HOOFDSTUK III

Na welke onaangename gebeurtenissen don Alphonse zich op het

toppunt van geluk bevond en door welk avontuur Gil Blas in gelukkige

omstandigheden kwam te verkeeren.

In opgewekte stemming reisden wij tot Bunol, waar het ongeluk

wilde, dat don Alphonse ziek werd. Hij kreeg zware koortsen,

waarvan de aanvallen soms zoo hevig waren, dat ik voor zijn leven

vreesde. Gelukkig waren er daar geen dokters en bleef het dus bij

den angst. Na drie dagen was hij buiten gevaar en door mijn zorgen

herstelde hij spoedig. Voor wat ik voor hem deed, toonde hij zich zeer

dankbaar en daar wij ons werkelijk tot elkaar voelden aangetrokken,

zwoeren wij elkaar een eeuwige vriendschap.

Wij gingen weer op weg, nog altijd besloten, om, wanneer wij

te Valencia zouden zijn, te profiteeren van de eerste de beste

gelegenheid, om naar Italië over te steken. Maar de hemel, die ons

een gelukkig lot bereidde, beschikte het anders. Bij den ingang van

een mooi kasteel, dat wij passeerden, zagen wij boeren en boerinnen,

die dansten en feestvierden. Wij reden daarheen om dat feest te zien en

hier wachtte don Alphonse geheel onverwacht een blijde verrassing. Hij

zag baron von Steinbach, en deze, die hem op zijn beurt herkende,

kwam met open armen naar hem toe en riep: "Alphonso! Wat een geluk

u te ontmoeten! We zoeken u overal en vinden u nu door het toeval

hier. Kom, mijn zoon, ge zult thans ook hooren, wie ge zijt en van

uw geluk genieten!"

Na die woorden bracht hij ons naar het kasteel en de eerste, dien wij

ontmoetten, was de eigenaar. Het was een man van ongeveer vijftig jaar

en met een zeer goed uiterlijk. "Mijnheer," zei de baron, terwijl hij

hem don Alphonse voorstelde, "ziehier uw zoon." Bij die woorden wierp

don César de Leyva (zoo heette de bewoner van het kasteel) zich in

de armen van mijn vriend en zei: "Mijn zoon, het heeft mij zeer veel

smart gekost, dat ik zoo langen tijd een vreemde voor u ben geweest,

maar het kon niet anders. Uw moeder had ik alleen uit liefde gehuwd,

want zij was van veel mindere geboorte dan ik. Mijn vader, die een

zeer streng man was en van wien ik afhankelijk was, wilde van dat

huwelijk niets weten en dwong mij het geheim te houden. Alleen baron

von Steinbach was in het geheim en belastte zich, in overleg met

mij, met uwe opvoeding. Thans is mijn vader niet meer en ik kan voor

ieder verklaren, dat gij mijn zoon en de eenige erfgenaam zijt. Dat

is echter nog niet alles, ik wil u laten trouwen met een dame, wier

adel gelijk is aan den mijne."

"Mijnheer," zei don Alphonse, "kan ik niet uw zoon zijn, zonder

tegelijkertijd te vernemen, dat ge mij ongelukkig wilt maken? Wees

niet even wreed als uw vader; heeft hij uw liefde niet goedgekeurd,

hij heeft u tenminste niet gedwongen met een ander te trouwen!"

"Mijn zoon," antwoordde don César, "ik zal uw wenschen geen geweld

aandoen. Het eenige, wat ik u vraag, is de dame te zien, die ik voor

u bestemd heb. Hoewel ze een zeer bekoorlijke verschijning is en

een voordeelige partij, beloof ik u, dat ik u niet zal dwingen haar

te trouwen. Zij is hier in het kasteel en gij zult moeten toegeven,

dat ge u niets beminnelijkers denken kunt." Na die woorden bracht

hij ons naar een zaal.

Daar waren de graaf de Polan met zijn twee dochters, Séraphine en

Julie en don Fernand de Leyva, zijn schoonzoon, die een neef was van

don César. Er waren ook nog andere dames en heeren. Don Fernand had,

zooals men weet, Julie geschaakt en het was ter gelegenheid van hun

huwelijk, dat de boeren uit den omtrek waren samengekomen, om feest

te vieren. Zoodra don Alphonse verscheen en zijn vader hem aan het

gezelschap had voorgesteld, kwam de graaf de Polan naar hem toe,

omhelsde hem en zei: "Wees welkom, mijn bevrijder! De deugd vermag

veel op edelmoedige zielen. Hebt ge mijn zoon gedood, ge hebt mij

het leven gered. Ik gevoel geen wrok meer tegen u en geef u dezelfde

Séraphine, wier eer gij hebt gered."

Men kan begrijpen, dat don Alphonse overgelukkig was. Reeds na eenige

dagen werd het huwelijk gevierd, tot groote genoegdoening van allen.

Daar ik ook een van de bevrijders was van den graaf de Polan, zei

deze heer, die mij dadelijk herkend had, dat hij ook voor mij zou

zorgen. Maar ik bedankte hem voor zijn edelmoedigheid en wilde don

Alphonse niet verlaten, die mij intendant van zijn huis maakte en met

zijn volkomen vertrouwen vereerde. Zoodra hij getrouwd was, zond hij

mij op reis, om den koopman Samuel Simon al het geld terug te geven,

dat hem ontstolen was. Ik ging dus schade vergoeden. Zoo begon ik

mijn betrekking van intendant, zooals men die gewoonlijk eindigt.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 9 / 98 题