verbruikt zijn, om het materiaal voor de nieuwe

travertijn-bergen te leveren. Dit is, hoe onverwacht misschien

voor sommige lezers, toch een uiterst eenvoudige en volkomen zekere

gevolgtrekking. Maar verder kan men zeggen, dat die oplossing in de

diepte en niet aan de oppervlakte is geschied, daar het water zich

daartoe steeds eerst in de humus-lagen van koolzuur moest voorzien. Er

moeten dus uitgestrekte grotten ontstaan zijn, zooals die trouwens

bijna overal in kalkgebergten worden aangetroffen. Wellicht bestaan

er in den omtrek van Mammoth Hot Springs nog dergelijke grotten, en

wellicht vormen zij, met hun stalactieten en stalagmieten, even groote

wonderen als de Hot Springs zelven. Maar zij zijn nog niet ontdekt,

en daar de zorgen voor het behoud van het park voor diepgaand onderzoek

niet bevorderlijk zijn, zullen zij wellicht nog lang onbekend blijven.

Zulke uitgestrekte grotten echter, als hier noodig geweest zijn,

zullen wellicht gevolgd zijn door instortingen, die hun wanden

en gewelven in groote steenblokken omlaag wierpen. Men zou dan

een berghelling krijgen, overladen met huisgroote blokken, scherp

gebroken en niet afgerond, uit lagen van kalk bestaande en nu eens

met de lagen schuin, dan weer met de lagen vertikaal neergeworpen,

te groot en te talrijk om op die wijze door een gletscher te zijn

vervoerd. Werkelijk vertoont men u, op den rijweg ten zuiden van

Mammoth Hot Springs, zulk een terrein. Een klein halfuur rijdt men

tusschen die gevallen reuzen door. Het is de streek bekend als

"Silvergate and the Hoodoos." Silvergate [19] om de glinsterend

witte kleur der rotsblokken, die ter weerszijden van den weg op

elkander gestapeld liggen. Hoodoos om de vreemde vormen, die in de

avondschemering op sommigen den indruk van rondzwervende berggeesten

kunnen maken. Over meer dan een halve vierkante mijl liggen deze

blokken op de helling van den berg, als ruïnen van ongeziene trotsche

zalen en gewelven.

Van de plaatsen die men bezoekt, is alleen Mammoth Hot Springs

op kalkgebergten gelegen; verder gaat de reis over en tusschen de

vulkanische gesteenten, wier hoofdbestanddeel geen kalk maar kiezel

is. Al de geysers en al de warme bronnen van het park, behalve deze

eene groep, hebben dus kiezelhoudend water; zij zetten sinters af en

geen travertijn.

Daarmede is echter ook de boomgroei en de flora een andere, evenals ook

in Europa de kalkstreken gemakkelijk aan zeer bizonderen, meest zeer

bloemrijken plantengroei te herkennen zijn. De zwarte den, die elders

de bosschen vormt, is hier zeldzaam; de soorten die elders zeldzaam

zijn, vormen hier het eigenlijke bosch. De gewone boomen zijn hier

de witte den, Pinus flexilis, met naalden in bundeltjes van vijf,

met een witte schors en met kegels zoo groot als onze zee-den. Het

is een heel werk voor een eekhoorntje zulk een kegel af te knagen;

ik zag er een daarmede bezig, terwijl ik vlak bij hem bleef staan. De

sparren zijn hier vooral Pseudotsuga mucronata of de Douglas-spar,

met kleinere kegels met zeer fraaie aanhangsels aan de schubben. Als

onderhout vindt men, manshoog en tot heele boomen opgroeiend, den

rooden ceder of Juniperus virginiana, en verder een Elaeagnus met

roode maar bittere bessen, een kruisbes met kleine, sterk zure bessen,

een heesterachtige boschbes, gelijkende op den Vaccinium uliginosum,

den kruipenden ceder of jeneverbes, Juniperus Sibirica, en een groot

aantal kleine bloemplanten, die in Augustus echter grootendeels reeds

uitgebloeid waren.

Ik geef thans eene beschrijving van mijne eigen waarnemingen

over den groei der wieren, en de wijze hoe zij de terrassen en de

formatiën voortbrengen. Slechts een drietal dagen kon ik de bronnen

bezoeken, en mijn bespreking is uit den aard der zaak onvolledig

en oppervlakkig. Maar ik hoop, dat zij voldoende moge zijn, om aan

mijn lezers een denkbeeld van dit hoogst merkwaardige verschijnsel

te geven, waar de opbouw van rotsen en bergen het resultaat is van

de nog steeds voortgaande werkzaamheid van het plantenleven.

Verhit door de onderaardsche warmte en bezwangerd met kalk komt dus

het water in de Mammoth Hot Springs te voorschijn. Door talrijke

spleten komt het omhoog om over de oppervlakte weg te vloeien of

vijvers te vormen, die door haar helder, donkerblauw water het oog

boeien. In het midden van zulk een vijver of soms ook aan den rand,

ziet men de heete bron, die opborrelt en kookt en zoodoende het water

van den vijver verhit. Dit verdampt snel en dichte nevelen hangen

over het watervlak of worden door den wind weggedreven. Onaangenaam

warm als men te dicht in hunne nabijheid komt, zijn die nevelen nog

op verren afstand zichtbaar.

Het water koelt natuurlijk allengs af, snel waar het in een dunne

laag over den grond wegvloeit, langzaam waar het als kokende

beekjes stroomt, of in de vijvers en holten blijft staan. Bij dat

afkoelen zet zich de kalk af, vooral ook omdat zij opgelost is

door middel van koolzuur, dat uit het heete water verdampt. Maar de

eigenaardige structuur van de oppervlakte der heuvels, waaruit deze

bronnen te voorschijn komen, is niet aan die eenvoudige afzetting te

danken. Integendeel, zij is het werk van levende planten, kleine,

maar in geweldige massa voorkomende wiertjes, die de kalk in hun

weefsel vast doen worden en zoo als het ware zichzelve doen versteenen.

Van die wieren zijn de meeste bruin, andere zijn groen in

verschillende tinten, van licht geel-groen tot helder groen en donker

smaragd-groen. Al die kleuren ziet men op de door het heete water

bevloeide vlakken in de bontste mengeling. Daarenboven komt nog

een kleurloos of hoogstens bleek geelachtig gewas voor, dat geheel

andere eigenschappen heeft en ook een geheel andere rol speelt. Het

groeit in bundels van lange, slappe, in de stroompjes heen en weer

wiegelende draden.

Deze twee groepen zijn in vele opzichten verschillend. De

eerstgenoemde, die de randen der bassins vormen en die ik dus

randwieren zal noemen, leven bij temperaturen die wel hoog zijn,

maar die toch door vele andere planten, zij het soms ook slechts

tijdelijk, kunnen verdragen worden. Het zijn, zooals ik reeds zeide,

temperaturen van 45-50° C. en lager. Ik zal water van die temperaturen

warm noemen en wat daarboven is heet. Wel is 45-50° zeer warm en

brandt men zijn vingers als men ze er een poosje in houdt, maar het

is een gemakkelijke wijze om een duidelijk verschil te maken. In

wat ik heet water noem sterven nagenoeg alle planten en ook vele

randwieren. Maar daarin kunnen de draadwieren leven en wel tot graden,

die soms vrij dicht bij het kookpunt van water komen. Dit kookpunt

is hier trouwens, zooals ik reeds zeide, veel lager dan bij ons. Het

is dus een zeer bizondere en in het plantenrijk zeldzame eigenschap,

die de draadwieren in staat stelt in dit heete water te leven.

De randwieren verdienen dien naam om de wijze waarop zij groeien. Deze

groei toch is de oorzaak van de geheele formatie en vooral van het

ontstaan van terrassen. De wieren groeien op den bodem der vijvers

als erwtgroote geleiachtige vlokken, soms iets grooter wordende en

gekleurd al naar gelang van de soort. Hier en daar zag ik die vlokken

aan de oppervlakte drijven, tengevolge van kleine gasbelletjes, die de

zuurstof bevatten, welke zij uit het koolzuur vrij maken. Soms hangen

zij in een dichte laag tegen het watervlak aan. Ik zag dit vooral in

Bathing lake, dat een vrij groot meertje is, waarvan de heete bron

op een plaats aan den rand ligt. Op de meest verwijderde plaatsen is

het water dus vrij koel en gaat de ontwikkeling der wieren langzaam,

zoodat men de verschillende processen goed kan volgen.

Zet nu zulk een wierkogeltje kalk af, doordat het het oplossingsmiddel

der kalk, het koolzuur verbruikt, dan wordt het allengs zwaarder en

zinkt het op den grond. Zinkt het diep, dan zal het de voorwaarden

van zijn groei moeilijker vinden; is de plaats ondiep, dan zal het

sneller groeien. Dit groeien bestaat dus in dubbele werkzaamheid van

grooter worden en verharden. De meest ondiepe plaatsen zijn natuurlijk

bij den rand, en zoo ontstaat langs den rand een soort van levende

wal, die voortdurend groeit. Men heeft berekend, dat zulk een wal

omstreeks 1 cM. in een maand hooger kan worden. Dit zal ten slotte er

toe leiden, dat de rand boven het water gaat uitsteken. Maar de bron

voert voortdurend meer water aan, en dus zal het water over den rand

heen vloeien. Aanvankelijk is dit voor den groei van den rand gunstig,

maar de rand kan onmogelijk overal even hoog blijven. Zoodra de lijn

ongelijk wordt, vloeit het water bij voorkeur of uitsluitend over de

lagere gedeelten, en zoo worden deze verhoogd. Op die wijze worden

verschillen in de hoogte van den rand steeds door den groei der wieren

zelven vereffend en groeit dus ten slotte de rand gelijkmatig omhoog.

Tevens groeit de rand sneller dan de wieren op den bodem van

den vijver en dit heeft ten gevolge, dat de vijver allengs dieper

wordt. Feitelijk wordt hij niet dieper, daar zijn bodem steeds hooger

wordt, maar aangezien de rand sterker toeneemt, wordt toch de waterlaag

langzamerhand dikker.

Dit beginsel van randvorming ziet men op de terrassen van de Hot

Springs overal en in alle graden ontwikkeld. De meest eenvoudige en ook

meest algemeene wijze is de vorming van verheven ribbels. Vloeit het

kalkhoudend water over een zachte helling omlaag, zoodat het nergens

blijft staan, dan bekleedt zich die helling geheel met de beschreven

wieren. Eerst gelijkmatig, maar weldra uit zich de neiging om randen te

maken en groepeeren zich de wieren in kronkelende en ineenslingerende

lijnen, die het oppervlak in kleine mazen verdeden. Deze mazen zijn

dikwijls kleiner dan een gulden, en altijd smal en links en rechts

in punten uitloopend, want de dammetjes staan dwars op de richting

waarin het water vloeit. Dit is juist de grondslag voor het maken van

randen. Men kan gerust zeggen dat de geheele rotsmassa, die eenige

bunders bedekt, met dit fijne netwerk overtrokken is. Men ziet het

overal, waar het water in een dunne laag over de oppervlakte stroomt,

hetzij deze zwak helt of steil omlaag gaat of zelfs een vertikalen wand

vormt. Men ziet het in allerlei kleuren, meestal bruin en roodbruin,

soms in de verschillende tinten van groen.

Waar thans geen water vloeit, heeft dit vroeger gevloeid en is

de oppervlakte met dezelfde ribbels dicht bedekt. Het is als een

soort van fluweel. Blijft een gedeelte echter lang droog, dan slijt

het oppervlak, deels door regen, deels door plantengroei, deels,

en misschien vooral, door de menschen die er op loopen. Het wordt

dan tot een krijtwitte, poederachtige massa. Maar dit slijten gaat

niet zoo snel, of overal vindt men langs de voetwegen en ook er op,

de sporen van de opstaande randen.

Het is gemakkelijk te begrijpen, hoe een rand allengs in een terras

verandert. Het doet er niet toe hoe groot de vijver is, maar de meeste

dier vijvertjes zijn slechts enkele vierkante meters groot. Vloeit

nu het water nu eens hier dan weer daar over den rand, dan is de

rand de plaats van den snelsten groei. Het water wordt er als het

ware even opgehouden door de glibberige, geleiachtige wiermassa,

die er de kalk en het koolzuur grootendeels uithalen. Dan vloeit het

water over den rand heen, loodrecht naar omlaag en dus veel sneller;

daarenboven heeft het niet meer zooveel kalk in oplossing. De groei

der wieren over die loodrechte vlakten gaat dus slechts langzaam,

en terwijl de rand jaarlijks zeer merkbaar hooger wordt, groeit de

wand onder hem haast niet aan. Men ziet nu, hoe dientengevolge de

rand vertikaal omhoog groeit, en dit is dan ook een algemeen karakter,

zoowel voor de tallooze handhooge randen, die overal op de hellingen

voorkomen, als voor die eigenaardige terrasvorming, die zoozeer de

aandacht trekt. Horizontale terrassen met vertikale wanden staan

boven elkaar op de oude heuvelhelling, die zij in een reuzentrap,

met treden van een meter en meer veranderen. Maar elk terras is een

vijvertje, dat wel allengs zijn bodem met nieuwe kalkwierlagen bedekt,

maar toch, zoolang alles levend blijft, met water gevuld blijft.

De vertikale wanden van die terrassen zijn soms uiterst fraai. Meest

wit of zeer licht bruin, omdat de groei der wieren er slechts

langzaam is, en altijd met de tallooze dwarsribbeltjes bezet, die van

nabij beschouwd week en bros, d.w.z. geleiachtig en met kalkkorrels

doortrokken, en niet zelden rose van kleur zijn. Soms is de loodrechte

wand overigens vrij vlak, soms echter ook gevormd als een orgel, met

tallooze pijpen, of liever als een reeks van afhangende stalactieten

op dunne en steile stalagmieten rustende. Want in hun midden vertoonen

deze kolommen dikwijls eigenaardige versmallingen.

Hier en daar ziet men de levende, nog vochtige terrassen met de warme

bron of groep van bronnen die ze voedt, alles nog in vollen groei en

in krachtige werking. Deze zijn het voornamelijk, die met bizondere

namen worden aangeduid, en waarheen de bezoekers bij voorkeur worden

geleid. Maar er zijn tallooze terrasvormingen die geheel droog en

dood zijn, en waarin de vijvertjes nu eens nog diep, dan weer met

afval en stuivende kalk aangevuld zijn. Ook slijten de wanden en

de randen allengs, en gaat dus het fijne en sierlijke op den duur

verloren. Heeft men eenmaal echter het verband tusschen die droge

en de nog vochtige terrassen goed begrepen, dan vindt men dezelfde

formatie op dezen geheelen berg telkens en telkens weer terug.

Het warme water komt door spleten in de onderliggende rotsen

omhoog. Elk gesteente is min of meer gespleten, maar het vermogen

van water, om zoo het voldoende koolzuur bevat, een overeenkomstige

hoeveelheid kalk op te lossen, maakt hier de spleten waarin het water

loopt allengs wijder. Het worden geheele kloven en grotten. Trouwens

alle kalk die hier op de oppervlakte wordt afgezet, moet ergens in

de diepte zijn opgenomen. Vloeit het water nu uit zulk een spleet,

hetzij in een vijver, hetzij over een helling, dan ondergaat die spleet

voortdurend verandering. Want het oplossen van kalk verbrokkelt het

gesteente, en doet blokken invallen. Zoo kan men zich voorstellen

dat vroeg of laat een spleet verstopt raakt. Het water moet dan een

anderen uitweg zoeken; de formatiën van de vroegere spleet drogen uit

en groeien niet meer, en elders beginnen nieuwe zich te vormen. Dit

kan natuurlijk gebeuren buiten het tegenwoordige gebied der gewone

werkzaamheid, en dan krijgt men zulke geïsoleerde kraters als bv. den

oranje-geyser, dien ik straks nader beschrijven zal. Of het gebeurt

binnen het oude gebied, en de afgezette lagen worden door nieuwe

barsten geopend.

Daartoe bestaat trouwens alle gelegenheid. Want de werkzaamheid der

randwieren leidt niet tot de vorming van een compacte rotsmassa, maar

tot het ontstaan van dunne, meest niet meer dan vingerdikke schalen

en lagen. Overal waar de grond afbrokkelt kan men dit zien. Het is

waarschijnlijk een gevolg van de periodische werkzaamheid, die zelf

weer een gevolg is van het feit dat het water over den wierenrand nu

eens hier en dan weer daar overvloeit.

De beschreven oorzaak moge de meest algemeene zijn voor de kleine

spleten tusschen de schalen, voor de grootere en zeer groote spleten

geeft zij geen voldoende verklaring. Deze moet gezocht worden in de

neiging der randwieren om niet alleen vertikaal omhoog te groeien maar

ook horizontaal over den vijver heen zich uit te breiden. Drijvende

wiertjes aan den rand, die niet gaan zinken als zij zich met kalk

beladen, maar aan den rand aansluiten en met dezen allengs vast

worden, zijn het begin van deze vorming. Zij groeien op de wijze

van die paddestoelen, die men zoo dikwijls uit rottende boomstammen

ziet uitgroeien als platte korsten met een opbouw uit evenwijdige

kringen. Hun rand is dan de laatste en jongste kring. Zoo is het

ook hier. Dezelfde zonen ontstaan, met een witte rand en bruine

binnenkringen in allerlei tinten. Op Minerva-terrace ziet men een bron,

als een helderen blauwen en vrij diepen vijver, door een aantal stellen

van zulke horizontaal groeiende randen omgeven; de meer verwijderde

zijn ontstaan, toen het water nog hooger stond, en die aan het water

grenzen natuurlijk het laatst.

Deze horizontale groei neemt nu soms zeer aanzienlijke afmetingen

aan. Ik zag daarvan verscheidene bewijzen. Het fraaist was echter een

warme bron, vóór en lager dan het Minerva-terrace. Het water was weder

helder en donker blauw, de vijver had verscheidene meters in omtrek

en in zijn midden borrelde het kokende water omhoog. Maar dat midden

was volgegroeid, er stond een kleine krater met een centrale holte

waaruit stoom en water kwamen. Rondom was die krater ver uitgegroeid

tot een vlies, dat over het water zich uitbreidde. Aan de eene zijde

had dit vlies den rand van den vijver al bereikt. Gelukkig was alles

nog overvloeid en in vollen groei, in witte en bruine en groene

kringen. Want het was een broos oppervlak, dat bij betreden in zou

zakken en plaats maken voor het kokende vocht. Doch het betreden van

al deze natuurwonderen is verboden.

Aan de andere helft van dezen vijver was het middenvlies over het

water heen tot bijna aan den rand gekomen, een waterlijn van 10-40

cM. breedte vrij latend. Door deze lijn heen kon men in de diepte

kijken, en ook de groene vlokken van wieren aan de onderzijde van

het vlies zien.

Het vlies was aan den rand nog papierdun, doch naar het midden toe

veel dikker, het groeide van boven en van onderen gelijkmatig aan,

en het scheen niet lang meer te behoeven te duren, voordat deze vijver

rondom gesloten zou zijn.

Wordt nu vroeger of later de toevoer tot zulk een bron afgesloten, dan

blijft de spleet. In grootere vijvers kunnen zulke spleten veel langer

worden. Overal in het droge gesteente vindt men die spleten. Hier

en daar zijn ze ingetrapt of door een andere oorzaak geopend zoodat

men ze zien kan. En van zeer kleine tot zeer groote spleten ziet

men alle overgangen. Overal vindt men ze, meest in schuine richting

omlaag gaande. Cupid's Cave is zulk een spleet, die zijdelings in

een loodrechten wand wijd openstaat, en Devil's Kitchen is er een,

die ik reeds genoemd heb en die enkele tientallen meters lang is en

omstreeks 13 meter diep. Van ons gezelschap klommen een aantal personen

langs ladders in deze spleet af, die juist wijd genoeg daarvoor was. In

zulke spleten is onderaan niet zelden een koolzuurrijke lucht aanwezig,

die vogels en andere dieren kan doen verstikken en op bepaalde bronnen

van koolzuur wijst. Trouwens koolzuuruitwasemingen uit den grond gaan

zeer dikwijls met vulcanische werkingen gepaard.

Hoe dik de kalkafzettingen van deze wieren zijn, vond ik niet

opgegeven. Gewoonlijk meent men, dat de geheele berg zóó ontstaan

is, en overal in den omtrek vindt men sporen van denzelfden bouw uit

dunne lagen en schalen. De afzettingen liggen echter op het uiteinde

van een uitlooper van een heuvelenreeks, en zijn dus waarschijnlijk

op een heuvelkam ontstaan.

Om op de vliesvorming op de oppervlakte van het water terug te komen,

merk ik op dat dit vlies, zoover het met het heete water in aanraking

is, bijna altijd geheel wit is. Dit wijst er op dat het niet de

randwieren zijn, die het grootste aandeel aan den snellen groei van

dit vlies hebben, maar de draadwieren. Men ziet dan ook dikwijls een

draderige structuur, de draden loopen evenwijdig en naar den rand toe,

zoodat de lengtegroei van elken draad tot de voortzetting van den

rand bijdraagt. Op enkele plaatsen zag ik zoo van één punt uitgaande

een waaier van draden over de oppervlakte uitstralen. Of liever over

wat de oppervlakte geweest was, want de watertoevoer was, tijdens

mijn bezoek, zoo klein, dat het vijvertje droog was. De bodem was

vlak en bezaaid met koraalvormige wiergroepen, wit van de kalkmassa

waarin zij zich gedompeld hadden. Het waaiervormige dradenvlies lag

rustig op die koraaltjes. En dicht er bij waren dergelijke vormingen,

deels jonger en nog bevloeid en groeiend, deels ouder en ten deele

vergaan. Zulke fijne vormingen moeten wel vernietigd worden als zij

door een hagelbui met grove hagelsteenen getroffen worden, zooals

op den avond na mijn bezoek. En eveneens moeten de herhaalde heftige

regens en onweersbuien veel tot het afslijten bijdragen.

Vele spleten zag ik in de droge gedeelten. Maar een aantal vond

ik ook op de bevloeide plaatsen, en dan daalde het water in een

dikken stroom in de spleet af, om in den ondergrond te verdwijnen,

en waarschijnlijk, met nieuwe kalk beladen, elders weer voor den dag

te komen. Zoo bijvoorbeeld aan Marble-terrace.

De fraaiste vijvers zijn die van het Jupiter-terrace. Het zijn

twee groote diepe vijvers van prachtig donker blauw water, dat zoo

heet is, dat het de boven beschreven dampen en nevels geeft, en dat

overal in de vijvers, die tientallen van quadraat-meters groot zijn,

de bodem en binnenranden zuiver wit zijn, en dus geen randwieren maar

slechts draadwieren bevatten. Over de randen vloeit het water deels

loodrecht omlaag, aan de andere zijde echter over een uitgebreide

vlakte, waar het groote terrassen met lage randen maakt. Hier koelt

het voldoende af, om den geheelen bodem zich met bruine en groene

wieren te doen bedekken. Vallen in zulke koelere vijvertjes naalden

of geheele takken van dennenboomen en roode ceders, dan worden die

allengs met wieren overgroeid en met een kalklaagje omkleedt evenals

bij ons in het meertje van Rockanje. Kunstmatig ingebrachte voorwerpen

kan men op deze wijze ook laten incrusteeren. Verderop is het water

soms zoover afgekoeld, dat grassen en lage soorten van biezen er aan

groeien kunnen.

De eigenaardige groeiwijze der randwieren geeft nog tot een ander

merkwaardig verschijnsel aanleiding, als namelijk de randen zeer hoog

worden. Het zijn de kegels en schoorsteenen. Kegels heeten zij als de

holte betrekkelijk klein is, schoorsteenen als die in verhouding tot

den rand groot is. De namen hebben betrekking op de droge toestanden,

maar men vindt dezelfde gevallen ook met een warme bron er in. Een

schoorsteen van omstreeks een meter hoogte wordt den toeristen

vertoond, en kegels ziet men op verschillende plaatsen.

Als de travertijnrotsen lang droog zijn en verweeren, herneemt de

plantengroei zijn rechten. Eerst komen gras en kleine bloemplanten,

daarna komen heesters en boomen, en geheele bosschen van den

Yellowstone-den (Pinus Murrayana) staan op dezen berg. Maar als zich

dan dicht bij en iets hooger dan het bosch een nieuwe spleet opent,

en haar heete water over den grond van het bosch uitspreidt, kan

zij het geheele bosch dooden. Niet door de warmte van het water,

want dat is op dien afstand van de bron voldoende afgekoeld om

onschadelijk te zijn. Maar omdat de grond met een verhardende korst

van kalk wordt bedekt, die ten slotte den bodem geheel van de lucht

afsluit zoodat daaronder de wortels sterven, en dus ook de boomen te

gronde gaan. Angel's terrace is een droevig voorbeeld van dit geval,

daar hier honderden groote dennenboomen geheel dood en kaal op den

kalkgrond staan. Soms bereikte de kalklaag hunne onderste takken,

maar soms liet zij den voet der wortels aan de stammen onbedekt,

zoodat men gemakkelijk zien kon, dat zelfs een zeer dunne laag

zóó moorddadig kon werken. Aan de randen van deze plaats zag ik de

stervende en half gestorven boomen, die een toenemende uitbreiding

van het euvel aanduidden. Merkwaardig vond ik het voorkomen van onze

gewone europeesche blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), die hier,

te midden van die vreemde verschijnselen en die geheel bizondere flora,

weelderig bloeiden en een aangename herinnering aan onze heiden boden.

In een der boschrijke valleien achter de heuvelengroep, waarop

de voornaamste bronnen der Mammoth Hot Springs gevonden worden,

staat een groote kegel van travertijn, die den naam draagt van

Orange-Geyser. Deze naam zou allicht doen vermoeden, dat men hier te

doen had met een formatie, zooals die in de eigenlijke geyserbassins

gevonden worden, en dat deze bron dus op dit gebied niet thuis

behoorde. Men zou meenen dat zijn wateren kiezelzuur bevatten en dus

sintel afzetten, terwijl de opgeloste stof in werkelijkheid hier

koolzure kalk is, evenals in alle bronnen van deze omgeving. Ook

springt de bron niet hoog op, zooals men het van een echten geyser

verwachten zou.

De kegel is stomp en van boven min of meer vlak. De kleur is aan de

eene zijde krijtwit, aan de andere bruin en grijs; de eerste zijde is

thans droog, en de kleuren der laatste worden door het overvloeiende

water onderhouden. Op den vlakken top bevindt zich een bekken met

water, in welks midden een bron kookt. Van uit het dal kan men dat

niet zien, maar men hoort het geluid duidelijk en ziet de dampen

opstijgen. Ik ben op een der bergen die het dal omgeven geklommen

om het bekken te zien; het neemt slechts een klein deel van de

topvlakte in.

Die bron schijnt uit een opening van een onderaardsche spleet te komen,

want aan de eene zijde van den hoogen kegel is een lage afzetting van

travertijn, die den vorm van een vlakken heuvelrug heeft, op zijn kam

een aantal kleine openingen en barsten dragend, waaruit heet water te

voorschijn komt. Die lijn is slechts een twintigtal passen lang, en

even groot is de afgezette kalkmassa, die links en rechts van haar den

grond bedekt. Deze formatie is vrij gelijkmatig van oppervlakte, zoodat

zij bijna overal door het afvloeiende water bevochtigd wordt. Het kwam

mij belangrijk voor, deze openingen nader in oogenschouw te nemen en

eenigszins uitvoerig te beschrijven, omdat zij veel kleiner zijn dan

die der meeste andere heete bronnen, en te zamen een typisch beeld

van den bovenrand van een onderaardsche barst geven.

De opening, die het verste van den hoofdkegel gelegen is, is zoo

groot als een vuist, en aan drie zijden met korsten van bruin en groen

verkalkt wier overgroeid; het water, dat er in vrij groote hoeveelheid

uitstroomt, is zeer heet. Vlak er naast staat een kegeltje met een

opening zoo wijd als een vinger dik is, maar dit is nu droog. Het water

uit de vuist-groote opening kookt met tallooze bellen op en vloeit

dan omlaag in een smal stroompje. Daarin groeien de witte of bleekgele

draadwieren in drie of vier bundels, wiegelend in den kleinen heeten,

snelvlietenden stroom. Men brandt zijn vingers als men de wieren er

uithaalt. Iets verder op vindt men zulke draden, die afgebroken en

dus weggevoerd zijn, maar tegen een scherpen hoek van den rand zijn

blijven hangen. Allengs koelt het water natuurlijk af, en weldra is

het zooveel lager in temperatuur geworden, dat de groene en bruine

wieren er in kunnen leven. Het beekje is dan breeder en minder diep

geworden, en loopt over korsten van levend travertijn in allerlei

kleuren, met een slijmerige, maar allengs verkalkende oppervlakte.

Volgt men de vermoedelijke barstlijn, dan vindt men, ongeveer een

meter verder en iets hooger op, een vingerdikke opening, waaruit

voortdurend groote damp-blazen komen, die de opening telkens

afsluiten. Er vloeit maar weinig water uit, doch ook daarin groeien

de witte draadwierbundels. Het water verspreidt zich dan en is juist

voldoende om een aanzienlijk deel der oppervlakte vochtig en warm te

houden. Daar groeien de bruine en groene korsten, nog geleiachtig

en bros, brekend bij het aanraken. Enkele voetstappen van vroegere

bezoekers maken er kleine meertjes, waarin het water blijft staan;

in de hoogste en warmste groeien de bleeke draadwieren, in de lagere

de bruine en oranjegekleurde soorten.

Een halven meter verder, op de overigens gesloten barstlijn, komt

weer een vuistgroote opening, die wat hooger op het heuveltje ligt,

en dus een sneller afvloeiend stroompje geeft. Die stroom is aan den

rand zwart, in 't midden draderig wit, beide door de wieren die er

in groeien.

Nu stijgt de heuvelrug sneller en over een afstand van een meter

liggen nog een vijftal dergelijke bronnetjes, elk met een wit of

zwart stroompje, omgeven door een bruinen rand. Hooger op de lijn

worden de vingergroote openingen talrijker en moeilijk te tellen, soms

vloeien zij tot groepen inéén. Maar de beekjes en afzettingen zijn

dezelfde. Een 25-tal zulke gaatjes liggen op een paar meter bijeen,

een smalle lijn vormend. Dan volgt een duimdikke bron, die zijn water

een hand hoog opspuit en in een bocht omlaag laat vallen. Rondom

de opening en de plaats waar het water valt, vormen zich korsten,

die aan den warmwaterkant wit, doch aan de andere zijde bruin zijn.

De groep der actieve bronnetjes wordt thans afgewisseld door een

onwerkzamen kegel, die een hand hoog boven het oppervlak uitsteekt,

en de meeste andere dus in grootte overtreft. Water kon ik in de

holte niet zien, doch ongetwijfeld was dit in de diepte voorhanden.

Op dezen kegel volgt een spuitbronnetje, dat zoo dik is als een pink

en door een gekorrelden rand omgeven. Het werpt groote druppels water

omhoog, die telkens met bellen kokenden waterdamp afwisselen. De

druppels vallen buiten den rand op de kalkafzetsels, die daar en vlak

langs den rand wit zijn, maar op zeer kleinen afstand eene bruine

kleur aannemen. Want daar helt het oppervlak sterk en vloeit dus het

water snel in een dunne, verkoelde laag weg.

Nu komen weer, altijd in de richting van den geyserkegel, een

tiental vingerdikke gaten waarin het water kookt; zij vormen een

kleine groep met een gemeenschappelijken rand, die echter aan de

eene zijde van onderen gebarsten is, zoodat het heete water niet

over, maar onder den rand afvloeit. Het is een handbreede spleet,

die een even breed stroompje geeft, dat weer een zwarten bodem heeft

en vol is met slingerende, bleekgele draden. Aan de randen groeien

allengs korsten van bruine en witte wieren over het water heen; zij

groeien van onderen sneller aan, daar zij aan de bovenzijde dikwijls

droog worden, en hechten zich dus meer en meer aan de onderlaag vast,

de bedding van den stroom vernauwend.

Eindelijk volgt nog een veel grootere opening. Het is een kegel zoo

groot als een hoofd, die van boven en aan de eene zijde open is,

en waaruit een breede stroom van heet water omlaag vloeit. Zwarte

vliezen en witte draden wisselen elkaar in dit water af, terwijl

allerlei fijne koraalvormige gewassen zich aan den voet van den

kegel in het warme water bevinden. Verder op wordt de bodem van dezen

stroom breeder en licht roestbruin van kleur, en bedekt hij zich met

tal van wierlijsten en van lepelvormige uitsteeksels, die het water

plaatselijk en tijdelijk tegenhouden, een ontelbare menigte van kleine

bekkentjes vormend.

Boven dezen langen en breeden rug verheft zich de eigenlijke

geyser-kegel nog drie meter hooger. Aan de beschreven zijde vloeit

overal een dunne laag heet water over den rand, zwarte en witte en

bruine strepen vormend, al naar gelang der wiersoorten. De bovenrand

is afgerond door het overvloeiende water; daaronder vormen zich

stalactieten, die als ribben vertikaal omhoog loopen. Dan volgt een

gedeelte waar de kegel minder steil is, en hier hebben zich vooral

de randwieren genesteld, tal van terrassen, elk met een vijvertje,

vormend. Sommige dezer terrassen zijn ook reeds volgegroeid en

het water vloeit eenvoudig over den rand van het horizontale vlak

heen. Soms zijn deze terrassen groot, en telt men er slechts een

tiental boven elkaar, soms zijn zij kleiner en vindt men er twintig

en meer bij dezelfde daling. Overal is de geheele oppervlakte met de

kronkelende dwarsribben der bruine wieren dicht bedekt. Het is als

het ware een fijngolvende bodem onder de dunne waterlaag.

Aan de tegenovergestelde zijde, de noordzijde van den kegel, vloeit,

zooals ik reeds gezegd heb, tegenwoordig geen water meer af; hier

en daar zijn zelfs groote stukken er uit gevallen, zoodat men iets

van de inwendige structuur zien kan. Daarbij blijkt, dat de opbouw

voortdurend ongeveer op dezelfde wijze heeft plaatsgevonden, waarop nu

de afzetting aan de oppervlakte nog voortgaat. Want de massa bestaat

uit vingerdikke schalen, die los en met smalle tusschenruimten over

elkander liggen. Die tusschenruimten correspondeeren met de perioden,

waarop dat gedeelte van het oppervlak droog was, terwijl de schalen

natuurlijk des te dikker zijn, naarmate de plek langer onafgebroken

bevloeid geworden is. Bij het drogen is de donkerbruine kleur der

vochtige en levende massa in een licht geelachtig bruin veranderd.

Rondom de beschreven formaties is een uitgebreid afvloei-terrein voor

het water. Op dit terrein is alle vegetatie van andere planten dan

wieren gedood, en het is met een travertijnlaag bedekt, die vlak bij

den kegel vrij dik is, maar naar de randen toe dun uitloopt. Vlak

langs den rand groeien echter allerlei planten, zoodat men precies

zien kan, hoever de afzetting gegaan is. Onder die planten, die de

oorspronkelijke flora van het dal vertegenwoordigen, komt vooral

een lage soort van gulden roede vrij veelvuldig voor. Trouwens het

geslacht der Solidago's of gulden roeden is in het geheele park, en

verder over al de prairiën van het westen, aan de oostzijde der Rocky

mountains, een der meest algemeene, zoowel wat rijkdom aan soorten,

als wat de onafzienbare millioenen van individuen betreft. Verder

vindt men langs den rand blauw bloeiende vlassoorten, gele Sedums,

kleine Asters (een geslacht, dat in Amerika even rijk vertegenwoordigd

is als de gulden roeden), immortellen, en aan den boschkant de kleine

moeras-zonnebloemen.

Zoover de kalkafzetting gaat, zijn ook de boomen gedood. Het zijn

de reeds genoemde "red cedars," een soort van jeneverbessen, die

hier overal veelvuldig groeien. Rondom den voet van den kegel staan

die boomen in groepjes, tot manshoogte en meer opgegroeid en op de

armsdikke stammen rijk vertakt. Maar thans zijn zij zonder loof,

geheel dor en kaal, en ten deele is reeds de schors afgestorven

en afgevallen. Uit den kegel zelf steken de toppen van een zestal

zulke stammen nog omhoog; zij moeten reeds eeuwen geleden, in het

begin der formatie, gedood zijn, en zijn sedert langzamerhand onder

de aangroeiende travertijn-massa bedolven geraakt. Wat daarboven

uitsteekt is kaal en bestaat alleen nog maar uit de dikste takken;

al het overige is vergaan, en ook de schors is sedert lang verdwenen.

Zijn deze stammen een treurig getuigenis van den strijd tusschen de

kalkwieren en het oorspronkelijke bosch, iets verder op kan men dezen

strijd nog in vollen gang zien. Hier zijn de roode ceders ten deele

nog groen en vol bessen, ten deele dor en droog. Aan sommige is het

gelukt den kalkhoudenden stroom tijdelijk af te wenden; de voorste

stammen zijn in den strijd gevallen maar zij hebben de overige van

het groepje beveiligd. Als een eilandje ligt zulk een plekje in den

versteenenden stroom, en allerlei kleine planten hebben van de geboden

beveiliging gebruik gemaakt, de plek tot een groenende en bloeiende

oase in de kleine woestenij makend. Vooral een soort van distel en

de Smilacina, die later in het najaar uiterst sierlijke trossen van

roode besjes zal dragen, troffen mij hier, tusschen de zooeven reeds

genoemde planten van den rand.

Behalve de roode ceders, die den kegel omgeven, ziet men aan de nu

droge voorzijde een paar hooge dennenstammen, wier voet ook reeds

door het travertijn overdekt is, en die dus geheel dood zijn. Als kale

pilaren met wijduitgespreide takken reiken zij boven den heuvel omhoog.

Het is duidelijk, dat deze geheele formatie van de vlakte van het

dal uit is opgewerkt. Er moet zich in het bosch een onderaardsche

spleet gevormd hebben, die in verband stond met de watermassa,

die hier van uit de hooge bergen naar het eigenlijke terrein der

Mammoth Hot Springs vloeit. Uit die spleet is het kalkhoudende water

te voorschijn getreden, rondom kalk afzettend en de oude vegetatie

doodend. De spleet moet ontelbare jaren en wellicht eeuwenlang op

dezelfde plaats werkzaam zijn geweest, met één hoofdopening, die den

grooten kegel gevormd heeft, en met een reeks van kleinere voor het

vlakke heuvelrugje, dat ik beschreven heb.

Rondom heeft het dal den gewonen vorm, en zijn de hellingen met de

gewone dennensoort dezer streek meest dichtbegroeid. In het dal is de

beschreven spleet echter niet de eenige uitlaat voor het heete water

geweest. Want een honderdtal passen verder op ligt een tweede kegel,

veel lager en veel vlakker en breeder, maar zuiver kegelvormig. De

hoogte bedraagt slechts een meter, maar de straal is verscheidene

meters lang. In het midden, dus op den top van den vlakken kegel,

ligt een uitgedoofde bron. Het is een kommetje vol water, iets kleiner

dan een gewone waschkom. Dit water is lauw, en dus afkomstig van de

onderaardsche spleten; ook ziet men in den bodem van het bekken een

drietal gaten, waaruit dampen en luchtbellen omhoog bobbelen. De bodem

van dit kommetje is met roodbruine wiervlokken bedekt, en dezelfde

wieren, doortrokken met kalk en uitgedroogd, vormen klaarblijkelijk

de geheele massa van den kegel, blijkens de lichtgrijze kleur.

De geheele, vlakke kegel is kaal, maar toch begint de plantengroei

hier en daar zijne rechten weer te laten gelden, en mossen, grassen,

enkele gulden roeden en wolfsmelken met nog een paar andere soorten

hebben al enkele punten vermeesterd, om van daaruit zich allengs uit

te breiden. Ook een immortelle zag ik er bloeien. Op de oppervlakte

van den kegel ziet men nog duidelijk de sporen van de gekronkelde

wierranden, die eenmaal ook deze formatie terrasvormig gemaakt moeten

hebben. Maar het meeste is toch reeds tot puin en poeder vergaan,

wellicht grootendeels door belangstellende bezoekers vertrapt.

Ook elders in de vallei zijn nog sporen van bronnen of onderaardsche

spleten wier wanden zijn ingevallen, zoodat men dus in de diepte

zien kan.

In een naburig dal had ik de gelegenheid nog beter te zien hoe zulk

een travertijn-massa er van binnen uitziet. Daar vond ik een kegel,

juist zooals die van den Orange-Geyser, maar klaarblijkelijk sedert

lange jaren droog en onwerkzaam. Hij is drie meter hoog, van boven niet

merkbaar veranderd, maar zijdelings afbrokkelend. Deze geheele kegel

bestaat uit meest vinger dikke schalen, die van boven bijna horizontaal

liggen maar dan ombuigen en loodrecht omlaag gaan. Zij zijn zoo los

aan elkander verbonden, dat zij afbladeren en afschilferen. Op zijn

buitenvlak vertoont elke schaal een stalactietachtige structuur, en

waar de schalen dwars doorgebroken zijn is de inwendige massa helder

wit en grof-poreus. Sommige schalen zijn zoo dun als bordpapier,

andere dikker, tot vingerdikte toe. Plaatselijk is de buitenvlakte van

den geheelen kegel nog goed bewaard, vooral aan sommige zijden aan

den voet, en hier ziet men haar bedekt door tallooze dwarsloopende

ribbels, die thans grijs en droog zijn, maar die klaarblijkelijk

door de bruine randwieren zijn gemaakt. Hoeveel eeuwen de wieren aan

dezen kegel gebouwd hebben, is moeilijk na te gaan, maar alles pleit

er voor, dat zij van den beginne af tot aan het einde op dezelfde

wijze werkzaam geweest zijn. Uiterst eenvoudige beginselen brachten

ook hier een rijke afwisseling in vorm en structuur teweeg.

Het Yellowstone-Park · 第 6 / 12 题