IX.

Wel was Gunnar Hede nog niet beter, maar zijn naaste betrekkingen waren

al gelukkig, omdat ze konden gelooven, dat hij op weg van beterschap

was. Zijn geheugen was grootendeels weg. Hij wist niets van lange

tijden uit zijn leven; hij kon geen viool meer spelen, zijn kennis had

hij bijna geheel verloren en zijn denkkracht was zelfs zóó zwak, dat

hij niet graag wilde lezen of schrijven. Maar hij was toch veel beter.

Hij was niet schuw meer, hij hield van zijn moeder, hij had weer

heerenmanieren en leefde als een heer. Men kan dus wel begrijpen, dat

de oude barones en al haar huisgenooten verrukt waren.

Hede zelf was voortdurend vroolijk. Hij kon lachen en jubelen den

heelen dag door, tobde nergens over, gleed over alles heen, wat hij

niet begrijpen kon, sprak nooit over iets wat inspanning vereischte,

maar praatte opgewekt en prettig.

Hij vermaakte zich het meest met lichaamsbeweging. Hij nam Ingrid mee

op sleetoeren en reed schaatsen met haar. Hij sprak niet veel met haar,

maar ze vond het toch prettig met hem mee te gaan. Hij was vriendelijk

voor Ingrid, zooals hij tegen allen was, maar in ’t minst niet verliefd

op haar.

Hij dacht heel vaak over zijn meisje, waarom ze niet schreef. Maar ook

die bekommering gleed spoedig van hem af. Hij verjoeg alle treurige

gedachten.

Ingrid zag wel, dat hij op deze manier niet heelemaal beter zou worden.

Eens moest hij weer tot denken gebracht worden, tot inkeer in zichzelf

komen, wat hij nu nog niet durfde. Maar zij durfde hem daar niet toe

dwingen. Als hij eerst een beetje van haar hield, dan zou ze ’t wel

durven wagen, dacht ze.

Nu meende zij, dat ze allen in de eerste plaats behoefte hadden aan een

beetje geluk.

Nu gebeurde het juist in dien tijd, dat er in de pastorie te Roglanda,

waar Ingrid opgevoed was, een klein kindje stierf. En dus moest de

doodgraver een graf er voor in orde maken.

De man groef het graf dicht bij de plaats, waar hij den vorigen zomer

een graf voor Ingrid gegraven had. En toen hij een paar voet diep in de

aarde gekomen was, legde hij een hoek van haar kist bloot. De

doodgraver kon niet laten even te glimlachen. Hij had wel gehoord, dat

de doode, die daar lag teruggekomen zou zijn. Ze zou al op den dag van

de begrafenis, het deksel van de kist hebben losgeschroefd, uit het

graf gekomen zijn en zich in de pastorie vertoond hebben. Nu, de

dominésvrouw was nu juist niet zoo bemind; de gemeenteleden vonden ’t

wel aardig zooiets van haar te vertellen. Hij dacht dat, als de

menschen maar wisten hoe goed bewaard de dooden hier in de aarde lagen

en hoe vast het deksel....

Hij hield midden in zijn gedachtengang op.

Op den hoek, die blootgekomen was, lag het deksel scheef en één schroef

zat niet vast.

Hij zei niets, dacht zelfs niets; maar hij hield op met graven en floot

de heele reveille van ’t Wermlandsche regiment, want hij was soldaat

geweest.

Toen dacht hij, dat het toch beter was die zaak behoorlijk te

onderzoeken. Het ging niet aan voor een doodgraver rond te loopen met

vermoedens, dat de dooden weerom konden komen en macht krijgen in

donkere herfstnachten. En haastig groef hij nog meer aarde weg. Toen

begon hij met de spade op de kist te kloppen. En de kist antwoordde

duidelijk, dat zij leeg was, leeg, leeg, leeg!—

Een half uur later stond de doodgraver in de pastorie. Daar bracht hij

groote verbazing en allerlei gissingen. Zooveel begrepen allen wel, dat

’t meisje in den zak van den man met de viool gezeten had. Maar waar

was ze gebleven!—

Moeder Stine stond bij den oven in de pastorie, en paste op het brood,

want nu moest er weer voor dit nieuwe begrafenismaal gebakken worden.

Lang stond ze te luisteren naar dit gepraat, zonder iets te zeggen. Zij

paste maar op, dat ’t gebak niet verbrandde, nam de platen uit den oven

en schoof ze er weer in, en ’t was gevaarlijk bij haar te komen om het

lange braadijzer. Maar op eens lei ze haar keukenschort af, veegde zich

’t zweet van ’t voorhoofd en ’t roet uit ’t gezicht en stond bij den

dominé in de kamer, eer ze ’t zelf wist.

Na dit alles was ’t juist geen wonder, dat op een dag in Maart een

kleine, roode slee met groene tulpen beschilderd, stilhield voor de

stoep van de Monnikshut.

Nu moest Ingrid natuurlijk naar huis, naar haar moeder. De predikant

was gekomen om haar te halen. Hij zei er niet veel van, dat ze blij

waren, dat ze nog leefde. Maar men kon aan hem zien, dat hij innig

vergenoegd was. Hij had zichzelf nooit kunnen vergeven, dat ze niet

goed genoeg voor zijn pleegdochter geweest waren, en nu straalde hij

van geluk, omdat hij nog eens van voren af aan met haar beginnen mocht

en ’t deze keer goed doen.

Er werd geen woord gesproken over de reden, waarom ze heengegaan was.

Dat was nu niet iets om zoo lang daarna weer op te halen en elkaar mee

te pijnigen. Maar Ingrid begreep dat de dominésvrouw een moeilijken

tijd gehad had, en door berouw gekweld geworden was; ook dat ze haar

graag terug wilden hebben om goed voor haar te zijn. Ze begreep, dat ze

bijna genoodzaakt was naar de pastorie te gaan om te toonen, dat ze

geen wrok tegen haar pleegouders koesterde. Allen vonden, dat het

natuurlijk was, dat ze een paar weken naar huis ging. En waarom zou ze

niet? Ze kon er zich niet op beroemen, dat ze onmisbaar was in ’t huis

waar ze nu woonde. Ze zou wel een paar weken weg kunnen blijven, zonder

dat het Gunnar Hede schaadde. ’t Was hard voor haar, maar ’t was toch

maar ’t beste mee te gaan, nu allen er zoo over dachten.

’t Is wel mogelijk, dat ze graag gezien had, dat ze haar hadden

gevraagd om te blijven. Zij zette zich in de slee met een gevoel, alsof

de barones of juffrouw Stava nog zou komen om er haar uit te tillen en

weer naar binnen te dragen. ’t Was niet te gelooven, dat ze de laan

afreed, ’t bosch in en dat de Monnikshut achter haar verdween.

Maar als ’t nu eens uit pure goedheid was, dat ze haar niet hadden

willen tegenhouden. Ze konden wel meenen, dat zij die jong en

levenslustig was, liefst van de eenzame Monnikshut weg wilde. Ze konden

wel meenen, dat zij de verpleging van den krankzinnige moe was. Ze hief

de hand op en wilde den teugel grijpen om terug te keeren. Nu eerst, nu

ze een mijl weg was van het landgoed, viel haar die gedachte in. Ze had

terug willen keeren om het hun te vragen.

’t Was alsof ze den weg moest zoeken door een ongebaand bosch, midden

in de diepe stilte, die haar omgaf. Geen mensch gaf haar raad of

antwoord. Evenmin antwoordden haar de dennen en de sparren, de

eekhoorns en de uilen.

’t Was haar onverschillig, hoe ze het thuis in de pastorie had. Ze had

het er heel goed, geloofde ze, maar ’t kon haar niet schelen. Al was ze

in een koningsslot, in een betooverden lusthof geweest, ’t had haar

koud gelaten. Er is geen bed, zóó zacht, dat het rust geven kan aan

iemand, die verlangt.

In ’t begin vroeg ze iedereen zoo vriendelijk als ze kon, of ze haar nu

weer niet terug wilden laten gaan, nu ze het grootste genot gehad had

moeder en de broertjes en zusjes weer te zien. Maar ’t was niet te doen

om de wegen. Ze moest geduld hebben tot de vorst uit den grond was. ’t

Was toch geen levensquestie of ze wat later terugging. ’t Was moeilijk

voor Ingrid te begrijpen, waarom het de menschen ergerde, als ze zei,

dat ze naar de Hedes terug wilde. Dat was zoo met haar ouders, maar ook

met de andere gemeenteleden. Men mocht niet naar eenig ander oord in de

wereld verlangen, als men in Roglanda was.

Spoedig vond ze uit, dat het ’t beste was als ze in ’t geheel niet over

haar reis sprak. Er kwamen zoo oneindig veel bezwaren voor den dag,

zoodra zij er maar op doelde. ’t Was niet genoeg, dat de wegen nog even

slecht waren. Ze bouwden schuttingen, en muren en hooge wallen om haar

op. Ze moest een deken stikken, en weven en planten in de broeikas. En

ze kon toch niet weggaan vóór ’t groote verjaarfeest van den proost. Ze

kon toch niet heengaan vóór de bruiloft van Karin Landberg.

Er bleef haar niets anders over dan de handen smeekend naar den

lentehemel op te heffen en dien te bidden zich te haasten met zijn

werk, te smeeken om zonneschijn en warmte, de liefderijke zon te

bidden, dat ze zich zou inspannen om ’t groote dennenbosch te

ontdooien, haar kleine brandende stralen tusschen dennen door te zenden

en de sneeuw bij hun wortels te doen smelten. Lieve, lieve zon! ’t doet

er niet toe of de sneeuw smelt in ’t dal, als ze maar verdwijnt van de

bergen, als de boschpaden maar begaanbaar worden, als de meisjes met

hun vee naar de hutten op de bergweiden trekken, als de moerassen maar

droog worden en de weg, die half zoo kort als de rijweg is, maar

beloopen kan worden. Ingrid wist wel, wie niet op een wagen zou wachten

of om reisgeld vragen, zoodra de weg in ’t bosch maar begaanbaar was.

Zij wist wel, wie op een helderen nacht uit de pastorie zou heengaan,

zonder iemand ter wereld toestemming te vragen. Ze had gemeend, dat ze

vroeger wel eens op de lente gewacht had. Dat deden immers alle

menschen. Maar nu wist Ingrid, dat ze vroeger nooit naar ’t voorjaar

had verlangd. Och neen! neen, dat was nooit verlangen geweest.

Vroeger had ze uitgezien naar groene blaadjes en anemonen, naar ’t

zingen van den lijster en ’t roepen van den koekoek. Maar dat was niets

dan kinderwerk geweest. Die alleen maar aan ’t mooie van de lente

dacht, verlangde niet echt. Wie dàt deed, zou de eerste aardklont

kussen, die uit de sneeuw te voorschijn kwam. Die zou de eerste

verschrompelde brandnetelblaadjes plukken, als om zich in te branden,

dat nu de lente kwam!—

Alle menschen waren zoo innig vriendelijk voor haar. Maar al zei ze

niets, toch geloofden ze, dat ze er aan dacht om heen te gaan. „Ik kan

niet begrijpen, dat je daar weer terug wilt gaan en dien gek oppassen,”

zei Karin Landberg eens. ’t Was alsof ze Ingrids gedachten lezen kon.

„Och! dat heeft ze zich nu al lang uit het hoofd gezet,” antwoordde de

dominésvrouw, eer ’t meisje antwoorden kon.

Toen Karin weg was, zei de dominésvrouw: „De menschen vinden ’t vreemd,

dat je van ons weg wilt.”

Ingrid zweeg.

„Men zegt, dat toen Hede beter werd, hij misschien zoo was, dat je

verliefd op hem werdt.”

„Och neen, niet sinds hij beter werd,” zei Ingrid en moest lachen.

„Ja hoe dat nu ook is, hij is toch niet iemand, waar je mee trouwen

kunt,” zei haar pleegmoeder. „Vader en ik hebben daarover gesproken en

wij vinden, dat het beter voor je is, dat je bij ons blijft.”

„’t Is lief van u, dat u me hier houden wilt,” zei Ingrid. En het trof

haar, dat ze nu zoo goed voor haar wilden zijn.

Maar ze geloofden haar niet, hoe gehoorzaam ze ook was. Zij kon niet

begrijpen, waaraan ze haar verlangen merkten. Nu had haar pleegmoeder

immers gezegd, dat ze niet meer terug mocht. Maar daar liet ze het niet

bij.

„Ze konden immers wel schrijven, als ze je noodig hadden,” zei ze.

Weer moest Ingrid lachen. Dat zou wel ’t wonderlijkste zijn, als er een

brief kwam uit een tooverslot. Zij dacht er over of haar pleegmoeder

meende, dat de bergkoning een brief schreef aan ’t meisje, dat hij eens

in den berg gelokt had, als ze zich later bij haar moeder voor hem

verborg.

Als haar pleegmoeder maar eens wist, hoeveel boden er tot haar kwamen.

Daar zouden haar ooren wel van getuit hebben.

Ze kwamen in droomen des nachts, en in visioenen overdag. Hij liet

Ingrid weten, dat hij haar noodig had. Hij was zoo ziek, zoo ziek!

Ze wist, dat hij op ’t punt stond weer krankzinnig te worden en dat ze

naar hem toe moest. Als iemand haar dat verteld had, zou ze geantwoord

hebben, dat ze ’t wist.

De groote sterrenoogen keken al verder en verder weg. ’t Was niet aan

te nemen, dat ze kalm en pleizierig thuis zou blijven, voor hen, die

die oogen zagen.

’t Is niet zoo moeilijk te zien of een mensch het goed heeft of

verlangt. Men heeft maar een vonkje van geluk in de oogen te zien, als

hij van zijn werk komt en zich aan den haard zet. Maar in Ingrids oogen

zag men die vonk niet; behalve als ze de beek aanzag, die uit ’t bosch

kwam aanbruisen, overvol van water. Die baande immers den weg voor

haar.

’t Gebeurde eens, dat Ingrid met Karin Landberg alleen zat en toen

begon ze te vertellen van haar leven op de Monnikshut. Karin schrikte

er van. Hoe had Ingrid dat kunnen uithouden!

Karin Landberg stond op het punt te trouwen. En nu was ze zoover, dat

ze over niets anders dan over haar verloofde spreken kon. Ze wist

niets, dat hij haar niet geleerd had, ze kon niets doen zonder ’t hem

eerst te vragen. En ’t viel haar in, dat Olof over deze questie iets

gezegd had, dat ze kon gebruiken om Ingrid af te schrikken als ’t waar

was, dat ze op weg was van den krankzinnige te gaan houden. En toen

begon ze haar te vertellen hoe waanzinnig Hede werkelijk geweest was.

Want Olof had haar verteld, dat hij op de markt geweest was den vorigen

herfst. Toen hadden een paar heeren gezegd dat de Geitebok niet echt

gek was. Hij hield zich maar zoo om klanten te lokken. Maar Olof had

volgehouden, dat hij ’t wel degelijk was. Om dat te bewijzen, had hij

op de veemarkt een armzalig klein geitje gekocht. En toen bleek het,

dat hij gek was. Olof had niets anders te doen dan ’t geitje op de

toonbank te zetten, waar hij zijn messen had tentoongesteld om hem van

zijn zak en al zijn koopwaar te doen wegloopen. En allen hadden zoo

vreeselijk moeten lachen, toen ze zagen, hoe bang hij werd. En ’t kon

toch niet mogelijk zijn, dat Ingrid iets geven kon om iemand, die zóó

gek was.

’t Was misschien onvoorzichtig van Karin Landberg, dat ze Ingrid niet

aankeek, terwijl ze dat verhaal deed. Als ze gezien had, hoe ze de

wenkbrauwen fronsde, had haar dat misschien kunnen waarschuwen.

„En je wilt gaan trouwen met iemand, die zooiets gedaan heeft?” zei

Ingrid. „Ik geloof dat ’t nog beter is, met den Geitebok zelf te

trouwen.”

En dit werd door Ingrid zóó van harte en duidelijk gezegd en ’t was zoo

vreemd, dat Ingrid, die zóó zacht was, zooiets hards zei, dat het Karin

veel pijn deed. Ze was er verscheidene dagen onrustig door en dacht er

over of Olof wel zoo was, als zij graag had, dat hij wezen zou; het

verbitterde haar leven, tot ze eindelijk Olof alles vertelde en toen

was hij zoo lief, dat hij haar weer geheel troostte en kalmeerde.

’t Is niet zoo makkelijk op de lente te wachten in Wermeland. Men kan

het zonnig en warm hebben tot den avond en toch den volgenden morgen

alles wit van sneeuw vinden.

Klapbesstruiken en grasvelden worden wel groen, maar ’t berkenbosch

staat kaal en wil niet uitbotten.

Met Pinksteren was het lente in ’t dal, maar Ingrids gebeden hadden

niet geholpen. Geen enkel herderinnetje was nog naar ’t bosch

getrokken, geen enkele plas opgedroogd; er was nog geen denken aan op

’t boschpad voort te komen.

Met Pinksteren was Ingrid in de kerk met haar pleegmoeder. Ter eere van

het feest reden zij in den wagen. Vroeger had Ingrid ’t heerlijk

gevonden om in volle vaart het kerkplein op te rijden, terwijl zij die

buiten ’t steenen muurtje en aan den wegkant stonden, den hoed afnamen

en groetten, en zij, die midden op den weg stonden, haastig op zij

sprongen, alsof ze zeer verrast waren. Maar nu genoot ze nergens meer

van.

„’t Verlangen neemt den geur van de roos weg en den glans van de volle

maan,” zegt het spreekwoord.

Maar Ingrid was ingenomen met wat ze in de kerk hoorde. ’t Deed haar

goed te hooren, dat de leerlingen in hun verlangen getroost werden door

een heerlijk wonder. ’t Deed haar goed, dat Jezus er aan dacht, hen te

troosten, die zoo bitter naar hem verlangden.

Terwijl Ingrid en alle anderen in de kerk zaten kwam een lange man uit

Dalecarlië op den weg aan. Hij had een pels aan en droeg een zwaren zak

met koopwaren op den rug, als een, die geen onderscheid weet tusschen

winter en zomer, tusschen week- en feestdagen. Hij ging niet in de

kerk, maar sloop met groote bekommering voorbij de paarden, die aan den

wegkant vastgebonden stonden, naar het kerkhof.

Daar zette hij zich op een graf en dacht aan al die dooden, die nog

sliepen en aan één doode, die weer ontwaakt was. Nu zat hij er nog toen

de menschen uit de kerk kwamen.

De verloofde van Karin Landberg was een van de eersten, die naar buiten

kwam en doordat hij toevallig naar het kerkhof keek, kreeg hij den

Dalecarliër in het oog. ’t Is moeilijk uit te maken of ’t

nieuwsgierigheid of wat anders was, dat hem dreef, maar hij ging er

heen om met den man te praten. Hij wilde zien of ’t mogelijk was, dat

hij, die genezen heette, op nieuw waanzinnig geworden was.

En dat was mogelijk. Hij vertelde Olof al gauw, dat hij daar zat te

wachten op iemand, die Graflelie heette. Ze zou komen en voor hem

spelen. Ze zou zóó spelen, dat de zon begon te dansen en de sterren in

een kring draaiden.

Toen zei Olof dat zij, die hij wachtte daar op het kerkplein stond. Als

hij maar even opstond, kon hij haar zien. Ze zou wel blij zijn hem weer

te zien.

De dominésvrouw en Ingrid zouden juist in den wagen stappen, toen een

lange Dalecarliër op haar toe ijlde. Hij liep hard, niettegenstaande

alle paarden, die hij moest groeten en wenkte het jonge meisje levendig

toe met de hand.

En zoodra Ingrid hem zag, bleef ze onbewegelijk staan. Ze zou niet

hebben kunnen zeggen wat sterker was, de blijdschap, dat ze hem

weerzag, of de droefheid, dat hij op nieuw krankzinnig geworden was.

Maar ze vergat al het andere op de wereld.

En haar oogen begonnen te stralen. Op dat oogenblik zag ze zeker ’t

arme, ellendige mensch niet. Ze voelde de tegenwoordigheid van die

fijne ziel, waar ze tot stervens toe naar verlangd had.

Al de kerkgangers stonden om haar heen en zagen haar aan. Niemand kon

zijn oogen van haar gezicht afwenden. Ze bewoog zich niet om naar hem

toe te gaan, ze stond maar stil op hem te wachten. Maar zij, die zagen

hoe ze straalde van geluk, moesten bijna gelooven, dat een groot,

heerlijk menschenkind op haar afkwam en niet een krankzinnige.

Later zeiden ze, dat het bijna scheen, alsof er een verwantschap

tusschen haar en zijn ziel was, een geheimzinnige band, die zóó diep

onder hun bewustzijn lag, dat geen menschenverstand dien bereiken kon.

Maar toen Hede nog maar een paar stappen van Ingrid af was, greep haar

pleegmoeder haar met een vaste hand aan, tilde haar op en zette haar in

den wagen. Zij wilden geen ontmoeting tusschen die beide toelaten daar

op ’t kerkplein, waar zooveel menschen bij waren. En zoodra ze in den

wagen waren, zette de jongen de paarden aan en ze vlogen weg.

Een paar akelige, luide kreten klonken achter hen. De dominésvrouw

dankte God dat ze ’t meisje nog bij tijds in den wagen gekregen had.

’t Duurde niet lang dien middag, of een boer kwam op de pastorie en

vroeg naar den predikant. Hij kwam over den krankzinnigen Dalecarliër

spreken. Hij was nu heelemaal woest, zoodat ze hem hadden moeten

binden. Wat raadde de dominé hun? Wat moesten ze met hem doen?

De predikant kon niet anders raden, dan dat ze hem naar huis zouden

brengen. Hij vertelde den boer wie hij was en waar hij woonde.

Later op den avond vertelde hij het aan Ingrid. ’t Was ’t beste haar de

waarheid te zeggen, dan kon ze haar eigen gezond verstand gebruiken.

Maar toen de nacht kwam, zag ze in, dat ze geen tijd had om langer op

de lente te wachten. En ze ging op weg, ’t arme kind, langs den grooten

weg naar de Monnikshut.

Zij zou er wel komen, al wist ze ook dat die weg eens zoo lang was als

het boschpad.

Ingrid · 第 13 / 14 题