Van het oogenblik af, dat Ingrid Gunnar Hede in den krankzinnige
herkend had, dacht ze aan niet anders, dan aan hem te genezen.
Maar dat was een zwaar werk en zij had in ’t geheel geen begrip, hoe
zij eigenlijk doen moest. Om te beginnen wilden ze hem alleen maar
thuis houden. En dat ging gemakkelijk genoeg. Alleen om haar elken dag
een poosje viool of guitaar te hooren spelen, zat hij nu geduldig van
’s morgens tot ’s avonds op haar te wachten in juffrouw Stava’s
kamertje.
Ze vond, dat het al veel gewonnen zou zijn, als ze hem kon bewegen in
een andere kamer te komen. Maar dat durfde hij in ’t geheel niet. Zij
probeerde zich apart te houden en zei, dat hij niets meer zou hooren,
als hij niet bij haar kwam.
Maar toen ze dat twee dagen had volgehouden, begon hij zijn ransel te
pakken om heen te gaan, en toen moest ze toegeven.
Hij had een groote voorliefde voor haar en trok haar duidelijk boven
ieder ander voor, maar hij kon voor haar zijn vrees niet opgeven.
Zij vroeg hem zijn pels af te leggen en een gewone jas aan te trekken.
Dat deed hij dadelijk, maar den volgenden dag had hij zijn pels weer
aan. Toen verstopte zij dien. Toen trok hij den pels van den jongen aan
en dan was ’t nog maar beter dat hij zijn eigen droeg.
Hij bleef altijd even schuw en wilde volstrekt niet, dat iemand te
dicht bij hem kwam. Zelfs Ingrid mocht niet vlak naast hem zitten.
Op een dag zei ze tegen hem, dat hij haar nu eerst wat beloven moest.
Hij moest de kat niet meer groeten. Ze zou hem niet iets vragen wat te
moeilijk was b.v. den hond of het paard niet te groeten; maar hij kon
toch niet bang zijn voor een klein poesje.
„Ja zeker,” zei hij, „de kat is een geitebok.”
„Die kan immers geen geit of geen bok zijn,” antwoordde Ingrid. „Ze
heeft immers geen horens.”
Daar was hij blij om. Nu had hij eindelijk iets gevonden, waaraan hij
geiten van andere dieren onderscheiden kon.
Den volgenden dag zag hij de kat van juffrouw Stava. „Die geit heeft
geen horens,” zei hij met een trotschen lach. En hij liep het dier
voorbij en ging in de sofa zitten om naar Ingrids spel te luisteren.
Maar een oogenblik later werd hij onrustig. Hij stond op, ging naar de
kat toe en groette.
Ingrid werd wanhopend. Ze nam hem bij den arm en schudde hem door
elkaar. Hij sprong de deur uit en vertoonde zich niet voor den
volgenden dag.
„Kind, kind,” zei de barones, „je doet als ik en probeert allerlei, net
als ik. Je zult hem nog bang maken, zoodat hij niet meer bij je durft
komen. ’t Is beter hem met rust te laten. Wij zijn al tevreden zooals
’t nu is; als hij maar thuis blijft.”
Er bleef niet anders over dan de handen te wringen van verdriet, omdat
die fijn beschaafde, beminnelijke jonge man verborgen bleef in dien
krankzinnige daar.
Ingrid zou maar willen weten, of ze alleen daarom hierheen geleid
geworden was, opdat ze hem haar grootvaders melodieën zou voorspelen.
Zou dat haar heele leven zoo doorgaan? Zou dat nooit anders worden?
Ze vertelde hem ook verhalen. En midden in zulk een verhaal kon zijn
gezicht opklaren en hij kon dan zulke mooie, fijne dingen zeggen. Een
verstandig mensch zou nooit op zooiets gekomen zijn. En meer was er ook
niet noodig om haar moed te doen herleven en ze probeerde weer van
voren af aan allerlei om hem te genezen.
’t Was laat op den middag. De maan was bezig op te komen. Op ’t veld
lag de blanke sneeuw; grauw glinsterend ijs bedekte het meer. De boomen
waren zwart bruin, en de lucht was brandend rood van zonsondergang.
Ingrid ging naar het meer om schaatsen te rijden. Ze liep langs een
smal pad, dat in de sneeuw gemaakt was. Gunnar Hede kwam achter haar
aan. Er was iets onderdrukts in zijn houding, dat onwillekeurig
herinnerde aan een hond, die zijn meester volgt.
Ingrid zag er vermoeid uit. Er was geen glans in haar oogen, haar
gezichtje was grijsbleek. Terwijl ze daar liep, vroeg ze zich af of de
dag, die nu heenging over zichzelf te vreden zou zijn.
En of hij jubelend zijn grooten, brandend rooden zonsondergang in ’t
westen deed opvlammen. Dat wist ze wel, dat zij niet over dezen dag,
noch over iets anders een vreugdevuur had kunnen ontsteken. In die
heele maand, die voorbij gegaan was, sinds ze Gunnar Hede herkend
had—had ze niets gewonnen.
En nu vandaag was een groote angst over haar gekomen. ’t Was haar alsof
zij heel haar groote liefde verspillen zou. Zij begon den student te
vergeten om alleen maar aan den zieke te denken. Al wat licht en mooi
en liefelijk was verdween en deze liefde was niet anders dan droevige,
drukkende ernst.
Ze voelde haar wanhoop stijgen, terwijl ze op het meer toeging. Ze
voelde, dat ze niet wist wat ze doen moest, dat ze het moest opgeven. O
God! Daar liep hij achter haar aan—zoo frisch en krachtig om te zien en
toch zoo hulpeloos, zoo ongeneeselijk ziek.
Ze waren bij ’t meer en ze bond zich de schaatsen aan. Ze wilde hem mee
hebben en bond hem ook de zijnen aan, maar hij viel, zoodra hij op ’t
ijs kwam. Hij kroop naar ’t land en zette zich op een steen en zij reed
weg.
Vlak voor den steen, waar Gunnar Hede zat, lag een eilandje, met berken
en espen begroeid en daarachter de stralende avondhemel, die nog altijd
gloeiend rood was. En de fijne, lichte kronen van de boomen stonden
tegen dat rood in zulk een schoonheid, dat het onmogelijk was het niet
op te merken.
Gewoonlijk is ’t zoo, dat men een plaats herkent aan een enkelen trek,
want men weet zelfs van wat men ’t allerbeste kent, niet hoe het er van
alle kanten uitziet. En de Monnikshut herkende men vooral aan dat
kleine eilandje. Als men ’t landgoed in lange jaren niet gezien had,
zou men ’t toch herkend hebben aan dat eilandje, dat nu daar lag en
zijne donkere boomkronen tegen den avondhemel ophief.
Hede zat onbewegelijk naar ’t eilandje te kijken, naar de fijne
boomtakjes, en naar ’t grauwe ijs, dat zich vóór hem en naar alle
kanten uitstrekte.
Dit was voor hem ’t meest bekende uitzicht. Er was niets op ’t heele
landgoed, dat hij zóó goed kende. Want, zooals we reeds zeiden, dat
eilandje trok aller oogen tot zich. En spoedig zat hij naar ’t eilandje
te kijken zonder er aan te denken, zooals men doet met het welbekende.
Lang zat hij zoo te staren. Niets stoorde hem, geen mensch, geen
windzuchtje, niets vreemd. Ingrid zag hij niet. Ze was ver weggereden.
Toen kwam er een kalmte en rust over Gunnar Hede, zooals men alleen in
oude bekende omgeving voelt. Van dat eilandje stroomde hem een gevoel
van veiligheid en gezelligheid tegen. En dat stilde de eeuwige onrust,
die hem kwelde.
Hij meende altijd, dat hij onder vijanden was en dacht er altijd aan
zich te verdedigen. In vele jaren had hij de rust niet gevoeld, die hem
vergunde zichzelf te vergeten. Maar nu kwam die weer over hem.
Terwijl Gunnar Hede daar zoo zat en eigenlijk nergens aan dacht, maakte
hij bij toeval een onwillekeurige beweging, zooals men doet als men in
van ouds bekende toestanden is. Toen hij daar zoo zat met het ijs voor
zich en de schaatsen aan, stond hij op en reed over ’t meer voort. En
hij dacht er evenmin aan dat hij dit deed, als men er onder het eten
aan denkt, hoe men vork en lepel hanteert.
Hij gleed voort over ’t meer. ’t Was ’t beste ijs, dat men zich denken
kan. Hij was ver van ’t land eer hij merkte, wat hij deed. „Prachtig
ijs,” dacht hij toen. „Waarom ben ik er vandaag niet eerder op gegaan?
Ik reed gisteren des te meer,” troostte hij zich toen. „Maar ik moet
geen dag verzuimen zoolang de vacantie duurt.”
’t Moet zeker zijn omdat Gunnar Hede iets was gaan doen, wat hij
gewoonlijk deed, eer hij ziek was, dat iets van zijn vroeger ik in hem
wakker werd. Gedachten en voorstellingen, die bij zijn ouder leven
hoorden, begonnen tot zijn bewustzijn door te dringen. Maar op ’t
zelfde oogenblik zonken alle gedachten, die met zijn ziekte
samenhingen, weg in vergetelheid. Zooals hij gewoonlijk deed, als hij
schaatsen reed, maakte hij een groote tocht het meer op, om voorbij een
scherpe landtong te kunnen zien. Hij deed het onwillekeurig, maar toen
hij bij de landtong kwam, wist hij, dat hij het deed om te zien of er
licht in zijn moeders venster was.
„Nu vindt ze zeker wel, dat het tijd is om thuis te komen. Maar ze moet
nog een poosje wachten. ’t IJs is al te mooi.”
Maar ’t waren meest onbepaalde gevoelens van genot bij de
lichaamsbeweging en den prachtigen avond, die hij voelde. Juist met
zulk een maneschijn moest men schaatsenrijden. Hij hield zooveel van
den zachten overgang van dag tot nacht. ’t Licht draalde nog, maar de
rust was er al. ’t Beste van nacht en dag beide was er nog. Er was nog
iemand op ’t ijs, die schaatsen reed. ’t Was een jong meisje. Hij wist
niet of hij haar kende, maar hij reed naar haar toe om ’t te zien.
Neen, ’t was geen bekende, maar hij kon niet laten, terwijl hij
voorbijging, een paar woorden te zeggen over ’t mooie ijs.
De vreemde was zeker een meisje uit de stad: Ze scheen niet gewend zoo
maar ineens aangesproken te worden. Ze had er zoo verschrikt uitgezien,
toen hij die paar woorden tegen haar zei. Nu, hij zag er dan ook
wonderlijk uit. Hij had immers een heel boerenpak aan.
Hij zou haar niet meer doen schrikken, hij keerde om en reed ’t meer
verder op.
’t IJs was groot genoeg voor hen beiden.—Maar Ingrid had ’t bijna
uitgeschreeuwd van verbazing. Daar was hij aangekomen, flink en
elegant, de armen over de borst gekruist, de rand van den hoed
opgeslagen, ’t haar achterovergestreken, zoodat ’t hem niet om de ooren
hing.
Hij had gesproken met de stem van een beschaafd man, bijna zonder
dialekt.
Ze gaf zich niet den tijd om lang verbaasd te zijn. Ze reed op het land
toe.
Ze kwam de keuken invliegen. Ze wist niet hoe ze ’t kort en duidelijk
genoeg zou zeggen.
„Juffrouw Stava, de jonge heer is thuis gekomen.”
De keuken was leeg, de juffrouw en de meisjes waren uit. Ook in de
kamer van juffrouw Stava was niemand. Ingrid rende ’t heele huis door,
kwam in kamers, waar niemand ooit binnentrad. Aldoor riep ze maar:
„Juffrouw Stava, juffrouw Stava! de jonge heer is thuisgekomen!”
Ze was heelemaal wild! en ze stond nog te roepen in de groote
bovenvestibule, toen juffrouw Stava, de twee meisjes en de barones zelf
al om haar heen stonden. Ze zei aldoor maar hetzelfde al te opgewonden
om te kunnen zwijgen.
Ieder begreep wat ze zeggen wilde. Alle vier waren ze even geschokt.
Lippen trilden en handen beefden.
Ingrid wendde zich wanhopig van de een naar de andere. Ze moest immers
verklaren en orders geven, maar wat moest ze zeggen?
Ach, als ze nu haar tegenwoordigheid van geest verloor? Zij zag de
barones hartstochtelijk smeekend aan: „Wat was er ook weer, wat wil ik
toch?”
De oude dame gaf enkele bevelen met zachte, bevende stem. Ze fluisterde
bijna. „Licht en vuur op de kamers van den jongen heer. De kleeren van
den jongen heer moeten klaar gelegd worden.”
’t Was niet het oogenblik voor juffrouw Stava om boos te worden. Toch
was er iets hoogs in haar stem toen ze antwoordde: „Er is altijd vuur
op de kamers van den jongen heer. Zijn kleeren liggen altijd voor hem
klaar.”
„Ingrid moet naar haar kamer gaan,” ging de oude dame voort.
Maar ’t jonge meisje deed juist andersom.
Ze ging in het salon en stond daar aan ’t venster, snikkend en bevend,
zonder te weten, dat ze lang niet rustig en stil was.
Ongeduldig veegde ze de tranen weg uit de oogen om ’t sneeuwveld te
kunnen zien, dat zich voor ’t huis uitstrekte. Als ze maar niet
schreide zou niets haar kunnen ontgaan in dit heldere maanlicht. En
toen kwam hij. „Daar! daar!” riep zij de barones toe. „Hij loopt flink,
hij springt! Komt u maar hier, dan kunt u ’t zien!”
De oude barones zat stil bij ’t vuur. Ze bewoog zich niet. Ze spande
zich in om te hooren, zooals de andere om te zien.
Ze vroeg Ingrid stil te zijn, zoodat ze hooren kon hoe hij liep. Ja,
ja, ze zou stil zijn. Mevrouw zou hooren hoe hij liep. Ze greep de
vensterbank stevig vast, alsof dat haar helpen zou. „Je moet stil
zijn,” zei ze in zichzelf, „dan kan Mevrouw hooren hoe hij loopt.”
De oude dame zat voorover gebogen, luisterende met heel haar ziel.
Hoorde ze zijn stappen al buiten op ’t grasveld? Nu dacht ze wel, dat
hij naar de keuken zou gaan. Ingrid zag, dat ze niet anders durfde
denken, dat hij den weg naar de keuken zou nemen. Hoorde ze nu hoe de
groote stoep kraakte? Hoorde ze de deur van de vestibule opengaan?
Hoorde ze met welk een vaart hij de trap naar boven op ging? Twee, drie
treden te gelijk. Had zijn moeder dat nu gehoord? ’t Waren geen
slepende boerenstappen, als toen hij dien avond uitging.
’t Was bijna met ontzetting, dat ze hem naar de deur van het salon
hoorde komen. Ze hadden zeker beiden gegild, als hij was binnengekomen.
Maar hij ging den anderen kant op, naar zijn kamers.
De barones zonk achterover in haar stoel, haar oogen sloten zich.
Ingrid dacht dat de oude dame op dat oogenblik wel had willen sterven.
Zonder de oogen te openen strekte zij de handen uit. Ingrid ging zacht
naar haar toe en vatte ze, en de barones trok ze naar zich toe.
„Mignon, Mignon,” fluisterde ze. „Dat was toch de rechte naam.”
„Neen,” ging ze voort, „we mogen nu niet schreien. We mogen er nu niet
over praten. Krijg een bankje en ga hier bij ’t vuur zitten. We moeten
kalm worden, kindje. We moeten over wat anders praten. We moeten
volkomen kalm zijn, als hij binnenkomt.”
Een half uur later kwam Hede binnen. Toen stond de thee op tafel en de
kroon was aangestoken. Hij had zich werkelijk verkleed en zag er uit
als een heer. Ingrid en de barones drukten elkaar heftig de hand.
Ze hadden zich zitten voorbereiden op zijn komst. ’t Was onmogelijk te
bedenken, wat hij doen of zeggen zou, zei de barones, hij was altijd
onberekenbaar. Maar zij beiden zouden in alle geval kalm zijn.
Ingrid was ook werkelijk kalm geworden. Een groot, oneindig gevoel van
geluk was over haar gekomen en had haar onrust gestild. Ze was als een,
die opvaart naar de gelukzaligheid des hemels. Ze rustte zonder zorgen
in engelenarmen, die haar omhoog droegen, altijd hooger!—
Maar Hede was ’t minst niet verlegen. „Ik kom alleen maar even binnen,”
zei hij, „om u te zeggen, dat ik een hevige hoofdpijn heb, zoodat ik
vroeg naar bed zal gaan. Ik voelde het al op het ijs.”
De barones antwoordde niet. Dit was zóó eenvoudig, dat ze er in ’t
geheel niet op voorbereid was. Ze had een oogenblik noodig om te
begrijpen, dat hij niets van zijn ziekte wist, en dat hij ergens in ’t
verleden leefde. „Maar misschien hebt u wel eerst een kop thee voor
me,” zei hij en keek wat verwonderd over haar zwijgen.
De barones ging naar het theeblad. Hij zag haar aan.
„Heeft u geschreid, Mama? U is zoo stil.”
„Wij hebben samen over een treurige geschiedenis gepraat, mijn jonge
vriendin hier en ik,” zei de barones en wees op Ingrid.
„O, pardon,” zei hij, „ik zag niet, dat u een gast had.”
’t Jonge meisje trad wat vooruit in ’t licht van de kroon. Ze was zoo
mooi, als zij wezen moeten, die weten, dat aanstonds de poorten van den
hemel zullen opengaan.
Hij groette wat stijf. Hij wist blijkbaar niet, wie hij voor zich had.
De barones stelde haar voor.
Hij zag Ingrid vluchtig aan.
„Ik zag juffrouw Berg daar straks op het ijs,” zeide hij.