Wat zij te Madrid aankomende deden. Wien Gil Blas op straat ontmoette
en door welke gebeurtenis die ontmoeting werd gevolgd.
Toen wij te Madrid waren aangekomen, namen wij onzen intrek in een
klein hotel en het eerste wat wij deden was naar Salero te gaan, om ons
geld te ontvangen. Hij heette mij hartelijk welkom en betuigde zijn
blijdschap, dat ik weer op vrije voeten was. "Ik moet u meedeelen,"
zei hij, "dat ik door de ongenade, waarin gij zijt gevallen, een
weinig huiverig ben geworden voor aanrakingen met menschen van het
hof. Hun fortuin zweeft mij te veel in de lucht. Ik heb mijn dochter
Gabriella uitgehuwelijkt aan een rijken koopman." Ik antwoordde hem,
dat hij daar zeer goed aan gedaan had. Behalve, dat het veiliger is,
komt er nog bij, dat een burgerlijke schoonvader niet altijd tevreden
is over mijnheer den voornamen schoonzoon.
Wij ontvingen daarop het geld terug, dat wij meenamen naar ons hotel
en in volmaakte orde bevonden.
Voor ons vertrek naar Aragon deden wij verschillende inkoopen en zoo
ontmoette ik baron von Steinbach, den Duitschen officier, bij wien
don Alphonse was opgevoed.
Wij herkenden elkaar dadelijk en ik zei: "Het doet mij zeer veel
genoegen, dat ik u zoo in de beste gezondheid terugzie en nu tevens
gelegenheid heb, om nieuws te vernemen omtrent don César en don
Alphonse de Leyva."
"Daar bestaat alle gelegenheid toe," antwoordde hij, "daar ze beiden
in Madrid en bij mij gelogeerd zijn. Voor eenigen tijd zijn ze hier
gekomen, om den koning te bedanken voor een onderscheiding, die don
Alphonse heeft ontvangen, als blijk van erkentelijkheid voor de door
zijn voorvaderen aan den staat bewezen diensten. Hij is gouverneur
van de stad Valencia, zonder te hebben gesolliciteerd, noch iemand
te hebben gevraagd zijn invloed daartoe aan te wenden. Dat doet zien,
dat onze koning naar waarde weet te beloonen."
Hoewel ik, beter dan Steinbach, wist wat ik daarvan moest denken,
deed ik of ik niets wist van wat hij mij vertelde. Ik betuigde hem
zooveel ongeduld en verlangen om mijn oude meesters te bezoeken,
dat hij mij dadelijk meenam.
In een groote zaal speelde Alphonse schaak met de baronesse von
Steinbach. Hij sprong dadelijk op en snelde op mij toe met een gelaat
dat werkelijk vreugde verried. "Mijn waarde Gil Blas! Wat een genoegen
je eindelijk weer te zien! Het is mijn schuld niet, dat we niet samen
zijn gebleven. Ik had je verzocht, zooals je weet, om het kasteel de
Leyva niet te verlaten. Je hebt geen gevolg gegeven aan mijn verzoek,
maar ik maak je daar geen verwijt van; ik weet welke beweegredenen
je hadt. Maar sedert dien tijd heb je mij ook niets meer van je laten
hooren. Mijn zwager, don Fernand, had mij bericht, dat je in Granada
was, maar ik heb je daar tevergeefs gezocht. Maar zeg me nu eens, wat
je in Madrid doet. Zeker een goede betrekking. Wees ervan overtuigd,
dat ik levendig belang stel in je omstandigheden."
Ik antwoordde hem: "Voor ongeveer vier maanden nog, had ik aan het hof
een gewichtige betrekking. Ik had de eer de secretaris en vertrouweling
te zijn van den hertog de Lerme."
"Is het mogelijk? De vertrouweling van den eersten minister?" riep
don Alphonse met groote verwondering.
"Ik had zijn gunst gewonnen en heb die weer verloren op de wijze,
die ik u zal meedeelen," zei ik en ik vertelde mijn geschiedenis
en sprak ook van mijn besluit om van het weinige, wat mij van mijn
voorspoed was overgebleven, een klein huis te koopen en daarin in
afzondering te gaan leven.
Nadat de zoon van don Cesar mijn verhaal met veel belangstelling
had aangehoord, zei hij: "Mijn waarde Gil Blas, wij zijn altijd
goede vrienden geweest en ik ben zeer dankbaar, dat de hemel mij in
staat stelt je te helpen. Ge zult niet langer een speelbal zijn van
de fortuin. Ik zal je eigenaar maken van een goed, dat je niet kan
worden ontnomen. Je wilt buiten leven, welnu, ik geef je het kleine
landgoed, dat wij bezitten bij Lirias, op vier mijlen afstands van
Valencia. Je kent het. Zonder eenig bezwaar voor ons kunnen we je
dit afstaan en ik ben er zeker van dat mijn vader en Séraphine dit
besluit zeer zullen toejuichen."
Ik wierp mij op de knieën voor don Alphonse, die mij echter dadelijk
oprichtte. Hartelijk dankte ik hem voor zijn edelmoedigheid. In den
verderen loop van het gesprek deelde ik hem toen mee, hoe het mij
gelukt was die gouverneursplaats voor hem te krijgen. Hij was daar
zeer verwonderd over en beweerde nu, dat het niet voldoende was mij
het kleine landgoed te geven, maar dat hij mij er ook een jaarlijksch
inkomen bij zou schenken.
"Neen mijnheer," zei ik, "te veel bezit is bij mij alleen maar
dienstig om mijn hebzucht op te wekken. Dat heb ik maar al te zeer
ondervonden. Gaarne neem ik uw landgoed bij Lirias aan en ik zal er
gemakkelijk kunnen leven van hetgeen ik nog bovendien bezit. Maar
dat is mij voldoende, meer begeer ik niet. Rijkdom behoort niet op
een plaats, waar men slechts rust zoekt."
Tijdens ons gesprek kwam don Cesar binnen, die mij eveneens met
groote hartelijkheid begroette. Nadat hij van alles op de hoogte
was gebracht, brachten vader en zoon mij dadelijk naar een notaris,
waar zij een akte van schenking lieten opmaken en die beiden met
meer genoegen teekenden, dan zij het een stuk zouden hebben gedaan,
dat hun voordeel opleverde. De akte werd mij ter hand gesteld en ik
kon van het landgoed bezit gaan nemen wanneer ik wilde. Zij gingen
daarop naar baron von Steinbach terug en ik begaf mij naar ons hotel,
waar ik de verwondering opwekte van Scipio met de mededeeling, dat
wij een landgoed hadden gekregen in Valencia en de wijze vertelde,
waarop dat in mijn bezit was gekomen.
"Hoeveel zou dat kleine domein waard zijn?" vroeg hij.
"Vijfhonderd ducaten rente en ik kan je verzekeren, dat het daar een
zeer mooie omgeving is. Als intendant van de heeren de Leyva ben ik
er meermalen geweest. Het is een zeer klein landhuis aan de oevers van
den Guadalquivar, in een gehucht met nog vijf of zes andere huizen".
"Wat mij zeer bevalt", riep Scipio, "is dat wij daar goed wild zullen
hebben, met wijn van Bernicarlo en uitstekenden muscaat! Komaan
patroon! laten wij ons haasten om de wereld te verlaten en onze
eenzaamheid op te zoeken".
"Ik heb niet minder lust dan jij", antwoordde ik, "maar ik moet
eerst nog naar Asturië. Mijn vader en moeder leven daar niet in zeer
gelukkige omstandigheden, ik zal hen gaan halen en naar Lirias brengen,
waar ze de rest van hun dagen in rust kunnen slijten. De hemel heeft
mij misschien deze plaats gegeven, om er hen te ontvangen en zou mij
straffen, indien ik dit verzuimde". Scipio prees mijn voornemen en
met spoed maakten wij de toebereidselen voor ons vertrek.