Gil Blas gaat voort met den heer te spelen. Hij krijgt berichten
van zijn familie. Welken indruk die op hem maken. Hij verliest zijn
vriend Fabricius.
Ik heb reeds gezegd, dat er 's morgens altijd veel personen in mijn
antichambre waren. Naar het gebruik van het hof echter en om gewichtig
te schijnen, had ik de gewoonte aangenomen om tegen ieder te zeggen,
dat men mij de zaak schriftelijk moest meedeelen. Ik was daar zoo aan
gewend geraakt, dat ik het op zekeren morgen ook tot mijn huisheer zei,
toen hij mij er opmerkzaam op kwam maken, dat ik hem een jaar huur
schuldig was. Mijn slager en mijn bakker bespaarden mij de moeite,
zóó prompt kwamen ze iedere maand met hun verzoekschrift aanzetten.
Nog een andere belachelijke eigenschap had ik aangenomen, n.l. van
groote heeren te spreken, alsof ik huns gelijke was. Indien ik
b.v. den hertog van Alva, den hertog van Assune, of den hertog de
Medina Sidonia noemde, zei ik altijd kortweg Alva, Assune en Medina
Sidonia. Ik was in één woord zoo trotsch en ijdel geworden, dat ik niet
meer de zoon was van mijn vader en moeder. Helaas! arme stalmeester
en arme vrouw, ik informeerde er niet naar of zij gelukkig dan wel
ellendig en armoedig leefden in Asturië!
Ik had mijn familie vergeten, toen op zekeren dag een jongeman bij
mij binnenkwam, die zei, dat hij mij alleen wenschte te spreken. Ik
liet hem in mijn kabinet en daar ik zag dat hij een man was uit
het gewone volk, bood ik hem geen stoel aan, maar vroeg dadelijk,
wat hij verlangde. "Mijnheer Gil Blas," zei hij, "herkent ge mij
niet?" Oplettend bekeek ik zijn trekken, maar ik was verplicht
te zeggen, dat ik niet wist, wie hij was. "Ik ben een van uw
dorpsgenooten, geboren te Oviédo en zoon van Bertrand Muscada, den
kruidenier, den buurman van uw oom den kanunnik. U herken ik heel goed,
wij hebben wel duizendmaal samen gespeeld."
"Van de spelen in mijn jeugd herinner ik mij maar heel weinig meer; de
zorgen, die ik later heb gehad, hebben mij ze doen vergeten", zei ik.
"Ik ben te Madrid gekomen," vervolgde hij, "om af te rekenen met
een leverancier van mijn vader en hoorde van u spreken. Men zei me,
dat ge een goede betrekking hadt aan het hof en dat ge al rijk waart
als een jood. Ik maak u er mijn compliment over en ik ben blij,
dat ik bij mijn terugkomst uw familie genoegen kan doen met zulk een
aangename tijding."
Beleefdheidshalve kon ik niet nalaten mijn kruidenier te vragen naar
mijn vader, moeder en oom, maar ik deed dat zoo koel, dat ik hem geen
aanleiding gaf, om mijn liefde voor mijn familie te prijzen. Hij gaf
mij dat te kennen. Mijn onverschilligheid voor menschen, die mij zoo
dierbaar moesten zijn, hinderde hem en daar hij een openhartige jongen
was, zei hij: "Ik meende, dat ge meer belang zoudt stellen in uw naaste
familie. Op welk een koelen toon vraagt ge naar hen! Het schijnt wel
of ge hen vergeten hebt. Weet ge iets van hun toestand? Uw vader en
moeder zijn nog altijd in betrekking en van uw oom, die geplaagd wordt
door ziekte en gebreken van den ouderdom, is het einde nabij. Hij
heeft hulp noodig en daar gij in staat zijt uw familie goed te doen,
geef ik u als vriend den raad om hun ieder jaar tweehonderd pistolen
te zenden. Door dien steun kunt ge hun, zonder dat het u zelf hindert,
een gemakkelijk en gelukkig leven verschaffen."
Inplaats van getroffen te zijn door zijn woorden, hinderde het mij
slechts, dat hij de vrijmoedigheid had genomen, om zich in mijn zaken
te mengen. Met meer voorzichtigheid zou hij misschien meer van mij
gedaan hebben gekregen. Hij merkte wel, dat ik ontstemd was, maar ging
op het onderwerp door tot ik eindelijk mijn geduld verloor en zei:
"'t Is genoeg, mijnheer de Muscada, meng u niet in zaken, die u niet
aangaan. Ga naar den leverancier van uw vader en reken met hem af. Het
past u niet, mij mijn plicht voor te schrijven. Ik weet beter dan gij,
wat ik in deze aangelegenheid heb te doen." Met die woorden wees ik
hem de deur.
Wat hij mij gezegd had, maakte intusschen wel indruk op mij, ik
verweet mijzelf, dat ik een onnatuurlijke zoon was. Ik herinnerde mij
de zorgen, die men in mijn jeugd voor mijn opvoeding had gehad en
hoeveel ik aan mijn ouders verschuldigd was; maar andere gedachten
drongen deze overwegingen weer op den achtergrond. Ik vergat mijn
familie. Er zijn vele vaders, die zulke kinderen hebben.
De gierigheid en eerzucht, die zich van mij hadden meester gemaakt,
veranderden mijn humeur geheel. Ik had mijn vroolijkheid verloren
en werd teruggetrokken en stil. Fabricius, die merkte dat ik mij met
niets anders bezighield dan met de zorg voor mijn fortuin, kwam maar
zeer zelden meer bij mij. Op zekeren dag kon hij zich niet weerhouden
te zeggen: "Waarlijk Gil Blas, ik herken je niet meer. Voor je aan het
hof kwam, was je altijd rustig en kalm, nu ben je steeds zenuwachtig
en gejaagd. Je vormt plan op plan om je te verrijken en hoe meer je
krijgt, hoe meer je hebben wilt. Ook ben je niet meer zoo vrij in den
omgang, je verbergt, wat er in je omgaat. Om kort te gaan, Gil Blas,
je bent niet meer de Gil Blas, dien ik gekend heb."
"Dat is zeker scherts", antwoordde ik op vrij koelen toon. "Ik merk
niet, dat ik in eenig opzicht ben veranderd."
"En toch is het zoo, mijn vriend," vervolgde hij. "Als ik vroeger bij
je aanklopte, maakte je zelf de deur open en ik kwam vrij en zonder
complimenten je kamer binnen. Wat een verschil met tegenwoordig! Je
hebt lakeien, men laat mij in een antichambre wachten en ik moet
aangediend worden, voor ik met je kan spreken. En hoe ontvang je mij
dan? Met koele beleefdheid. 't Is of mijn bezoeken je beginnen te
vervelen. Denk je, dat zoo iets aangenaam is voor een man, die je
kameraad is geweest? Neen Santillano, dat bevalt mij in het geheel
niet. Adieu, laten wij in der minne scheiden."
Ik liet hem gaan zonder de minste poging te doen, om hem terug
te houden. In den toestand waarin mijn geest verkeerde, scheen de
vriendschap van een dichter mij niet zulk een kostbaar bezit, om mij
over het verlies daarvan te bedroeven. Ik vond genoegen in den omgang
met andere ambtenaren, wier stemming met de mijne overeenkwam. Die
kennissen waren mannen, waarvan de meesten ik weet niet waar vandaan
kwamen en die door hun gelukkig gesternte hun betrekkingen hadden
gekregen. Zij gevoelden zich behagelijk in hun positie, schreven
de weldaden, waarmee de koning hen had overladen, slechts aan eigen
verdiensten toe en vergaten zichzelf.
O Fortuna! zoo deelt gij meestal uw diensten uit. Epictetus, de
Haïker, had geen ongelijk toen hij u vergeleek met een jonkvrouw,
die zich overgeeft aan knechts.