’t Was op den middag van den tweeden Pinksterdag. Ingrid liep langs den
grooten weg. Ze was op een open gedeelte: kleine, lage heuveltjes en
eilandjes met beukenboschjes tusschen, en soms midden in de akkers. De
lijsterbes en meidoorn bloeiden, lichte harsachtige blaadjes zaten aan
de espen, de slooten langs den weg waren vol helder, kabbelend water,
dat de zuivergewasschen steentjes op den bodem deed glinsteren en
blinken.
Ingrid treurde over hem, die op nieuw krankzinnig was geworden en dacht
er over of ze iets voor hem zou kunnen doen, of ’t wat baten zou, dat
ze op deze manier van huis gegaan was.
Ze had honger en was moe. Haar schoenen begonnen al stuk te gaan. Ze
dacht er over of ’t niet ’t beste was om te keeren. Ze zou er toch
nooit komen.
Ze werd hoe langer hoe bedroefder, terwijl ze daar liep. Ze kon niet
laten telkens te denken, dat ’t nu niet veel helpen zou dat ze kwam, nu
hij heelemaal krankzinnig geworden was. ’t Was nu zeker te laat, er was
geen hoop meer iets voor hem te kunnen doen.
Maar zoo vaak ze er aan dacht om te keeren, zag ze Hede’s gezicht vlak
naast zich, zooals ze ’t zoo dikwijls te voren gezien had. Dan kreeg ze
weer hoop, meende, dat hij haar riep en voelde een vast, vertroostend
geloof, dat ze hem toch wel genezen zou.
Juist toen Ingrid het hoofd ophief en er een beetje minder bedroefd
uitzag, kwam zij een zonderling gezelschap tegen.
Daar kwam een klein paardje aan, dat een karretje trok. En op dat
karretje zat een dikke vrouw en daarnaast liep een magere, afgesloofde
man met lange knevels.
Hier in deze landstreek, waar niemand verstand van kunst had, deden
Mijnheer en Mevrouw Blomgren altijd hun best er uit te zien als
eenvoudige burgerlieden.
Het karretje, waar ze in rondreden was goed overdekt; niemand kon
vermoeden, dat het niet anders bevatte dan vuurwerk, goocheltoestellen
en marionetten.
Niemand kon weten, dat het dikke, oude vrouwtje, dat boven op de lading
zat en er uitzag als een weldoorvoed burgerjuffrouwtje, vroeger Miss
Viola geweest was, die door de lucht vliegen kon en dat de lange man,
die zooveel op een gepensionneerd militair leek, dezelfde Mijnheer
Blomgren was, die nu en dan de eentonigheid van ’t loopen eens
afwisselde met een salto mortale over een paard, of zich vermaakte met
buikspreken tegen lijsters en sijsjes, die in de boomen aan den weg
zongen, zoodat ze er heelemaal van in de war raakten.
’t Paard was een heel klein diertje, dat vroeger in een draaimolen
geloopen had en daarom in ’t geheel niet loopen wou als het geen muziek
hoorde. En daarom zat Mevrouw Blomgren meestal op de mondharmonica te
spelen, maar zoodra ze iemand tegenkwamen, stopte ze ’t instrument in
haar zak, opdat men niet begrijpen zou, dat ze kunstenaars waren; want
in deze streken had men voor de kunst niet het minste respect. Op die
manier kwamen ze niet zoo heel gauw voort; maar ze hadden ook geen
haast.
De blinde vioolspeler moest een eindje achter hen aankomen, opdat hij
niet verraden zou, dat hij bij ’t gezelschap hoorde. Hij had een hond
als geleider, want het was hem verboden zich door een kind te laten
leiden. Dat zou Mijnheer en Mevrouw Blomgren aanhoudend aan een klein
meisje herinnerd hebben, dat Ingrid heette en dat zou al te treurig
geweest zijn.
En nu waren ze allen samen ’t land ingetrokken om de lente te genieten.
Want hoeveel ze ook in de steden konden verdienen, in dezen tijd van ’t
jaar moesten Mijnheer en Mevrouw Blomgren buiten zijn. Want ze waren nu
eenmaal kunstenaars.
Zij herkenden Ingrid niet en zij ging ze eerst zonder groeten voorbij,
want ze had haast en vreesde opgehouden te zullen worden. Maar ze vond
toch al gauw, dat dit leelijk en onhartelijk was en keerde terug.
Als Ingrid blijdschap had kunnen voelen, zou ze blij geworden zijn bij
’t zien van de vreugde van die oude menschen over deze ontmoeting. En
zij hielden een lang gesprek in ’t allerergste koeterwaalsch. ’t Kleine
paardje wendde telkens den kop om, alsof het zien wilde of de
draaimolen niet stuk gegaan was.
En wonderlijk genoeg, ’t was Ingrid, die ’t meest aan het woord was. De
oude lieden zagen al gauw, dat ze had loopen schreien en daarover
werden ze zóó bezorgd, dat ze haar heele geschiedenis en al haar
avonturen moest vertellen.
Maar ’t was een troost voor Ingrid, dat alles te zeggen, want de oudjes
hadden een eigenaardige manier van de dingen op te nemen. Zij klapten
in de handen, toen ze vertelde hoe ze uit het graf gekomen was en de
dominésvrouw verschrikt had.
Zij liefkoosden haar, en ze prezen haar, omdat ze uit de pastorie was
heengegaan. Niets vonden ze droevig en drukkend, alles zagen ze even
lustig en hoopvol in.
Ze hadden geen maatstaf voor de werkelijkheid, daarom raakte de
strengheid van ’t leven hen niet. Alles wat ze hoorden, vergeleken ze
bij hun poppentheater en pantomimen. Wat verdriet en ellende kwam ook
wel in de pantomimen voor, maar dat was maar om ’t effect te verhoogen,
en alles eindigde goed in de pantomimen.
Er was iets aanstekelijks in dat optimisme. Ingrid wist, dat ze in ’t
geheel niet begrepen hoe ongelukkig ze was, maar toch deed het haar
goed hen te hooren spreken.
Maar ze hielpen haar ook met daden. Zij vertelden haar, hoe ze voor een
paar uur het middagmaal in de herberg te Torsåker gebruikt hadden en
juist, toen ze van tafel opstonden, waren er eenige boeren komen
aanrijden met een krankzinnige. Mevrouw Blomgren kon geen krankzinnigen
zien en had daarom dadelijk weg gewild en Mijnheer Blomgren had
toegegeven. Maar stel je nu eens voor dat het Ingrids vriend geweest
was. En zoodra ze dit vertelden zei Ingrid, dat het best mogelijk was
en wilde afscheid nemen.
Maar toen vroeg Mijnheer Blomgren heel plechtig aan zijn echtgenoote:
of ze niet enkel en alleen om de lente buiten gekomen waren en of het
niet volkomen hetzelfde was, waar ze reden. En de oude Mevrouw Blomgren
vroeg even pathetisch op haar beurt of hij meenen kon, dat ze haar
geliefde Ingrid aan haar lot zou overlaten, eer ze de haven van haar
geluk bereikt had.
Toen keerde het rijtuig om en ’t gesprek werd moeilijk, doordat de
mondharmonica zich voortdurend moest laten hooren. Zoodra Mevrouw
Blomgren wat zeggen wilde, gaf ze het instrument aan Mijnheer Blomgren
en als deze spreken wou, gaf hij het aan zijn vrouw terug. En ’t
paardje stond telkens stil, zoodra de harmonica van mond tot mond ging.
En aldoor hadden ze Ingrid iets vertroostends te zeggen. Ze vertelden
haar alles wat ze ooit in een marionettenspel hadden gezien. Ze
troostten haar met Sneeuwwitje en met Asschepoester; ze troostten haar
met alle mogelijke dingen.
Mijnheer en Mevrouw Blomgren keken Ingrid aan toen ze zagen, dat er wat
meer licht in haar oogen kwam. „Kunstenaarsoogen” zeiden ze en knikten
elkander vergenoegd toe. „Hebben we ’t niet altijd gezegd?
Kunstenaarsoogen!”—
Op een of andere onnaspeurlijke wijze hadden ze uitgemaakt, dat Ingrid
nu een van de hunnen geworden was, een lid van de kunstenaarswereld.
Zij vonden, dat ze meespeelde in een drama. Dat was een triumf voor hen
op hun ouden dag.
Zij reden voort zoo vlug ze konden. De oude menschen waren maar bang,
dat Ingrids vriend niet meer in de herberg zou zijn.
Maar hij was er nog en ’t ergste was, dat niemand wist, hoe ze hem daar
weg zouden krijgen.
De beide boeren uit Roglanda, die hem hier gebracht hadden, hadden hem
in een van de kamers gebracht en hem daar opgesloten terwijl ze op het
paard wachtten. Toen ze hem daar achterlieten, waren hem de handen op
den rug gebonden. Hoe hij ’t gedaan gekregen had, wist men niet, maar
het was hem gelukt de handen los te wringen en toen ze hem kwamen
halen, stond hij daar geheel los en had in razernij een stoel gegrepen
om hen te slaan. Ze hadden nog juist de deur uit kunnen komen en die
weer in ’t slot gegooid. Nu liepen de boeren te wachten tot de waard en
zijn knechts kwamen, zoodat ze hem met elkaar opnieuw konden binden.
Alle hoop, door de oude vriendin bij Ingrid gewekt, werd toch niet
gedoofd. Ze begreep, dat Hede erger dan ooit was, maar ze had niet
anders verwacht. Toch hoopte ze nog. ’t Was niet door ’t praten van de
oudjes, ’t was door haar groote liefde, dat ze weer moed kreeg.
Ze verzocht, dat men haar bij Hede zou binnen laten. Ze zeide, dat ze
hem kende en dat hij haar geen kwaad zou doen. Maar de boeren
antwoordden dat zij niet gek waren. Die man daarbinnen zou ieder
doodslaan, die bij hem kwam en zich niet verdedigen kon.
Ingrid zat een langen tijd zwijgend na te denken. Ze dacht er aan hoe
wonderlijk het was, dat ze juist dien dag Mijnheer en Mevrouw Blomgren
moest ontmoeten. Dat moest toch met een bedoeling gebeurd zijn. Ze
zouden zeker niet op haar weg geleid zijn als daar niet een bedoeling
bij was.
En Ingrid begon er over te denken, op welke manier Hede de eerste keer
beter was geworden. Zou ze ook nu hem niet kunnen bewegen iets te doen,
wat hem aan iets van vroeger zou kunnen doen denken en hem van zijn
waanzinnige gedachten afbrengen. Ze peinsde en peinsde!—
Mijnheer en Mevrouw Blomgren zaten op een bank voor de herberg en zagen
er bedroefder uit dan iemand denken zou dat mogelijk was. Ze waren op
’t punt van te schreien.
Daar kwam ze aan, Ingrid, hun kind, en lachte hen toe, zooals zij
alleen kon en streelde hun de oude rimpelige wangen en verzocht hen
haar het groote genoegen te geven nog eens een voorstelling te mogen
zien, zooals ze vroeger dagelijks bijwoonde. Dat zou zulk een groote
troost voor haar zijn.
Ja, eerst weigerden ze het, want ze waren juist niet in de
kunstenaarsstemming, maar toen ze daar voor hen bleef staan met dien
innemenden glimlach, konden ze haar niet weerstaan. Ze gingen naar den
wagen en haalden er hun tricotpakjes uit.
Toen ze klaar waren en de blinde geroepen was, koos Ingrid de plaats
van de voorstelling uit. Ze wilde niet, dat ze op de plaats zouden
spelen voor ’t huis, maar bracht hen in den tuin bij ’t huis. Wel waren
er nog meest kale bedden, waar nog niets opgekomen was, maar hier en
daar stond een bloeiende appelboom.
Een paar jongens en meisjes kwamen aanloopen toen ze de viool hoorden,
dus er was ook een beetje publiek. Maar toch hadden Mijnheer en Mevrouw
Blomgren geen lust om op te treden. Ingrid verlangde te veel van hen.
Zij waren al te bedroefd.
En ’t was ook ongelukkig, dat Ingrid hen juist aan den tuinkant bracht.
Want daar zag de kamer op uit, waar de krankzinnige opgesloten zat.
Daar had ze zeker niet aan gedacht. Mevrouw Blomgren was op ’t punt om
weg te loopen, toen ze in een van de kamers het venster heftig hoorde
openrukken. Stel je nu eens voor, dat de krankzinnige de muziek gehoord
had en uit ’t venster naar beneden sprong.
Maar Mevrouw Blomgren werd weer kalm toen ze zag wie daar aan ’t
venster stond.
’t Was een jonge man met een gunstig uiterlijk. Hij was in hemdsmouwen,
maar overigens behoorlijk gekleed. Zijn oogen stonden rustig, hij
glimlachte en streek met de hand de haren boven ’t voorhoofd op.
Mijnheer Blomgren werkte door en was zoo verdiept in de voorstelling,
dat hij niets merkte. Maar Mevrouw Blomgren, die niets te doen had, dan
kushanden geven, had tijd om op alles te letten.
Was het niet vreemd, zooals Ingrid plotseling was opgeklaard? Haar
oogen straalden als nooit te voren en haar gezichtje werd zóó wit, dat
het bijna licht gaf. En al dien stralenden glans wendde ze naar den
jongen man voor ’t venster daarboven.
Hij bedacht zich niet lang, hij klom op de vensterbank en sprong naar
beneden. En hij kwam op den blinde toe en vroeg hem zijn viool te leen.
En Ingrid nam dadelijk den blinde de viool af en reikte die aan den
vreemde: „Nu moet u de wals uit de Freischütz spelen,” zei ze.
Toen begon de vreemde te spelen en Ingrid glimlachte, maar zag er
tegelijkertijd zóó bovenaardsch uit, dat Mevrouw Blomgren bang was, dat
ze zich in een zonnestraal oplossen en wegvliegen zou.
Maar zoodra Mevrouw Blomgren den vreemde hoorde spelen, herkende ze
hem.
„Och zoo!” zei ze in zichzelf. „Och zoo! Dus hij is het toch. Juist
daarom wilde ze ons arme menschen zien optreden.”
Gunnar Hede, die op zijn kamer heen en weer geloopen en zoo kwaadaardig
was, dat hij iemand dood wilde slaan, had zoodoende de blinde buiten
zijn venster hooren spelen. En dat had hem weer een tooneeltje uit zijn
vroeger leven voor den geest gebracht.
Hij verwonderde er zich over, waar toch zijn eigen viool wezen kon, en
hij herinnerde zich, dat Alin die meegenomen had; en nu bleef hem niet
anders over dan de viool van den blinde te leen te vragen en zich weer
kalm te spelen. Het kwam niet in zijn gedachten op, dat hij dit niet
zou kunnen. Hij vermoedde niet, dat hij vele jaren lang niet meer dan
een kleine melodie gespeeld had.
Hij was geheel in den waan, dat hij in Upsala was in ’t huis van den
wilden wingerd. En hij verwachtte, dat de kunstemakers zouden gaan
dansen, evenals de vorige keer.
Hede speelde levendiger om hen daartoe te brengen; maar zijn vingers
waren stijf en stroef en de strijkstok was niet gewillig in zijn hand.
Hij spande zich zóó in, dat de zweetdroppels op zijn voorhoofd kwamen.
Eindelijk herinnerde hij zich toch het rechte liedje, waarbij de
acrobaten de vorige keer gedanst hadden. Hij speelde het zoo lokkend en
verleidelijk, dat ’t bijna onweerstaanbaar was.
Maar de oude lieden dansten niet. ’t Was lang geleden sinds ze Hede in
Upsala ontmoetten. Ze herinnerden zich niet hoe sterk toen de bekoring
van die melodie geweest was, en ze vermoedden in de verste verte niet,
wat hij van hen verwachtte.
Hede zag Ingrid aan om van haar te weten te komen, waarom het
kunstenaarspaar niet danste. Op ’t zelfde oogenblik, dat hij haar oogen
zag, zoo bovenaardsch stralend, als ze toen waren, werd hij zóó
verbaasd, dat hij met spelen ophield.
Hij stond een oogenblik stil en keek rond in den kring. ’t Waren
wonderlijke, onrustige gezichten, die hem aanzagen.
’t Was hem niet mogelijk te spelen, terwijl de menschen hem zoo
aankeken. Hij ging eenvoudig heen. Hij zag een groep bloeiende
appelboomen heel achter in den tuin. Daar ging hij naar toe.
Hij zag wel, dat niets overeenstemde met de voorstelling, die hij zoo
pas had, dat Alin hem opgesloten had en dat hij in Upsala was. De tuin
was te groot en ’t huis niet met roode wingerd begroeid. Neen, dit kon
Upsala niet zijn. Maar ’t kon hem niet veel schelen, waar hij was. Hij
had een gevoel, alsof hij in eeuwen niet gespeeld had en nu had hij
eindelijk weer een viool in handen. Nu zou hij genieten. Hij legde de
viool onder de kin en begon. Maar weer hinderde hem de stijfheid van
zijn vingers. Hij kon alleen de allereenvoudigste melodieën spelen.
„Ik moet werkelijk weer van voren af aan beginnen,” zei hij. En
glimlachend begon hij een menuet te spelen. ’t Was ’t eerste wat hij
geleerd had. Zijn vader had het hem voorgespeeld en hij had ’t op
gehoor nagedaan. Plotseling zag hij het heele tooneeltje weer voor
zich. En hij hoorde de woorden: „’t jonge prinsje wou gaan dansen, maar
hij brak zijn kleinen voet.”
Hij probeerde toen verscheidene dansjes. Die had hij gespeeld als
schooljongen. Hij was uitgenoodigd op de meisjeskostschool te komen en
daar op de dansles te spelen. Hij zag de meisjes springen en draaien en
hoorde de dansonderwijzeres met den voet de maat slaan.
Hij begon moediger te worden.
Hij speelde de eerste stem van een vioolkwartet van Mozart. Toen hij
die instudeerde was hij gymnasiast in Falun. Eenige oude heeren hadden
dat kwartet willen spelen op een concert. Maar de eerste viool was ziek
geworden en hij moest de partij overnemen, hoe jong hij ook was. Hij
was daar niet weinig trots op geweest.
Gunnar Hede dacht eigenlijk aan niets anders, dan om zijn vingers wat
in orde te krijgen, toen hij die kinderoefeningen weer speelde; maar
spoedig merkte hij, dat er iets wonderlijks met hem gebeurde.
Hij voelde duidelijk, dat zich in zijn hersens groote donkere plekken
bevonden, die het verleden voor hem verborgen. Zoodra hij zich iets
trachtte te herinneren, was het alsof hij in een donkere kamer naar
iets zoeken moest. Maar toen hij speelde begon het donker op te
trekken. Zonder dat hij er aan gedacht had, was de duisternis zoover
geweken, dat hij zich zijn kinderjaren en schooltijd weer herinnerde.
Nu besloot hij zich door de viool te laten leiden; misschien kon die
het donker daar binnen geheel verdrijven.
En dat was zoo. Met elke melodie, die hij speelde ging het wat verder
weg. De viool leidde hem voort, van jaar tot jaar, wekte herinneringen
van studiejaren, van vrienden, van genot. ’t Donker stond dicht voor
hem; maar toen hij het te gemoet ging met de viool gewapend, week het
stap voor stap. Nu en dan zag hij om, alsof hij zien wou of ’t zich ook
weer achter hem sloot. Maar ’t was helder dag om hem heen.
De viool begon een reeks duetten, voor piano en viool. Hij speelde maar
een paar maten van elk. Toen week de duisternis een heel eind
achteruit. En hij herinnerde zich zijn meisje en zijn engagement.
Hij had hier wel wat bij stil willen staan, maar er was nog zooveel
donker weg te spelen. Hij had geen tijd.
Hij begon aan een psalm. Dien had hij eens gehoord toen hij bedroefd
was. Hij herinnerde zich, dat hij in een dorpskerk gezeten had, toen
hij dien hoorde. Maar waarom was hij bedroefd geweest? Omdat hij als
een arme koopman, door ’t land ging met waren. Dat was een hard leven.
Dat was treurig om aan te denken.
Als een wervelwind ging de strijkstok over de snaren en weer verdween
een groot stuk duisternis. Nu zag hij het groote bosch, de onder de
sneeuw begraven dieren, de wonderlijke figuren, die de sneeuw over hen
heen trok. Hij herinnerde zich de reis naar zijn meisje, en hoe ze hun
engagement verbroken had. Dat alles werd hem plotseling helder.
Hij voelde juist geen bitter leed of groote blijdschap bij een van deze
herinneringen. Het voornaamste was voor hem, dat hij zich iets
herinnerde. Dat op zich zelf was al een oneindig genot.
Maar hierna hield de strijkstok van zelf op en wilde hem niet verder
brengen. En toch was er meer, nog veel meer, dat hij zich herinneren
moest. Nog stond de duisternis als een vaste muur voor hem.
Hij dwong den strijkstok voort te gaan. Maar die speelde niet meer dan
twee onbeduidende liedjes, de armzaligste die hij ooit gehoord had. Hoe
had zijn strijkstok die ooit kunnen leeren?—
’t Duister week niet voor die liedjes. Zij leerden hem eigenlijk niets.
Maar ze wekten een angst, zooals hij nooit te voren gevoeld had. Een
waanzinnige, vreeselijke schrik, die van de ziel—de ontzetting der
gevallen engelen.
Hij hield met spelen op, hij kon ’t niet uithouden. Wat was dat? Wat
was er in die liedjes?—
’t Duister week in ’t geheel niet; maar het griezeligste was, dat
zoodra hij niet met de viool het donker tegemoet ging en ’t voor zich
uitdreef, het op hem toe kwam rollen en dreigde hem weer geheel te
omsluiten.
Hij had met half gesloten oogen staan spelen. Nu zag hij op en keek
rond in de werkelijke wereld. Toen kreeg hij Ingrid in ’t oog, die al
dien tijd naar hem had staan luisteren. En hij vroeg haar, eigenlijk
niet om antwoord te krijgen, maar alleen om ’t duister nog een
oogenblik weg te kunnen houden:
„Wanneer speelde ik dit het laatst?”
Maar Ingrid beefde. Ze had haar besluit genomen. Hoe het ook ging, hij
zou nu de waarheid hooren. Hoe ’t ook ging, zij zou hem die zeggen. En
bang was ze, maar toch moedig en vastbesloten. Nu zou hij haar niet
meer ontgaan, niet meer van haar wegglijden.
Maar dadelijk durfde ze Hede niet ronduit te zeggen, dat dit de
melodieën waren, die hij gewoonlijk speelde toen hij krankzinnig was.
Ze ontweek de vraag.
„Die speelde je van den winter thuis op de Monnikshut,” antwoordde ze.
Er was allerlei geheimzinnigs om Hede heen.
Waarom zei dat meisje „je” tegen hem? Zij was geen kind uit het volk,
ze droeg het haar als een dame: hoog opgestoken en met kleine krullen.
Haar kleedje was thuis geweven, maar ze had een fijne kanten fichu om
den hals. Haar tint was blank en ze had kleine handen. Dat fijne
gezichtje, met de groote droomende oogen, was niet dat van een
boerenmeisje. Hede’s herinneringen zeiden hem niets van haar. Waarom
zei ze „je” tegen hem? Hoe wist ze, dat hij dit thuis speelde?
„Hoe heet je?” zei hij. „Wie ben je?”
„Ik ben Ingrid, die je lang geleden in Upsala gezien hebt, en die je
troostte omdat ze niet op het koord kon leeren dansen.”
Dat was zoolang geleden; dáár was ’t al licht geworden voor Hede. Hij
herinnerde zich haar wel.
„Wat ben je groot en mooi geworden, Ingrid,” zei hij. „En wat zie je er
netjes uit. Wat heb je daar een prachtige broche aan.”
Hij had lang naar die broche gekeken. Hij meende die te herkennen. Zij
leek zooveel op een broche van email en paarlen van zijn moeder. ’t
Meisje antwoordde ook: „Die heb ik van je moeder gekregen. Je hebt ze
zeker wel vroeger gezien.”
Nu legde Gunnar Hede de viool neer en kwam op Ingrid toe, hij vroeg
heftig:
„Hoe is dat mogelijk, dat je haar broche draagt? Waarom weet ik niet,
dat je mijn moeder kent?”
Ingrid schrikte. Ze werd doodsbleek. Ze wist nu al wat de volgende
vraag zou zijn.
„Ik weet niets, Ingrid. Ik weet niet waarom ik hier ben. Ik weet niet
waarom jij hier bent. Waarom weet ik dat niet?”
„Ach neen, vraag me dat niet.” En ze week terug en hield de handen
afwerend voor zich uit.
„Wil je het niet zeggen?”
„Vraag dat niet, vraag dat niet.”
Hij nam haar vast bij den pols als om haar tot spreken te dwingen.
„Zeg het maar. Ik ben immers bij mijn volle verstand. Waarom zijn er
dingen, die ik me niet herinner?”
Ze zag iets wilds en dreigends in zijn oogen. Ze wist nu wel, wat ze
hem zou moeten zeggen. Maar ze voelde, dat het onmogelijk was iemand te
zeggen, dat hij krankzinnig geweest was. ’t Was veel moeilijker dan ze
gedacht had. ’t Was onmogelijk, volkomen onmogelijk.
„Zeg het nu,” herhaalde hij. Maar ze hoorde aan zijn stem, dat hij het
niet hooren wilde. Hij zou haar kunnen doodslaan, als ze het zei.
Toen riep ze al haar liefde te hulp, zag Gunnar Hede diep in de oogen
en zei:
„Je bent niet goed bij je verstand geweest.”
„Misschien in lang niet?”
„Dat weet ik niet precies. Niet in drie of vier jaar....”
„Stapelgek?”
„O neen, neen! je hebt gekocht en verkocht op de markt.”
„Op hoe ’n manier was ik dan gek?”
„Je was bang.”
„Bang!—Voor wie?”
„Voor dieren.”
„Voor geiten misschien?”
„Ja voor geiten ’t meest.”
Hede had haar al dien tijd vast om den pols gehouden. Nu slingerde hij
haar hand van zich af; hij wendde zich van Ingrid af, woedend boos,
alsof ze hem arglistig leelijken laster verteld had.
Maar dat gevoel week voor een ander, dat hem nog dieper schokte. Zoo
helder als een schilderij zag hij plotseling een langen Dalecarliër
voor zich, onder een reusachtigen zak gebogen. Hij wil een boerenhut
binnengaan, maar een ongelukkig klein hondje komt hem te gemoet. Hij
blijft staan, en groet, en groet—en durft niet binnen te gaan, voor een
knecht lachend naar buiten komt en ’t hondje wegbrengt.
Toen hij dat zag, kwam die vreeselijke angst weer over hem.
En in die angst ging het visioen weg. Maar nu komen stemmen. Men
schreeuwt en roept om hem heen. Men schatert en de scheldnaam klinkt
luid van alle kanten. ’t Zijn schelle kinderstemmen, die ’t leelijkste
en ’t vreeselijkste schreeuwen. ’t Is een woord, een naam, die telkens
weerkomt, die geschreeuwd, geroepen, gefluisterd, hem in de ooren
gesist wordt: „Geitebok! Geitebok!” En dat alles geldt hem—Gunnar
Hede!—
Te midden daarvan heeft hij geleefd. Hij voelde nu met volle bewustzijn
denzelfden onuitsprekelijken schrik, waaronder hij als krankzinnige
geleden had. Maar nu was ’t geen angst voor iets van buiten af, nu was
hij bang voor zichzelf.
„Dat ben ik! Dat ben ik geweest,” riep hij en wrong de handen.
Een oogenblik later lag hij op de knieën voor een bank, boog er zich
over heen en schreide.
„En dát ben ik geweest!” jammerde hij onder ’t snikken door. „Dát ben
ik geweest!”
Zou hij moed hebben, die gedachte te dragen. Een bespotte uitgescholden
gek!
„Och, laat me maar weer krankzinnig worden,” zei hij en sloeg met de
vuist op de bank. „Dit is onmenschelijk! Ik kan ’t niet dragen.”
Hij hield een oogenblik den adem in. ’t Duister kwam op hem toe, als
geroepen—om hem te verlossen. ’t Kwam aanrollen als een mist. Hij
glimlachte. Hij voelde zijn trekken slap worden en den waanzinnigen
blik in zijn oogen terugkomen.
Maar dit was toch beter. Dat andere was niet te dragen. Nagewezen,
nageschreeuwd, gehoond als een gek. Neen liever weer krankzinnig worden
en dat niet te weten. Wat zou hij doen in ’t leven? Ieder moest een
afschuw van hem hebben.
En de duisternis hulde hem in haar eerste lichte, zwevende
wolkenslippen.
En daar stond Ingrid en zag en hoorde zijn angst. En ze wist dat hij
straks opnieuw verloren zou zijn. Zij zag den waanzin weer over hem
komen.
En ze was verschrikt, wanhopend, volslagen moedeloos. Maar eer hij weer
heelemaal krankzinnig was, en zóó schuw, dat niemand hem meer naderen
kon, wilde ze ten minste van hem en al haar geluk afscheid nemen. Hede
voelde, dat Ingrid naast hem knielde, haar arm om zijn hals sloeg, haar
wang tegen de zijne drukte, en hem kuste.
Zij hield zich niet voor te goed om bij hem te komen, bij den gek! niet
te goed om hem te kussen!
Diep in de duisternis hoorde hij ’t sissen.
De fladderende mistvlokken weken terug. En ze leken wel slangenkoppen,
die naar hem toe gericht waren en sisten van woede, omdat ze hem niet
konden bijten.
„Neem dat niet zóó zwaar op,” fluisterde Ingrid. „Neem dat niet zoo
zwaar op. Niemand denkt daar meer aan. Als je nu maar beter wordt.”
„Ik wil liever weer krankzinnig worden,” zei hij. „Ik kan dit niet
dragen. Ik kan ’t niet uithouden er aan te denken hoe ik geweest ben.”
„Ja dat zul je wel kunnen,” zei Ingrid.
„Niemand kan het vergeten,” klaagde hij. „Ik was zoo afschuwelijk!
Niemand kan van me houden.”
„Ik houd van je.”
Hij keek twijfelend op. „Je kuste me alleen, omdat ik niet meer
krankzinnig zou worden. Je hebt medelijden met me.”
„Ik wil je graag weer kussen,” zei ze.
„Ja, dat zeg je nu, omdat ik er behoefte aan heb dat te hooren.”
„Heb je daar behoefte aan?—om te hooren dat iemand van je houdt?”
„Of ik daar behoefte aan heb? Mijn God, of ik daar behoefte aan heb? O
kind!” zei hij en rukte zich van haar los. „Hoe zal ik dat kunnen
verdragen, dat ik weet dat ieder die me ziet, zal denken: die daar is
gek geweest. Hij heeft honden en katten loopen groeten.”
Er kwam een nieuwe aanval van wanhoop over hem. Hij lag te schreien met
het gezicht in de handen.
„’t Is beter weer krankzinnig te worden! Ik hoor ze me naroepen en ik
zie mezelf. En dat is angst, angst, angst!”—
Maar toen was Ingrids geduld ten einde. „Ja, dat is flink,” riep ze.
„Word maar weer krankzinnig. Dat is flink en manlijk om krankzinnig te
willen worden om van een beetje angst af te komen.”
Ze beet zich op de lippen en worstelde met haar tranen, en omdat ze
niet gauw genoeg uit haar woorden kon komen, nam ze hem bij den arm en
schudde hem.
Ze was verbitterd, buiten zichzelf van boosheid, omdat hij haar op
nieuw wilde ontsnappen, omdat hij niet streed tegen zijn ongeluk.
„Wat geef je om mij? Wat geef je om je moeder? Word maar weer
krankzinnig, dan heb je ’t goed.”—
Ze schudde hem nog eens.
„Je wilt van je angst af zijn, zeg je! Maar is er dan geen angst voor
mij, die levenslang op je gewacht heb,—dat je nooit komen zult. Als je
hart hadt voor iemand anders dan je zelf, dan zou je je best wel doen
en gezond worden. Maar je geeft om niemand! Je kunt zoo mooi en
aandoenlijk komen, in droomen en visioenen en om hulp vragen, maar in
wezenlijkheid wil je geen hulp hebben. Je verbeeldt je maar, dat jouw
verdriet ’t grootste op de wereld is. Maar er zijn wel anderen, die
meer geleden hebben dan jij!”
Eindelijk zag Hede op, en keek haar recht en diep in de oogen. Ze was
niet mooi op dat oogenblik. Tranen stroomden over haar gezicht, haar
lippen beefden en met moeite kwamen haar woorden onder ’t snikken door.
Maar voor hem was ’t een genot haar zoo wild te zien. Er kwam een
wonderlijk gevoel van rust over hem en een overweldigende, nederige
dankbaarheid. Hier was iets kostbaars en heerlijks, dat tot hem kwam in
zijn diepste verval. Dit moest groote liefde zijn, groote liefde!—
Hij zat daar over zijn ellende te jammeren en daar stond de liefde en
klopte aan de deur. ’t Was niet zoo, dat hij verdragen zou worden als
hij tot het leven terugkeerde, niet zoo, dat de menschen ’t lachen wel
zouden kunnen laten.
Hier was werkelijk iemand, die hem liefhad, die naar hem verlangde. Ze
sprak harde woorden tot hem, maar hij hoorde haar liefde trillen in
ieder woord. ’t Was hem alsof ze hem een koninkrijk aanbood.
Ze zei hem, dat hij, terwijl hij krankzinnig geweest was, haar het
leven had gered. Hij had haar uit den dood opgewekt, haar geleid en
beschermd. Maar dat was niet genoeg. Ze wilde hem zelf hebben.
Toen ze hem kuste, had hij gevoeld, hoe een lieflijke balsem over zijn
zieke ziel werd uitgegoten, maar had niet durven gelooven, dat liefde
haar dreef. Maar aan haar toorn en haar tranen kon hij niet twijfelen.
Zij had hem lief, hem, ’t arme weerzinwekkende mensch, hem, dien
wonderlijken stumperd!—
En voor die groote, ootmoedige vreugde door die gedachte bij Hede
gewekt, verdween het duister. ’t Rolde weg als een zwaar ruischend
gordijn, en hij zag duidelijk ’t rijk der verschrikking voor zich,
waarin hij zoolang had rondgezworven. Maar daar ontmoette hij ook
Ingrid, daar hief hij haar op uit het graf, daar speelde hij voor haar
in ’t bosch, daar deed ze wat ze kon om hem te genezen.
Maar niet alleen de herinnering aan haar ontwaakte weer. Op ’t zelfde
oogenblik kwam ook ’t gevoel terug, dat ze hem had ingeboezemd. Hij
voelde een groote liefde zijn ziel geheel vullen. Hij voelde
dienzelfden gloed, als op ’t kerkplein te Roglanda, toen ze van hem
werd weggerukt.
In dat rijk der verschrikking, in die eindelooze woestijn was toch een
bloem gegroeid, die hem met haar schoonheid en geur getroost had. En nu
voelde hij hoe de liefde bestendig geworden was. Het wilde
woestijnplantje had zich in den levenstuin laten overplanten, had
wortel geschoten en groeide en bloeide. En toen hij dat voelde, wist
hij, dat hij gered was en dat het donker zijn man gevonden had.
Ingrid zweeg. Ze was moe, als na een inspannend werk; maar ze voelde
zich rustig, als een, die zijn werk zoo goed mogelijk gedaan heeft. Ze
wist, dat ze de overwinning behaald had.
Eindelijk brak Hede het stilzwijgen.
„Ik beloof je, dat ik het verdragen zal,” zei hij.
„Dank je,” antwoordde Ingrid.
Er werd op dat oogenblik niet meer gesproken. Hede kon haar niet
zeggen, hoe hij haar liefhad. Dat kon niet in woorden gezegd, alleen
maar iederen dag en ieder oogenblik—heel ’t lange leven door—getoond
worden.