HOOFDSTUK II

Van het besluit, dat don Alphonse en Gil Blas namen na dit avontuur.

Volgens onze prijzenswaardige gewoonte, gingen wij den geheelen nacht

door en bij het aanbreken van den dag waren wij bij een klein dorp,

op twee mijlen van Ségorbe. Toen wij aan den voet van een heuvel een

aantal wilgenboomen zagen, verlieten wij den grooten weg en gingen

in de schaduw slapen.

Na een flink ontbijt telden wij het geld, dat we van Samuel Simon

hadden meegenomen; dit liep tot een bedrag van drieduizend ducaten

en daarbij gevoegd de som, welke wij reeds bezaten, waren wij niet

slecht bij kas.

Er moest voor nieuwe provisie worden gezorgd en Ambrosius en don

Raphaël, na hun costuums uitgetrokken te hebben, zeiden, dat ze daar

samen op wilden uitgaan; door het avontuur te Xelva hadden zij er

smaak in gekregen en ze wilden zien of er in Ségorbe niet een slag

was te slaan.

"Ge moet ons maar onder de wilgen afwachten," zei de zoon van Lucinde,

"wij zullen spoedig terug zijn."

Lachend merkte ik op, dat, wanneer de heeren ons samen verlieten,

het misschien wel lang zou duren eer wij hen weer zagen.

"Die verdenking is een beleediging voor ons," zei Ambrosius, "maar dat

is te verontschuldigen na hetgeen wij te Valladolid hebben gedaan,

waar wij onze kameraden in den steek lieten. Maar toch bedriegt ge

u. De personen, met wie wij toen samenwerkten, hadden een zeer slecht

karakter en de omgang met hen was, op den duur, onverdragelijk. Aan

lieden van ons slag moet men de eer geven, dat wanneer ze goed met

elkaar kunnen opschieten, ze elkaar ook trouw zijn. Ik verzoek u dus,

mijnheer Gil Blas en don Alphonse, om wat meer vertrouwen in ons

te hebben."

"Het is gemakkelijk om hun ongerustheid weg te nemen," zei don Raphaël;

"de kas blijft bij hen hier, dan hebben zij een waarborg in handen. Na

dit bewijs van onze goede trouw, zult ge er wel geen bezwaar meer

tegen hebben, dat wij vertrekken."

Ze gingen heen en lieten mij achter met don Alphonse, die me zei:

"Mijnheer Gil Blas, ik moet mijn hart voor u openen. Ik maak mij er een

verwijt van, dat ik tot nu toe in gezelschap ben geweest van deze twee

schelmen. Ge kunt niet gelooven, hoe mij dat berouwt; gisterenavond,

toen ik alleen was bij de paarden, heb ik er onophoudelijk aan

gedacht. Voor een eerlijk man gaat het toch niet aan, om te leven met

mannen als Raphaël en Lamela en wanneer het ongeluk wil, vallen ze toch

een of anderen dag in handen van de justitie. Ik zou me doodschamen,

als ik dan met hen als een dief moest worden gestraft. Dus moet

ik u bekennen, dat ik niet langer hun medeplichtige wil zijn, maar

mij voor altijd van hen zal scheiden. U zult, denk ik, mijn besluit

niet afkeuren."

"Neen," verzekerde ik hem, "ge moet niet denken, dat al hebt ge mij

in de comedie van Samuel Simon voor gerechtsdienaar zien spelen, die

soort van dingen naar mijn smaak zijn. 't Is ook mijn plan, om niet

langer in dit slechte gezelschap te blijven en als ge het goedvindt,

zal ik u vergezellen. Wanneer de heeren terug zijn, zullen wij hen

vragen, om onze bezittingen te deelen en morgenochtend of vannacht

nog nemen wij afscheid van hen."

De beminde van de schoone Séraphine keurde mijn voorstel goed

en stelde mij voor naar Valencia te gaan, ons daar in te schepen

naar Italië en in dienst te treden van de republiek Venetië. "Is

het niet beter," vroeg hij, "onder de wapenen te dienen, dan een

laf en schuldig leven te leiden, zooals we nu doen? Met het geld,

dat wij zullen hebben, kunnen wij een goed figuur maken. 't Is niet,

dat ik geen wroeging gevoel om mij te bedienen van op zulke slechte

wijze verkregen geld, maar de noodzakelijkheid verplicht mij er toe

en als ik eenig fortuin maak in den oorlog, zweer ik, dat ik Samuel

Simon schadeloos zal stellen."

Ik verzekerde don Alphonse, dat ik zijn gevoelens deelde en

wij besloten, dat wij den volgenden dag vóór zonsopgang zouden

vertrekken. Wij dachten er niet aan van hun afwezigheid te profiteeren

en er met de kas vandoor te gaan. Hun vertrouwen in ons belette

dat, hoewel het avontuur in het pension dezen diefstal zou hebben

verontschuldigd.

Ambrosius en don Raphaël kwamen 's avonds van Ségorbe terug. Hun

eerste woorden waren, dat de reis zeer gelukkig was geweest en dat

ze een plan hadden gevormd, dat ons nog meer zou opleveren, dan het

avontuur van den vorigen avond. Ze wilden ons daarover het een en

ander meedeelen, maar don Alphonse verklaarde beleefd, maar beslist,

dat hij niet langer wilde leven, zooals zij deden en dat hij van plan

was van hen te scheiden. Van mijn kant deelde ik hetzelfde voornemen

mee. Tevergeefs deden zij al het mogelijke, om te trachten ons terug te

doen komen op ons besluit; wij namen den volgenden morgen afscheid van

hen, na een gelijk deel van het geld te hebben ontvangen en trokken

naar Valencia.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 8 / 98 题