DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE.

In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een

watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage

eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende;

en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen

de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen,

waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de

onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de

stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende.

Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen

ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden

te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende

uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals

ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door

hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen,

daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht

en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol,

zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft

naar hoogste kracht van uiting.

Door het dal gleed een beekje.

Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging.

Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen

hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak

bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende.

Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen

brug over hem heen, het dal met den molen verbindende.

Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen;

en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad,

dat wagens met zakken vol tarwe en maïs naar den molen leidde.

Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels

en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als

de wind hen even streelde.

Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje,

groeiden sierlijke brandnetels.

De menschen houden niet van de brandnetels, nu.

Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten

en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi.

En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij,

dat de menschen hen ook mooi zouden vinden.

Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begééren wat ze mooi

vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen

ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die

zich naar hen uitstrekt.

Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit,

en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde

krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze

wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft!

De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus

boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten:

dat de brandnetels leelijk waren.

De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de

menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet

kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten,

tot de lieve God-zèlf hen plukt.

Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug

waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven

enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare

on-verwinbaarheid durvende.

En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen,

en het dal te verbinden met den watermolen.

Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen

had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden

wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij

't werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere

vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in

't water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun

fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende

als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop,

deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in,

en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken

damp in het dal.

De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want

de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden

menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen

bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen,

vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun

graf: de zwijgende aarde.

De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf,

en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg

hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan.

Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich

teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde

krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels

met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden

helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze

bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen.

Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in

't midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen

wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen

wilden laten....

Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker.

Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken

plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw

leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon

men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren.

Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een

watervalletje dichtbij gevende.

Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende,

dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet.

Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet

stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer

insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende

sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom.

Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons óók niet aan

den winter; net als jij!

En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen,

vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst,

die geen macht over hem had.

Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag

sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht

vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook,

als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen.

Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in

den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken

zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in

winterslaap kwijnde.

Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de

bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal,

langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat

ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar

menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan

... mééstal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen

woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het

zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen.

Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar

gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het

als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al dóór, al dóór, omdat

het niet zwijgen kòn, van het beeld dat het opgenomen had in zijn

rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed,

moe van 't werk-doen.

Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de

weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals

de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van

hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind,

en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote

sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En

haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water

wevende molenrad.

Vóór het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje

wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was

op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille,

bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het

had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met

de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet

vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende

van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien

tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve

verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het

meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het

groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even

bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met

de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en

gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan

de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge,

gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En

de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen,

die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het

bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant,

waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende.

En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel

bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde

te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets

mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht

aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog

hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag,

stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde

het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele

brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde

even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De

blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras,

hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van

boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het

kindje komen zou in het dal.

Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs

het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en

onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond

uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun

rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het

de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte,

niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame

bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de

hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen,

niet verder zeiden.

Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als

vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke,

slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden

het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; tè gevoelvol;

tè angstig.

Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de

boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in

vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager.

Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind

niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over

't zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen

woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen

dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht

werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht,

op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende,

dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind

zag het niet.

En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de

dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende.

En traag gleed het beekje dan heen.

Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het

blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde

verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen

de oogen te raden....

Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde

kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde,

weemoed die vèr weg zag, en wist van spoedig heengaan.

Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd

't blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw,

met donkere stralen.

De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal

geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zóó, dat het

blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en

"Moedertje ... moedertje!" snikte.

Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje

alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje

niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer

roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden.

Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde

rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes

opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de

wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes

die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen àl dieper,

àl dieper werden, en verhaaltjes vertelden.

Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal,

en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een

zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, héél langzaam.... De

witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat

geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht

was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En

het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet,

niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende.

Lang duurde het, vóór het blonde meisje weer kwam bij het molenrad;

en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals

vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen

nòg dieper, nòg donkerder waren geworden, en al maar vráágden, zonder

te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen,

en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer,

die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen

op het donkere kleedje lagen.

Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar

vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de

witte man het roepen, en het ging.

En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger,

en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke,

stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen

den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertèlden.

Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't

voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer,

en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar

zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm.

Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te

worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de

dennen, sloeg het boek open, en las.

En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje

gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen

in 't leven.

En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en

op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat àl maar las, langzaam

nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek

met sprookjes.

Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij

gelezen had. Dan lag het boek op haar knieën, en volgden haar oogen

het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en

licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois

en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen

vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde

ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht.

Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf

verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het

beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het

beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde

voort, zóó mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg,

en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes.

Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken

moesten worden opgeladen, of leeg gedragen.

Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het

dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar

voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de

blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend.

De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons!

De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de

blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde.

Dit had het beekje gedaan.

Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels

staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje

hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de

brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen;

maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar

sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden

kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben

wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven

God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht

verkorten, dat Hij wilde laten voortduren.

De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm

in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij

't molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek

alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam

luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel

stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief,

droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen,

zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie,

wondere dingen rond-dwaalden.

Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog,

zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den

glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij

lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht;

maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde

meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees

haar anders te zullen verjagen. Het was zóó iets wonderlijk liefs,

dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren

languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst

dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe

sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze

blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje,

dat hen meenam, het dal in.

De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone,

wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn

armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen.

Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige

geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als

iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende.

Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het

stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen,

en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag.

Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen,

in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los,

die nu tusschen hem en haar dicht sloeg.

Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen.

Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes,

zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam

afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek,

doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast;

en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins,

die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog.

En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden,

en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was.

--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins.

Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las,

zijn oogen nu geheel openend:

--Sprookjes?

--Ja. Jij bent zeker een prins?

Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins.

--Ja; zei hij.

Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen

zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning

over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord,

dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hóóg houdende.

--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je

al eens betooverd geweest?

--Ja; zei de prins, en hij jokte niet.

--Vertel eens!

Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden

oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het

gezicht van den prins.

Hij sloot weer de oogen.

--Even denken, wat ik je vertellen zal.

Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in

't gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen

gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden

tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem

hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende

oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje,

half open, luisterde mee.

Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar

oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden.

Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend

aanziende:

--Je woont zeker in een kasteel?

--Ja; zei de prins.

Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht

er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug

neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen;

want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren,

binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag,

trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde

van schoonheid alleen.

--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind.

--Misschien; later.... Woon jij hier?

--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel:

ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen

mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik dènk altijd ergens anders.

--Je woont hier toch niet alléén, wel?

--Neen ... mijn vader nog.

De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje

weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in

zich komen.

--Ben je veel alleen?

--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de

knechts ook.... En dan ... ze mógen me niet graag; ze noemen me

prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dàt is het niet!

--Wie heeft je lezen geleerd?

De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte

het.

De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden

had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu

een stroeve trek om haar mondje kwam.

--Lees je veel? vroeg hij verder.

--Neen, ik heb maar één boek. Dat is nog van háár, en ik ken het

heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat

denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel

het beekje ook wel eens wat.

--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi!

--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters

gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je

kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de

elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen

in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met

bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen;

en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar

dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel?

--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen.

Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot

een gelijke.

--Waarom niet? vroeg ze.

--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug

vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken.

--Waarom niet?

--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden.

--Hier?

--Neen, in 't dorp, achter de bosschen.

Het kind dacht na.

--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze.

--Neen.

--Weet ik het dan alleen?

--Velen gelooven het niet!

--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins!

--Waarom?

--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek?

--Ik weet het zelf niet. Misschien wel.

--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging?

--Ik weet het niet.... Misschien wel.

--Vóórdat je weer in je kasteel bent?

--Misschien wel!

Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind:

angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige

blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met

hoopvolle oogen:

--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er

mij dan brengen?

--Ja: dàt zal ik!

De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje

gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die mìsschien

sterven zou....

En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken

niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes,

en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was

zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder

was dan tien.

Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt

kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn,

en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom

zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar

schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje,

met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk

afstak bij het kinderlijke van haar manieren.

Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den

smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft,

waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen.

Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot

den jongen man, die haar als een wonder aanzag.

Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf

af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals

een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en

drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat,

hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of

spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...?

Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen.

--Als je naar den hemel gaat, vóórdat ik den sleutel van het kasteel

heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze.

--En je vader dan?

--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er

is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben.

--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht.

Het kind knikte.

--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je

gaat zeker ook heen straks.

--Ja, straks.

--Zal je weer komen?

--Ja, ik zal komen... als ik kan.

--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet

deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze

niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi?

--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij

zijn toch ook menschen?

--Neen, dat geloof ik niet!

--Wat zijn wij dan?

--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook

wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent!

--Misschien niet!

--Waarom zeg je altijd misschien?

--Omdat ik zoo weinig weet.

Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer

het blonde hoofdje.

--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid!

Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze

tusschen de wilde rozen.

En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het

beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe.

En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins,

en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder

wachtte.............

Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende

al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste,

donkere dennen.

Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte

tusschen de rozenstruiken op den prins.

De rozen, een beetje verrégend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen

het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek.

--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt

hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien.

Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder,

tot zij ze niet meer zien kon.

--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij

't bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte.

--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen.

--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen.

En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien;

en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, héél ver,

zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het

beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij

't rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek,

zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en àl maar tuurde naar

't donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte,

en àl maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met

lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond.

Den volgen dag kwam de prins.

't Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met

een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met

sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere

zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden.

Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek.

Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende.

Toen keek ze rond.

--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in.

De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij

den molen verlicht werd.

--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen.

Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den

oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst

gezien hadden.

--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik.

En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve

van zijn moe gezicht heen.

--Is 't héél mooi? vroeg hij.

Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen.

--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht.

De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de

wilde rozen in 't donker van de dennen.

Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende

dit óók te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde

donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier

daalde over het dal en over den molen.

De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water

het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans

over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag

hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij háár aanzag.

--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende.

Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder,

en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen

gedachten.

De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden

met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze

hem haar grootste geluk mee deed genieten.

Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen,

en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote

vraag-oogen recht in de zijne zagen.

--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn

kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het

kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me?

De ernstige oogen, droevig, zeiden ja....

--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan

op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nóóit, klein

prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen

wij er dan óók mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je

niet vergeten!--Zul je het doen?

--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar

keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals,

en kuste hem.

--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer

een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik

gaan. Dag prinsesje!

--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met

een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij

't molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het

beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het

nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen.

Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad;

maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam

ze niet meer; maar bleef in den molen.

En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en

zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind,

dat maar niet kwam.

En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te

kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf

gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs

de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het

stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde,

van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar àl wegbleef.

Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode

bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede

mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte

kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder....

De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer

gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er

even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek

hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf

de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in.

En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet

begrijpende.... Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend

vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen,

niet begrijpende....

De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na,

en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de

lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje

geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde.

Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw

sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins.

De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg,

bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven

met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders

zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met

de bovenzij van zijn ruwe hand.

Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens

adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had.

Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer,

stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk

bedankt."--zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen

zacht voor zich heen:

--Arm kind!... Arm prinsesje!

Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten

had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even

groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de

aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden.

Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die

als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten.

Arm kind, arm prinsesje, gestorven ... dood ... weg ... in 't eeuwig,

zwart geheim!............

De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood

in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren

glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde

rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open.

Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had

bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte

onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk

murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen

van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zélf

ze plukt.

Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum:

VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band

van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30.

HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieën en band van

S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde

exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch

papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-.

GABRIËLLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing.

f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90.

GABRIËLLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede

druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30.

DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van Herman

Teirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25.

VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op geschept

Hollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50.

NACHT-SILENE. Illustratiën en band van S. Moulijn. Tweede

druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90.

VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90.

INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25.

PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid

f 2.50. Gebonden f 3.25.

Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept

papier, is verkrijgbaar a f 1.-.

Van 't viooltje dat weten wilde · 第 9 / 9 题