X.

’t Was op den middag van den tweeden Pinksterdag. Ingrid liep langs den

grooten weg. Ze was op een open gedeelte: kleine, lage heuveltjes en

eilandjes met beukenboschjes tusschen, en soms midden in de akkers. De

lijsterbes en meidoorn bloeiden, lichte harsachtige blaadjes zaten aan

de espen, de slooten langs den weg waren vol helder, kabbelend water,

dat de zuivergewasschen steentjes op den bodem deed glinsteren en

blinken.

Ingrid treurde over hem, die op nieuw krankzinnig was geworden en dacht

er over of ze iets voor hem zou kunnen doen, of ’t wat baten zou, dat

ze op deze manier van huis gegaan was.

Ze had honger en was moe. Haar schoenen begonnen al stuk te gaan. Ze

dacht er over of ’t niet ’t beste was om te keeren. Ze zou er toch

nooit komen.

Ze werd hoe langer hoe bedroefder, terwijl ze daar liep. Ze kon niet

laten telkens te denken, dat ’t nu niet veel helpen zou dat ze kwam, nu

hij heelemaal krankzinnig geworden was. ’t Was nu zeker te laat, er was

geen hoop meer iets voor hem te kunnen doen.

Maar zoo vaak ze er aan dacht om te keeren, zag ze Hede’s gezicht vlak

naast zich, zooals ze ’t zoo dikwijls te voren gezien had. Dan kreeg ze

weer hoop, meende, dat hij haar riep en voelde een vast, vertroostend

geloof, dat ze hem toch wel genezen zou.

Juist toen Ingrid het hoofd ophief en er een beetje minder bedroefd

uitzag, kwam zij een zonderling gezelschap tegen.

Daar kwam een klein paardje aan, dat een karretje trok. En op dat

karretje zat een dikke vrouw en daarnaast liep een magere, afgesloofde

man met lange knevels.

Hier in deze landstreek, waar niemand verstand van kunst had, deden

Mijnheer en Mevrouw Blomgren altijd hun best er uit te zien als

eenvoudige burgerlieden.

Het karretje, waar ze in rondreden was goed overdekt; niemand kon

vermoeden, dat het niet anders bevatte dan vuurwerk, goocheltoestellen

en marionetten.

Niemand kon weten, dat het dikke, oude vrouwtje, dat boven op de lading

zat en er uitzag als een weldoorvoed burgerjuffrouwtje, vroeger Miss

Viola geweest was, die door de lucht vliegen kon en dat de lange man,

die zooveel op een gepensionneerd militair leek, dezelfde Mijnheer

Blomgren was, die nu en dan de eentonigheid van ’t loopen eens

afwisselde met een salto mortale over een paard, of zich vermaakte met

buikspreken tegen lijsters en sijsjes, die in de boomen aan den weg

zongen, zoodat ze er heelemaal van in de war raakten.

’t Paard was een heel klein diertje, dat vroeger in een draaimolen

geloopen had en daarom in ’t geheel niet loopen wou als het geen muziek

hoorde. En daarom zat Mevrouw Blomgren meestal op de mondharmonica te

spelen, maar zoodra ze iemand tegenkwamen, stopte ze ’t instrument in

haar zak, opdat men niet begrijpen zou, dat ze kunstenaars waren; want

in deze streken had men voor de kunst niet het minste respect. Op die

manier kwamen ze niet zoo heel gauw voort; maar ze hadden ook geen

haast.

De blinde vioolspeler moest een eindje achter hen aankomen, opdat hij

niet verraden zou, dat hij bij ’t gezelschap hoorde. Hij had een hond

als geleider, want het was hem verboden zich door een kind te laten

leiden. Dat zou Mijnheer en Mevrouw Blomgren aanhoudend aan een klein

meisje herinnerd hebben, dat Ingrid heette en dat zou al te treurig

geweest zijn.

En nu waren ze allen samen ’t land ingetrokken om de lente te genieten.

Want hoeveel ze ook in de steden konden verdienen, in dezen tijd van ’t

jaar moesten Mijnheer en Mevrouw Blomgren buiten zijn. Want ze waren nu

eenmaal kunstenaars.

Zij herkenden Ingrid niet en zij ging ze eerst zonder groeten voorbij,

want ze had haast en vreesde opgehouden te zullen worden. Maar ze vond

toch al gauw, dat dit leelijk en onhartelijk was en keerde terug.

Als Ingrid blijdschap had kunnen voelen, zou ze blij geworden zijn bij

’t zien van de vreugde van die oude menschen over deze ontmoeting. En

zij hielden een lang gesprek in ’t allerergste koeterwaalsch. ’t Kleine

paardje wendde telkens den kop om, alsof het zien wilde of de

draaimolen niet stuk gegaan was.

En wonderlijk genoeg, ’t was Ingrid, die ’t meest aan het woord was. De

oude lieden zagen al gauw, dat ze had loopen schreien en daarover

werden ze zóó bezorgd, dat ze haar heele geschiedenis en al haar

avonturen moest vertellen.

Maar ’t was een troost voor Ingrid, dat alles te zeggen, want de oudjes

hadden een eigenaardige manier van de dingen op te nemen. Zij klapten

in de handen, toen ze vertelde hoe ze uit het graf gekomen was en de

dominésvrouw verschrikt had.

Zij liefkoosden haar, en ze prezen haar, omdat ze uit de pastorie was

heengegaan. Niets vonden ze droevig en drukkend, alles zagen ze even

lustig en hoopvol in.

Ze hadden geen maatstaf voor de werkelijkheid, daarom raakte de

strengheid van ’t leven hen niet. Alles wat ze hoorden, vergeleken ze

bij hun poppentheater en pantomimen. Wat verdriet en ellende kwam ook

wel in de pantomimen voor, maar dat was maar om ’t effect te verhoogen,

en alles eindigde goed in de pantomimen.

Er was iets aanstekelijks in dat optimisme. Ingrid wist, dat ze in ’t

geheel niet begrepen hoe ongelukkig ze was, maar toch deed het haar

goed hen te hooren spreken.

Maar ze hielpen haar ook met daden. Zij vertelden haar, hoe ze voor een

paar uur het middagmaal in de herberg te Torsåker gebruikt hadden en

juist, toen ze van tafel opstonden, waren er eenige boeren komen

aanrijden met een krankzinnige. Mevrouw Blomgren kon geen krankzinnigen

zien en had daarom dadelijk weg gewild en Mijnheer Blomgren had

toegegeven. Maar stel je nu eens voor dat het Ingrids vriend geweest

was. En zoodra ze dit vertelden zei Ingrid, dat het best mogelijk was

en wilde afscheid nemen.

Maar toen vroeg Mijnheer Blomgren heel plechtig aan zijn echtgenoote:

of ze niet enkel en alleen om de lente buiten gekomen waren en of het

niet volkomen hetzelfde was, waar ze reden. En de oude Mevrouw Blomgren

vroeg even pathetisch op haar beurt of hij meenen kon, dat ze haar

geliefde Ingrid aan haar lot zou overlaten, eer ze de haven van haar

geluk bereikt had.

Toen keerde het rijtuig om en ’t gesprek werd moeilijk, doordat de

mondharmonica zich voortdurend moest laten hooren. Zoodra Mevrouw

Blomgren wat zeggen wilde, gaf ze het instrument aan Mijnheer Blomgren

en als deze spreken wou, gaf hij het aan zijn vrouw terug. En ’t

paardje stond telkens stil, zoodra de harmonica van mond tot mond ging.

En aldoor hadden ze Ingrid iets vertroostends te zeggen. Ze vertelden

haar alles wat ze ooit in een marionettenspel hadden gezien. Ze

troostten haar met Sneeuwwitje en met Asschepoester; ze troostten haar

met alle mogelijke dingen.

Mijnheer en Mevrouw Blomgren keken Ingrid aan toen ze zagen, dat er wat

meer licht in haar oogen kwam. „Kunstenaarsoogen” zeiden ze en knikten

elkander vergenoegd toe. „Hebben we ’t niet altijd gezegd?

Kunstenaarsoogen!”—

Op een of andere onnaspeurlijke wijze hadden ze uitgemaakt, dat Ingrid

nu een van de hunnen geworden was, een lid van de kunstenaarswereld.

Zij vonden, dat ze meespeelde in een drama. Dat was een triumf voor hen

op hun ouden dag.

Zij reden voort zoo vlug ze konden. De oude menschen waren maar bang,

dat Ingrids vriend niet meer in de herberg zou zijn.

Maar hij was er nog en ’t ergste was, dat niemand wist, hoe ze hem daar

weg zouden krijgen.

De beide boeren uit Roglanda, die hem hier gebracht hadden, hadden hem

in een van de kamers gebracht en hem daar opgesloten terwijl ze op het

paard wachtten. Toen ze hem daar achterlieten, waren hem de handen op

den rug gebonden. Hoe hij ’t gedaan gekregen had, wist men niet, maar

het was hem gelukt de handen los te wringen en toen ze hem kwamen

halen, stond hij daar geheel los en had in razernij een stoel gegrepen

om hen te slaan. Ze hadden nog juist de deur uit kunnen komen en die

weer in ’t slot gegooid. Nu liepen de boeren te wachten tot de waard en

zijn knechts kwamen, zoodat ze hem met elkaar opnieuw konden binden.

Alle hoop, door de oude vriendin bij Ingrid gewekt, werd toch niet

gedoofd. Ze begreep, dat Hede erger dan ooit was, maar ze had niet

anders verwacht. Toch hoopte ze nog. ’t Was niet door ’t praten van de

oudjes, ’t was door haar groote liefde, dat ze weer moed kreeg.

Ze verzocht, dat men haar bij Hede zou binnen laten. Ze zeide, dat ze

hem kende en dat hij haar geen kwaad zou doen. Maar de boeren

antwoordden dat zij niet gek waren. Die man daarbinnen zou ieder

doodslaan, die bij hem kwam en zich niet verdedigen kon.

Ingrid zat een langen tijd zwijgend na te denken. Ze dacht er aan hoe

wonderlijk het was, dat ze juist dien dag Mijnheer en Mevrouw Blomgren

moest ontmoeten. Dat moest toch met een bedoeling gebeurd zijn. Ze

zouden zeker niet op haar weg geleid zijn als daar niet een bedoeling

bij was.

En Ingrid begon er over te denken, op welke manier Hede de eerste keer

beter was geworden. Zou ze ook nu hem niet kunnen bewegen iets te doen,

wat hem aan iets van vroeger zou kunnen doen denken en hem van zijn

waanzinnige gedachten afbrengen. Ze peinsde en peinsde!—

Mijnheer en Mevrouw Blomgren zaten op een bank voor de herberg en zagen

er bedroefder uit dan iemand denken zou dat mogelijk was. Ze waren op

’t punt van te schreien.

Daar kwam ze aan, Ingrid, hun kind, en lachte hen toe, zooals zij

alleen kon en streelde hun de oude rimpelige wangen en verzocht hen

haar het groote genoegen te geven nog eens een voorstelling te mogen

zien, zooals ze vroeger dagelijks bijwoonde. Dat zou zulk een groote

troost voor haar zijn.

Ja, eerst weigerden ze het, want ze waren juist niet in de

kunstenaarsstemming, maar toen ze daar voor hen bleef staan met dien

innemenden glimlach, konden ze haar niet weerstaan. Ze gingen naar den

wagen en haalden er hun tricotpakjes uit.

Toen ze klaar waren en de blinde geroepen was, koos Ingrid de plaats

van de voorstelling uit. Ze wilde niet, dat ze op de plaats zouden

spelen voor ’t huis, maar bracht hen in den tuin bij ’t huis. Wel waren

er nog meest kale bedden, waar nog niets opgekomen was, maar hier en

daar stond een bloeiende appelboom.

Een paar jongens en meisjes kwamen aanloopen toen ze de viool hoorden,

dus er was ook een beetje publiek. Maar toch hadden Mijnheer en Mevrouw

Blomgren geen lust om op te treden. Ingrid verlangde te veel van hen.

Zij waren al te bedroefd.

En ’t was ook ongelukkig, dat Ingrid hen juist aan den tuinkant bracht.

Want daar zag de kamer op uit, waar de krankzinnige opgesloten zat.

Daar had ze zeker niet aan gedacht. Mevrouw Blomgren was op ’t punt om

weg te loopen, toen ze in een van de kamers het venster heftig hoorde

openrukken. Stel je nu eens voor, dat de krankzinnige de muziek gehoord

had en uit ’t venster naar beneden sprong.

Maar Mevrouw Blomgren werd weer kalm toen ze zag wie daar aan ’t

venster stond.

’t Was een jonge man met een gunstig uiterlijk. Hij was in hemdsmouwen,

maar overigens behoorlijk gekleed. Zijn oogen stonden rustig, hij

glimlachte en streek met de hand de haren boven ’t voorhoofd op.

Mijnheer Blomgren werkte door en was zoo verdiept in de voorstelling,

dat hij niets merkte. Maar Mevrouw Blomgren, die niets te doen had, dan

kushanden geven, had tijd om op alles te letten.

Was het niet vreemd, zooals Ingrid plotseling was opgeklaard? Haar

oogen straalden als nooit te voren en haar gezichtje werd zóó wit, dat

het bijna licht gaf. En al dien stralenden glans wendde ze naar den

jongen man voor ’t venster daarboven.

Hij bedacht zich niet lang, hij klom op de vensterbank en sprong naar

beneden. En hij kwam op den blinde toe en vroeg hem zijn viool te leen.

En Ingrid nam dadelijk den blinde de viool af en reikte die aan den

vreemde: „Nu moet u de wals uit de Freischütz spelen,” zei ze.

Toen begon de vreemde te spelen en Ingrid glimlachte, maar zag er

tegelijkertijd zóó bovenaardsch uit, dat Mevrouw Blomgren bang was, dat

ze zich in een zonnestraal oplossen en wegvliegen zou.

Maar zoodra Mevrouw Blomgren den vreemde hoorde spelen, herkende ze

hem.

„Och zoo!” zei ze in zichzelf. „Och zoo! Dus hij is het toch. Juist

daarom wilde ze ons arme menschen zien optreden.”

Gunnar Hede, die op zijn kamer heen en weer geloopen en zoo kwaadaardig

was, dat hij iemand dood wilde slaan, had zoodoende de blinde buiten

zijn venster hooren spelen. En dat had hem weer een tooneeltje uit zijn

vroeger leven voor den geest gebracht.

Hij verwonderde er zich over, waar toch zijn eigen viool wezen kon, en

hij herinnerde zich, dat Alin die meegenomen had; en nu bleef hem niet

anders over dan de viool van den blinde te leen te vragen en zich weer

kalm te spelen. Het kwam niet in zijn gedachten op, dat hij dit niet

zou kunnen. Hij vermoedde niet, dat hij vele jaren lang niet meer dan

een kleine melodie gespeeld had.

Hij was geheel in den waan, dat hij in Upsala was in ’t huis van den

wilden wingerd. En hij verwachtte, dat de kunstemakers zouden gaan

dansen, evenals de vorige keer.

Hede speelde levendiger om hen daartoe te brengen; maar zijn vingers

waren stijf en stroef en de strijkstok was niet gewillig in zijn hand.

Hij spande zich zóó in, dat de zweetdroppels op zijn voorhoofd kwamen.

Eindelijk herinnerde hij zich toch het rechte liedje, waarbij de

acrobaten de vorige keer gedanst hadden. Hij speelde het zoo lokkend en

verleidelijk, dat ’t bijna onweerstaanbaar was.

Maar de oude lieden dansten niet. ’t Was lang geleden sinds ze Hede in

Upsala ontmoetten. Ze herinnerden zich niet hoe sterk toen de bekoring

van die melodie geweest was, en ze vermoedden in de verste verte niet,

wat hij van hen verwachtte.

Hede zag Ingrid aan om van haar te weten te komen, waarom het

kunstenaarspaar niet danste. Op ’t zelfde oogenblik, dat hij haar oogen

zag, zoo bovenaardsch stralend, als ze toen waren, werd hij zóó

verbaasd, dat hij met spelen ophield.

Hij stond een oogenblik stil en keek rond in den kring. ’t Waren

wonderlijke, onrustige gezichten, die hem aanzagen.

’t Was hem niet mogelijk te spelen, terwijl de menschen hem zoo

aankeken. Hij ging eenvoudig heen. Hij zag een groep bloeiende

appelboomen heel achter in den tuin. Daar ging hij naar toe.

Hij zag wel, dat niets overeenstemde met de voorstelling, die hij zoo

pas had, dat Alin hem opgesloten had en dat hij in Upsala was. De tuin

was te groot en ’t huis niet met roode wingerd begroeid. Neen, dit kon

Upsala niet zijn. Maar ’t kon hem niet veel schelen, waar hij was. Hij

had een gevoel, alsof hij in eeuwen niet gespeeld had en nu had hij

eindelijk weer een viool in handen. Nu zou hij genieten. Hij legde de

viool onder de kin en begon. Maar weer hinderde hem de stijfheid van

zijn vingers. Hij kon alleen de allereenvoudigste melodieën spelen.

„Ik moet werkelijk weer van voren af aan beginnen,” zei hij. En

glimlachend begon hij een menuet te spelen. ’t Was ’t eerste wat hij

geleerd had. Zijn vader had het hem voorgespeeld en hij had ’t op

gehoor nagedaan. Plotseling zag hij het heele tooneeltje weer voor

zich. En hij hoorde de woorden: „’t jonge prinsje wou gaan dansen, maar

hij brak zijn kleinen voet.”

Hij probeerde toen verscheidene dansjes. Die had hij gespeeld als

schooljongen. Hij was uitgenoodigd op de meisjeskostschool te komen en

daar op de dansles te spelen. Hij zag de meisjes springen en draaien en

hoorde de dansonderwijzeres met den voet de maat slaan.

Hij begon moediger te worden.

Hij speelde de eerste stem van een vioolkwartet van Mozart. Toen hij

die instudeerde was hij gymnasiast in Falun. Eenige oude heeren hadden

dat kwartet willen spelen op een concert. Maar de eerste viool was ziek

geworden en hij moest de partij overnemen, hoe jong hij ook was. Hij

was daar niet weinig trots op geweest.

Gunnar Hede dacht eigenlijk aan niets anders, dan om zijn vingers wat

in orde te krijgen, toen hij die kinderoefeningen weer speelde; maar

spoedig merkte hij, dat er iets wonderlijks met hem gebeurde.

Hij voelde duidelijk, dat zich in zijn hersens groote donkere plekken

bevonden, die het verleden voor hem verborgen. Zoodra hij zich iets

trachtte te herinneren, was het alsof hij in een donkere kamer naar

iets zoeken moest. Maar toen hij speelde begon het donker op te

trekken. Zonder dat hij er aan gedacht had, was de duisternis zoover

geweken, dat hij zich zijn kinderjaren en schooltijd weer herinnerde.

Nu besloot hij zich door de viool te laten leiden; misschien kon die

het donker daar binnen geheel verdrijven.

En dat was zoo. Met elke melodie, die hij speelde ging het wat verder

weg. De viool leidde hem voort, van jaar tot jaar, wekte herinneringen

van studiejaren, van vrienden, van genot. ’t Donker stond dicht voor

hem; maar toen hij het te gemoet ging met de viool gewapend, week het

stap voor stap. Nu en dan zag hij om, alsof hij zien wou of ’t zich ook

weer achter hem sloot. Maar ’t was helder dag om hem heen.

De viool begon een reeks duetten, voor piano en viool. Hij speelde maar

een paar maten van elk. Toen week de duisternis een heel eind

achteruit. En hij herinnerde zich zijn meisje en zijn engagement.

Hij had hier wel wat bij stil willen staan, maar er was nog zooveel

donker weg te spelen. Hij had geen tijd.

Hij begon aan een psalm. Dien had hij eens gehoord toen hij bedroefd

was. Hij herinnerde zich, dat hij in een dorpskerk gezeten had, toen

hij dien hoorde. Maar waarom was hij bedroefd geweest? Omdat hij als

een arme koopman, door ’t land ging met waren. Dat was een hard leven.

Dat was treurig om aan te denken.

Als een wervelwind ging de strijkstok over de snaren en weer verdween

een groot stuk duisternis. Nu zag hij het groote bosch, de onder de

sneeuw begraven dieren, de wonderlijke figuren, die de sneeuw over hen

heen trok. Hij herinnerde zich de reis naar zijn meisje, en hoe ze hun

engagement verbroken had. Dat alles werd hem plotseling helder.

Hij voelde juist geen bitter leed of groote blijdschap bij een van deze

herinneringen. Het voornaamste was voor hem, dat hij zich iets

herinnerde. Dat op zich zelf was al een oneindig genot.

Maar hierna hield de strijkstok van zelf op en wilde hem niet verder

brengen. En toch was er meer, nog veel meer, dat hij zich herinneren

moest. Nog stond de duisternis als een vaste muur voor hem.

Hij dwong den strijkstok voort te gaan. Maar die speelde niet meer dan

twee onbeduidende liedjes, de armzaligste die hij ooit gehoord had. Hoe

had zijn strijkstok die ooit kunnen leeren?—

’t Duister week niet voor die liedjes. Zij leerden hem eigenlijk niets.

Maar ze wekten een angst, zooals hij nooit te voren gevoeld had. Een

waanzinnige, vreeselijke schrik, die van de ziel—de ontzetting der

gevallen engelen.

Hij hield met spelen op, hij kon ’t niet uithouden. Wat was dat? Wat

was er in die liedjes?—

’t Duister week in ’t geheel niet; maar het griezeligste was, dat

zoodra hij niet met de viool het donker tegemoet ging en ’t voor zich

uitdreef, het op hem toe kwam rollen en dreigde hem weer geheel te

omsluiten.

Hij had met half gesloten oogen staan spelen. Nu zag hij op en keek

rond in de werkelijke wereld. Toen kreeg hij Ingrid in ’t oog, die al

dien tijd naar hem had staan luisteren. En hij vroeg haar, eigenlijk

niet om antwoord te krijgen, maar alleen om ’t duister nog een

oogenblik weg te kunnen houden:

„Wanneer speelde ik dit het laatst?”

Maar Ingrid beefde. Ze had haar besluit genomen. Hoe het ook ging, hij

zou nu de waarheid hooren. Hoe ’t ook ging, zij zou hem die zeggen. En

bang was ze, maar toch moedig en vastbesloten. Nu zou hij haar niet

meer ontgaan, niet meer van haar wegglijden.

Maar dadelijk durfde ze Hede niet ronduit te zeggen, dat dit de

melodieën waren, die hij gewoonlijk speelde toen hij krankzinnig was.

Ze ontweek de vraag.

„Die speelde je van den winter thuis op de Monnikshut,” antwoordde ze.

Er was allerlei geheimzinnigs om Hede heen.

Waarom zei dat meisje „je” tegen hem? Zij was geen kind uit het volk,

ze droeg het haar als een dame: hoog opgestoken en met kleine krullen.

Haar kleedje was thuis geweven, maar ze had een fijne kanten fichu om

den hals. Haar tint was blank en ze had kleine handen. Dat fijne

gezichtje, met de groote droomende oogen, was niet dat van een

boerenmeisje. Hede’s herinneringen zeiden hem niets van haar. Waarom

zei ze „je” tegen hem? Hoe wist ze, dat hij dit thuis speelde?

„Hoe heet je?” zei hij. „Wie ben je?”

„Ik ben Ingrid, die je lang geleden in Upsala gezien hebt, en die je

troostte omdat ze niet op het koord kon leeren dansen.”

Dat was zoolang geleden; dáár was ’t al licht geworden voor Hede. Hij

herinnerde zich haar wel.

„Wat ben je groot en mooi geworden, Ingrid,” zei hij. „En wat zie je er

netjes uit. Wat heb je daar een prachtige broche aan.”

Hij had lang naar die broche gekeken. Hij meende die te herkennen. Zij

leek zooveel op een broche van email en paarlen van zijn moeder. ’t

Meisje antwoordde ook: „Die heb ik van je moeder gekregen. Je hebt ze

zeker wel vroeger gezien.”

Nu legde Gunnar Hede de viool neer en kwam op Ingrid toe, hij vroeg

heftig:

„Hoe is dat mogelijk, dat je haar broche draagt? Waarom weet ik niet,

dat je mijn moeder kent?”

Ingrid schrikte. Ze werd doodsbleek. Ze wist nu al wat de volgende

vraag zou zijn.

„Ik weet niets, Ingrid. Ik weet niet waarom ik hier ben. Ik weet niet

waarom jij hier bent. Waarom weet ik dat niet?”

„Ach neen, vraag me dat niet.” En ze week terug en hield de handen

afwerend voor zich uit.

„Wil je het niet zeggen?”

„Vraag dat niet, vraag dat niet.”

Hij nam haar vast bij den pols als om haar tot spreken te dwingen.

„Zeg het maar. Ik ben immers bij mijn volle verstand. Waarom zijn er

dingen, die ik me niet herinner?”

Ze zag iets wilds en dreigends in zijn oogen. Ze wist nu wel, wat ze

hem zou moeten zeggen. Maar ze voelde, dat het onmogelijk was iemand te

zeggen, dat hij krankzinnig geweest was. ’t Was veel moeilijker dan ze

gedacht had. ’t Was onmogelijk, volkomen onmogelijk.

„Zeg het nu,” herhaalde hij. Maar ze hoorde aan zijn stem, dat hij het

niet hooren wilde. Hij zou haar kunnen doodslaan, als ze het zei.

Toen riep ze al haar liefde te hulp, zag Gunnar Hede diep in de oogen

en zei:

„Je bent niet goed bij je verstand geweest.”

„Misschien in lang niet?”

„Dat weet ik niet precies. Niet in drie of vier jaar....”

„Stapelgek?”

„O neen, neen! je hebt gekocht en verkocht op de markt.”

„Op hoe ’n manier was ik dan gek?”

„Je was bang.”

„Bang!—Voor wie?”

„Voor dieren.”

„Voor geiten misschien?”

„Ja voor geiten ’t meest.”

Hede had haar al dien tijd vast om den pols gehouden. Nu slingerde hij

haar hand van zich af; hij wendde zich van Ingrid af, woedend boos,

alsof ze hem arglistig leelijken laster verteld had.

Maar dat gevoel week voor een ander, dat hem nog dieper schokte. Zoo

helder als een schilderij zag hij plotseling een langen Dalecarliër

voor zich, onder een reusachtigen zak gebogen. Hij wil een boerenhut

binnengaan, maar een ongelukkig klein hondje komt hem te gemoet. Hij

blijft staan, en groet, en groet—en durft niet binnen te gaan, voor een

knecht lachend naar buiten komt en ’t hondje wegbrengt.

Toen hij dat zag, kwam die vreeselijke angst weer over hem.

En in die angst ging het visioen weg. Maar nu komen stemmen. Men

schreeuwt en roept om hem heen. Men schatert en de scheldnaam klinkt

luid van alle kanten. ’t Zijn schelle kinderstemmen, die ’t leelijkste

en ’t vreeselijkste schreeuwen. ’t Is een woord, een naam, die telkens

weerkomt, die geschreeuwd, geroepen, gefluisterd, hem in de ooren

gesist wordt: „Geitebok! Geitebok!” En dat alles geldt hem—Gunnar

Hede!—

Te midden daarvan heeft hij geleefd. Hij voelde nu met volle bewustzijn

denzelfden onuitsprekelijken schrik, waaronder hij als krankzinnige

geleden had. Maar nu was ’t geen angst voor iets van buiten af, nu was

hij bang voor zichzelf.

„Dat ben ik! Dat ben ik geweest,” riep hij en wrong de handen.

Een oogenblik later lag hij op de knieën voor een bank, boog er zich

over heen en schreide.

„En dát ben ik geweest!” jammerde hij onder ’t snikken door. „Dát ben

ik geweest!”

Zou hij moed hebben, die gedachte te dragen. Een bespotte uitgescholden

gek!

„Och, laat me maar weer krankzinnig worden,” zei hij en sloeg met de

vuist op de bank. „Dit is onmenschelijk! Ik kan ’t niet dragen.”

Hij hield een oogenblik den adem in. ’t Duister kwam op hem toe, als

geroepen—om hem te verlossen. ’t Kwam aanrollen als een mist. Hij

glimlachte. Hij voelde zijn trekken slap worden en den waanzinnigen

blik in zijn oogen terugkomen.

Maar dit was toch beter. Dat andere was niet te dragen. Nagewezen,

nageschreeuwd, gehoond als een gek. Neen liever weer krankzinnig worden

en dat niet te weten. Wat zou hij doen in ’t leven? Ieder moest een

afschuw van hem hebben.

En de duisternis hulde hem in haar eerste lichte, zwevende

wolkenslippen.

En daar stond Ingrid en zag en hoorde zijn angst. En ze wist dat hij

straks opnieuw verloren zou zijn. Zij zag den waanzin weer over hem

komen.

En ze was verschrikt, wanhopend, volslagen moedeloos. Maar eer hij weer

heelemaal krankzinnig was, en zóó schuw, dat niemand hem meer naderen

kon, wilde ze ten minste van hem en al haar geluk afscheid nemen. Hede

voelde, dat Ingrid naast hem knielde, haar arm om zijn hals sloeg, haar

wang tegen de zijne drukte, en hem kuste.

Zij hield zich niet voor te goed om bij hem te komen, bij den gek! niet

te goed om hem te kussen!

Diep in de duisternis hoorde hij ’t sissen.

De fladderende mistvlokken weken terug. En ze leken wel slangenkoppen,

die naar hem toe gericht waren en sisten van woede, omdat ze hem niet

konden bijten.

„Neem dat niet zóó zwaar op,” fluisterde Ingrid. „Neem dat niet zoo

zwaar op. Niemand denkt daar meer aan. Als je nu maar beter wordt.”

„Ik wil liever weer krankzinnig worden,” zei hij. „Ik kan dit niet

dragen. Ik kan ’t niet uithouden er aan te denken hoe ik geweest ben.”

„Ja dat zul je wel kunnen,” zei Ingrid.

„Niemand kan het vergeten,” klaagde hij. „Ik was zoo afschuwelijk!

Niemand kan van me houden.”

„Ik houd van je.”

Hij keek twijfelend op. „Je kuste me alleen, omdat ik niet meer

krankzinnig zou worden. Je hebt medelijden met me.”

„Ik wil je graag weer kussen,” zei ze.

„Ja, dat zeg je nu, omdat ik er behoefte aan heb dat te hooren.”

„Heb je daar behoefte aan?—om te hooren dat iemand van je houdt?”

„Of ik daar behoefte aan heb? Mijn God, of ik daar behoefte aan heb? O

kind!” zei hij en rukte zich van haar los. „Hoe zal ik dat kunnen

verdragen, dat ik weet dat ieder die me ziet, zal denken: die daar is

gek geweest. Hij heeft honden en katten loopen groeten.”

Er kwam een nieuwe aanval van wanhoop over hem. Hij lag te schreien met

het gezicht in de handen.

„’t Is beter weer krankzinnig te worden! Ik hoor ze me naroepen en ik

zie mezelf. En dat is angst, angst, angst!”—

Maar toen was Ingrids geduld ten einde. „Ja, dat is flink,” riep ze.

„Word maar weer krankzinnig. Dat is flink en manlijk om krankzinnig te

willen worden om van een beetje angst af te komen.”

Ze beet zich op de lippen en worstelde met haar tranen, en omdat ze

niet gauw genoeg uit haar woorden kon komen, nam ze hem bij den arm en

schudde hem.

Ze was verbitterd, buiten zichzelf van boosheid, omdat hij haar op

nieuw wilde ontsnappen, omdat hij niet streed tegen zijn ongeluk.

„Wat geef je om mij? Wat geef je om je moeder? Word maar weer

krankzinnig, dan heb je ’t goed.”—

Ze schudde hem nog eens.

„Je wilt van je angst af zijn, zeg je! Maar is er dan geen angst voor

mij, die levenslang op je gewacht heb,—dat je nooit komen zult. Als je

hart hadt voor iemand anders dan je zelf, dan zou je je best wel doen

en gezond worden. Maar je geeft om niemand! Je kunt zoo mooi en

aandoenlijk komen, in droomen en visioenen en om hulp vragen, maar in

wezenlijkheid wil je geen hulp hebben. Je verbeeldt je maar, dat jouw

verdriet ’t grootste op de wereld is. Maar er zijn wel anderen, die

meer geleden hebben dan jij!”

Eindelijk zag Hede op, en keek haar recht en diep in de oogen. Ze was

niet mooi op dat oogenblik. Tranen stroomden over haar gezicht, haar

lippen beefden en met moeite kwamen haar woorden onder ’t snikken door.

Maar voor hem was ’t een genot haar zoo wild te zien. Er kwam een

wonderlijk gevoel van rust over hem en een overweldigende, nederige

dankbaarheid. Hier was iets kostbaars en heerlijks, dat tot hem kwam in

zijn diepste verval. Dit moest groote liefde zijn, groote liefde!—

Hij zat daar over zijn ellende te jammeren en daar stond de liefde en

klopte aan de deur. ’t Was niet zoo, dat hij verdragen zou worden als

hij tot het leven terugkeerde, niet zoo, dat de menschen ’t lachen wel

zouden kunnen laten.

Hier was werkelijk iemand, die hem liefhad, die naar hem verlangde. Ze

sprak harde woorden tot hem, maar hij hoorde haar liefde trillen in

ieder woord. ’t Was hem alsof ze hem een koninkrijk aanbood.

Ze zei hem, dat hij, terwijl hij krankzinnig geweest was, haar het

leven had gered. Hij had haar uit den dood opgewekt, haar geleid en

beschermd. Maar dat was niet genoeg. Ze wilde hem zelf hebben.

Toen ze hem kuste, had hij gevoeld, hoe een lieflijke balsem over zijn

zieke ziel werd uitgegoten, maar had niet durven gelooven, dat liefde

haar dreef. Maar aan haar toorn en haar tranen kon hij niet twijfelen.

Zij had hem lief, hem, ’t arme weerzinwekkende mensch, hem, dien

wonderlijken stumperd!—

En voor die groote, ootmoedige vreugde door die gedachte bij Hede

gewekt, verdween het duister. ’t Rolde weg als een zwaar ruischend

gordijn, en hij zag duidelijk ’t rijk der verschrikking voor zich,

waarin hij zoolang had rondgezworven. Maar daar ontmoette hij ook

Ingrid, daar hief hij haar op uit het graf, daar speelde hij voor haar

in ’t bosch, daar deed ze wat ze kon om hem te genezen.

Maar niet alleen de herinnering aan haar ontwaakte weer. Op ’t zelfde

oogenblik kwam ook ’t gevoel terug, dat ze hem had ingeboezemd. Hij

voelde een groote liefde zijn ziel geheel vullen. Hij voelde

dienzelfden gloed, als op ’t kerkplein te Roglanda, toen ze van hem

werd weggerukt.

In dat rijk der verschrikking, in die eindelooze woestijn was toch een

bloem gegroeid, die hem met haar schoonheid en geur getroost had. En nu

voelde hij hoe de liefde bestendig geworden was. Het wilde

woestijnplantje had zich in den levenstuin laten overplanten, had

wortel geschoten en groeide en bloeide. En toen hij dat voelde, wist

hij, dat hij gered was en dat het donker zijn man gevonden had.

Ingrid zweeg. Ze was moe, als na een inspannend werk; maar ze voelde

zich rustig, als een, die zijn werk zoo goed mogelijk gedaan heeft. Ze

wist, dat ze de overwinning behaald had.

Eindelijk brak Hede het stilzwijgen.

„Ik beloof je, dat ik het verdragen zal,” zei hij.

„Dank je,” antwoordde Ingrid.

Er werd op dat oogenblik niet meer gesproken. Hede kon haar niet

zeggen, hoe hij haar liefhad. Dat kon niet in woorden gezegd, alleen

maar iederen dag en ieder oogenblik—heel ’t lange leven door—getoond

worden.

Ingrid · 第 14 / 14 题