Lieve Judy,
Ik moet je een heele historie vertellen.
Zooals je weet, zou Woensdag de belangrijke samenkomst tusschen J. F.
Bretland en de kleine Sophie plaats vinden; dus werd die kleine om
half twee gebaad en geborsteld en in schoone kleertjes gestoken en
aan een vertrouwenswaardig vondelingetje afgeleverd met het
nadrukkelijk verzoek er voor te waken, dat het kind schoon bleef.
Precies klokslag (nog nooit heb ik iemand ontmoet, die zoo
afgrijselijk businesslike is als J. F. B.) hield er een luxueuse auto
voor het hek van ons ontzagwekkend chateau stil. Een
breedgeschouderde, stevige man met vierkanten beslisten kop en iets
over zich, dat je beweegt vooral voort te maken, stapte uit en meldde
zich drie minuten later bij mijn werkkamer aan. Hij begroette mij
kortaf als "Miss McKosh", wat hij na mijn vriendelijke verbetering in
"Miss McKim" wijzigde. Ik wees hem mijn gemakkelijksten armstoel aan
en noodigde hem uit, na de gedane reis een verfrissching te
gebruiken. Hij vroeg hierop om een glas water (ik vind het prettig
als een pleegvader matig is) en gaf daarna met zeker ongeduld te
kennen, dat hij tot de zaak wenschte over te gaan. Dus schelde ik
even en gaf order om de kleine Sophie naar beneden te brengen.
"Neen, neen, Miss McGee", stribbelde hij tegen, "ik zou haar liever
in haar eigen omgeving willen zien. Weest U zoo goed en brengt U mij
naar de speelkamer of naar de slaapkamer, waar die kleintjes zijn".
Ik bracht hem naar de speelkamer, waar dertien of veertien kleine
dreumesjes, in flanelletjes gestoken, op matrassen op den grond
rolden. Sophie, afgescheiden van de anderen, prijkte in haar
schoonsten tooi en woog zwaar op den arm van een blauwgeruit katoenen
vondelingetje, dat van het geval al meer dan genoeg had. Ze dreinsde
en zanikte om ook op den grond te mogen spelen en bood een
allesbehalve aanlokkelijker aanblik. Ik nam haar in mijn armen en
suste haar en streek haar kleertjes glad en snoot haar neusje en
vroeg haar vleiend dien heer eens in de oogen te kijken.
De heele toekomst van dat kind hing van één vriendelijk lachje af,
en ze dreinsde!
Mr. Bretland schudde haar handje op een zeer kort aangebonden wijze
en nam haar van top tot teen op alsof hij een jongen hond voor zich
had. Sophie nam niet de minste notitie van hem, maar draaide hem haar
rug toe en verborg haar snuitje in mijn hals. Hij haalde zijn
schouders op en zeide, dat hij haar wel op proef wilde nemen,
misschien voelde zijn vrouw er iets voor. Hij zelf verlangde in geen
enkel opzicht naar dat kind en wij maakte aanstalten om heen te gaan.
Maar wie denk je wel, dat ons daar tegemoet liep? Niemand anders dan
die kleine zonnige Allegra! Vlak voor hem wankelde zij, zwaaide met
haar armen als een windmolen en plofte op alle vier neer. Hij sprong
met groote handigheid op zij, om te voorkomen dat hij op haar trapte,
en pakte haar beet om haar weer op te helpen, maar dat lieve diertje
sloeg haar armpjes vast om zijn hals en keek met een heerlijk
vertrouwelijk lachje naar hem op.
"Pappie, til baby op, pappie!"
Hij is de eenige man, behalve de dokter, dien het kind sinds weken
heeft gezien en waarschijnlijk lijkt hij eenigszins op haar bijna
vergeten vader.
J. F. B. pakte haar beet en gooide haar zoo handig de lucht in alsof
dat een dagelijksch karweitje voor hem was, terwijl zij schaterde en
het uitgierde van de pret. Toen hij vervolgens te kennen gaf, dat hij
haar weer op den beganen grond wilde afzetten en haar liet zakken,
pakte ze hem bij zijn neus en bij zijn ooren en trommelde met haar
beide voetjes een krijgsmarsch op zijn buik. Niemand kan er Allegra
van beschuldigen dat zij niet genoeg spirit bezit! J. F. B. wist zich
uit haar omhelzing los te werken en zette haar op den grond neer,
haar knuistje hield hij echter stevig vast.
"Dàt is het kind, wat ik hebben moet", zei hij. "Ik geloof niet dat
het noodig is, dat ik nog verder kijk".
Ik gaf te kennen, dat wij de kleine Allegra niet van haar broertjes
konden scheiden, maar hoe meer tegenwerpingen ik maakte, des te
vaster werd de lijn om zijn mond. Wij keerden naar mijn werkkamer
terug en redeneerden daar samen een half uur lang.
Hij hield van haar familie, hij hield van haar uiterlijk, van haar
levendigheid, in één woord: hij hield van _haar_! Als hij nu
eenmaal toch een dochter moest aannemen clan zou het in elk geval
eentje met spirit moeten zijn en hij dacht er niet aan, dat andere
jankende kind aan te nemen. Dat kon niemand van hem verlangen. Maar
als ik Allegra aan hem afstond, zou hij haar als zijn eigen dochter
groot brengen en ervoor zorgen dat zij een prachtig leven tegemoet
ging. Had ik het recht om dat kind van zulk een groot voorrecht te
berooven om de een of andere sentimenteels geschiedenis? De
familieband was nu eenmaal toch verbroken, het beste wat ik doen kon
was nu om voor elk kind afzonderlijk te zorgen.
"Neemt U ze dan alle drie", stelde ik hem brutaal weg voor.
Maar dat ging onmogelijk. Zijn vrouw was erg zwak en haar krachten
waren net toereikend voor één kind maar ook niet meer. Het was erg
moeilijk om de oplossing te vinden. Het scheen zulk een prachtig
buitenkansje voor het kind, maar toch was het weer aan den anderen
kant zoo wreed om haar van haar twee broertjes, die haar aanbidden en
verwennen, weg te rukken. Ik begreep heel goed, dat Bretland, als hij
haar eenmaal wettig had aangenomen, zijn best zou doen om elken
familieband, die haar nog aan het verleden hechtte, door te snijden
en het kind is nog zoo jong dat het gauw genoeg haar broertjes zou
vergeten.
Toen dacht ik aan jou, Judy, en ik herinnerde me, dat je zoo'n
verdriet hebt gehad omdat het gesticht je niet wilde laten gaan toen
die familie je wilde aannemen. Je hebt altijd gezegd, dat jij net zoo
goed als andere kinderen een tehuis hadt kunnen hebben maar dat Miss
Lippett je daarvan heeft beroofd. Was ik nu op het punt om Allegra's
tehuis te stelen? Met die twee jongens zou het een heel ander geval
zijn, die konden een goede opvoeding krijgen en zouden later voor
zichzelf zorgen. Maar voor een meisje moet een tehuis als dit alles
beteekenen. Sedert die kleine Allegra bij ons is, heb ik steeds het
gevoel, dat zij net zoo'n klein kindje is als kleine Judy vroeger is
geweest. Zij is vlug en geestig en wij moeten ervoor zorgen, dat zij
in een omgeving komt, waar die twee deugden in het beste daglicht
komen. Zij moet kunnen genieten van het goede en schoons, dat het
leven biedt en het gesticht kan haar daartoe niet in staat stellen.
Ik peinsde en peinsde, terwijl de heer Bretland ongeduldig door de
kamer ijsbeerde.
"Laat U die twee jongens hier komen. Ik wil met hen spreken", zei J.
F. B. tenslotte. "Als er maar een greintje edelmoedigheid in hen
leeft, zullen zij blij zijn met haar goede toekomst".
Ik gaf order de twee jongens te brengen, maar met een loodzwaar hart.
De kinderen gaan nog steeds onder het gemis van hun vader gebukt. Was
het nu niet onmenschelijk om hun ook dat heerlijke kleine zusje af te
nemen?
Zij kwamen, hand in hand, stevige ferme jongens, en stonden daar voor
ons met ernstige, wijd opengesperde oogen, verwonderd afwachtend wat
die vreemde heer tegen hen zou zeggen.
"Kom eens hier, jongens, ik wil eens iets met jullie bespreken". Hij
nam elk bij een hand. "In het huis, waar ik woon, is geen klein
kindje en nu hebben mijn vrouw en ik afgesproken, dat ik hierheen zou
komen, waar zooveel babies zonder vader en moeder zijn, en er een mee
naar huis zou nemen als ons kind. Dat kind krijgt dan een prachtig
huis om in te leven en ook een heeleboel speelgoed en ze zal haar
heele leven heel gelukkig zijn, veel gelukkiger dan ze ooit hier kan
zijn. Ik weet dat jullie heel blij zult zijn als je hoort, dat ik je
kleine zusje heb uitgekozen".
"En zullen we haar dan nooit meer zien?" vroeg kleine Clifford.
"O ja, af en toe".
Clifford keek van mij naar Mijnheer Bretland en twee groote tranen
biggelden langs zijn wangen. Hij trok zijn hand weg en drukte zich
tegen mij aan.
"Geef haar niet aan hem.... Toe, doe het toch niet.... Stuur
hem weg".
"Neemt U ze toch alle drie", smeekte ik.
Maar hij is hard.
"Ik kwam hier niet om een heel gesticht mee te nemen", antwoordde hij
kortaf.
Intusschen snikte Don aan mijn andere zij en plotseling ging de deur
open en Dr. MacRae kwam midden in de ellende binnenvallen met Allegra
in zijn armen.
Ik stelde hem voor en legde hem het geval uit. Mr. Bretland strekte
zijn armen naar de baby uit maar Dr. MacRae hield haar stevig vast.
"Absoluut onmogelijk", weerde Sandy alles botweg af. "Miss McBride
zal U al gezegd hebben dat het een van de regels van het huis is, dat
hier geen gezin wordt gescheiden".
"Miss McBride heeft haar beslissing al genomen", weersprak J. F. B.
afgemeten. "Wij hebben de zaak al lang en breed besproken".
"U vergist U", antwoordde Sandy op zijn aller-Schotscht en wendde
zich tot mij. "U hebt er toch zeker nooit aan gedacht om u tot zulk
een wreedheid te leenen?"
En weer wenschte ik Salomo's wijsheid in pacht te hebben om het
vraagstuk op te lossen, terwijl de twee koppigste menschen, die er
ooit op de aarde hebben rondgewandeld, elkaar de kleine Allegra
betwistten.
Ik stuurde de drie kleintjes naar de kinderkamer en kwam weer op de
brandende kwestie terug. Wij hadden een luidruchtig en driftig
gesprek totdat tenslotte J. F. B. mijn eigen steeds weerkeerende
gedachte gedurende de laatste vijf maanden uitte, door de vraag: "Wie
is het hoofd van dit gesticht, de directrice of de toezichthoudende
geneesheer?"
Ik was woedend op Sandy, dat hij mij in zulk een parket tegenover
dien man plaatste, maar ik kon toch moeilijk met hem gaan
redetwisten; dus besloot ik Mr. B. beleefd en met veel tact aan het
verstand te brengen, dat Allegra absoluut niet in aanmerking kwam en
vroeg toen, hoe hij over Sophie dacht.
Maar daar kwam ik goed van pas! Hij dacht er niet aan dat ongelukkige
wurm aan te nemen! Allegra of geen, dat stond bij hem vast en hij
hoopte dat ik nog eens zou begrijpen, dat ik met mijn sentimenteels
nonsens de toekomst van dat kind had verknoeid. Met die
afscheidswoorden besloot hij zijn visite. "Dag Miss MacRae, Dr.
McBride", twee beleefde buigingen en weg was hij.
Toen hij de deur achter zich had gesloten, vochten Sandy en ik het
samen uit. Hij zeide dat iemand met gezond verstand en humane moderne
begrippen, die het vraagstuk Kinderopvoeding had bestudeerd, zich
moest schamen ook maar even de vraag om zoo'n familie uiteen te
rukken, te hebben overwogen. En ik beschuldigde hem er van dat hij
het kind uit puur egoïsme hier had gehouden, omdat hij dol op haar
was en haar bij zich wilde houden. (Wat volgens mij ook de waarheid
is). O, we hadden een geweldige twist met dat gevolg, dat hij met een
stijfheid en beleefdheid, welke nog die van J. F. B. overtrof, de
deur achter zich sloot.
Nog steeds weifelend, had ik het gevoel alsof met mij de proef met de
nieuwe mangelmachine had plaats gehad. En toen Betsy thuis kwam,
overlaadde zij mij nog met verwijten omdat ik de prachtigste familie,
die wij ooit hebben gehad, zonder kind naar huis liet gaan!
O Judy, Judy, wat moet ik doen! Zou je Sandy niet weg kunnen roepen
en daarvoor in de plaats een Duitscher of een Franschman of een
Chinees kunnen sturen, als je dat graag wilt? Maar alsjeblieft in
geen geval nog eens een Schot!
Je vermoeide Sallie.
P.S. Ik vermoed dat Sandy je ook vragen zal mij van hier weg te
roepen en ik zal heusch niet tegenstribbelen als je het me vraagt. Ik
ben zoo doodop!
Lieve Gordon,
Je bent een kwaaddenkend, achterdochtig en afschuwelijk man. Waarom
mag ik niet in het Schotsch schrijven als ik dat prettig vind? Ik heb
toch een "Mc" in mijn naam!
Natuurlijk zal het heele John Grier Home dol blij zijn met je komst,
niet alleen omdat je een ezel meebrengt, maar ook omdat wij het zoo
prettig vinden je weer hier te zien! Ik had het plan je een
ellenlangen brief te sturen, om je over elke toekomstige
achterdochtigheid heen te helpen, maar waarvoor zou het dienen? Je
komt hier zelf morgenochtend an' unco gude will be the sight o' you
for sain een.
Maak je nu niet weer kwaad over dat taaltje, mijn jongen. Ik stam uit
de Schotsche Hooglanden, weet je!
McBride.
[Illustratie]
Lieve Judy,
Alles gezond en wel in het John Grier -- met eenige uitzonderingen,
zooals een uitgestooten kies, een verzwikte enkel, een bloedneus en
een geval van verkoudheid.
Betsy en ik zijn beleefd maar koel tegen den dokter. Het vervelende
van het geval is, dat hij ook nogal koel tegenover ons doet en hij
schijnt onder den dwazen indruk te verkeeren, dat hij gelijk heeft
ook! Hij doet zijn zaakjes hier op een droge onpersoonlijke wijze af,
zeer beleefd maar een beetje terughoudend.
Maar dat gedrag van den dokter hindert ons op het oogenblik niet al
te erg: wij verwachten het bezoek van een veel interessanter mensch
dan Sandy! Het Capitool rust van zijn werk uit en ook Gordon geniet
van zijn vacantie, waarvan hij twee dagen in "Brantwood Inn" zal
doorbrengen. Ik ben dolblij met het nieuws dat je nu genoeg van de
zee hebt genoten en er over denkt je met onze buurt voor de rest van
den zomer tevreden te stellen. Er zijn hier op een paar mijlen
afstand van het John Grier een paar heel mooie buitenverblijven en
het zal voor Jervis een aardige verandering zijn, alleen aan het eind
van de week thuis te komen. Als je beiden de eenzaamheid op goede
wijze benut, kun je elkaar telkens met een schat van nieuwe gedachten
verblijden.
Ik kan op het oogenblik geen verdere philosophische gedachten over
het huwelijksleven ten beste geven, daar ik mijn geheugen over het
Monroe-leerstuk en een of twee andere politieke vraagstukken moet
opfrisschen.
Ik verlang dol naar Augustus en de drie maanden, die wij samen zullen
doorbrengen.
Je liefhebbende Sallie.
Vrijdag.
Beste vijand,
Het is verbazend vergevingsgezind van mij om U uit te noodigen bij
mij te dineeren, na die vulkanische uitbarsting van verleden week.
Maar kom alsjeblieft. Herinnert U U nog onzen philantropischen vriend
Mr. Hallock, die ons de apenootjes en de goudvisschen en andere
onverteerbare kleinigheden zond? Welnu, deze heer zal vanavond bij
ons zijn, zoodat er zich voor U een schoone gelegenheid biedt om zijn
goedgeefschheid in meer hygiënische banen te leiden.
Wij dineeren om zeven uur.
Vriendelijk groetend,
Sallie McBride.
Beste vijand,
U hadt in die dagen moeten leven toen elk mensch in een aparte kluis
op een aparten berg woonde.
S. McBride.
Vrijdag, 6.30.
Liefste Judy,
Gordon is hier! Een absoluut veranderd man, wat zijn houding
tegenover mijn gesticht betreft. Hij heeft de oeroude waarheid
ontdekt, dat de weg naar een moederhart via den lof over haar
kinderen gaat en hij heeft niets dan prijzende woorden voor mijn 107
kuikens -- zelfs over het geval Loretta Higgins wist hij iets aardigs
te zeggen. Hij vond het prettig, dat zij niet scheel keek!
Hij heeft vanmiddag met mij in het dorp boodschappen gedaan en was
zeer geschikt bij het uitzoeken van haarlintjes voor een paar dozijn
meisjes. Hij verzocht zelfs die voor Sadie Kate te mogen kiezen en
zijn keus viel na lang aarzelen op een oranje satijnen tintje voor
het eene staartje en een grasgroen voor het andere.
Terwijl wij vol aandacht onze lintjes bekeken, werd ik opeens een
mede-inkoopster gewaar, schijnbaar bezig met het knopen van haakjes
en oogen maar in werkelijkheid belangstellend naar onze nonsens
luisterend.
Zij was getooid met een schilderachtigen hoed, een voile met nopjes,
een veeren boa en een parasol nouveau art, zoodat ik nooit had durven
droomen, dat deze jonkvrouw een mijner kennissen kon zijn, totdat ik
haar blik met zeer kwaadaardigen gloed op mij voelde rusten. Zij boog
stijfjes en zeer afgemeten en ik knikte terug.
[Illustratie]
Wel, het was Mejuffrouw Maggie McGurk in gezelschapstoilet!
Op mijn teekening heeft zij een aardiger gezichtsuitdrukking dan
werkelijk het geval is, dank zij een slippertje van mijn pen.
Die arme Mrs. McGurk kan werkelijk niet begrijpen, hoe je je
geestelijk voor een man kunt interesseeren. Zij verdenkt er mij van,
dat ik elken vrijgezel, dien ik ontmoet, in mijn netten vangen wil.
Eerst dacht zij, dat ik den dokter van haar wilde wegkapen, maar nu
zij mij ook met Gordon heeft gezien, beschouwt zij mij als een
monster met bigamischen aanleg, dat op beide mannen aanspraak maakt.
Dag! Daar komen een paar bezoekers aan.
11.30 n.m.
Ik heb zoo juist een diner ter eere van Gordon gegeven, met Betsy en
Mevrouw Livermore en Mr. Witherspoon als gasten. Ik verzocht ook den
dokter om mee tegenwoordig te zijn, maar hij bedankte kortaf voor die
eer, daar hij volgens zijn eigen meening niet in een stemming
verkeerde om met andere menschen in contact te komen. Onze Sandy
stelt de waarheid boven beleefdheid.
Ongetwijfeld is Gordon de respectabelste man, die ooit op de aarde
heeft rondgewandeld. Hij ziet er zoo deftig uit en is zoo aardig en
hoffelijk in den omgang en daarbij zoo geestig. Zijn manieren zijn
zoo onberispelijk -- o, hij zal een pracht-echtgenoot zijn! Maar
niettemin geloof ik toch, dat je met een man moet leven en hem niet
alleen op teas en diners kunt tentoonstellen.
Hij was vanavond buitengewoon aardig, en Betsy en Mevrouw Livermore
werden beiden verliefd op hem en ik ook een klein beetje. Hij
vermaakte ons met een speech, op zeer goede wijze en wel afgestoken,
op het welzijn van Java! Wij hebben langen tijd nagedacht over de
vraag, waar de beste slaapplaats voor dezen aap kon zijn en nu heeft
Gordon met zeer juiste logica het probleem opgelost. Hij bewees, dat,
aangezien de aap hier was gebracht door Jimmie en aangezien Jimmie
Percy's vriend is, hij bij niemand anders dan Percy moet slapen.
Gordon is van nature een zeer goed spreker en zijn toehoorders werken
op hem als champagne. Hij kan met evenveel ernst en overtuiging over
een aap redeneeren als over den grootsten held, die voor het
vaderland zijn goed en bloed over had.
Ik voelde tranen in mijn oogen opwellen toen hij Java's eenzaamheid
beschreef, toen hij er aan herinnerde, hoe deze aap 's nachts in zijn
kelder op en neer liep, droefgeestig terugdenkend aan zijn broeders,
die op datzelfde uur in tropische gewesten een rondedans uitvoerden.
Een man, die zoo spreekt, heeft een groote toekomst. Ik twijfel er
ook niet aan of ik zal binnen twintig jaar op hem voor President
stemmen.
Wij hadden een verbazend gezelligen avond, zoodat wij zelfs drie uur
lang vergaten dat er 107 vondelingetjes boven ons hoofd sluimerden.
Hoewel ik heel veel van onze kinderen houd, ben ik toch blij als ik
eens een tijdje aan iets anders kan denken.
Mijn gasten verlieten mij om tien uur en het is nu al middernacht
(dit is de achtste dag en mijn klok staat stil -- Jane vergeet wel
eens dat zij die elken Vrijdag moet opwinden). Toch weet ik dat het
laat is en daar ik er zorg voor moet dragen, dat mijn schoonheid niet
door te korte nachtrust geschonden wordt, vooral nu er een
welsprekend jong minnaar mij wacht, wensch ik je goedennacht.
Zaterdag.
Gordon bracht zijn morgen door met spelen met de kinderen en het
bedenken van een paar practische geschenken, welke hij mij later wil
sturen. Hij meent dat drie welvoorziene aquariums de attractie van
het Indianenkamp zullen verhoogen. Hij wil ons ook twee dozijn poppen
voor de kleintjes sturen; onze edelmoedige vriend nam zelfs het
denkbeeld van een paar gezadelde ezels en een rood geschilderd
karretje in overweging. Is het niet heerlijk dat Gordon's vader er
voor gezorgd heeft, dat deze jonge man zulke ruime geldmiddelen heeft
en dat de natuur hem zoo'n menschlievend karakter meegaf? Hij luncht
op het oogenblik met Percy in het hotel en zint, naar ik vermoed, op
nieuwe philantropische denkbeelden.
Misschien twijfel je er aan of ik van deze afwisseling in het
eentonig gestichtsleven wel geprofiteerd heb! Je kunt zeggen wat je
wilt, mijn lieve Mevrouw Pendleton, en mij complimentjes maken over
het goede bestuur van je gesticht, maar toch kun je niet begrijpen
hoe zwaar deze eentonigheid soms op mij drukt. Ik moet af en toe een
afleiding hebben en daarom heeft Gordon met zijn jongensachtigen
geest en zijn heerlijk optimisme, in tegenstelling met den dokter,
zoo'n weldadigen invloed op mij.
Zondagmorgen.
Ik moet je nog het eind van Gordon's bezoek berichten. Zijn plan was
eigenlijk om hier tot vier uur te blijven, maar op een onzalig
oogenblik verzocht ik hem hier tot half tien te blijven en
gistermiddag hebben wij een groote wandeling gemaakt, totdat wij de
torens van dit gesticht niet meer konden zien en toen hebben wij bij
een aardig hotelletje gestopt, waar wij ham met eieren en sla hebben
gegeten. Alles was even heerlijk en een goddelijke afwisseling te
midden van het eentonige gestichtsleven, dat ik hier leid. Ik zou nog
weken lang tevreden en gelukkig zijn gebleven als er niet iets heel
vervelends was gebeurd. Wij hadden zoo'n prachtigen zonnigere
zorgeloozen zomermiddag en ik vind het zoo doodjammer dat die nu
bedorven is. Wij kwamen, zeer onromantisch op een groentekar gezeten,
net tegen negen uur bij het John Grier aan, dus had hij nog net den
tijd om naar het station te rennen en daar zijn trein te pakken. Ik
kreeg hem daarom ook niet, binnen te komen, maar wenschte hem heel
vriendelijk een goede reis bij den ingang van ons hek.
Aan den zijkant voor het huis stond een auto. Ik herkende die wel en
vermoedde, dat de dokter en Percy, zooals vaak voorkomt, den avond in
het laboratorium gemeenschappelijk doorbrachten. Welnu, op het
oogenblik dat Gordon afscheid nam, kwam hij op de rampzalige gedachte
om mij te verzoeken de leiding van het gesticht aan een ander over te
doen en daarvoor in de plaats mijn eigen huishouding te bestieren.
Heb je ooit zoo iets gezien! Nu had hij dien heelen middag uren lang
over deze kwestie kunnen redeneeren en inplaats daarvan kiest hij het
oogenblik op de vloermat daarvoor uit!
Ik wist niet wat ik zeggen moest. Ik trachtte de zaak vroolijk af te
wimpelen en raadde hem aan voort te maken om den trein nog te pakken.
Maar daar ging hij niet op in. Hij leunde tegen den deurpost aan en
stond er op, er nu over te spreken. Ik wist dat hij op die wijze den
trein zou missen en dat alle ramen in het gesticht open stonden. Een
man denkt er nooit aan dat er in de buurt luistervinken kunnen zijn,
daarop schijnt een vrouw alleen te letten.
En omdat ik nogal zenuwachtig was en hem nog op tijd weg wilde
hebben, was ik zeker nogal kort aangebonden en tactloos. Hij begon
zich boos te maken en toen viel, door het een of ander ongelukkig
toeval, zijn oog op de auto. Hij herkende die eveneens en daar hij in
een woest onredelijke bui was, maakte hij den dokter daarvan het
slachtoffer. Hij noemde hem "dien kalfskop" en "dien droogstoppel" en
hij zei nog veel meer akelige dingen.
Ik verzekerde hem net in vollen ernst, dat ik niets om den dokter gaf
en dat ik hem net zoo gek en onmogelijk vond als hij, toen de dokter
plotseling uit zijn auto stapte en op ons toekwam.
Ik wenschte op dat oogenblik dat de aarde me kon verzwelgen.
Sandy was erg boos, waarmee hij ook groot gelijk had, maar tevens was
hij koel en gereserveerd. Gordon was woedend en voelde zich miskend
door al het onrecht, dat in zijn verbeelding hem werd aangedaan. Ik
was heelemaal in de war door die vreeselijke en noodelooze herrie,
die daar zoo plotseling om niets was ontstaan.
Sandy vroeg heel beleefd excuus dat hij, zonder het te willen, een
deel van ons gesprek had opgevangen en wendde zich toen tot Gordon,
dien hij zeer beleefd uitnoodigde in zijn auto plaats te nemen om hem
naar het station te rijden.
Ik verzocht Gordon dit niet te doen, want ik wilde geen aanleiding
tot den een of anderen twist tusschen die twee mannen zijn, maar
zonder in het minst notitie van mij te nemen, stapten zij in en reden
weg, terwijl zij mij onbewegelijk op de vloermat achterlieten.
Ik ging naar binnen en naar bed, waarin ik uren lang wakker lag,
wachtende -- op ik weet zelf niet wat, misschien de een of andere
explosie. Het is nu elf uur en nog is de dokter niet verschenen. Ik
weet werkelijk niet hoe ik me houden moet als ik hem tegenkom. Ik
geloof dat ik dan in de kleerenkast zal kruipen.
Heb je ooit iets idioots en absoluut onnoodigs gehoord als deze
historie? Ik vermoed dat ik nu met Gordon gekibbeld heb en heusch, ik
weet niet waarom, en mijn verhouding tot den dokter lijkt nu
heelemaal op niets! Je kent de vreemde wijze, waarop ik over iemand
soms kan spreken. Ik wou, dat het gisteren om dezen tijd was. Dan zou
ik er wel voor zorgen dat Gordon met den trein van vier uur vertrok!
Sallie.
Zondagmiddag.
Waarde Dr. MacRae,
Dat was gistermiddag een allerafschuwelijkste domme idiote
geschiedenis! Maar in den tijd dat ik hier ben, hebt U mij genoeg
moeten leeren kennen om te weten, dat ik de gekke dingen, die ik zeg,
nooit meen. Mijn tong staat niet het minst in verband met mijn
hersens. Die slaat zoo vanzelf door! Ik moet U erg ondankbaar
voorkomen na alle hulp, die U mij hebt geschonken bij dit ongewone
werk en voor het geduld, dat U (soms tenminste) hebt getoond.
Ik erken eerlijk dat ik de leiding van dit gesticht nooit op mij had
moeten nemen, indien Uwe geachte tegenwoordigheid niet steeds op den
achtergrond was verrezen en ofschoon U weleens -- wat U ook bekend
zal zijn -- nogal ongeduldig en slecht gehumeurd en lastig bent
geweest, heb ik U dit toch nooit verweten. Werkelijk, ik meen niets
van al de slechtgemanierde dingen, die ik gisteren ten beste heb
gegeven. Vergeef me asjeblieft, dat ik zoo ruw uitviel. Ik zou het
heel naar vinden om Uw vriendschap te verliezen en wij zijn toch
vrienden, is het niet?
S. McB.
Lieve Judy,
Ik weet werkelijk niet, of de dokter en ik weer goede vrienden zijn,
ja of neen; ik zond hem een beleefd briefje om hem excuus te vragen,
waarop hij totaal niets van zich liet hooren. Hij kwam ons eerst
vanmiddag weer opzoeken en liet niet in het minst iets blijken, wat
aan dien rampzaligen Zaterdag herinnerde. Hij sprak uitsluitend over
een zalf, waarmede de exceem van een van onze babies verwijderd moet
worden en daar Sadie Kate aanwezig was, ging de conversatie daarna
over katjes. De kat van den dokter heeft pas gejongd en nu heeft
Sadie Kate geen rust voordat zij die diertjes heeft gezien. Voordat
ik wist wat er gebeurde, had ik al afgesproken om met haar die
ellendige katjes morgenmiddag om vier uur te komen bekijken, waarna
de dokter met een koel-beleefde buiging afscheid nam. Dat schijnt nu
de afloop van die geschiedenis.
Je Zondagbriefje kreeg ik ook al en ik ben dolblij, dat je dat huis
hebt genomen. Het zal heerlijk zijn om je zoo lang tot buur te hebben
en onze verbeteringen moeten wel met snel tempo voorwaarts gaan, als
we jou en den president zoo naast de deur hebben wonen. Maar het
lijkt mij toe, dat je hier al voor 7 Augustus moet komen. Weet je wel
zeker, dat je nog zoo lang goed tegen de stadslucht kunt, dat je tot
dien datum wacht met naar buiten gaan? Ik heb nog nooit zoo'n
opofferende echtgenoote gezien.
Mijn hartelijken groeten aan Mijnheer den President.
S. McB.