HOOFDSTUK I

Gil Blas wordt door den minister naar Tolédo gezonden. Van het doel

en het succes van zijn reis.

Reeds een maand lang zei mijn meester iederen dag tegen mij:

"Santillano, de tijd nadert, dat je behendigheid mij van dienst kan

zijn," en die tijd kwam maar niet. Eindelijk echter zei de minister:

"Men zegt, dat er bij een troep comedianten te Tolédo een jeugdige

actrice is, die opzien wekt door haar talenten: men beweert, dat zij

goddelijk danst en zingt en dat ze de toeschouwers in verrukking brengt

door haar voordracht; ook verzekert men, dat zij een schoonheid is. Een

dergelijke actrice verdient aan het hof te verschijnen. De koning

houdt van comediespel, van muziek en dans en het genoegen mag hem

niet worden onthouden iemand te zien en te hooren van zulke zeldzame

verdiensten. Ik heb dus besloten je naar Tolédo te zenden om voor

je zelf te oordeelen, of het werkelijk zulk een bewonderenswaardige

actrice is. Ik zal mij houden aan den indruk, dien je krijgt en mij

op je smaak verlaten."

Ik antwoordde den minister, dat ik zijn opdracht gaarne zou vervullen

en ik stelde hem voor, dat ik zou vertrekken met één lakei, die niet

den uniform van den minister zou dragen, om de zaak meer geheimzinnig

te behandelen, wat zeer in den geest viel van mijn meester.

Ik ging dus op weg naar Tolédo en daar aangekomen, nam ik mijn intrek

in een hotel bij het kasteel.

Nauwelijks was ik afgestapt of de waard, die mij zeker voor een

landedelman hield, vroeg of ik voor het groote kettergericht kwam, dat

den volgenden dag zou plaats hebben. Ik antwoordde van ja want ik vond

het beter, dat hij dit geloofde dan dat hij mij verdere vragen deed.

"Ge zult dan een van de schoonste processies zien, die wij hier

ooit hebben gehad," zei hij, "er zijn, zegt men, meer dan honderd

gevangenen, waaronder tien of meer die verbrand zullen worden."

Werkelijk hoorde ik den volgenden morgen voor het opgaan van de zon

alle klokken in de stad luiden en men liet het klokkenspel spelen, om

het volk te waarschuwen, dat het kettergericht zou beginnen. Benieuwd

om dit verschrikkelijk feest, dat ik nog nooit had gezien, bij te

wonen, kleedde ik mij haastig aan en begaf mij naar de inquisitie. Er

waren in de straten, waar de processie langs moest gaan verhevenheden

opgesteld, waarop men voor geld kon plaats nemen. Weldra zag ik de

Dominicanen, die voorop liepen, voorafgegaan door de banier van de

heilige inquisitie. Deze goede vaders werden onmiddellijk gevolgd

door de treurige slachtoffers, die de heilige dienst dien dag wilde

straffen. Deze ongelukkigen gingen achter elkaar, met bloote voeten,

een waskaars in de hand en ieder een geleider naast zich. Sommigen

droegen een soort schoudermantel van geel linnen en een muts in den

vorm van een suikerbrood. Deze mutsen waren bedekt met vlammen en

duivelsche figuren.

Toen ik die ongelukkigen bekeek met een medelijden, dat ik niet wilde

laten blijken, uit vrees voor een misdadiger te worden gehouden,

herkende ik onder hen, wier hoofd zulk een muts droeg, de eerwaarde

vader Raphaël en broeder Ambrosius. Ze waren zoo dicht bij mij,

dat ik mij niet kon vergissen.

"Wat zie ik! De hemel, die eindelijk genoeg kreeg van hun

wandaden, heeft deze booswichten dus overgeleverd aan het recht

der inquisitie!" Ik begon te beven en had een gevoel of ik zou

bezwijmen. De verbintenis, die ik had gehad met de twee schelmen,

het avontuur te Xelva, kortom alle gelegenheden, dat ik met hen in

aanraking was gekomen, kwamen plotseling voor den geest. Ik dankte God,

dat Hij mij voor zulk een lot had behoed.

Toen de ceremonie voorbij was, keerde ik naar het hotel terug, nog

bevende van hetgeen ik had gezien. Maar de verschrikkelijke beelden

moesten uit mijn geest verdwijnen; ik moest mij bezighouden met de

taak, die mijn meester mij had opgedragen.

Toen het uur naderde, waarop de schouwburg moest openen, begaf ik

mij daarheen. Ik kreeg een plaats naast een ridder uit Alcantera,

met wien ik weldra een gesprek had aangeknoopt.

"Mijnheer," vroeg ik, "is het een vreemdeling geoorloofd u een vraag

te doen?"

"Mijnheer," antwoordde hij zeer beleefd, "ik zal daardoor vereerd

zijn."

"Men heeft mij," hernam ik, "de comedianten van Tolédo zeer

geprezen. Heeft men ongelijk gehad, door zooveel goeds van hen

te zeggen?"

"Neen," antwoordde hij, "hun troep is niet slecht. Er zijn zelfs

zeer goede krachten bij hem aan te wijzen. U zult onder anderen

de schoone Lucretia zien, een actrice van veertien jaar, die u zal

verwonderen. 't Is niet noodig, haar aan te wijzen, wanneer zij op

de planken zal verschijnen, ge zult haar gemakkelijk onderscheiden."

Het stuk begon. Er kwamen twee actrices op de planken, die niets

verzuimd hadden om zich bekoorlijk te maken, maar niettegenstaande

alle diamanten, hield ik noch de een, noch de andere voor degene,

die ik verwachtte.

Eindelijk verscheen de schoone Lucretia en haar opkomst werd door

het publiek begroet met een algemeen en lang handgeklap.

"Ah! Daar is ze!" zei ik bij mezelf. "Wat een nobel uiterlijk! Wat

een gratie! Welke mooie oogen!" Werkelijk was ik ten zeerste

over haar voldaan of liever gezegd, hare persoonlijkheid trof mij

buitengewoon. Van het eerste oogenblik af, dat zij begon te spreken,

vond ik in haar voordracht veel natuurlijkheid, geest en vuur. Gaarne

stemde ik in met het publiek, dat haar luid toejuichte.

"Ge ziet," zei de heer naast mij, "dat Lucretia de lieveling is van

het publiek. Wat zegt ge van haar?"

"Ik ben verwonderd over haar gaven."

"Ge zult het nog meer zijn, wanneer ge haar hebt hooren zingen en

zien dansen."

"Welk een geluk zich ter wille van zulk een beminnelijk schepseltje

te mogen ruïneeren!" zei ik.

"Ze heeft geen bepaalden minnaar," antwoordde hij, "en men hoort

zelfs niet van intriges, ze kon die echter wel hebben, want ze woont

bij haar tante Estella en deze is een ervaren tooneelspeelster."

Bij het hooren van den naam Estella viel ik mijn buurman in de rede,

om hem te vragen of die dame ook een actrice was. Hij antwoordde mij,

dat zij een van de besten was en na de beschrijving, die hij mij van

haar gaf, twijfelde ik er niet aan of het was Laura, dezelfde Laura,

van wie ik zooveel gesproken heb in mijn boek en die ik te Granada

had achtergelaten.

Estella was dien avond niet opgetreden, maar ik hoopte toch haar

in den schouwburg te vinden en begaf mij daarom na de voorstelling

achter het tooneel.

Ik vroeg naar Estella en men wees haar aan. Ze was op het oogenblik in

gesprek met eenige heeren, die waarschijnlijk in haar meer de tante

van Lucretia zagen. Hetzij uit een gril, hetzij om mij te straffen

voor mijn overhaast vertrek uit Granada, deed ze alsof ze mij niet

kende en ontving mijn beleefdheden op zulk een wijze, dat ik uit het

veld was geslagen. Inplaats van haar lachend hare koele ontvangst te

verwijten, was ik dwaas genoeg om mij kwaad te maken. Ik verwijderde

mij plotseling en nam mij voor den volgenden dag naar Madrid terug

te keeren. Om mij op Laura te wreken, wilde ik niet, dat haar nicht

de eer zou hebben voor den koning op te treden. Daartoe had ik den

minister slechts een minder vleiend portret van Lucretia te geven.

Mijn lust om wraak te nemen was echter niet van langen duur. Den

volgenden morgen kwam een jonge lakei bij mij met een briefje, waarin

ik las:

"Vergeet de wijze waarop ge gisteren in den schouwburg werdt ontvangen

en laat u door brenger dezes geleiden."

Dadelijk volgde ik den lakei, die mij naar een groot huis bracht,

waarin Laura hare kamers had.

Ik vond Laura aan haar toilet. Ze stond op, om mij te omhelzen en

zei: "Mijnheer Gil Blas, ik weet wel, dat ge geen reden hebt over de

ontvangst, die ik u gisteren heb bereid, tevreden te zijn. Een oud

vriend, als gij, hadt recht om meer vriendelijkheid te verwachten. Om

mij echter te verontschuldigen, moet ik zeggen, dat ik op dat oogenblik

in het slechtste humeur van de wereld was. Een van die heeren had mij

juist iets gezegd van mijn nicht, wier eer mij meer aan het hart ligt

dan die van mijzelve. Gelukkig wist ik uw woning te laten vinden en

zoo kon ik mijn fout herstellen."

"Dat is gebeurd, mijn waarde Laura, laten wij er niet verder

van spreken, maar elkaar liever onze avonturen vertellen, na

dien ongelukkigen dag te Granada, toen de vrees mij overhaast deed

vluchten. Ik heb u toen in groote verlegenheid achtergelaten. Hoe hebt

ge u er uit kunnen redden? Dat is zeker niet zonder moeite gegaan? En

ge hebt zeker wel al uw slimheid noodig gehad, om uw Portugeeschen

minnaar tot bedaren te brengen?"

"In het geheel niet," antwoordde Laura. "Weet ge niet, dat in

dergelijke gevallen de mannen zoo zwak zijn, dat ze zelfs de vrouwen

de moeite besparen om zich te rechtvaardigen! Ik hield tegenover den

markies de Marialva vol, dat je mijn broer was. Neem mij niet kwalijk,

dat ik je weer zoo familiaar aanspreek, maar ik kan mij moeilijk van

die oude gewoonte losmaken. Den Portugees vroeg ik dadelijk of hij

niet merkte, dat alles het werk was van Narcissa, die jaloersch op mij

was en zich op zulk een wijze wilde wreken. Als een nieuw bewijs van

het complot, dat men tegen mij had gesmeed, noemde ik het plotseling

verdwijnen van mijn broer. Men had daartoe zeker eenige kunstgrepen

gebruikt en het mij zoodoende onmogelijk gemaakt te bewijzen, dat

hier alleen jaloezie en wraakzucht in het spel waren. Om kort te

gaan, de markies was tevreden en de markies bleef mij beminnen tot

hij Granada verliet, om weer naar Portugal te gaan.

Nog een paar jaren bleef ik in Granada; toen ging onze troep uiteen;

sommigen gingen naar Sévilla, anderen naar Cordova en ik ging naar

Tolédo, waar ik nu sinds tien jaar woon met mijn nicht Lucretia,

die je gisteren hebt zien spelen."

Hier kon ik niet nalaten te glimlachen. Laura zag het en vroeg naar

de reden.

"Kan je dat niet raden," vroeg ik. "Je hebt broers noch zusters en

't is dus niet mogelijk, dat je de tante bent van Lucretia. Bovendien,

wanneer ik bij mijzelf den tijd bereken, die na onze laatste scheiding

is verloopen, dan komt het mij niet onmogelijk voor, dat gij tweeën

nader aan elkaar verwant zijt."

De weduwe van don Antonio bloosde een weinig en zei: "Welnu, mijn

vriend, ik zal je dan maar eerlijk bekennen, dat Lucretia de dochter

is van den markies de Marialva en mij."

"Het publiek," merkte ik op, "mag u wel dankbaar zijn, dat ge het

zulk een cadeau hebt gegeven."

Indien een sluwe lezer, die zich de samenkomsten herinnert, die ik

te Granada met Laura had, toen ik secretaris was van den markies de

Marialva, mij misschien er van mocht verdenken dien heer de eer te

willen betwisten van het vaderschap van Lucretia, dan moet ik hem

tot mijn schande doen opmerken, dat zijn vermoeden ongegrond is.

Daarna vertelde ik Laura al wat er met mij was gebeurd en ik deelde

haar mee, welke mijn opdracht was betreffende haar nicht.

Zij toonde zich zeer ingenomen met dit plan en zei: "Als ik hier geen

verbintenis had, die ik niet dadelijk kan afbreken, dan zou ik morgen

wel reeds naar Madrid willen vertrekken."

"Een bevel van het hof kan die verbintenis verbreken," zei ik. "En

ik geef je de verzekering dat dit binnen acht dagen zal gebeuren. Ik

heb er genoegen in den inwoners van Tolédo Lucretia te ontnemen. Een

actrice, zooals zij, is geschapen voor het hof. Ze komt ons van

rechtswege toe."

Juist had ik die woorden gesproken, toen Lucretia de kamer

binnenkwam. Ik meende de godin Hebe te zien, zoo bekoorlijk en gracieus

was zij. Laura deelde haar het doel van mijn bezoek mee en het jonge

meisje toonde zich zeer ingenomen daarmee.

Wij bleven nog eenigen tijd in gesprek en daarbij had ik gelegenheid

om op te merken, dat Lucretia een buitengewoon verstandig meisje was.

Bij het afscheid nemen van de dames, verzekerde ik haar, dat zij

spoedig een bevel van het hof zou ontvangen, om zich naar Madrid

te begeven.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 82 / 98 题