Lieve Judy,
Och, wees zoo goed en beplak je brieven van binnen en van buiten met
zooveel mogelijk postzegels. Er bevinden zich onder mijn familie een
dertig verzamelaars! Sedert je op reis bent, staat hier elken dag
tegen posttijd een groepje jongens aan het hek, loerend op een brief
met buitenlandsch zegel, en wanneer zij een brief voor mij te pakken
hebben, rennen zij ermee naar me toe. Zeg ook Jervis dat hij ons nog
wat meer van die purperen pijnboomtakken uit Honduras moet sturen en
ook een paar groene papegaaien uit Guatemala. Daarvan kan ik massa's
gebruiken!
Is het niet heerlijk, dat die kleine lustelooze wezentjes nu zooveel
belangstelling in alles toonen! Mijn kinderen gaan nu bijna op echte
kinderen lijken. Slaapkamer B. heeft gisternacht een kussengevecht op
touw gezet uit eigen initiatief en hoewel het eigenlijk een beetje
lastig was met het oog op mijn schaarschen linnenvoorraad, heb ik
toch meegedaan en zelf kussens naar hen toe gegooid.
En verleden Zaterdag hebben die twee avontuurlijke vrienden van Percy
den heelen middag met onze jongens gespeeld. Ze hebben hen in drie
groepen verdeeld en elke man nam de leiding op zich van een
Indianenkamp en bracht met zijn getrouwen den middag door in een
wanhopigen strijd op leven en dood, met een prijs voor het
overwinnend kamp. Ze brachten dien prijs zelfs met zich mee:
[Illustratie]
een wreedaardig gezicht van een Indianenopperhoofd op leer
geschilderd. Een vreeselijke wansmaak, maar de mannen vonden het
aardig, dus heb ik het ook met groote bewoordingen bewonderd.
Toen het gevecht afgeloopen was, heb ik hen met warme chocolademelk
en koekjes verkwikt en ik geloof werkelijk, dat de grooten even hard
als de kinderen hebben genoten. In elk geval hadden ze er meer
plezier van dan ik, want ik kon mijn vrouwelijke angst gedurende het
gevecht maar niet meester worden en was telkens bang, dat er hier of
daar door te groote wildheid een ongeluk zou gebeuren. Maar aan den
anderen kant weet ik ook heel goed, dat 24 dapperen niet aan Moeders
rokken zullen blijven hangen en ik heb werkelijk nog nooit iemand
gezien, die aardiger met mijn jongens heeft gespeeld dan die drie
heeren.
Wat ik nu weer het liefste zou willen is, dat een stuk of acht lieve
fijngevoelige jonge vrouwen op een avond in de week geregeld hier
zouden komen en, voor het vuur gezeten, sprookjes zouden vertellen
aan onze kinderen terwijl die boonen afhaalden of erwtjes zouden
doppen of iets anders doen. Ik zou zoo graag willen dat mijn
kleintjes ieder op hun beurt eens flink vertroeteld werden. Zie je
Judy, ik kan jouw jeugd niet vergeten en ik tracht nu de leegte in
het leven van die kindertjes zooveel mogelijk aan te vullen.
De regentendag van verleden Woensdag verliep prachtig. De nieuwe
dames zijn erg lief en alleen maar de aardige heeren verschenen.
Ik kan je het prettige nieuws berichten, dat de WelEd. Gestr. Heer
Wijkoff op bezoek bij zijn getrouwde dochter in Scranton is en ik
hoop maar, dat ze haar vader uitnoodigt voor goed zijn tenten bij
haar op te slaan.
Woensdag.
Mijn verhouding tot den dokter is meer dan ergerlijk en werkelijk,
daartoe bestaat geen enkele reden. Hij gaat zijn gang in zijn droge,
afgezonderde leefwijze zonder ook maar het minst aandacht aan iemand
of iets te wijden.
Ik ben gedurende deze laatste maanden meer verwaarloosd geworden dan
in mijn heele vroegere leven ooit het geval was en ik spits me erop
om wraak te kunnen nemen. Ik breng al mijn vrijen tijd daarmede door,
dat ik in mijn fantasie situaties in het leven roep, waarbij hij
vreeselijk gewond wordt en mijn hulp absoluut noodig heeft terwijl ik
met de grootste boosaardigheid mijn schouders onverschillig ophaal en
me van hem afwend.
Werkelijk, je zou het vroolijke onbezorgde en vriendelijke persoontje
dat ik vroeger was, niet meer in die oude, kwaadaardige heks
herkennen.
's Avonds.
Geloof je werkelijk dat ik een autoriteit ben, wat de zorgen voor
door liefdadigheid gesteunde kinderen betreft? Morgen gaan ik en
andere autoriteiten een officieel bezoek afleggen bij het "Hebrew
Sheltering Guardian Societys Orphan Asylum" te Pleasantville. (Wat
een naam)! Het is van hieruit een zeer omslachtige en langdurige
reis, waarbij opstaan voor dag en dauw, het gebruik van twee treinen
en een auto is vereischt, maar als je werkelijk een autoriteit bent,
moet je ook daarnaar leven. Ik vind het prettig andere inrichtingen
te zien en zooveel mogelijk plannen tegenover onze
vernieuwingsplannen van het volgend jaar te stellen. En dit gesticht
te Pleasantville moet zeer goed gebouwd zijn.
Na veel overpeinzingen moet ik eerlijk bekennen, dat het heel
verstandig was, dat we de verbouwing tot den volgenden zomer hebben
uitgesteld. Natuurlijk was ik teleurgesteld omdat ik nu niet meer het
middelpunt van de algemeens afbraak kan zijn en ik houd er zooveel
van, zoo'n middelpunt van afbrekingen te zijn! Maar misschien wil je
toch mijn raadgevingen aanvaarden hoewel ik dan niet langer het
officiëele hoofd zal zijn. De twee verbouwingen, waartoe we dit jaar
zijn overgegaan, zijn prachtig en voldoen volkomen aan de gestelde
eischen. Ons nieuwe waschhuis wordt hoe langer hoe beter en bevrijdt
ons van die vreeselijke lucht, die zoo eigen is aan gestichten. En
het huisje van onzen tuinbaas zal waarschijnlijk de volgende week
klaar komen. Het eenige wat daar nu nog aan ontbreekt, is een kwast
verf en een paar deurknoppen.
Maar och lieve deugd, daar wacht ons een teleurstelling, want
Juffrouw Turnfelt heeft ondanks haar gezellige dikte en zonnigen
lach er het land aan, dat kinderen om haar heen rumoeren. Ze maken
haar zenuwachtig. En Turnfelt zelf, hoewel een uitstekend tuinier, is
geestelijk niet zoo ontwikkeld als ik wel gehoopt had. Toen hij pas
hier kwam, stelde ik de bibliotheek tot zijn beschikking. Hij begon
met het gedeelte, het dichtst bij de deur, hetwelk 37 deelen van
Pansy's werken bevat. Toen hij vier maanden over Pansy had gedaan,
dacht ik, dat een verandering geen kwaad kon en stuurde ik hem
"Huckleberry Finn", maar hoofdschuddend bracht hij dat boek na een
paar dagen terug en beweerde, dat na Pansy elk ander boek hem saai
toeleek. Ik ben bang dat ik iemand noodig zal hebben die een beetje
meer naar afwisseling haakt, maar in elk geval is Turnfelt bij Sterry
vergeleken nog een echte geleerde.
O ja, van Sterry gesproken, dat heer bracht ons een paar dagen
geleden een bezoek met de houding van een geslagen hond. Het schijnt
dat de rijke heer in de stad, wiens landgoed hij heeft beheerd, hem
niet langer gebruiken kan en Sterry heeft ons nu vriendelijk
voorgesteld om hier terug te komen en zelfs toegestaan, dat de
kinderen zich met hun tuintjes zouden vermaken als zij dat zoo graag
wilden. Ik heb echter voet bij stuk gehouden en zijn aanbod niet
geaccepteerd.
Vrijdag.
Ik kwam gisternacht vol afgunst uit Pleasantville terug. Och mijnheer
de President, geef ons hier ook wit gepleisterde cottage-woninkjes
met Luca Bella Robbia figuren als versiering aan het front van het
huis! Zij hebben daar bijna 700 kinderen, alle van niet al te
jeugdigen leeftijd. Natuurlijk maakt dat een groot verschil met ons
107-tal, waaronder zooveel babies. Toch gaf de directrice mij een
paar heel goede wenken. Ik verdeel nu mijn kuikens in groote en
kleine zusjes en broertjes. Elke groote heeft een kleine, waarvoor
bij moet zorgen en die hij moet liefhebben en moet helpen, terwijl
hij toe moet zien, dat het haar van het kleintje altijd netjes gekamd
is en zijn kousen opgetrokken, en zorg moet dragen dat het kind zijn
lessen goed kent. En ook moet het groote kuiken het kleine liefkoozen
en streelen en zorgen dat het kindje ook zijn aandeel aan
kandijklontjes en ander lekkers krijgt. Zoo zorgt b.v. groote zusje
Sadie Kate voor kleine zusje Gladiola en dat is natuurlijk heel
prettig voor Gladiola maar het is speciaal goed voor de ontwikkeling
van Sadie Kate.
Ook richt ik bij onze oudere kinderen een bond op voor
zelfbeheersching, zooals wij die ook op de Universiteit vormden. Dat
zal hen helpen als ze hun weg in het leven moeten zoeken en hun eigen
heer en meester zijn. Het lijkt me vreeselijk om die kinderen al met
hun zestiende jaar de wijde wereld in te sturen. Vijf van hen zijn
zoo ver, maar ik kan het toch niet over mij verkrijgen. Ik herinner
me mijzelf op dien leeftijd. Ik was nog zoo'n onwetend luchthartig
jong ding en wie weet, wat er van mij terecht zou zijn gekomen als ik
dan al voor mezelf had moeten zorgen.
Ik moet je nu verlaten want ik heb nog een flinken brief aan een jong
politicus in Washington te schrijven en dat is zwaar werk. Wat kan ik
aan een staatsman schrijven, waarin hij belang stelt? Ik kan niet
anders dan over babies en nog eens babies berichten en hem zou het
niets kunnen schelen als alle babies van de wereldoppervlakte
plotseling weggevaagd werden. Of neen, dat is niet waar. Ik ben bang
dat ik hem verloochen. Babies, tenminste jongens-babies, groeien op
tot kiezers!
Dag!
Sallie.
Lieve Judy,
Als je vandaag een gezelligen brief van me verwacht, laat die hoop
dan maar dadelijk varen. Het is hier vreeselijk ellendig mistig
druilerig weer met veel regen en natte sneeuw en akelige natte kou.
Dan heb jij op het mooie Jamaica met zijn zonneschijn en
oranjebloesem, het toch vrij wat beter dan ik hier.
Er heerscht hier kinkhoest en de menschen kunnen ons zelfs in den
trein, hier twee mijlen ver weg, hooren hoesten. Hoe we er aan zijn
gekomen, weten we niet. Dat is een van de genoegens van het
gestichtsleven! Onze keukenmeid is er stiekum van door gegaan. Ik
begrijp niet hoe ze haar koffer heeft weggekregen, maar weg is die!
En het keukenvuur schijnt haar vergezeld te hebben -- alle pijpen
zijn bevroren en nu zijn de loodgieters hier aan het werk en hebben
den keukenvloer opengebroken. Een van onze paarden heeft de spat en
het mooist van alles: onze arme, lieve Percy is zoo down, zoo down,
zoo down! Wij hebben drie dagen lang geen rustig oogenblik gehad
omdat wij bang waren, dat hij zelfmoord zou plegen. Dat juffertje in
Detroit (ik zag wel dadelijk, dat het een harteloos, oppervlakkig
vlindertje was) is, zonder zelfs de moeite te nemen hem zijn ring
terug te zenden, er van doorgegaan en heeft zich verkocht aan een
man, die behalve haar echtgenoot nog de gelukkige bezitter van een
jacht en een stuk of wat auto's is. Het is het beste, wat Percy ooit
had kunnen overkomen, maar het zal nog wel heel lang duren eer hij
zelf tot dit inzicht komt.
Onze 24 Indianen zijn weer bij ons in huis. Het speet me dat ik hen
moest binnenroepen, maar de tenten zijn werkelijk niet geschikt om er
in te overwinteren en ik kan hen hier ook heel goed huisvesten, want
de groote, ijzeren waranda, die op Jervis' raad met glas is overdekt,
biedt een prachtige slaapplaats. En ook dat deel, hetwelk voor de
zonnebaadjes van onze kleintjes dient, is een prachtige aanvulling
van de nursery. Wij kunnen onze kleintjes zien groeien onder den
extra toevoer van zonneschijn en frissche lucht!
Met den terugkeer der Indianen in de geciviliseerde maatschappij
eindigt Percy's werkkring hier. Ik dacht dat hij weldra zijn intrek
in het hotel zou nemen maar hij gevoelt niet den minsten lust om te
verhuizen. Hij is aan de jongens gewend geraakt, zegt hij en hij zou
ze erg missen als hij hen niet meer dagelijks zag. Ik denk dat hij in
werkelijkheid zich zóó ellendig voelt door zijn verbroken
verloving, dat hij bang is voor de eenzaamheid. Hij heeft iemand
noodig die elk vrij oogenblik bij hem kan zijn en God weet hoe
dolblij wij zijn, dat wij hem nog een tijdje hier kunnen houden. Hij
gaat zoo prachtig met onze aankomende jongens om en ze hebben
behoefte aan den invloed van een man, maar wat ter wereld moeten wij
met hem beginnen? Zooals jij ook verleden zomer ontdekte, bevat dit
ontzagwekkend kasteel geen overvloedige logeerkamers. Hij heeft het
zich tenslotte in het laboratorium van den dokter gemakkelijk gemaakt
en de geneesmiddelen zijn zoo lang naar een kleine kamer bij de hal
verhuisd. Hij en de dokter hebben het zoo met elkaar afgesproken en
als zij beiden niet tegen wat ongemak opzien, vind ik het ook goed.
Ik kijk daar juist op den kalender en zie dat het nog maar een week
voor Kerstmis is. Hoe kunnen wij al onze plannen in die ééne week
ten uitvoer brengen! De kinderen geven elkaar cadeautjes en wel een
duizend geheimpjes werden in mijn oor gefluisterd.
Gisternacht heeft het gesneeuwd. De jongens zijn 's morgens in het
bosch geweest, waar ze klimop hebben geplukt en dennegroen, dat ze op
sleden hierheen hebben gebracht. Twintig meisjes zijn nu elken middag
in het waschhuis bezig met het binden van groen voor het versieren
van de ramen. Ik weet nog niet hoe we de volgende week zullen kunnen
wasschen. We waren eigenlijk van plan geweest om den Kerstboom als
een verrassing achter te houden, maar wel vijftig kinderen hebben een
kijkje door het raam van het waschhuis genomen en ik vrees, dat zij
het aan wel vijftig anderen oververteld zullen hebben.
Op je verzoek hebben we de Sinterklaasmythe onder de kinderen
verbreid maar mijn verhaal vindt niet veel geloovige toehoorders.
"Waarom is hij dan vroeger nooit gekomen?", was Sadie Kate's
sceptische vraag. In elk verschijnt St. Nikolaas dus dit jaar bij den
Kerstboom. Uit beleefdheid verzocht ik den dokter om hiervoor te
spelen en daar ik er haast zeker van was, dat hij zou weigeren, had
ik Percy gevraagd in geval van nood ervoor op te treden. Maar je kunt
nooit weten hoe een Schot handelen zal. Sandy nam het zeer
vriendelijk aan, wat ik Percy meegedeeld heb.
Dinsdag.
Is het niet eigenaardig dat sommige menschen er maar op los praten en
net zeggen, wat hun in hun dom brein te binnen schiet? Ze schijnen er
absoluut geen conversatie op na te houden -- het eenige, waarover ze
kunnen spreken, is over het weer en over schandaaltjes.
Dat is alles à propos van een bezoek dat ik vandaag ontving. Een
vrouw kwam hier het kind van haar zuster brengen om het schaapje hier
te houden totdat de moeder hersteld is, hoewel ik uit hetgeen zij mij
zei, moet opmaken, dat daar bitter weinig kans op bestaat. In elk
geval echter waren alle voorbereidingen reeds genomen en had de vrouw
slechts het meisje af te leveren en zelf te vertrekken. Maar daar zij
nog een paar uur op haar trein moest wachten, gaf zij te kennen dat
zij het gesticht graag zou zien. Ik liet haar dus de kamer van het
kleintje zien en het kribje, waarin kleine Lilly voortaan zal slapen
en onze gele eetzaal met zijn fries van konijntjes, zoodat zij
zooveel mogelijk vriendelijke indrukken met zich mee kon nemen naar
de arme moeder. Daar zij vermoeid scheen, noodigde ik haar uit, in
mijn zitkamer een kopje thee te drinken. Dr. MacRae, die er ook juist
was en verbazend hongerig scheen te zijn (wat thans uiterst zelden
het geval is -- hij stemt er nu maar twee keer maandelijks in toe een
kopje thee bij de directrice te drinken), kwam ook, zoodat wij een
klein gezelschap vormden.
Nu gevoelde de vrouw de verplichting op zich rusten ons af te leiden
en bij wijze van conversatie vertelde zij, dat haar man verliefd was
geraakt op een meisje aan de kas van een cinema (volgens haar een
beschilderd mager nest) met geel haar, dat den heelen
godsganschelijken dag niets anders deed dan gom kauwen, en nu al zijn
geld voor dat meisje uitgaf om nooit anders dan stomdronken bij zijn
vrouw thuis te komen, waar hij dan wel wat erg wild met haar
meubeltjes omging. Een ezel met het schilderij van haar moeder, dat
ze al voor haar huwelijk had, gooide hij bij een van die gelegenheden
om, alleen maar om het plezier te hebben het te hooren kraken.
Tenslotte voelde de arme tobster zich te moe om zoo verder door te
leven. Dus dronk zij een flesch azijn leeg, omdat iemand haar had
gezegd, dat het vergif is als je het achter elkaar opdrinkt. Maar ze
ging niet dood, ze werd alleen ziek, en hij kwam terug en zei, dat
hij haar dood zou ranselen als ze ooit weer den moed had zoo'n grapje
uit te halen. En hieruit maakt zij de gevolgtrekking, dat hij toch
nog wel iets voor haar moet voelen.
En dat alles dreunde ze achter elkaar op terwijl ze in haar kopje
thee roerde.
Ik dacht er over na, wat ik zou kunnen zeggen, maar werkelijk, ik kon
geen woorden vinden. Maar Sandy was bij die gelegenheid weer een echt
flink man. Hij sprak haar prachtig toe en zoo kalmeerend en stuurde
haar daarna geheel opgelucht weer naar huis. Ja, onze Sandy kan
werkelijk verbazend aardig zijn als hij dat wil, vooral tegenover
lui, die geen recht op hem hebben. Ik denk dat dat tot zijn
doktersroeping hoort en het een deel van zijn werk is om den geest
zoowel als het lichaam te genezen. De meeste lui schijnen die
weldadige geestelijke rust ook noodig te hebben. Mijn bezoekster leek
mij ook in zoo'n rustbehoevenden staat te verkeeren. Ik denk erover
na, wat ik wel zou doen als ik met iemand getrouwd was, die mij voor
zoo'n gomkauwend meisje in den steek liet en thuis kwam om alles stuk
te smijten. Naar de tooneelstukken van dezen winter te oordeelen, is
dat iets wat iedereen kan overkomen -- zelfs in de beste kringen.
Je behoort den Hemel te danken, dat je Jervis tot man hebt. Er gaat
zoo iets zekers van hem uit. Hoe langer ik leef, des te meer kom ik
tot de ontdekking, dat een goed karakter toch het eenige is wat
waarde heeft. Maar hoe ter wereld kun je achter de waarheid komen! De
mannen kunnen over het algemeen zoo handig van zich af praten!
Good-by! Prettige Kerstdagen, Jervis en twee Judies!
S. McB.
P.S. Ik zou het heel prettig vinden als je mijn brieven wat vlugger
beantwoordde.
John Grier Home.
29 December.
Lieve Judy,
Sady Kate heeft er de heele week mee zoek gebracht om een
Kerstmis-epistel aan jou op te stellen en ik heb er niets meer aan
toe te voegen. O, we hebben zoo'n heerlijken tijd hier gehad! Behalve
alle cadeaux en spelen en lekkere dingen om te eten, hebben we hier
boerendansen uitgevoerd en wedstrijden op schaatsen gehouden en
caramels gemaakt. Ik weet niet of deze vertroetelde vondelingetjes
ooit weer in normale kinderen zullen veranderen.
Hartelijk dank voor je zes cadeaux. Ik ben met alle zes erg in mijn
schik, vooral met het portretje van Judy junior; dat ééne tandje,
dat ze met zooveel trots toont, geeft bepaald iets intelligents aan
haar snuitje.
Je zult het ook wel prettig vinden, dat ik Hattie Heaphy bij een
domineesfamilie heb kunnen plaatsen. Het zijn verbazend lieve
menschen. Ze hebben zelfs niet met hun oogen geknipt toen ik hun het
verhaal van den avondmaalsbeker deed. Zij hebben het kind als
Kerstcadeau aan elkaar gegeven en ze dribbelde toch zoo gelukkig weg
aan de hand van haar nieuwen vader!
Ik zal je niets meer schrijven want vijftig kinderen zenden je nog
bedankbriefjes en de arme Tante Judy zal onder haar mail begraven
worden als de boot dezen keer aankomt.
Veel liefs aan alle Pendletons.
S. McB.
P.S. Singapore zendt veel hartelijke groeten aan Togo. Het spijt hem
dat hij je hond indertijd in zijn oor heeft gebeten.
John Grier Home,
30 December.
O, Gordon, beste jongen, ik heb toch zoo'n vreeslijk boek gelezen! Ik
probeerde laatst Fransch te spreken en daar het niet al te best van
stapel liep, begreep ik, dat ik mijn taalstudie wel eens mocht
opfrisschen als ik er niet heelemaal uit wilde raken. Onze Schotsche
dokter heeft gelukkig zijn opvoedingsplannen bij mij gestaakt, dus
heb ik nog wat vrijen tijd hiervoor. Het een of ander ongelukkig
toeval liet mij naar "Numa Roumestan" van Daudet grijpen, maar dat is
een slecht boek voor een jong meisje, dat met een staatsman verloofd
is. Lees het eens, mijn lieve Gordon, en tracht er dan vooral tegen
te waken, dat je karakter op dat van Numa gaat lijken. Het is de
geschiedenis van een staatsman, die onrustbarend betooverend is (net
als jij) en door iedereen bemind wordt, die hem slechts kent (ook
weer evenals jij). Hij heeft een zeer innemende wijze van spreken en
steekt prachtige speeches af (ook weer net als jij). Iedereen ligt
aan zijn voeten en zegt tegen zijn vrouw: "Wat moet U, die dezen
prachtmensch zoo intiem kent, toch een heerlijk leven hebben".
Maar hij was niet zoo lief als hij bij haar thuis kwam, alleen maar
wanneer hij een zaal vol toehoorders voor zich had met daverend
applaus. Met elken kennis zou hij een glas wijn drinken en vroolijk
zijn en vertrouwelijke mededeelingen doen, maar als hij daarna thuis
kwam, was hij brommerig. "Joie de rue, douleur de maison", is de
strekking van het boek.
Ik heb tot gisternacht twaalf uur aan één stuk doorgelezen en
werkelijk, het boek hield me wakker. Ik weet, dat je er boos om zult
zijn, maar heusch, lieve Gordon, er is te veel waarheid in, om mij
niet te ontroeren. Ik wilde niet meer over het ongelukkige incident
Op 20 Augustus spreken (we hebben het toen voor goed afgehandeld)
maar je weet heel goed, dat jij iemand noodig hebt, die over je
waakt, en ik vind dat geen prettige gedachte. Ik wil het gevoel
hebben dat ik absoluut veilig ben en ook gerust kan zijn bij den man,
met wien ik trouw. Ik zou nooit in een voortdurend stadium van angst
kunnen verkeeren en me ongerust moeten maken totdat je thuis kwam.
Lees "Numa" eens, en dan zal je het vrouwenstandpunt, dat ik hierbij
inneem, heel goed begrijpen. Ik ben in geen enkel opzicht geduldig of
zacht of met een kwijnende verdraagzame natuur toegerust en ik ben
een beetje bang voor wat ik doen zou, als in mijn leven iets
dergelijks zou gebeuren. Mijn hart moet absoluut kalm zijn als het
goed wil werken en o, Gordon, ik hoop zoo, dat ons huwelijk een mooi
huwelijk zal zijn.
Vergeef het me, dat ik zoo schrijf. Ik meen er niet mee dat ik
werkelijk geloof, dat je een vreugde op straat en een last in huis
zult zijn. Het komt alleen doordat ik gisternacht geen oog heb
toegedaan en me nu zoo gedrukt voel.
Laat het nieuwe jaar vreugde en geluk en heerlijke rust over ons
beiden brengen.
Je Sallie.