Het Yellowstone National Park is wellicht de meest merkwaardige
plek in Amerika. Het is de hoogste plaats in het Rotsgebergte, de
top van de wereld, zooals de Indianen het noemden. Tegelijkertijd is
het de plaats, waar de inwendige warmte der aarde het dichtst bij de
oppervlakte komt en hare werking het meest doet gevoelen. Weliswaar
zijn er thans geen eigenlijke vulkanische uitbarstingen meer, maar in
geologisch kort geleden tijden zijn deze hier veelvuldig geweest,
en hare producten vormen de grondstof waaruit het landschap is
opgebouwd. Thans vertoont zich de macht der centrale hitte in
warme bronnen en geysers en al haar talrijke tusschenvormen en
verscheidenheden. Nagenoeg het geheele park is als bezaaid met zulke
plekken, waar de hitte der diepte een uitweg vindt. Hier en daar zijn
de spleten en gaten en bronnen zóó dicht bij elkander opgehoopt,
dat zij groote groepen vormen, vele honderden van zulke openingen
omvattend. Zij bedekken dan de geheele oppervlakte van een dal,
of de helling van een berg. In het eerste geval spreekt men van
geyser-bassins; tot het tweede behooren de brullende berg of Roaring
mountain, en de travertijn-rotsen van Mammoth Hot Springs. [1]
Even nobel als de natuur, toont zich hier ook de menschelijke
geest. Het Amerikaansche volk heeft deze geheele landstreek, meer
dan 3000 vierkante mijlen omvattend, gemaakt tot een park, d.w.z. tot
een plaats, waar industrie en landbouw buitengesloten zijn, en waar
de natuur zooveel mogelijk ongeschonden bewaard moet blijven. De
trotsche en zielsverheffende natuurverschijnselen mogen niet aan gewone
doeleinden dienstbaar gemaakt worden, de groote bronnen van mechanische
kracht, die zij in zich sluiten, mogen niet voor het voordeel van
enkelen worden gebruikt. Het park moet ten allen tijde en uitsluitend
bestemd blijven "for the benefit and the enjoyment of the people" [2]
zooals het eerste artikel van de stichtingswet luidt en zooals het in
steenen letters boven de poort aan den ingang bij Gardiner gegrift is.
Voorloopig dient het park nog meer voor "the enjoyment" dan wel voor
het nut van het volk. Tenminste op den gewonen toer krijgt men niet
den indruk, dat het verhevene der natuurverschijnselen de Amerikanen
bizonder treft, noch dat zij door de beschouwing dier verschijnselen
tot een dieper inzicht in de hoofdlijnen van de geschiedenis dezer
aarde trachten door te dringen. Het leven in de fijne hooge lucht en de
heerlijke omgeving der dennebosschen is hun de hoofdzaak, en daarvan
wordt veelvuldig gebruik gemaakt. De gewone toer, die minstens zes
dagen duurt, wordt jaarlijks door minstens 10.000 personen van elken
leeftijd en van elken rang en stand gemaakt. Daarenboven kampeeren
ongetelde aantallen gedurende den zomer overal in de bosschen en
trekken met eigen wagens rond. Deels om hun daarbij behulpzaam te
zijn en deels met het oog op het brandgevaar, dat zeer groot is,
heeft het landsbestuur overal aan de wegen door wegwijzers en borden
de goede kampeerplaatsen aangewezen, en op andere schijnbaar geschikte
plaatsen verboden tenten op te slaan.
De geysers en de warme bronnen zijn voor de meesten nog slechts
curiositeiten, die geen verder belang inboezemen en spoedig eentonig
worden; de rotsen treffen hen door hunne steilheid en de grootte
der neergestorte blokken, maar op het verschil in bouw wordt weinig
gelet. Toch heeft de geheele streek zijn merkwaardigheid voor een
groot deel er aan te danken, dat de bergen oude lavastroomen zijn,
die over krijtachtige gesteenten heen vloeiden, en dat met de lava
andere vulkanische gesteenten afgezet werden. Zoowel in de groote
trekken van het landschap als hier en daar in de onbedekte rotsen
kan men dit duidelijk zien.
Waarom aan deze landstreek de naam van park gegeven is, is niet
duidelijk. Want het is er verre vandaan, dat het op een park zou
gelijken, of zelfs dat men zou willen trachten, het allengs in die
richting te verbeteren. Integendeel, men wenscht juist de woeste
en vrije natuur te bewaren. Zwitserland, met zijn goed verzorgde
bosschen, gelijkt veel meer op een park dan Yellowstone, waar de
afwezigheid van de zorgen der menschen juist het beoogde doel is. Ook
is de naam park juist niet geschikt om een denkbeeld van de grootte
van deze streek te geven. Men reist er zes dagen lang in wagens op
goede wegen rond, en kan dan nog maar een zeer klein gedeelte van de
geheele uitgestrektheid bezoeken.
Natuurlijk zou een ongerepte toestand het bosch ontoegankelijk maken
en het genot er van beperken tot slechts zeer enkelen. Vandaar dat de
regeering voor een stel van goede rijwegen gezorgd heeft en dat een
vereeniging zich de oprichting en exploitatie van het vereischte aantal
hôtels en van de vervoermiddelen tot taak heeft gesteld. Voortdurend
worden verbeteringen aangebracht en worden hier nieuwe bruggen gebouwd
en ginds de bochten en hellingen der wegen door den aanleg van nieuwe
gedeelten vereffend.
Huizen mogen in het park overigens niet gebouwd worden en alleen nabij
den heuvel der Mammoth Hot Springs, het hoofdstation van de gewone
toeristenreis, en tevens het eerste station dat men met de rijtuigen
bereikt, is voor militaire doeleinden een dorp aangelegd. De bezetting
bestaat uit twee compagnieën ruiterij, waarvan de manschappen door
het geheele park als politie dienst doen, zorgende, dat met vuur
voorzichtig worde omgegaan, dat geen overblijfselen van gebruikte
maaltijden of van nachtverblijven het park ontsieren en dat aan de
gewrochten der natuur geen balddadige handen of geen verzamelaars van
curiositeiten afbreuk doen. Om dit laatste doel nog beter te bereiken,
zijn in de nabijheid van enkele hôtels kleine winkeltjes opgericht,
waar natuurvoorwerpen kunnen worden gekocht. Het is een zeer bekende
eigenschap der bronnen, om hetzij kalk, hetzij kiezel af te zetten,
en zoo dus kleine voorwerpen daarin worden gelegd, worden zij allengs
met een dun laagje van deze stoffen overtrokken. Takken en naalden
van dennen kan men zoo vinden, maar ook kunstmatige voorwerpen
worden evenzoo omkorst, en onder deze geven de Amerikanen vooral
aan monogrammen de voorkeur. Op deze incrustatie, de wijze waarop
zij plaats vindt en het aandeel dat zij aan het ontstaan der heuvels
rondom de bronnen in den loop der tijden gehad heeft, kom ik trouwens
later uitvoerig terug.
Het klimaat van het park is, zooals men dit van een zoo hoog gelegen
landstreek mag verwachten. Gedurende drie vierde gedeelten van het
jaar is het diep met sneeuw bedekt en zoo goed als ontoegankelijk,
zelfs vinden de herten en antilopen er dan dikwijls slechts met
groote moeite hun voedsel. Gedurende de overige drie maanden is het
klimaat dat van de hooge alpen, een zuivere frissche lucht en een
heldere hemel, afgewisseld met hevige onweersbuien, die naar mijne
zeer korte ervaring vooral rondom Mammoth Hot Springs zeer talrijk
zijn. Trouwens de bergtop, waar rondom zij zich voornamelijk ontladen,
draagt den naam van Electric Peak. [3] Twee malen ben ik daar omstreeks
24 uren geweest, en in dien tijd heb ik drie zware onweersbuien met
plasregens bijgewoond.
De koude en de korte duur van den zomer maken de streek voor landbouw
onbruikbaar. Als men er voor de hôtels groenten wil telen, moet
dit in kassen gebeuren. Ook het hout is voor het grootste gedeelte
als timmerhout ongeschikt. De dennebosschen, die alle hellingen en
verreweg het grootste deel der vlakten en valleien bedekken, bestaan
maar uit één soort van den, den Pinus contorta, var: Murrayana, die
hier gewoonlijk black pine genoemd wordt. Deze naam is ontleend aan
de zwarte bosschen die hij vormt. Hij heet ook wel lodge pine of pole
pine, aanduidende dat men van de stammen huizen kan bouwen zonder ze
tot planken te zagen, of dat men de stammen voor telegraafpalen en
andere dergelijke doeleinden kan gebruiken. Maar het verdere gebruik
beperkt zich tot het nut als brandstof. Daarentegen komen er hier en
daar, en vooral in het noordelijk gedeelte, twee soorten van sparren
voor, die voor timmer hout geschikt zijn. Het zijn de douglas-spar en
de balsam-spar (Pseudotsuga Douglasii en Abies alpina); ik zag ze in de
bosschen rondom Mammoth Hot Springs in groot aantal en in prachtige
exemplaren, doch elders meest zeer verspreid en zeldzaam. Maar
misschien zijn de meeste op de voor toeristen toegankelijke plaatsen
reeds weggehaald voor de constructie van de bruggen en de hôtels.
In vroegere tijden was deze ontoegankelijke landstreek zoo goed als
onbewoond. De Indianen hadden voor "den top der wereld" een diep
ontzag en begaven zich in deze streek, waar de natuurverschijnselen
hun vrees inboezemden, slechts zeldzaam. Wel zijn door de hoofddalen
hun voetpaden gevonden, en volgen de tegenwoordige rijwegen meestal
zulke oude "Indian Trails", maar het is een bekend feit, dat in de
tijden van de eigenlijke ontdekking van het park, nog geen 40 jaar
geleden, het zoo goed als onmogelijk was indiaansche gidsen te vinden,
die werkelijk overal den weg wisten. En het bleek dat deze gidsen
bij het aanschouwen der geysers nog meer verbaasd en ontdaan waren
dan de blanke natuuronderzoekers. Slechts een vreesachtige stam van
de Shoshone-Indianen, de schaap-eters of Tukuarika, trok zich hier
terug, maar ook zij kenden de geysers niet.
De Indianen gaven aan de geheele streek den naam van de hoofdrivier,
die er doorstroomt, en aan deze een naam, ontleend aan de kleur
der rotsen in de canyons of ravijnen. Deze kleur is dikwijls helder
geel, en uit het gele nu eens in het roode, dan weer in het grijze
spelend. In het Grand-Canyon van de Yellowstone-rivier, waar men
een uur langs de naakte rotswanden wandelt en de rivier, tusschen
de windingen, hier en daar op groote diepte en als zeer in de verte
onder zich ziet, is dit kleurenspel bizonder treffend. De indiaansche
term voor Rock Yellow rivier is Mitsiadazi, in een der Siouxtalen,
en vandaar stammen de tegenwoordige namen van Yellowstone-rivier en
Yellowstone-park af. [4]
Het park is geen eigenlijk bergland zooals Zwitserland. Ook mist het de
sneeuwbergen. Het is een hoog plateau, doortrokken met lage heuvelen,
die meest geheel met bosch bedekt, doch op steile hellingen en langs de
doorsnijdingen der beken dikwijls rotsachtig en dan zeer schilderachtig
zijn. Slechts hier en daar vindt men enkele hoogere toppen, en onder
deze is de Mount Washburn, een halve dag reizen van het Hôtel der
Mammoth Hot Springs gelegen, de voornaamste. Rondom is het park door
hoogere gebergten omgeven, die ten deele buiten, doch ten deele ook
binnen zijne wettelijke grenzen liggen. Deze omgeving geeft overal,
waar het uitzicht niet door boomen of heuvelen belemmerd is, iets
bizonder aantrekkelijks aan het landschap. Het allerfraaist is dit,
als men op het uitgestrekte meer, dat de Yellowstone-rivier ongeveer
in het midden van het park vormt, met de boot van de zuidelijke naar
de noordwestelijke punt overvaart. Overal achter de groene bergen ziet
men dan de kale toppen uitsteken. In het oosten de lange keten der
Absaroka-mountains; in het zuiden de dubbele top der Teton-bergen
en aan de overige zijden hier en daar lagere gebergten. Het zijn
wel geen sneeuwtoppen, maar in de hoogste dalen en ravijnen lagen
toch omstreeks half Augustus nog talrijke uitgestrekte sneeuwvelden,
langzaam afsmeltend en den oorsprong gevend aan talrijke beken, die
bruischend en schuimend door het park trekken, om zich ten slotte
grootendeels in de Yellowstone-rivier te vereenigen. Het plateau ligt
in het hart van het Rotsgebergte, en wordt als een typisch gedeelte
daarvan beschouwd. Het is een streek waar veel regen en veel sneeuw
vallen, en vormt daardoor een groene en bloemrijke oase te midden van
de dorre wildernissen, de door watergebrek onbebouwbare "semi-arid
regions" [5] van het Westen. Het ligt nagenoeg geheel in den staat
Wyoming, met een paar smalle grensstrooken, die in Montana en in
Idaho vallen. Trouwens het eerste wat de aandacht der toeristen na
het binnenrijden door de ingangspoort treft is, omstreeks een half
uur verder, de grenspaal, die aanwijst waar men uit het gebied van
Montana in dat van Wyoming overgaat.
De plantengroei van de omgevende woestijnen zet zich voor een deel
op de hellingen van het park voort, waar deze van bosch ontbloot
zijn. Zij vertoonen dan de eigenaardige grijsgrauwe kleur, die in
zoo hooge mate tot het onaantrekkelijk karakter der wildernissen
bijdraagt. Overal groeien de lage heestertjes van de Sage-brush
(Salieplant: Artemisia tridentata e.a. soorten), die uiterst
algemeene, zonderlinge en nuttelooze plant, zooals zij zoo gaarne
genoemd wordt. Elk grijs bundeltje staat afzonderlijk, en uit de
verte gezien heeft een vlakte of een helling daardoor een gevlekt
aanzien. Dit is zóó kenmerkend, dat men zelfs op groote afstanden den
Sage-brush gemakkelijk herkennen kan. Onwillekeurig rijst de vraag
of die Sagebrush en de andere woestijnplanten die met haar samengaan,
oorspronkelijk uit de woestijn naar het park, of uit de bosschen van
het park naar de woestijn gegaan is. Maar op de bespreking van die
vraag, die met tal van punten omtrent de verspreiding der planten en
haar gemeenschappelijke afstamming samenhangt, mag ik hier niet ingaan.
Op den bezoeker maakt de oase den indruk van een toevluchtsoord voor
planten en dieren. Daar vinden vele, en daaronder de fraaiste en
belangrijkste, wat hun elders ontzegd wordt. Over de planten zal ik
later het een en ander mededeelen, maar het zal vermoedelijk velen
mijner lezers belang inboezemen hier het een en ander omtrent de
grootere dieren te vernemen. Daarbij moet men echter een onderscheid
maken tusschen de opgaven in de gewone gidsboeken voor het park,
en dat, wat de toerist werkelijk te zien krijgt. Onder de groote
soorten verdienen vooral de bisons genoemd te worden, daar zij alleen
hier nog werkelijk in het wild voorkomen. Evenals elders, zijn zij
door hun woeste en weinig slimme natuur tot uitsterven veroordeeld,
en het landsbestuur is op maatregelen bedacht om ze, door middel van
omheiningen, des winters te dwingen op plaatsen te blijven, waar
de sneeuw niet zoo diep ligt, en het gras dus voor hen bereikbaar
is. Ook heeft men op het Dot-island in het Yellowstone-meer een
troepje bisons ingevoerd met het doel om deze later, na genoegzame
harding en vermenigvuldiging, des zomers vrij in de bosschen te laten
zwerven. Behalve dit troepje, dat tijdens mijn bezoek uit een familie
van een zestal exemplaren bestond, ziet de toerist natuurlijk geen
bisons. En hetzelfde is het geval met de "elk" of eland, waarvan ik ook
slechts het half dozijn exemplaren in het park op Dot-island zag. Men
ziet de bisons en de elanden hier juist even goed en even natuurlijk
als in den dierentuin te Amsterdam--afgezien van de omgeving.
Volgens Chittenden's uitvoerig handboek over het park, dat in de
meeste hôtels te koop aangeboden wordt, zijn bevers overvloedig in
al de stroomen en zijn de door hen uitgevoerde bouwkundige werken
overal te zien. Feitelijk wijst de gids u op den geheelen tocht op
ééne plaats, die dan ook "beaver-lake" [6] heet, twee beverwoningen
en een langen dam, die zigzagsgewijze dwars door den tot een meertje
verbreeden stroom heen gebouwd is. Maar de dam is 16 jaren oud,
en of de woningen nog bewoond zijn, wist niemand ons te vertellen.
Omstreeks het jaar 1830 zijn de bevers, die vroeger zeer talrijk
waren, in deze en de aangrenzende streken nagenoeg uitgeroeid. Het
was in den tijd van de oprichting en de krachtigste werkzaamheid
der bontmaatschappijen, die in scherpe rivaliteit alle bevers lieten
vangen, die slechts te bemachtigen waren. Moge hierdoor ook al een
der meest belangwekkende trekken van het landschap naar het schijnt
voor goed verloren zijn, zoo moet men aan de andere zijde niet
vergeten, dat de eigenlijke ontdekking van de wonderen der streek
het gevolg is geweest van de onvermoeide en niets-ontziende tochten
der beverjagers. Het was de eerste ontdekking van geysers en warme
bronnen, van Canyons en landschapsschoonheden, die in Amerika bekend
werd. Opgesierd met de verhalen die een rijke verbeelding en een
onnauwkeurig geheugen rondom deze wonderen deden ontstaan, vonden de
mededeelingen geen geloof. Toch waren zij de eerste bron van de kennis
en de prikkel die tot latere, meer op onderzoek gerichte tochten en
ten slotte tot de reserveering van het terrein als park aanleiding gaf.
Een enkel verhaal moge een denkbeeld van deze overdrijving geven. Het
is de eerste beschrijving van rotsen van vulcanisch glas, en wel
van de rots, die thans Obsidiaan-cliff heet. Dit gesteente glinstert
als glas, maar is gitzwart en ondoorzichtig. Een beverjager bevond
zich in de nabijheid, maar zag de rots van glas niet. Daarentegen
zag hij een hert, en schoot er op. Zeker van zijn schot, was hij ten
hoogste verbaasd dat het hert kalm bleef grazen, en het schot niet
eens scheen gemerkt te hebben. Hij schoot nog een paar malen, doch
met hetzelfde gevolg. Toen wilde hij dichter bij gaan, maar stuitte
tegen een glazen rotswand, waarachter het hert volkomen veilig was
en waarop zijn kogels waren afgestuit.
Natuurlijk vond dit verhaal geen geloof, ofschoon de Amerikanen anders
lichtgeloovig genoeg zijn. Zoo vond een bewering dat het obsidiaan,
omdat het zoo zwart is als steenkool, ook even goed moet branden,
bij mijne reisgenooten vrij algemeenen bijval en werd ten minste niet
tegengesproken, totdat een ander lid van het gezelschap verklaarde
dat het woord obsidiaan toch een andere klank had dan steenkool en
dus ook wel wat anders beteekenen zou.
Van groote dieren ziet de toerist alleen de beren en de herten. De
herten trekken in kudden rond, evenals in vele europeesche
bosschen. Menigmaal zag ik ze, nu eens enkele, dan weer meer. De beren
daarentegen worden u op eigenaardige wijze vertoond. Bij elk hôtel,
behalve bij dat van Mammoth Hot Springs, is daartoe een bepaalde
plaats bestemd, nu eens een klein dal, dan weer een open plek in een
bosch. Hier worden al de geledigde blikjes en al de overige afval van
het hôtel gebracht, en de beren komen des avonds zoeken, of daarin
nog eenige lekkernij voor hen te vinden is. Op behoorlijken, maar
vrij kleinen afstand is een ijzerdraad gespannen, en daarachter staan
banken voor de toeristen om te zitten kijken. Schuw en bang komen de
beren, omstreeks zeven of acht uur des avonds, een voor een uit het
bosch te voorschijn, gaan op hun achterpooten staan en kijken overal
rond of alles veilig is. Treft men luidruchtige reisgenooten, dan
krijgt men niet veel te zien, daar de beren weldra omkeeren en naar
het bosch teruggaan. Zochten zij de blikjes door, en vonden zij wat
hun beviel, dan verkondigden zij dit door een luid gebrul; een zag
ik er met een groot stuk in den bek snel den heuvel oploopen en in
het bosch verdwijnen. Een ander klauterde in een boom en genoot daar
klaarblijkelijk nog eens van het gevondene. Een moeder kwam met haar
jong, beide gingen op de achterpooten staan om rond te kijken, en het
was grappig om te zien hoe het jong de moeder in alles nadeed. Wel
driemaal vonden zij het onveilig en gingen naar het bosch terug,
eindelijk verstoutten zij zich en gingen eerst behoedzaam, daarna snel,
den heuvel af naar de blikjes. Een oudere beer, die daar bezig was,
misschien wel de vader, maakte toen voor hen plaats en ging om den hoop
rondwandelen. Zoo kan men, na het middagmaal gebruikt te hebben, de
levenswijze der beren, alhoewel onder zeer eigenaardige omstandigheden,
uitvoerig gadeslaan. Maar hoewel ik een paar wandelingen door de
bosschen gemaakt heb, ben ik er daar natuurlijk geen tegengekomen.
Een enkele slang heb ik gezien en hier en daar op de rotsen een
woodchuck, ook wel groundhog genoemd, een dier als een wombat,
kruipende in of uit zijn hol. Algemeen zijn eigenlijk alleen
eekhoorntjes, zoowel de bruine soort die op de boomen leeft, als
de grijze, die met vier overlangsche zwarte strepen over kop en rug
versierd is, als gevolg zegt men van de vier vingers van een godheid,
die eenmaal trachtte dit onrustige dier tot rust te brengen. Maar het
is nog altijd even onrustig en snelt over en langs de wegen. Ik zag
ze in groot aantal, op één dag zelfs bijna honderd. Zij zijn door de
wet volkomen beschermd en dus volstrekt niet vreesachtig, en ik kon
ze herhaaldelijk van vlak nabij gadeslaan. Nieuwsgierig zitten zij,
rechtop, aan den weg naar de voorbijgaande rijtuigen te kijken, met
een pakje wortels of vruchten in hun voorpooten. Dikwijls ziet men
ze hun holen in den grond opzoeken en daarin verdwijnen. Dicht naast
mij, in het bosch bij Mammoth Hot Springs, zat een roode eekhoorn
te knagen aan een groenen dennekegel, een vrij grooten van den Pinus
flexilis, zoo groot ongeveer als die van onze zeedennen, maar niet zoo
hard. Soms sprong hij op, met den kegel in zijn handen, ging dan weer
zitten, en het was aardig om te zien hoe hij den kegel ronddraaide
om de zaden te vinden. Eindelijk sprong hij op een tak en verdween,
met groote sprongen van boom tot boom overwippende.
Over leeuwen en andere verscheurende dieren, die de gidsboeken u
opnoemen, zal ik maar niet spreken; die leven in de ontoegankelijke
gedeelten der hoogere bergen, en men ziet ze natuurlijk nooit. Van
visschen wekken alleen de trouts of forellen groote belangstelling,
daar men ze in het heldere water der stroomen,--en op tafel--bijna
elken dag zien kan. Het visschen is geoorloofd en behoort tot de
voornaamste genoegens van het leven in het park.
Een punt van belangstelling, dat echter op de kaart beter zichtbaar is
dan in de werkelijkheid, is de "Continental divide". Dit is de lijn
die men trekken kan tusschen de oorsprongsplaatsen van alle beken,
wier water naar den Atlantischen Oceaan vloeit en van al die, welke
naar den Pacific Oceaan uitwateren. De gewone toeristentocht ligt op
het atlantische gedeelte van het gebergte, met uitzondering van een
paar uren, die men aan de andere zijde rijdt. Men ziet dan de bergen
naar het westen afhellen en in de verte het Shoshone-meer, waarvan
het water, door bergstroomen omlaaggevoerd, naar de Columbia-rivier
gaat, om door Oregon en langs Portland in zee te vloeien. Een
paar naamborden wijzen de punten aan, waar men de scheidingslijn
overgaat. Op een dezer beide punten ligt in de pas een groote plas,
vol met gele waterplompen, en omlijnd door biezen en bloembiezen, als
een hollandsch moerasje. Het water van deze plas weet niet, of het door
de Columbia-rivier naar den Pacific-Oceaan, of door de Yellowstone en
de Missouri naar de Atlantische zee zal gaan. Een moeilijke twijfel,
want een kleine windstoot kan het water nu eens naar de eene zijde,
dan weer naar de andere in de beek drijven en zóó de beslissing geven.
Trouwens, in den loop der eeuwen kunnen ook groote meren in dit
opzicht van meening veranderen. Het Yellowstone-meer, dat voor menig
ander beroemd meer in grootte niet behoeft onder te doen, is daarvan
een voorbeeld. In langvervlogen voorhistorische tijden liet het zijn
water naar de Stille Zuidzee afvloeien. Maar in en na den ijstijd heeft
het zich een uitweg naar het oosten gemaakt, den Grand Canyon als een
diepe en enge sleuf in de rotsen ingravende. Het bereikte daardoor
een nieuwen en tevens een beteren waterweg en kan sedert zooveel
meer water afvoeren, dat zijn waterspiegel verscheiden tientallen van
meters gedaald is. De vroegere "outlet" naar de Snake-rivier aan de
westzijde is thans dus een vrij hooge, hoewel vlakke pas geworden.
Een juist begrip van de bergen en van de vulkanische werkingen in
het park moet natuurlijk uitgaan van de geologische gesteldheid. [7]
Een zeer eenvoudig overzicht mag hier echter daartoe voldoende geacht
worden. Het kan zich beperken tot den tijd, waarin de voornaamste
uitstortingen van lava over het tegenwoordige park plaats vonden. In
de krijt-periode was het park nog een gedeelte van de zee, die
toen uitgestrekte streken van Amerika bedekte. Het was echter reeds
omgeven door rotsen en gebergten en vormde waarschijnlijk een soort
van golf, of een deel van een archipel van kleine eilanden. Door de
werkzaamheid van koralen en andere diersoorten werden op den bodem dier
zee kalkmassa's afgezet, die in den loop der tijden tot aanzienlijke
lagen aangroeiden. Allengs werd echter, over de lijn die thans de
kam van het Rotsgebergte is, de korst der aarde in verhouding tot
de zee opgeheven, en omstreeks het einde der krijtperiode ging het
park van zee over tot land. Dit leidt men daaruit af, dat na de kalk-
of krijtlagen geen omvangrijke afzettingen meer hebben plaats gevonden.
Lagen van kleinen omvang, in kleine zeeboezems of in meren gevormd,
zijn gedurende den geheelen tertiairen tijd hier en daar afgezet,
doch zij zijn voor ons tegenwoordig doel van geen beteekenis. Veel
belangrijker is, dat gedurende al dien tijd het park de zetel van
een vrij groot aantal vulkanen geweest is, die allengs het grootste
gedeelte van de landstreek met lava en vulkanische asch bedekt
hebben. Een dier kraters was de Mount Washburn, en deze vertoont
op zijn top nog de ronde holte van den vroegeren kratermond. Thans
echter is hij sinds lang uitgedoofd, evenals alle andere vulkanen
van deze streek, en is de kratermonding met dennenbosschen dicht
begroeid. De lava-stroomen vloeiden van uit die kraters in alle
richtingen over het land; nu eens bleven zij afzonderlijk en vormden
dan eigen bergruggen, dan weer vloeiden zij ineen, zoodat plateau's met
talrijke uitloopers ontstonden. De meeste tegenwoordige heuvels zijn
zulke oude lava-stroomen, terwijl de hoogere toppen waarschijnlijk de
plaatsen der oude kraters aanduiden. De lava en de vulkanische asch,
tot rotsen en gebergten vervormd, bedekt thans nagenoeg de geheele
vlakte, en slechts hier en daar komen de oude lagen voor den dag.
Over het algemeen is de lava een zacht gesteente, dat bij het verkoelen
sterk gebarsten is en gemakkelijk verweert. Voeren de bergstroomen de
verweerde deelen spoedig weg, zoo blijven de rotsen naakt en vertoonen,
door de talrijke kloven en de dikwijls op ruïnen gelijkende toppen,
bizonder fraaie en afwisselende vormen. Soms niet veel hooger dan
de naburige dennenboomen nemen deze rotsen in andere dalen zeer
indrukwekkende afmetingen aan. Alle overgangen tusschen gewone lava
en glasachtige lava of obsidiaan zijn voorhanden, en hier en daar
vindt men ook basalt-formaties. De basalt, die meest zeer regelmatig
tot zeszijdige zuilen gebarsten is, levert een uitmuntende bouwsteen,
en de poort aan den noordelijken ingang bij Gardiner is dan ook geheel
uit deze steen opgetrokken.
De lava levert natuurlijk het gesteente, waarvan de groote wegen
worden gemaakt. Vooral de glasachtige soorten zijn daarvoor geschikt,
daar zij harder zijn en minder snel tot stof vergaan. Om de blokken
tot gruis te verwerken moet men hier echter een zeer bizonder middel
gebruiken. De blokken worden in een vuur van dennenhout verhit en dan
plotseling met koud water overgoten. Zij barsten dan juist in gruis
van de gewenschte korrelgrootte uiteen. De zachtheid van de lava
maakt echter, dat de wegen snel slijten en zeer stoffig zijn. Om aan
dit bezwaar tegemoet te komen laat de regeering de wegen, overal waar
voldoende water aanwezig is, regelmatig besproeien. Meest wordt het
water van een hoogere berghelling in een pijp geleid, die eindigt boven
de plaats waar een waterwagen gevuld moet worden. Zulke standpijpen
ziet men in de bergstreken zeer veelvuldig. Is er geen berg dicht
genoeg bij den weg, zoo moet het uit de beken worden opgepompt. De
groote zorg, die hieraan besteed wordt, draagt zeer veel er toe bij
om het rijden in een reeks van rijtuigen aangenamer te maken.
Hoe de verkoelde lavastroomen op de krijt-lagen liggen, kan men
dikwijls zien, als men de hellingen der grootere heuvels beschouwt. De
hoogere heuvels zijn namelijk wel niet hooger dan de andere, maar
het dal aan hun voet is door den bergstroom dieper uitgegraven. Van
dit uitgraven kan men, op verschillende plaatsen, bijna alle stadiën
zien. Is nu het dal zoo diep uitgegraven, dat de krijtlaag niet alleen
bereikt is, maar dat daarenboven de kloof in deze indringt, en is dan
de rots steil genoeg om niet door verweerden grond bedekt te zijn,
zoo ziet men natuurlijk de lava op het krijt rusten. Sommige dalen
zijn in het krijt zoo diep uitgehold, dat de bergen ter weerszijden
geheel uit grijs-witte krijt-lagen schijnen te bestaan, slechts aan
hun top door de roodbruine lava-massa's gekroond.
Het is natuurlijk niet gemakkelijk om op zulk een tocht te zien, hoe
de rivieren werken en hoe de dalen ontstaan. In den zomer is alles
rustig en kalm, en zelfs de watervallen schijnen geen verandering
in hun omgeving te brengen. Het eigenlijke werk geschiedt in den
winter en vooral in het voorjaar, als de sneeuw, die het geheele
park bedekt, snel begint te smelten en de beken dus tijdelijk zeer
groote hoeveelheden water afvoeren. Niets is dan tegen hun geweld
bestand, en rots voor rots wordt ondergraven en gebroken en ten val
gebracht. Het eene jaar hier, het andere jaar daar verandert het
landschap. De kleinere trekken verdwijnen, en slechts de hoofdlijnen
blijven dezelfde, tot ook hare beurt zal komen om voor de macht van het
water onder te doen. Maar de reiziger ziet van dit alles niets; hij kan
niet onderscheiden of een naakte rotsvlakte jong of oud is, en of een
rots vroeger hooger was dan nu, of door andere vormen gekroond. Toch
zijn er verschijnselen, waaruit men kan afleiden wat er 's winters
gebeurt. Dit zijn vooral oude wegen, die voor een zeker aantal jaren
door geen nieuwen weg vervangen en sedert niet meer verzorgd zijn. Zulk
een weg is o.a. die in de klove tusschen Livingston en Gardiner,
kort vóór dat men het laatstgenoemde dorp bereikt. Dit Canyon voert
den naam van Yankee Jim, en jaren voordat de spoorweg door dit enge
dal gemaakt werd had James George hier een wagenweg aangelegd, die
nagenoeg de eenige toegang tot het latere park was. Hij had het recht
om op dien weg tol te heffen en genoot daarvan langen tijd een niet
onbelangrijk inkomen. Eenige jaren geleden is echter de spoorweg, die
toen slechts tot Cinnabar liep, door dit Canyon doorgetrokken tot aan
Gardiner, d.w.z. tot aan den ingang van het park zelf. Verder kon hij
niet gaan, daar de bepalingen omtrent de strekking en het onderhoud
van het park den aanleg van spoorwegen daarin verbieden. Vroeger moest
dus ieder, die te Cinnabar uitstapte, langs den weg van Yankee Jim
naar Gardiner rijden; nu spoort men eenvoudig door. De weg is dus
in onbruik geraakt, en het onderhoud niet meer waard. Maar van den
trein uit kan men zien, wat in die enkele jaren gebeuren kon. Op
talrijke plaatsen toch is de weg onder rotsstortingen bedolven,
soms over een lengte van honderden meters. Geweldige aardmassa's en
groote rotsblokken moeten in die weinige winters omlaag gekomen zijn,
nieuwe hellingen vormend, en nieuwe rotswanden onthullend. Soms ligt de
massa huizenhoog op den weg, en strekt zij zich tot in de rivier uit.
Het neerstorten van zulke rotsmassa's is ten deele het gevolg van het
afknagen van den voet door de bergstroomen. Maar deze alleen zouden
niet zoo spoedig zulke groote hoeveelheden kunnen afbreken. Zij worden
geholpen door het ijs. Overal is het inwendige der rotsen gebarsten,
en in deze barsten dringt het water door, na als regen op het oppervlak
gevallen en korter of langer tijd in de bovenste lagen vastgehouden
geweest te zijn. In het najaar wordt het zoo koud, dat het water in
deze spleten bevriest. Nu echter weet men, dat water bij het bevriezen
met geweldige kracht uitzet. De barst wordt dan daardoor een weinig
verwijd. Is dit juist zooveel, dat de steenmassa aan de vrije zijde
daardoor losraakt, dan valt zij nog niet, want het ijs werkt ook als
plakmiddel. Maar als dan in het voorjaar het ijs ontdooit, houdt het
verband op, en de geheele steenmassa valt omlaag. Het is trouwens
hetzelfde spel, dat zich in alle rotsachtige streken herhaalt, en
waarvan men de verwoestende gevolgen ook in Zwitserland niet zelden
waarnemen kan.
De Canyons zijn in het algemeen kloven, die door de bergstroomen met
behulp van dit proces in de gesteenten zijn uitgegraven. Het ijs werpt
de rotsblokken omlaag, het water vervoert het gruis, en slijt de te
groote blokken allengs af. Maar grootere en kleinere blokken, zoo groot
als een kamer en meer, ziet men bijna overal in de rivieren liggen,
soms zeer sierlijk met struikgewas begroeid. Langzaam wordt het dal
dieper en breeder. Is het gesteente zacht, zooals in het Grand Canyon,
dan wordt de kloof van boven betrekkelijk sterk verwijd; is het echter
harder, zooals in de oude lava-stroomen en vooral in de basalt, dan
is het dal dikwijls huizenhoog niet veel breeder dan waar de rivier
er in stroomt. In deze twee gevallen ontstaan geheel verschillende
landschappen, maar zoowel het eene als het andere oefenen op den
bezoeker een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit.
De kraters zijn uitgedoofd en de lava-stroomen verkoeld, en
alleen de geysers en warme bronnen getuigen er nog van, dat de
onderaardsche warmte hier dichter bij de oppervlakte komt, dan op
de meeste overige plaatsen dezer wereld. Maar die uitdooving zelve
is reeds van ouden datum. Na haar heeft hier, evenals elders, die
bekende periode van koude geheerscht, waarin de gletschers geheele
landstreken bedekten, en de hoofdrol in de geologische veranderingen
van het aardoppervlak speelden. Voordat ik echter over deze ijsperiode
spreek, is het misschien goed een vraag te vermelden, die de reiziger
zich onwillekeurig stelt, en die vrij rechtstreeks tot een juiste
voorstelling geleidt.
Het Grand Canyon aan de Yellowstone-rivier, dat ik reeds eenige malen
genoemd heb, is een klove van onovertrefbare schoonheid in vormen en
kleuren, door de rivier in de vulcanische lagen gegraven. Het strekt
zich over een twintigtal mijlen uit, en is op het schoonste gedeelte
omstreeks 400 Meter diep. Het is een kloof in een uitgestrekt plateau,
en een voortreffelijke rijweg voert op dit plateau langs den rand
van den afgrond, terwijl in de diepte, waar de rivier bruist, het dal
meest zoo eng is, dat er zelfs voor geen boom plaats is. Boven op dit
plateau nu ligt, juist bij het meest imposante gedeelte van het Canyon,
een eenzaam rotsblok, verscholen in het dennenbosch, half zoo hoog
als de boomen. Maar het is thans een bekende curiositeit geworden,
en de weg naar Inspiration-point voert er vlak langs. Gaat men even
van den weg af om het nader te beschouwen, dan wordt men terstond
getroffen door twee feiten. Ten eerste ligt het klaarblijkelijk los
op den grond, zonder eenig verband met de onderliggende rotsen. Ten
tweede echter bestaat het uit graniet, en geenszins uit vulkanische
steen, zooals de geheele streek in de rondte. Het heeft een fraaie
en gemakkelijk te herkennen granietstruktuur, die vooral daar goed
te zien is, waar door het afvallen van kleine stukken, een gave
breukvlakte aan den dag is gekomen.
Van waar komt dit blok? Het ligt honderden meters boven de rivier, en
is ook vele malen te groot en te zwaar om zelfs door den machtigsten
stroom te kunnen worden vervoerd. Van waar komt het? Het moet
natuurlijk eenmaal afgebroken zijn van een naburigen granietberg, en
hierheen gebracht. Maar in den omtrek komen wel enkele hooge bergen
voor, zooals Mount Washburn, maar die zijn uitgedoofde kraters en
bestaan niet uit graniet.
Uit graniet bestaan echter de Absaroka-gebergten, die ik ook reeds
genoemd heb, en die op de oostelijke grenzen van het park gelegen
zijn. Van uit het park ziet men ze, als het uitzicht vrij is, als een
hooge keten van toppen, hier en daar op de hellingen met sneeuwvelden
bedekt, op grooten afstand. Evenzoo vindt men hier en daar aan de
andere zijden op en over de grenzen van het park granietgebergten. Maar
dichterbij vindt men ze niet. Daaruit volgt dus met volkomen zekerheid
de conclusie, dat dit blok van een der omliggende bergen, en wellicht
juist van de Absaroka's, hierheen is gekomen.
Zoo dit feit alleen stond, zou het natuurlijk moeilijk te gelooven
zijn. Men zou zich niet goed een voorstelling van zulk een werking
kunnen maken. Maar het staat volstrekt niet alleen. Zoodra men toch
het park bij Gardiner binnen komt, rijdt men door een vallei, die
met grootere en kleinere granietblokken als bezaaid is. Overal waar
de weg in de heuvelhellingen is ingegraven, ziet men links en rechts
dergelijke steenen in den grond. De geheele bodem bestaat hier uit
een laag van granietsteenen, waarvan de tusschenruimten eenvoudig
met verweerd graniet zijn aangevuld.
Het vervoer van graniet heeft dus op zeer groote schaal plaats
gevonden, en ging gepaard met een zeer aanzienlijke verweering van
dit gesteente. Trouwens bijna in alle dalen van het park vindt men
zulke blokken en zulke lagen, ofschoon natuurlijk geen van alle de
afmetingen van dat beroemde blok bij Inspiration-point ook maar nabij
komt. Er moet dus een werking geweest zijn, die in staat was bergen
te splijten en den afval van alle kanten naar het park en over het
park heen te vervoeren. Dat vervoer geschiedde in de richting waarin
thans de beken en stroomen zich bewegen, en zich ten slotte alle te
zamen vereenigd in Yellowstone-rivier, bij Gardiner uit het park naar
het Noorden begeven. Want ook de vallei van deze rivier, tot voorbij
Livingston, vertoont overal deze zelfde erratische [8] gesteenten.
Om dit alles te verklaren, en in verband met hetgeen men omtrent de
ijsperiode uit andere streken en landen weet, stelt men zich voor,
dat in een tijd, toen het Grand Canyon nog niet bestond, en het
plateau hier dus nog onafgebroken was, één enkele groote gletscher
het geheele park bedekte. Ontstaande in de kloven en op de hellingen
van alle omliggende bergen, bewoog zich dit ijs als een taaie maar
buigzame massa over het park heen, en drong het door het enge Canyon
van Yankee Jim in de vlakte van Cinnabar en Livingston. Waar het op de
bergen langs de rotsen gleed, brokkelde het deze af, en beladen met de
producten schoof het noordwaarts. Nu eens zullen de blokken bij dien
val vergruizeld zijn, dan weer zal hetzelfde lot hen getroffen hebben,
als zij ten slotte van het ijs afvielen, maar enkele blokken kunnen
natuurlijk aan dit lot ontkomen zijn. Zulk een blok zou dan dat van
"Inspiration-Point" zijn. En thans ligt het daar, om te getuigen van
wat in lang vervlogen tijden, wellicht vóór er menschen in Amerika
woonden, door de grootsche machten der natuur gewrocht is.
Maar hoe verleidelijk het ook zij, ik mag hier niet over de ijsperiode
uitweiden. Reeds lang genoeg heb ik mij met de geologische gesteldheid
beziggehouden, en wil daarom hier de beschrijving en verklaring
van wat ik gezien heb, eindigen om nog een enkel feit te vermelden,
dat gebrek aan tijd mij belette te gaan aanschouwen. Maar het is te
merkwaardig om het geheel onaangeroerd te laten.
Op een plaats, genaamd Fossil Forests [9], doch niet aan de gewone
touristen-route gelegen, heeft de rivier Lamar een diepe en enge
spleet in den rotsachtigen grond gegraven. Daardoor zijn de boven
elkander liggende lagen van deze rotsmassa plaatselijk zichtbaar
geworden, en zij zijn het die de fossiele bosschen vertoonen. Stelt
u voor, dat oudtijds een groot dennenbosch hier de vlakte bedekte,
en dat dit plotseling door een lavastroom of door vulkanische asch
bedolven werd. De stammen werden verkoold, doch konden door gebrek
aan lucht niet verbranden. Eenmaal bedekt werden zij langzamerhand
fossiel door het water dat het afgekoelde gesteente eeuwen lang
doorsiepelde, en dat uit de steenmassa kiezelzuur oploste om
dit weer in de stammen af te zetten. Van betrekkelijk zacht hout
gingen zij in een glanzige steenmassa over, zoo hard als het beste
vulcanische glas. Ondertusschen verweerden de bovenste lagen van de
lava en vormden een grond, geschikt voor plantengroei. Een nieuw
bosch ontstond boven op het oude, maar vroeg of laat zou ook dit
weer door lava bedekt en versteend worden. Zoo ziet men hier in den
vertikalen rotswand een aantal bosschen uit verschillende perioden
boven elkander staan, gescheiden door lagen van verharde asch. Hier
en daar zijn de stammen zeer goed bewaard gebleven. De stammen en de
wortels ziet men van verre, van meer nabij onderscheidt men het hout
en de schors; maar ook takken en dennennaalden, ja zelfs de gaten,
die door rupsen in het hout geknaagd waren, kan men herkennen. Men kan
de jaarringen tellen en vindt dan voor de dikste boomen een ouderdom
van somwijlen 500 jaren, bij een diameter van 3 meter en meer. Op
ééne plaats ziet men op den rotswand een grooten stam, die vóór de
algemeene verwoesting omgevallen was, in horizontale richting tusschen
de stompen liggen. Men heeft de opeenvolgende boschformaties geteld,
en de ervaringen aan verschillende gedeelten vereenigend, is men tot
de uitkomst geraakt dat ten minste negen- en waarschijnlijk twaalfmaal
zulke bosschen bedolven en door nieuwe vervangen geworden zijn.
Keeren wij echter terug tot het thans levende bosch, dat meer dan
drievierde gedeelte van het park bedekt en nagenoeg overal, zoowel op
de hellingen der bergen als op de vlakten, gezien wordt. Wat mij in dit
bosch het meest trof, was de omstandigheid dat de grond overal bezaaid
is met doode stammen en dat ook tusschen de levende boomen de doode nog
staan blijven totdat zij omvallen. Soms ziet men de doode stammen bij
honderden boven de toppen der levende uitsteken. In vergelijking met de
dennenbosschen in Europa en met name in de Zwitsersche Alpen maken deze
tallooze meest sterk gebleekte, soms bijna geheel vermolmde stammen
een eigenaardigen indruk. Zonder twijfel behoort ook de dood tot de
natuur, en is het sterven van boomen een zeer natuurlijk verschijnsel,
een normaal bestanddeel van het wezen van een bosch. Toch is er iets
weemoedigs en iets onvolkomens in al die afgestorven overblijfselen,
iets wat den indruk sterk vermindert, en zoowel aan het liefelijke
als aan het grootsche merkbaren afbreuk doet.
Het dennenbosch bestaat geheel uit ééne soort van den, den reeds
genoemden Pinus contorta var. Murrayana, die lodge pine, pole pine
of black pine (zwarte den) genoemd wordt. Voor timmerhout zijn de
stammen geheel zonder waarde, voor telegraafpalen en overeenkomstige
doeleinden zijn zij bruikbaar, en natuurlijk ook voor brandhout. Maar
in een onbevolkte streek zooals deze zou zelfs een verlof tot
het wegvoeren der doode stammen in dit opzicht geen verbetering
aanbrengen. Alleen rondom de hôtels zijn zij weggehaald, om voor
brandstof te dienen. Daarbij komt nog een andere reden. In de droge
maanden vormen deze liggende stammen groot gevaar met het oog op
boschbranden, die door dit doode en droge hout sterker voortgeplant
worden dan door de levende boomen.
De zwarte den is een vreemde boom. Inplaats van de krachtige stammen
en uitgespreide kronen van onze dennen heeft hij een dunnen slanken
en zeer hoog opgroeienden stam, die van onderen tot boven met takken
bezet is. Maar die takken zijn nagenoeg alle even zwaar en even lang,
zoodat een kaarsvormige gedaante ontstaat, herinnerende aan die der
Californische reuzenboomen. De naalden blijven langer aan de takken,
en niet zelden ziet men stamgedeelten van 10 of meer jaren ouderdom
nog met de naalden overdekt. De vruchten zijn talrijke, maar kleine
kegels. Een zeer opvallende eigenschap is, dat vele stammen zich in
twee gelijke, en bijna tegen elkander aan gedrukt omhoog groeiende
takken splijten. Dit kan zich herhalen, zoodat niet zelden een stam,
die van onderen enkelvoudig en betrekkelijk dun is, naar boven in zes
of acht, of zelfs in tien tot twaalf rechtopstrevende armen gesplitst
is. Overal zag ik die splitsingen; soms zoo talrijk, dat minstens
elke vierde boom er een of meer vertoonde.
Zeer gevoelig is de zwarte den voor vrijen stand. De bosschen zijn
altijd ijl, doorzichtig, nooit een gesloten massa vormende zooals
onze dennenbosschen. Elke boom staat dus op zich zelf. Maar dit is
voor een zwarten den nog lang niet genoeg. Hij wenscht rondom de
ruimte te hebben, en door geen soortgenoot of anderen boom belemmerd
of beschaduwd te worden. Heeft hij zulk een stand van jongs af gehad,
dan wordt de vorm zeer statig. In verhouding tot de hoogte wordt de
stam dan dik, en hij blijft van onderen tot boven rondom met groene
zijtakken omgeven. Het is nog wel niet de trotsche pyramide van onze
sparren, maar nadert er toch zeer toe. Het verschil tusschen zulke
vrijstaande exemplaren en de andere is zoo groot, dat leeken de beide
vormen voor verschillende soorten houden.
Maar zulk een stand is zeldzaam. Meest staan zij dicht opeen,
en zelfs waar het jonge gras opschiet ziet men ze veel te dicht
staan. Het gevolg is, dat de stammen zeer hoog en dun worden. Zij
kunnen zoo dun worden, dat zij hun eigen kroon niet kunnen dragen,
en slechts door hun buren rechtop gehouden worden. Komen die buren
te vallen, dan buigt zulk een stam zich ter aarde, en ik zag er,
die ongebroken, met de kroon op den grond lagen, terwijl de jonge
toppen van de zijtakken zich weer alle omhoog gebogen hadden.
Hier en daar is een boschbrand de schuld van het voorkomen van
veel doode stammen, die dan kaal en naakt boven het opstaande
jongere geslacht uitsteken. Maar overal ziet men in het bosch
boomen sterven. Meestal zijn het de oudere, enkele malen ook
jongere. Gewoonlijk sterven de takken van onderen af, door den te
dichten stand, en allengs is alleen de topkroon nog groen. Later
sterft ook die, zonder dat men de reden zien kan. In droge streken
zou men meenen, dat watergebrek hierbij een rol speelt, en dat
talrijke jonge en krachtige exemplaren het water zoo sterk tot zich
kunnen trekken dat er voor de oudere en zwakkere niet genoeg meer
overblijft. Maar hier is geen gebrek aan water. Het droge seizoen
duurt slechts kort, en regens zijn in den zomer zeer talrijk, en
geven, te oordeelen naar de onweersbuien die ik bijwoonde, een zeer
voldoende hoeveelheid water. Ook is de den niet zeer gevoelig voor
verschillen in watergehalte, want hij groeit zoowel op de hellingen
en in de spleten van afgevallen rotsblokken, als aan den oever der
meertjes en in de moerassige velden.
In verband met het bovenstaande moge hier opgemerkt worden, dat
het bosch geheel zonder menschelijke zorgen is. Het plant zich zelf
voort. Overal ziet men dan ook jonge en oude exemplaren en dennen van
alle leeftijden dooreen, en dit geeft natuurlijk een hoogen graad
van onregelmatigheid en ijlte. De doode boomen vallen zooals zij
kunnen en liggen dan ook dikwijls schuin met den stam in de kroon
van andere. Andere boomsoorten zijn er maar weinig. Langs de randen
en langs de beken en stroomen ziet men nog al eens sparren (Abies
subalpina), met een grijsblauw loof, die daarom hier zilverspar heeten,
maar die niet overeenkomen met hun hollandschen naamgenoot. Enkele
andere soorten van sparren, nl. de Douglas-spar (Pseudotsuga mucronata)
en de Engelmann-spar (Picea Engelmanni) zijn zoo zeldzaam, dat zij
eigenlijk geen invloed op het landschap uitoefenen.
Dit doen daarentegen een paar loofboomen wel. Het zijn populieren
en wilgen, van elk ééne soort, en te zamen alle loofboomen van het
geheele park uitmakende. De populier (Populus tremuloides) gelijkt
sprekend op onze gewone klaterpopulier, maar heeft wat kleiner blad en
wat slanker gestalte; hij vormt tegen de berghellingen soms geheele
bosschen van een blauw-groene kleur, waartusschen dan de donkere
dennen een scherpe tegenstelling vormen. De wilgen groeien langs de
rivieren en in de moerassen; zij zijn meestal ternauwernood manshoog,
maar bedekken uitgestrekte vlakten van den vochtigen bodem. Aan de
zeer smalle bladeren zijn zij gemakkelijk te herkennen.
Het bosch heeft, trots zijn doorzichtigheid, zeer weinig
onderhout. Kleine, meest kruipende heestertjes vormen zoden op den
grond, doch veelal is die kaal. De kruipende jeneverbes, hier kruipende
ceder genoemd (Juniperus sibirica), is een zeer fraaie vorm, vooral
als hij over rotsblokken als een gordijn omlaag hangt. Een andere
soort van hetzelfde geslacht, de roode ceder (Juniperus scopulorum),
groeit recht omhoog, en vormt, vooral bij Mammoth Hot Springs, hooge
en zeer gevulde boompjes, vol bessen, die nu nog groen waren. Groene
zoden van een meter en meer, plat op den grond liggend en dikwijls
eveneens vol beladen met bessen, maar met ronde blaadjes, behooren
tot de berenbes, zoo genoemd omdat de bessen, ten minste van sommige
soorten van dit geslacht (Arctostaphylos), behaard zijn, terwijl bijna
alle andere soorten van bessen een onbehaarde schil hebben. De bessen
zijn eetbaar en zeer gezocht en waren den Indianen goed bekend; zij
noemden ze Kinnikinick, en dien naam hebben deze planten ook nu nog
behouden. Van de schors maakten de Indianen een soort van tabak. Andere
lage besdragende heestertjes zijn er in talrijke soorten; ik noem
daarvan een lage soort van Mahonia, wier blauwe bessen in trosjes
uit de naakte rots schijnen te komen, en een zeer kleine boschbes,
klein van struik en blad en klein van bes, maar uiterst algemeen,
evenals onze gewone blauwe boschbes. De besjes zijn echter rood.
Wilde bloemen zijn er in het eigenlijke bosch niet veel. Deze komen
eerst aan den rand voor den dag, zooals de wilde roode roosjes,
maar vooral op de graslanden, die hier en daar op de vlakte met het
bosch afwisselen. Uitgestrekte weiden leveren een uitstekend voedsel
voor wilde herten en antilopen en ten deele ook voor enkele kudden
vee. Gramma-gras en buffalo-gras vormen er een groot gedeelte van, maar
het bunch-gras is verreweg het belangrijkste en algemeenste. Enkele
europeesche grassoorten spelen een belangrijke rol, zooals Festuca
ovina en Koeleria cristata. Daartusschen ziet men tallooze bloemen in
allerlei kleuren. Vóór allen de blauwe gentiaan, die een van de meest
gewone sieraden dezer weilanden is (Gentiana detonsa). Groote blauwe
bloemen op dunne slanke stelen, elk met vier wijduitstaande slippen
prijkend, en niet zooals de groote gentianen bij ons, met een weinig
geopende kroon. Maar de fraaie goudgele stippels en het donkere blauw
van onze soort missen de amerikaansche, zij gelijken veel meer op
een sterk vergroot beeld van onze kleine duin-gentianen. Afwisselend
met deze zag ik de roode kwastjes der paint-brush, en de gele pluimen
der guldenroeden. Alle drie deze soorten zijn zoo veelvuldig en zoo
in het oog loopend, dat zij in groote bouquetten ter tafelversiering
in de hôtels gebruikt worden.
Donkere Aconieten en sierlijke akeleien groeien meer in het bosch
(vooral Aconitum columbianum en Aquilegium flavescens), een soort van
edelweiss, zeer gelijkend op onze inlandsche soort (Gnaphalium dioicum)
en enkele immortellen vindt men eveneens overal. Lelieachtige gewassen,
blauwe lupinen, paarsche asters, gele Doronicums, alpen-aardbeziën
en allerlei andere, min of meer van hun europeesche geslachtsgenooten
afwijkende vormen ziet men overal. Sierlijke, groenkronige orchideeën
met gedraaide reeksen van bloemen vond ik soms dicht bij de randen
der kokende Geysers.
Tegenover deze typische en locale flora, waarvan ik gaarne nog
allerlei andere voorbeelden zou opnoemen, staan enkele klaarblijkelijk
europeesche indringers. Het gewone duizendblad (Achillea Millefolium)
volgt de nieuwe wegen en zelfs de kamille zonder straalbloemen,
die in Europa eerst in de laatste tientallen van jaren zich zoo snel
uitbreidt, is hier tot in het hart van het park doorgedrongen. Ik zag
ze rondom de hôtels, vooral in het Lower-Geyser-bassin. Merkwaardig
is ook dat de wilgeroosjes (Epilobium angustifolium) met hun lange
rechtopstaande trossen van roode bloemen, hier evenals bij ons op de
heiden, zeer algemeen zijn.
Yellowstone-Park is een hoog plateau. De bergen steken slechts
weinig boven de vlakte uit. Eigenlijke sneeuwtoppen zijn er niet,
maar toch ligt er in de canyons der hoogste bergen in Augustus nog
vrij veel sneeuw. Op groote afstanden ziet men de schitterend witte
velden en strepen. De bergen hebben meest glooiende, hoewel vrij
steile hellingen, en deze zijn tot op de kammen met het dennenbosch
begroeid. Slechts hier en daar ziet men naakte rotsen, of hellingen die
met groote steenblokken bezaaid zijn. Doch daarover heb ik thans niet
te spreken. Het hoogplateau is uit den aard der zaak moerassig. Nu
eens vormt het uitgestrekte vochtige weilanden, met een natuurlijke
draineering, dan weer echte moerassen met stroompjes en plassen en
meren. Hier tiert een moeras-vegetatie in groote weelderigheid. In
de geslachten komt zij met onze waterplanten overeen, en zelfs de
gele waterleliën (Nuphar) ziet men hier veelvuldig en in groote
aantallen. Biezen en bloembiezen, zeggen en grassen en allerlei
gewone waterplanten vormen de hoofdmenigte. In enkele plassen
zag ik de lidsteng of Hippuris in groote hoeveelheid, in andere
vooral veen-vormende mossoorten. Zoutgrassen, overeenkomende met
onze Triglochin's, maar grooter en frisscher, groeiden vooral op de
natste plaatsen.
Een van de meest aantrekkelijke zijden van het park is de rijkdom
aan fraaie wilde bloemen, die groote overeenkomst vertoonen met de
europeesche alpenplanten. Zij geven de kleuren en de afwisseling aan
de hellingen en de vlakten. Moge het bosch zwart en eentonig zijn,
de bloemen verlevendigen het in zoo hooge mate, dat zij de aandacht
van alle toeristen trekken, en dat bouquetten plukken een der meest
geliefde bezigheden is. Groote donkerblauwe gentianen kleuren de weiden
in strepen en vlekken, of wisselen op de moerassige plaatsen met de
rose-roode en oranje kwasten van de Indian paint brushes (Castilleia)
af. Overal vindt men bloemen. Ternauwernood verdwijnt de sneeuw of
zij verheffen hare hoofden, en in onafgebroken afwisseling blijven
zij een sieraad van veld en boschrand, totdat, drie maanden later, de
sneeuw wederom een einde aan haar leven maakt. Snel volgen de soorten
elkander op, want de tijd is kort. Maar wat aan den duur ontbreekt,
wordt door het aantal vergoed.
Meest zijn het lage planten, of soorten die haar bloemen even boven
het gras uitsteken. De manshooge bloemplanten, die in Zwitserland in de
bosschen der lagere bergstreken een zoo belangrijke rol spelen, zag ik
hier zoo goed als niet. Meest ook zijn de bloemen niet zeer groot en
niet tot rijkbeladen trossen vereenigd. De grootte van vlasbloemen is
hier wel de meest algemeene, maar het vlas zelf, hoewel zeer veelvuldig
en blauw bloeiend, is een andere soort dan het onze, Linum perenne,
en belangrijk om de vruchten, die openspringen en de zaden uitwerpen,
terwijl het gekweekte vlas juist in het dichtblijven der vruchten een
zoo uitstekend middel heeft, om het verlies van zaad vóór en bij het
oogsten te voorkomen.
Grootere bloemen vertoont het roode Bitter-Root, Lewisia rediviva,
een voorjaarsplant, en vrij groote schermen van zwavelgele
bloemen vertoonen de Eriogonums, die, in verschillende soorten, de
berghellingen tijdens mijn bezoek bijna overal bedekten. Allerlei
immortellen ziet men, witte, grijs-grauwe en gele, en onder deze is
vooral de Everlasting of the East (Anaphalis) zeer algemeen. Gewone
blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), Penstemons, Geraniums,
verschillende soorten van Oenothera's, Monkey-flowers of Mimulus en
tal van andere zouden genoemd kunnen worden.
De mooiste bloem die ik zag is de Mentzelia. Het zijn helder witte
bloemen zoo groot als Papavers, en door een groot aantal meeldraden
daaraan herinnerend, maar met talrijke smalle bloembladeren, die op
een grijsgroen, sterk vertakt, doornachtig gewas groeien. Bij Mammoth
Hot Springs, en vooral langs den weg die onderlangs dit dorpje voert,
zag ik ze in groot aantal. Zij openden hun bloemen tegen den avond, en
herinnerden dan in sterke mate aan den nachtcactus, met welks bloemen
men ze op een afstand gemakkelijk kon verwarren. Maar zij behooren
tot een geheel andere familie, namelijk tot die hevig brandende,
meest met oranje bloemen versierde planten, die in onze tuinen soms
als Loasa gekweekt worden. De Mentzelia's echter branden niet, maar
treffen u door een rijken en aangenamen reuk, vooral des avonds, als
de bloemen open zijn. De gelijkenis op den genoemden Cactus is oorzaak
dat deze bloem, die ook in de omliggende woestijnen niet zeldzaam is,
met den naam van Night blooming Cactus [10] wordt aangeduid.
Omtrent het zooeven genoemde Bitter-Root valt nog op te merken,
dat het in ongunstige jaren zeer zeldzaam, doch in betere jaren
soms zeer algemeen is, vooral rondom Mammoth Hot Springs. Het heeft
fraaie stervormige bloemen, die op korte stelen dicht boven den grond
groeien. De Indianen gebruikten de wortels als voedsel, en later is
deze bloem gekozen om de State-flower van Montana te zijn.
Vergeetmijnietjes zijn vertegenwoordigd door Myosotis alpestris,
Primula veris door een verwante soort, de Clematis gelijkt in
hooge mate op onze heggeranken, ofschoon de soort een andere is
(C. Douglasii). Zoo zou ik voort kunnen gaan, maar liever dan
zulk een algemeen overzicht te geven, wil ik trachten den indruk te
schetsen dien ik op een wandeling in het bosch en langs de boschbeken
gekregen heb. Het was dicht bij het hôtel bij het meer. Rondom
het Yellowstone-meer is het bosch mooier dan in de streek der
geyser-bassins. De boomen zijn voller in hun groen; minder talrijke
doode stammen ontsieren het bosch, en de flora is rijker. Wellicht
staat dit in verband met de minder scherpe tegenstelling van dal en
berg en met de talrijke beekjes, die hier van de bergen afvloeien. Die
beekjes loopen dan niet over rotsblokken springend omlaag, maar vormen
een smal dal, met drassigen bodem. Op dien bodem ziet men dan geen
dennen, maar dicht gras. Deze smalle dalen zijn zoo moerassig, dat
zij dikwijls moeilijk toegankelijk zijn, en de wegen, die er dwars
overheen gaan, zag ik dan ook met dennenstammen hard gemaakt, evenals
bij ons de oude veenwegen, die uit dwarsliggende dennenstammen gemaakt
werden. In die dalen zijn de talrijke omgevallen dennenstammen voor
den plantenzoeker dikwijls het eenige middel om zijn doel te bereiken,
en van stam op stam stappende vond ik allerlei bloemen. Sterk werd
ik herinnerd aan de overeenkomstige dalen in de Alpen en in het
Schwarzwald.
Ook op de hellingen liggen talrijke doode stammen. Het zijn meest de
dunste en ijlste boomen van het bosch, en deze groote sterfte maakt
dan den indruk van een zelfreiniging, waarbij de zware stammen meer
ruimte voor hun groei krijgen. Merkwaardig is, dat bijna al deze
stammen zonder schors zijn; de schors vergaat hier sneller dan het
hout en de witgrijze tint, die het hout aanneemt, doet de stammen
sterk in het oog vallen. Deze afwezigheid van de schors doet enkele
eigenschappen van het hout gemakkelijk waarnemen. Allereerst den loop
der vezels en der barsten. Deze is slechts in weinig stammen evenwijdig
met de as, maar loopt er gewoonlijk in een schroeflijn om heen. En
wel in talrijke windingen, iets wat natuurlijk voor de duurzaamheid
van planken, die men er uit zou willen maken, zeer nadeelig is;
daarenboven barst en scheurt het hout zeer sterk, en in de barsten
en scheuren rot het spoedig, zoodat men dikwijls stammen vindt, die
men met den voet in dunne plankjes uiteen kan drukken. Die plankjes
loopen dan in de richting der beschreven barsten.
Een andere bizonderheid van de dennen valt overal op, namelijk de
neiging om heksenbezems en knoesten te maken. Of eigenlijk moet
ik dit een vatbaarheid noemen voor de ziekten die de oorzaak van
den afwijkenden groei zijn. De heksenbezems zijn takken die als
dikke bezembundels vertakt langs den stam omlaag hangen en dikwijls
vruchteloos trachten zich op te richten. Vlak bij den stam is zulk een
tak dan knoestig. Tusschen de gezonde, dwars uitstaande en gelijkmatig
omhoog gebogen takken vallen deze zonderlinge vormen zeer sterk in het
oog. De knoesten ziet men meest aan de stammen, die zij op de vreemdste
wijze doen draaien en opzwellen, en in het rustiek gebouwde Hôtel van
het Upper-Geyser-bassin heeft men van die knoesten aan trapleuningen
en zuilen een eigenaardig gebruik gemaakt, om daardoor het landelijke
van dit bijna geheel uit ongezaagde boomstammen opgetrokken gebouw nog
te verhoogen. Van de brosheid van het hout overtuigt men zich het best
als men stammen ziet die omgevallen en daarbij in hun midden dwars
doorgebroken zijn. Dit omvallen schijnt elken winter te gebeuren,
en hier en daar zag ik de stammen nog schuin over de rijwegen in het
bosch liggen.
Aan kleine heesters is het bosch niet rijk. Kruisbessen, wier
bessen niet grooter zijn dan erwten; Cotoneasters met even kleine
mispelachtige vruchten; bloeiende roosjes, enkele berken en in de
moerassige dalen vooral wilgen in verschillende soorten. Bizondere
opmerkingen verdient de Elaeagnus of het zilverblad, kenbaar aan
het zilver-overtreksel van de onderzijde der bladeren, dat met de
loupe blijkt uit tallooze fijne stervormige schildjes te bestaan. Ik
vond er hier geen vruchten aan, maar in Noordelijk Californië zag
ik de takken beladen met de roode bessen, sierlijk gebogen onder
dien last. De bessen zijn eetbaar, en zooals ik elders opmerkte,
tracht Burbank ze te veredelen om ze tot een gewone tafelvrucht te
maken. Overal over rotsblokken en omgevallen stammen, zoowel tegen
de hellingen als in de moerassen, ziet men een heestertje dat groeit
als de Azalea's der Alpen, en dat tot een bizonder geslacht, Ledum,
behoort, omdat zijn vijf witte bloemblaadjes los van elkander op den
bloembodem ingehecht zijn. Meest waren zij uitgebloeid, maar hier en
daar zag ik toch nog de ronde, helder witte schermen der bloemen. Zeer
kleine boschbessen, wier vruchten op roode kraaltjes gelijken, ziet
men bijna overal in de menigte, en hier en daar ook eene andere soort,
overeenkomende met de moeras-boschbes.
Een groot aantal wilde planten herinnert sterk aan onze
alpen-planten. Het zijn meest lage gewassen met groote bloemen
of rijke tuilen of trossen. Langs kabbelende beekjes zag ik een
rondbladerige steenbreek bloeien, gelijk aan onze Meniste-zusjes,
maar met sappig blad. Donkerblauwe aconieten en lichtgele akelei;
groote gele Trollius, talrijke soorten van Potentilla en van
Geum, de hooge witte alpenklaver, allerlei soorten van eereprijs,
bloembiezen, Hedysarum, witte en roode Geraniums, Composieten als
Doronicum en Arnica, alpen-aardbeziën en allerlei andere soorten
kunnen hier genoemd worden. Een veelknoop hield het midden tusschen
onze dubbelgedraaide soort (Polygonum Bistorta) en de kleine verwanten
der alpen (P. vivipara). De Primula's waren vertegenwoordigd door
de fijne langstralige schermen van een witbloeiende Androsace. Van
de Mimulus zag ik niet alleen de gele, maar ook een fraai paarsroode
soort in menigte langs de beekjes.
Typische geslachten ontbraken natuurlijk niet, deels zulke, als men
bij ons niet ziet, deels die bij ons in botanische tuinen gekweekt
worden. Onder de eerste noem ik de sierlijke roode penseeltoppen
van den Indian paint brush (Castilleia), een andere soort dan aan
de kusten van Californië, slanker en minder behaard, maar met toppen
van roode schutbladen evenals deze. Verder een lichtgele Eriogonum,
een der alleralgemeenste bloemplanten overal waar het bosch maar
eenigszins open is. Onder de laatste groep verdient allereerst een
Phlox genoemd te worden. Het is een laag kruipend plantje met vrij
groote witte bloemen, die alleen staan, doch overigens met die van
onze najaars-seringen overeenkomen. De bladeren zijn naaldvormig. De
bloemen waren nu eens vijf- dan weer vierstralig. Een fijne soort van
Polemonium met blauwe bloemen, en een soort van Phacelia met rozetten
van wortelbladeren en opstijgende stengels, die kluwens van bleek
purperen bloemen droegen, en eindelijk de meest gewone plant dezer
bosschen, de blauwe lupinen, waarvan men overal de vingervormige
bladeren en de blauwe bloemtrossen ziet. Van deze soort vond ik ook
een wit en een rose exemplaar. Trouwens ook van de blauwe gentiaan
en van de gewone blauwe klokjes trof ik in dit bosch een enkele maal
een groepje met zuiver witte bloemen aan. De variabiliteit is hier
dus al juist zooals bij ons.
Een vrij groot aantal soorten komt met bij ons inheemsche wilde planten
min of meer overeen. Onder deze trof mij vooral de Parnasbloem. Onze
Parnassia heeft vijf groote, breede witte bloembladeren, die elk
een straalvormig vertakt, groen en geel, schubvormig aanhangsel
dragen. Die aanhangsels zien er uit als onechte meeldraden. Hier
bloeide de Parnassia langs de beken met smalle witte bloembladeren,
die ter weerszijden een fraaie witte franje droegen, en hadden zij
elk een kort en onvertakt, groen en geel gekleurd kliertje. Overigens
was de bouw van de bloem en de plant dezelfde als bij onze soort. Van
het wintergroen of Pyrola bloeiden hier twee soorten. Een precies
zoo als de onze, die in onze duinvalleien zoo heerlijk ruikt, maar
hier had de plant vrij donker roode bloemen. De andere kwam meer
met de Pyrola secunda overeen, daar alle bloemen naar eene zijde van
den tros overhingen. Kleinbloemige witte Orchideeën waren talrijk,
en een andere plant, een soort van Pedicularis, geleek sprekend op
een roode Orchidee met smallen tros, b.v. op een Gymnadenia. Het was
de Olifantsbloem, zoo genoemd omdat uit den groenen kelk een kroon
uitsteekt, die precies op een olifantskop gelijkt. Men ziet den kop
met den eerst omlaag, daarna omhoog gebogen, dunner uitloopenden
snuit, en terweerszijden van den kop twee groote olifantsooren, maar
van rose kleur. Enkele andere soorten mogen nog genoemd worden. Een
kruisbloem als onze Sisymbriums viel op, doordat de lange groene
hauwen steeds loodrecht langs den tros naar beneden hingen, inplaats
van rechtop te staan. Verder zag ik Asters in alle kleuren, van zuiver
blauw tot zuiver rood, zeer talrijk, maar steeds als lage planten,
een plantje dat veel op Salomons-zegel geleek, maar niet bloeide
(Smilacina), Gnaphalium's, beek-Veronica's, roodbloemige uien, gele
Sedums, biezen en bloembiezen, wederikken en grassen, te veel om op
te noemen. Langs de beken groeide een fijne smeerwortel met lange
smalle helder blauwe bloemen.
Mossen en korstmossen, gallen en vergroeningen zag ik hier en daar
in vormen met de onze overeenkomende. Het schildmos of Peltigera, en
het bekermos of Cladonia was van onze soorten niet te onderscheiden,
evenmin het haarmos of Polytrichum. Op doode boomstammen groeide
een fijn vertakt korstmos, als onze grijze Ramalina's, maar geheel
zwavelgeel, en daardoor bizonder fraai. De wilgen droegen ronde gallen
en door 't blad heen gegroeide, evenals er bij ons door bladwespen
op gemaakt worden, en de meest merkwaardige vergroeningen van bloemen
toonden het duizendblad en eenige andere planten.
In het algemeen was de indruk van de flora in het begin als die
van een geheel vreemde, maar veranderde die indruk bij het nader
bezien der bloemen zeer spoedig. Dezelfde typen en dezelfde vormen,
die wij uit ons eigen land en uit Duitschland en Zwitserland kennen,
vindt men hier, maar bijna altijd met soortgelijke verschillen. Men
herkent ze gemakkelijk en is toch getroffen door hun bizondere, soms
zeer merkwaardige eigenschappen. Meer rijkdom dan bij ons schijnt de
flora hier niet te bieden, terwijl het voorkomen van groote bloemen
of bloemgroepen met treffende kleuren aan de valleien in onze duinen
en op onze Noord-Hollandsche eilanden en verder aan de weilanden op
de Alpen herinneren.