1 Januari.

Lieve Judy,

Er is iets verbazend vreemds gebeurd en nog weet ik niet of het

werkelijkheid is of dat het slechts een droombeeld was. Ik zal je

alles van A tot Z vertellen, maar ik geloof dat het het beste is, als

je dezen brief daarna verbrandt. Hij is niet bepaald voor Jervis'

oogen bestemd.

Herinner je je het geval van Thomas Kehoe, dien we in Juni hebben

uitbesteed? Hij ging gebukt onder den last van uit aan den drank

verslaafde ouders voort te spruiten, wat weer op erfelijke belasting

aan weerszijden berustte, en toen hij nog een baby was, schijnt hij

met bier inplaats van met melk gevoed te zijn. Hij kwam hier met zijn

negende jaar, en uit het zwarte register zien we, dat hij gedurende

zijn verblijf hier al twee maal dronken was, één keer door bier,

dat hij van werklui had gestolen en een andere keer (en toen heel

erg) door het drinken van brandspiritus. Je ziet dus dat het kind

onder bezwarende omstandigheden werd uitbesteed, maar wij

waarschuwden de familie (vlijtige, nette boerenmenschen) van te voren

en hoopten er het beste van.

Gisteren telegrafeerde dat gezin ons, dat zij hem niet langer konden

houden en vroegen mij of ik zoo goed wilde zijn hem van den

zesuurtrein te halen. Turnfelt ging naar het station, maar daar was

geen Thomas te bekennen. Ik stuurde nog dienzelfden avond een

telegram weg, waarin ik hun vertelde, dat de jongen niet was

aangekomen en om nadere bijzonderheden verzocht.

Gisternacht bleef ik wat langer dan gewoonlijk op om mijn lessenaar

op te ruimen, en ook om met heldere gedachten het nieuwe jaar in te

gaan. Tegen twaalf uur merkte ik, dat het al laat geworden was en dat

ik erg moe was. Juist was ik van plan naar bed te gaan, toen ik door

een geklop op de buitendeur schrok. Ik stak mijn hoofd uit het raam

en vroeg, wie daar was. "Tommy Kehoe" antwoordde een heel onvaste

stem.

Ik vloog naar beneden en opende de deur, en die jongen, zestien jaar

oud, strompelde naar binnen -- stomdronken! Gelukkig was Percy niet

ver weg, zoodat ik hem kon roepen. Ik wekte hem en samen sleepten wij

Thomas naar onze logeerkamer, de eenige afgezonderde plaats van ons

gebouw. Daarna telefoneerde ik om den dokter, die, naar ik vrees, een

erg vermoeiender dag achter zich had. Hij kwam terstond en wij hadden

met ons drieën een afschuwelijken nacht. Naderhand bleek dat de

jongen met zijn bagage een flesch haarwater had meegenomen, die aan

zijn vroegeren baas toebehoorde. Dat goed bestond voor de helft uit

alcohol en hiermee had Thomas zich gedurende zijn reis verkwikt.

Hij verkeerde in zulk een toestand, dat ik vreesde dat wij hem niet

meer zouden kunnen redden -- vreesde, neen dat hoopte ik zelfs. Als

ik een geneesheer was, zou ik in zulke gevallen, in het belang van

het komende geslacht, niet trachten redding aan te brengen. Maar je

hadt Sandy eens moeten zien werken! Dat vreeselijke instinct dat hier

een leven te redden viel, was bij hem ontwaakt en hij vocht met alle

kracht en energie die hem eigen is.

Ik zette sterke koffie en hielp zooveel ik kon en liet daarna de twee

mannen met den jongen achter. Ik ging naar mijn kamer, maar kon er

niet toe overgaan naar bed te gaan, daar ik bang was dat ze me

misschien toch nog noodig konden hebben. Tegen vier uur kwam Sandy in

mijn zitkamer met de tijding, dat de jongen in slaap was gevallen en

dat Percy naar bed was gegaan. Die arme Sandy zag er bleek en

vervallen uit en was dood op. Toen ik hem aankeek, dacht ik er aan,

hoe wanhopig hij werkt om anderen het leven te redden terwijl hij

zichzelf nooit spaart en ik zag dat ellendig huis van hem voor mij,

waarin nooit eenige vroolijkheid doordringt en de vreeselijke

tragedie, die zijn geheele leven beheerscht, drong zich met geweld

aan mij op. Alle beleedigde gevoelens, die ik zoo langen tijd had

gekoesterd, verdwenen plotseling. Ik voelde een groote sympathie voor

hem en ik strekte mijn hand naar hem uit. Hij reikte mij de zijne en

plots, -- ik weet nog niet hoe -- ging er een electrische schok door

ons heen. Het volgend oogenblik lagen wij in elkaars armen. Hij liet

mijn hand los en legde mij kalm neer in een grooten armstoel. "Mijn

God, Sallie, begrijp je niet dat ik ook van vleesch en bloed ben?"

zei hij en ging de kamer uit. Ik viel in den stoel in slaap en toen

vanmorgen de zon in mijn gezicht scheen, werd ik wakker en zag Jane

over mij gebukt, vol verbazing op mij neerziende.

Vanmorgen om elf uur kwam hij weer hier, keek mij, zonder ook maar in

het minst met zijn oogen te knippen, koeltjes aan en zeide mij, dat

Thomas elke twee uur wat warme melk moest hebben en dat ook de

stippen in Maggie Peters' keel nagegaan moesten worden.

Nu zijn wij weer bij het oude standpunt en alleen de herinnering aan

dat ééne minuutje in dien ellendigen nacht is mij gebleven.

Maar het zou toch wel pikant zijn geweest, vind je ook niet, als

Sandy en ik zouden ontdekken dat we op elkaar verliefd waren

geworden, terwijl hij met een teeder beminde vrouw in een

krankzinnigengesticht en ik met een woedenden verloofde in Washington

zit. Misschien is het wel het beste voor mij, dat ik mij dadelijk in

het Noodlot schik en kalm een paar maanden lang S. McB.'s op mijn

tafellakens borduur, zooals elk ander fatsoenlijk verloofd meisje zou

doen.

Ik herhaal nog eens met kracht dat deze brief niet voor Jervis' oogen

bestemd is. Verscheur hem in kleine stukjes en gooi die in de

Caraïbische Zee.

Het "John Grier Home" · 第 41 / 48 题