ELZE

Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat

hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan

de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo

liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig

zou kunnen maken.

Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals

de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die

gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte

van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem,

dat zij hem boven alles bezig hield.

Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en

ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs

trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde

hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede,

met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde

maken, zonder dat hij wist hoe.

Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken

verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën.

Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen,

die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken

veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde

de koning toe.

--Geluk is rijkdom, zei de een.

Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af.

--Geluk is weten, leeraarde een tweede.

Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de

geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond.

--Geluk is gezondheid, meende een ander.

Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren,

die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net,

deed hem zwijgen.

--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette

een heel diepzinnig gezicht.

Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen

duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een

ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon!

Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de

rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor

en, op de vraag die hem geen rust liet.

--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag,

zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't

sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken,

totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge

dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die

niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel,

en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen

bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid!

Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder

naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim

beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden!

Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem

vriendelijk opnam.

Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der

wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning

genaderd, boog hij zich, en zei:

--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit

omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij

geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van

het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij

nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld.

Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor

oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer:

vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die

vraag te geven is.

De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik

u geven kan.

Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart,

en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons,

en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten

van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af,

is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde

geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij

heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten

doen ontbranden in rustige harten.

Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij,

zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult

trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en

de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een

mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin

van vredig menschen-geluk.

De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn

gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem:

--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het

al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga,

dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult!

De grijsaard boog en trad eerbiedig terug.

--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de

koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft

u allen gekroond met de lauweren van zijn geest.

Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken.

Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en

stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen

bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven

verrichten bij den prins.

--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na

een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon,

den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw

gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn

geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde,

en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in

het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte,

en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht,

en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder

bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens

alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult

hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere

beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor

hun schoonheid.

Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken

moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn:

het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht

moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht,

zijn gansche leven.

Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins

spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook

hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij

er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de

zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden.

De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich,

als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen

ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende

daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning

te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind.

Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den

prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein,

rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in

haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf

het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang.

De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij

de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor

zijn vader, den koning.

Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest,

liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende,

zijn krans op den grond.

Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij:

--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen?

--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra

zij Uwe Hoogheid zagen!

--Voedster, er is iets ànders in uw lach! Zeg mij wàt!... Zeg mij wàt!

Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar

ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou.

--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij

uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem

de mooiste vinden kunt.

--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins,

zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden

... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na.

--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen

... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de

voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette

vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden

hebben..................

Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot

jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als

pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat

ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer

goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn

voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en

liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in

zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder

leeg zou zijn gebleven.

Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving

waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit

kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een

reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen

hadden zijn geest te ontwikkelen.

Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig

aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde

te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor

de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een

hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg

als de Liefde.

Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij

alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart

niet overstemd werd door rumoer van buiten.

--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige

oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte

zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur

aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten

hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins!

--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar

pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken

vraag zweefde, voor zich heen staarde.

--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak,

dingen die ik misschien gedroomd heb.

--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf

op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong.

De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover,

wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met

zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en

toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen.

Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig

land, gesloten worden.

De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou

aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht

zich te onttrekken.

Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid

stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige

omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek

niet willende weigeren, had hierin toegestemd.

Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun

veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van

zijn voedster-moeder, en klopte aan.

Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen

maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend

op het oogenblik waarin ze den prins zou zien.

--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende;

en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde

blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in,

waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas,

van licht doortrokken, over de verre boomen hing.

De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder

als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig,

fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte

van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende:

--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen,

dat u zeker niet verwonderen zal.

De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de

waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de

eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb

u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou

waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons,

het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen

later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een

kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien....

Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken,

toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste.

Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had,

en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik

zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten

zou als ik groot was.

Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben

opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist,

en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik

dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik,

vertrouwende op uw belofte.

Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk

me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me

nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb,

en zeg me wat hij beduidt.

De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel;

en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had,

zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen,

evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te

spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte.

--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die

goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein,

hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst,

gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen

ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep

ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet;

en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik

mijner oogen naar zijn oorsprong....

Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul

haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis,

zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij

vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte....

Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen

in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich

tot den prins, fluisterend:

--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze

zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren

en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van

grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de

Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben

niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart

dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij

zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste

geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun

zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende

zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid

zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat,

geen indruk achterlatende.

Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood

vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en

verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw.

--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat

mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte

aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad

ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over

de waarheid mijner oogen....

De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit.

--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen

niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank

heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek

in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit

woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft

willen verwijderen uit mijn leven....

Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't

ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet

ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft

willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!...

Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde

geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben

geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen,

mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het

heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld.

En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende

gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig

leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld.

Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit

gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat

plotseling zijn denken vervulde.

Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem

riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde.

De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar

oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren.

Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde,

sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug,

en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende,

en ter aarde wachtende haar straf.

De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om

uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden

gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen,

die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke

straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid

zou daarna hun loon zijn.

Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van

hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte.

Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest

van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en

moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn

houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch.

Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige

aandacht luisterde:

--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te

dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid?

--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de

koning met luid-klinkende stem.

--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn,

dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig

en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden,

moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn

leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van

huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we

kunnen uitdenken.

En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn

makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul

van wilde dieren.

Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze

wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In

het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet

samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede

als verdwenen.

Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte,

gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig

werd gemaakt door roof en moord.

De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in

vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den

koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde

den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen,

dat haar als een straf was voorgehouden.

De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan

de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege

zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij

schreide, na jaren van vrede.

--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen

... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de

oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk

tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal

hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het

woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn

gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van

mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn

hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden

in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan

tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij.

Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis,

zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister

begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den

armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om

zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon.

De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot

bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar

maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige

vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de

knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins,

vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande

in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde.

--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden:

de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen.

Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk

waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde

hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een

vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef,

kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te

voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot.

Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt

om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard

waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud,

waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs

bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen

spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen

van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg

op den rug een half gevulden linnen zak.

--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch

klonk, als harslucht uit dennen riekt.

--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig.

--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets?

--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde.

--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat

je haar zoekt!

--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon

haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij

er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken.

--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in

't bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen.

--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd

verdwaald!

--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond

had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald

bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin

dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je

met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór

je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit;

dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal

je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën

kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets,

denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al

mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na.

--Dank je, zei de prins en ging verder.

De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even

na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs

het pad.

--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig

geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die

geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen.

De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek

naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en

den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige

plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het

kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt.

Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van

blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid,

in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een

wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het

kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in

het liedje dat ze zong:

De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,

De liefde geeft beide: geluk en ....

Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins

stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen.

--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig.

--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend!

--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij

wonderlijk beefde.

Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames

gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong,

lief meisje hem als een openbaring was.

Weer lachte het meisje.

--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar!

--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het

immers? Waarom zing je het anders?

--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan

een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat

mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong

binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou

dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze

maar! Waar ga je heen?

--Ik wil hier blijven!

Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de

ernstig-luisterende boom-stammen.

--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker

verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis

nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis

geweigerd.

Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte

kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet

dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen.

De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand

beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de

zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust.

Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren

zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een

weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe

aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had

ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp

een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even

ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier

helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar

met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins

en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde

hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen

in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een

poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje,

tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde.

Eindelijk zei Elze:

--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange

haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het

kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje

met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam

volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos

naast elkaar.

--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen

hem drukte.

--Omdat jij niets zegt!

Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien

heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten

boom, een klein huisje met riet gedekt.

--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik.

Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende

bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die

zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op

haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden

vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid

rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit.

Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op,

toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met

een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden.

--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben.

Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige

houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw

waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten

Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal

hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode

eikeblaren.

Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje

waren hare bewegingen.

De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden

zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na

lang zwerven eindelijk thuis was.

Toen Elze gereed was, zei ze:

--Vreemdeling, eet en drink!

Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger.

--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten

op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu.

Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte

duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt

te worden.

Nog altijd zweeg de prins.

--Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk.

--Ik moet zooveel denken!

--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!...

--Woon je hier altijd?

--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren

verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig

hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet

meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik

vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader

eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en....

--Maar dat komt hem toch toe!

--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men

vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan

vragen?...

--Maar het is toch zijn recht!

Elze lachte.

--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen

levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe,

om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden!

--De prins zal zeker helpen!

--Is hij goed?

--Dat weet hij zelf niet!

--Maar jij? Hoe vindt jij hem?

--Ik ken hem niet!

Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen,

opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat

langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel

zwaar naar voren.

--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang!

Elze bloosde van genoegen.

--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik

begrijp niet waarom....

--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken....

Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei:

--Och! waarom niet!

Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn

gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme

blos zijn wangen kleurde.

De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen,

en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel

onzichtbaar waren.

--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend,

en vouwde nu stil haar handen.

--Waarom?

--Dat weet ik niet....

Plotseling stond ze op en luisterde.

--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur

open bleef.

De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde,

zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had

gewezen.

Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp

de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide

handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang

en vast in de oogen.

Toen zei hij langzaam:

--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn

plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen;

en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal,

als 't u niet te eenvoudig is.

Toen volgde de prins den ouden man in het huisje.

Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen

Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den

prins voorbij gingen.

--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl

hij opstond.

--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan!

--Waarheen?

--Dat weet ik niet!

--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden

man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor

een vreemde in 't bosch!

--Ik zal meegaan, kind.

De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong,

en de prins wendde bevend zijn oogen af.

--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer

op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar

buiten ziende.

--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit.

--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje

aan zijn gloeiende lippen.

Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in.

Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet,

wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere

smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een

droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met

vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende

takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen.

--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen,

dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge

wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel!

--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen

hand geven?

De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de

smalle, fijne handen van den prins.

--God zegen u! zei hij, en keerde zich om.

De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen

weg.

De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met

een ruk recht schoof. Daar op lachte hij:

--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou

gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed,

of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene!

En hij ging snel een rechten weg naar huis.

Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich

heen, als iemand die ontwaakt.

De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden

om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde

gedachten.

Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen,

bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter

het grijze silhouet van de verre stad.

--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit

zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen!

Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had

gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan.

Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins,

zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen.

Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen

lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn

naderen.

Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein

bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in

't half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken.

De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit,

dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood.

--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast;

maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken

geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten

niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt,

maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet

zooals ze schijnen.

De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich,

en vervolgde zijn tocht.

Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte

winkels als vriendelijke oogen blonken.

Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode

gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die

hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan,

en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder

tikte.

--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen

vreugde-belovend in de oogen van den prins.

--Dat weet ik niet!

--Ga met mij mee!

--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna.

--Wat doe je hier! vroeg ze lief.

--Ik zoek!...

--Wat zoek je?

--De Liefde!

Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand

omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken.

--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt!

Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins,

moe en eenzaam, vond dit prettig.

--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend.

En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm,

mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde.

--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend.

--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig.

--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om

zijn hals en kuste hem.

Zacht weerde hij haar af?

--Is dit het hoogste geluk?

--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer.

Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze

kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen

wist hij niets meer.

Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht

vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze

gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar

was gekomen.

--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien.

--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins

aan de gekregen zwavelstokjes.

Haastig ontstak hij er een.

En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde

gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen,

en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde,

en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep.

Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten,

en snelde heen.

Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad

door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel

voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde;

en een groot verlangen welde in hem op.

--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit.

Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had

opgenomen in zijn groene armen.

Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij

den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar

hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte

duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag

hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje,

waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij

zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag

den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was.

--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop.

En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen

geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken

waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit

een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren

naar het helder getril in 't groene loover.

Zoo viel hij in slaap.

Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm

in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door

het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon

honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon

dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen.

Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën

genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk

gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een

soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout

verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den

hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging.

Eindelijk zag hij een geknakten tak.

--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond

hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste

blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's

huisje moest voeren.

Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje,

en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten.

Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels

verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met

kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van

haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd,

terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen....

--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En

ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar

opzag.

--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde

zeker... want nu ben ik gelukkig!

Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder

lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar

oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de

droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed....

Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd....

De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware

sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in.

Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn

hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op

zijn knieën.

Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de

zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden

zij zich op den jongen man.

--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge

weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft

u geleid?

--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het

sterker was dan uw wil.

--En wat zoekt het hier?

--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden!

--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart?

--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u

verhalen, en oordeel dan.

Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn

vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning.

--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu?

--Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn

vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw.

Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang

duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog.

Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open.

--Elze! riep hij naar buiten.

Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje

verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar

aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en

toen heen vloog.

Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat

van haar vader.

--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand

op haar blond hoofd lei.

--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je

zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig.

--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den

ouden man uit.

--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem.

Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader

met kussen. Ze antwoordde niet.

--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar

de deur.

Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje

tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend:

--Blijf bij ons....

--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen.

--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig

hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht.

--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat

kan ik niet!

En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op.

--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw?

--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets

geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen,

als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn

vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk

dat alleen in Liefde is!

--Elze wil wèl uw vrouw zijn ... maar géén koningin, zei het meisje

zacht.

--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn

kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u,

en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik

met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven.

Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn

handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen.

--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen.

Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van

zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur,

en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet

zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want

dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar

lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart,

toen hij haar in zijn armen drukte.

--We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man.

De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen

meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op.

--Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn

kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot

haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een

goed mensch.

Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte.

Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje.

--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd

witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil!

--Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins.

Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren

er niet!

--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze.

Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en

haar vader.

In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die

zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog

altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn.

Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de

half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig

toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam....

--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel

geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen.

Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe

en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn

stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd.

--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde

zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met

nadenken.

Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm,

en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm,

en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect

gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd,

neerkomt op het hoofd van den geweldenaar.

Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van

zichzelf....

Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord:

zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt,

wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij

zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte.

Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit

hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... héél lang vast....

Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was

blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in

't weifelend licht.

Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand;

maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning

verwijderd neerknielen.

Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze

het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht....

Toen zei de prins:

--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang

zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in

't hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde,

het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof

met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet

aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer

ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als

mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!...

De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij

dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij:

--Men brenge licht!

Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn

over de geknielde gestalte uitgoot.

Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid,

die zacht stemde zijn goed, oud hart.

--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik

wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij!

Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo

statig alsof ze een edelvrouwe was.

Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond

gehouden had, nader, en boog zich voor den koning.

--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende

stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen

of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de

herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons.

--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch.

--Elze's vader; en een mensch zooals gij!

--Wie zeide u hier binnen te treden?

--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw

dwaasheid!

--Verklaar u nader!

--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met

hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het

geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag!

--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken

als gij!

--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker

te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten....

Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen.

--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt!

--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind?

Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand.

--Ziehier! zei hij.

--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of

reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een

gunst van uwe zijde?

--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij

ons toereikt als ons deel!

--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart

moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt!

--Dit is een beleediging! riep de koning uit.

--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw

dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is!

Nu lachte de koning, en zei:

--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft,

zal zij een voortreffelijke koningin zijn.

--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn

eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt,

en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in

u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch.

Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen,

terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok.

Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal

verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige

geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst

zag, onwillekeurig de handen vouwde.

De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn

vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest

vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar

de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had.

Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een

zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch

de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem

wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd,

die hem liever was dan het leven onder de menschen.

Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen

houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op

gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom.

--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte

zij zich. En 't is waar dat vader dáár gelukkiger is dan hij hier

zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden

missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond,

dat hij weg kuste.

Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen.

--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel

zette! had hij gezegd.

Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen,

de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden

haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van

hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze

verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid.

--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar

strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zóó, dat de gouden kroon niet

dof wordt bij dit glanzende goud.

--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank

van uw huid, prinses! vleide een tweede.

--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad,

bij het stralen van uw oogen! zei een derde.

Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes;

maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig;

en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug,

zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had,

en zich achteraf hield.

--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende

juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten.

Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig

aanziende.

Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep

en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig,

maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's

ongepaste handelwijze:

--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te

zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet

zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten.

De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde

zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten

verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning,

die haar op het voorhoofd kuste, zeggende:

--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze

antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch:

--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer

ik niets.

--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins,

haar vol ernstige liefde aanziende.

--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje

kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar

het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt.

De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar

vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder

hun minzame lachjes en lieve manieren.

Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende

dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar,

als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart

wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd.

Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar

hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...?

De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk,

of er van binnen een lichtje in brandde.

In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed

voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde,

of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje,

door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de

straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de

lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje,

dat ze zelf mende, in moest houden, om hen één voor één te kussen. Ze

bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want

iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende

daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden.

Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon;

en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte,

met een vreemd lachje van steen.

De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder

verstand en goed hart te waardeeren.

Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend

leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als

een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden

zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet,

en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar

soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden

droppel mee....

--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen

schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze hééft nooit geleden.

Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en

de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden..................

Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker,

versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor

Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij

haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn

gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en

zachter voor haar was dan vroeger.

Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht;

maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder,

zeggende:

--Laat ik je niet vermoeien met zaken.

Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang,

tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde.

--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden,

zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich

oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong

ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed,

dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet

erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles

is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet

rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon

van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en

mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen.

Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder

geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar

ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was;

omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden

dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou.

Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje

in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op

ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding

van het volk eens goed waarnemen.

Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve

tot gerustheid dwingende.

Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach

groette.

--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als

de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven,

en bij de laatsten slapen ze nog.

In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op

den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide;

zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen

kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend:

--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond.

Elze richtte zich hoog op.

--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie

boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar

ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen,

die u nooit iets misdeed?

Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm

even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje,

dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar

paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een

wilde zee van nijdige hoofden.

Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk

gerust.

Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen,

zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze

naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar

kleed en haren viel.

Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden

allen haar handen en kleederen kussen.

Nu kwamen Elze de tranen in de oogen.

--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw

kinderen, die me liefhebben!

--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje

volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl

de menigte zich verstrooide.

--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen,

terwijl hij naar den grond zag.

Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar

hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar

schuld verbitteren zou.

Lang en ernstig dacht ze na.

--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond

zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo

heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar

heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter,

dan een heel leven vol verdrietelijkheden.

--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het

vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar

klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke

duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar

beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar

wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen,

dat ze hem alleen liet.

Het zou haar óók hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet

bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze

hèm leed zou besparen.

Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning,

in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las.

Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou,

wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den

tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen

gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken;

en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd

zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en

bij haar vader te brengen.

Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet

ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's

Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en

ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim

haar stond te wachten.

In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn

diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en

zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten,

was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren.

In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte

hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom

van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou,

alsof een hemelziel zich op aarde uitzong.

Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras

witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De

margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het

licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de

donker-groene boomen.

De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend

tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al

zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn

handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten

tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in

't zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende

aarde-sterretjes.

Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de

sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren

die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze,

alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes,

die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden.

Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag

dáár omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht

zilveren nachtegalen-lied.

En het woud sliep, en droomde.

En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn

groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos;

en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes

snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk.

Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in

den ernst van zijn oogen.

Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes

bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht.

Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet

zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn

hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve

oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit.

Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de

Boschgeest dat het Elze was.

Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de

bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar

op, vragende:

--Elze, wat zoekt ge mij?

--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede.

--Elze, is er geen ànder hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan

niemand u helpen dan ik?

--Menschen kùnnen niet troosten in leed!...

--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten?

--Om de Liefde te volgen.

--Kan die u niet troosten?

--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk

is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk.

--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, méér lief dan de

andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u

doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht,

daar waar Liefde u leidde.

--Ik kom u den dood vragen!

Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende

onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan

zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde

tegen zijn koel kleed, en zei:

--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der

menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven

gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde

blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet

leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister,

en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik

ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot

voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van

doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te

doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen,

ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling

van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik

ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood

die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien

dood niet geven; want gij zijt jong, en móógt niet sterven. Ook weet

ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort

in mijn rijk.

--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht

de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want

wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u

vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik

kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten

laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer

te ontwaken.

Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te

zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben

aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het

leven dat vrede was ... al was het geen gelùk.

Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer.

--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en

wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... dáárom wil ik

u helpen.

Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil

vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge

veilig zult zijn: bij uw vader.

Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend

kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar

Elze toe.

--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles

aan mij over.

Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar

schat door niemand opgemerkt het paleis binnen.

Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield

zich zóó ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd

maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets

van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter

zij hun onkunde verborgen.

Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een

smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan

de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in

stelde, te hooren hoe haar toestand was.

--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden,

schreien!... dacht ze bitter.

Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van

sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over

haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen

in haar handen, en zei ernstig:

--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning;

maar voor ik misschien zóó ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin

zouden worden aangezien, heb ik u één ding te vragen, dat ge mij niet

weigeren zult, nietwaar?

Snikkend viel de prins op de knieën en verborg zijn gelaat in de lange,

blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede

afhingen. Ook de koning wischte een traan weg.

--Spreek, mijn kind! zei hij.

--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn

vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven,

begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn

liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult

doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden

in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit

paleis binnentrad.... Zweert ge me dit?

--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen

inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult

leven en gelukkig zijn.

Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen:

De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,

De liefde brengt beide: geluk en leed.

Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor

't eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor

't laatst.

--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten,

en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn!

De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning

verwijderde zich met hem.

Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze:

--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als

ik u noodig heb.

Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen

ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins

te verzekeren.

De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in.

Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een

leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel

te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen

verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden

koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn.

Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over

haar heengebogen.

--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw

verstand. Ge doet een goede daad.

--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest

kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde

haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze,

dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond

dat naar de woning van haar vader voerde.

Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog;

en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen

kuste ze hem op het voorhoofd.

Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach:

--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet

wonen bij spreeuwen, uilen en valken.

Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal

was gekomen, zei ze:

--Nu wil ik mijn haren afknippen.

Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om

haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud;

en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist.

--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje

verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer....

Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende

Christusbeeld aan den muur.

--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal

je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren.

Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook

zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte

maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest;

en werkelijk leek het haar zoo.

Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard

aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde

zóó, dat ze duizelde.

--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl

hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast.

De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat

het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's

vader zien.

Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat

het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk

gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende

flank, denkende: het paard herkent me; hij niet!

--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets

te zeggen.

--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met

veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen.

--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken

uitbarstend.

--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed

te houden.

--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk

langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier

ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk

eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg

hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet

hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult

de boodschap wel overbrengen, niet waar?

--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels

over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar

knieën zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten.

Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten

Christusbeeld neerknielde.

--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!...

Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader

thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd.

Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren

zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was

nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen:

een jongen en een meisje.

--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze

bij zichzelve. Ik zal nu toch wel wáárlijk dood zijn!

Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en

ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken;

maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep

gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking."

Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool

van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant

te lijken.

Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning,

waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar,

wat ze wilde.

--Den koning zien, zei ze.

--Je bent moe!

--Ja; ik kom van heel ver.

Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos

de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten.

Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den

koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee

lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw;

en de koning zag er tevreden en gelukkig uit.

Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning

had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar

muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond,

dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk

juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig

voorbij reed.

--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter.

Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek

waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen

tranen meer had.

Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen

graf geschreid!

Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden.

Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden

zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed

zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed!

Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen

hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen.

--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen

glans in de vriendelijke oogen.

--Waarom vader?

--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven

zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den

koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst

is!... Gij, Elze, zijt een heilige!

--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem

méér lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst

heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven háár overwonnen.

--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen,

van een die géén begeerte meer heeft.

En zoo was het.

Van 't viooltje dat weten wilde · 第 8 / 9 题