’t Was ongeveer een week na Kerstmis. Ingrid zat aan het venster in het
kleine salon te borduren. De oude barones zat op de sofa te breien,
zooals ze nu voortdurend deed.
’t Was doodstil in de kamer.
De jonge Hede was een week thuis geweest. En al dien tijd had Ingrid
hem niet ontmoet, hij leefde als een boer, ook in zijn eigen huis,
sliep in de knechtskamer en at in de keuken. Hij kwam nooit binnen bij
zijn moeder.
Ingrid wist, dat de barones en juffrouw Stava beiden verwachtten, dat
ze iets voor Hede doen zou, dat ze tenminste zou probeeren hem thuis te
doen blijven. En ze ergerde er zich over, dat het haar onmogelijk was
te doen wat zij verlangden. Zij was wanhopend over zich zelf en over de
machteloosheid, die over haar gekomen was sinds haar illusies vervlogen
waren.
Dien dag was juffrouw Stava juist komen vertellen, dat Hede zijn ransel
pakte om heen te gaan. Hij bleef deze keer niet eens zoolang als hij
gewoonlijk bij zijn Kerstbezoek deed, zei ze met een verwijtenden blik
op Ingrid.
Ingrid begreep zoo goed wat men van haar verwachtte, maar ze kon niet!
Ze werkte door zonder iets te zeggen.
Juffrouw Stava ging heen en dezelfde doodsche stilte daalde weer neer
over de kamer.
Ingrid vergat geheel, dat ze niet alleen was en een soort verdooving
kwam over haar, waarin al haar droeve gedachten zich vormden tot een
soort fantasie.
Zij stelde zich voor, dat ze door heel het groote huis rondzwierf. Zij
ging door een massa zalen en kamers en zij zag ze vóór zich, met grijze
linnen overtrekken over de meubels, en in gaas gehulde schilderijen en
lichtkronen, en op de vloeren een dikke laag stof, dat opvloog waar ze
ging. Maar eindelijk kwam ze in een kamer, waar ze nooit geweest was.
’t Was een heel klein kamertje, waar de muren en de zolder zwart waren.
Maar toen ze goed toekeek zag ze, dat de kamer niet zwart geschilderd
was, ook niet met zwart doek behangen, maar dat aan den wand en aan den
zolder een menigte vleermuizen zaten, dicht op elkaar gedrongen. De
heele kamer was niets anders dan één groot vleermuizennest. Uit het
venster was een ruit gebroken, zoodat men begrijpen kon hoe de dieren
in zulk een ongeloofelijke massa binnen hadden kunnen komen, dat ze de
geheele kamer bekleedden. Zij hingen daar onbeweeglijk in hun
winterslaap en geen een verroerde zich toen zij binnenkwam.
Maar zelf werd ze door zulk een ontzetting aangegrepen, dat ze over ’t
geheele lichaam begon te beven. ’t Was vreeselijk, die massa dieren
daar te zien hangen. Allen hadden de zwarte vleugels als mantels om
zich heen geslagen. Allen hadden een lange klauw in den muur vast gezet
en hingen daaraan, onbeweeglijk slapende. Zij zag het zoo duidelijk,
dat ze er zich over verwonderde of juffrouw Stava wel wist, dat een
heele kamer was ingenomen door vleermuizen.
In gedachten ging zij naar juffrouw Stava en vroeg haar, of ze in die
kamer geweest was en als die dieren gezien had.
„Ja zeker heb ik ze gezien,” antwoordde juffrouw Stava. „Dat is hun
kamer. Weet juffrouw Ingrid niet, dat er geen enkel oud landgoed hier
in ’t land is, waar niet een kamer voor de vleermuizen is ingericht?”
„Neen, dat heb ik nooit gehoord,” zei Ingrid.
„Als u zoolang in de wereld geleefd hebt als ik, zult u wel zien, dat
ik waarheid spreek,” zei juffrouw Stava.
„Ik kan niet begrijpen, dat men zoo iets dulden kan,” zei Ingrid.
„Wij moeten dat,” zei juffrouw Stava. „Die vleermuizen zijn de vogels
van vrouw Zorg en zij heeft ons bevolen ze hier te ontvangen.”
Ingrid zag, dat juffrouw Stava niet verder over de zaak wilde spreken
en ze ging weer zitten borduren, maar ze kon niet laten er over te
peinzen, wie vrouw Zorg toch wel wezen kon, die zulk een macht hier
had, dat ze juffrouw Stava dwingen kon een kamer voor vleermuizen open
te houden.
Terwijl ze daarover dacht, zag ze een zwarte koerierslede door zwarte
paarden getrokken, oprijden tot voor de veranda.
Ze zag juffrouw Stava buiten komen en diep buigen. Uit de slee kwam een
oude dame, die een langen, zwart fluweelen mantel droeg met vele kragen
over de schouders. Ze was gebocheld en liep moeilijk. Ze kon nauwelijks
de voeten zoover oplichten, dat ze de trap opkomen kon.
„Ingrid,” zei nu de barones, en keek van haar breiwerk op. „Ik meende
te hooren, dat vrouw Zorg kwam. ’t Moet haar belletje zijn geweest dat
luidde. Heb je opgelet, dat haar paarden nooit groote bellen aan
hebben? Enkel een heel klein belletje; maar je hoort ’t wel, je hoort
het wel.... Ga nu naar beneden in de vestibule, Ingrid, en heet vrouw
Zorg welkom.”
Toen Ingrid beneden in de vestibule kwam stond vrouw Zorg met juffrouw
Stava te praten buiten op de veranda. Zij lette niet op haar.
Ingrid zag met verbazing, dat de oude dame iets verborgen hield onder
al haar kragen, iets als zwart gekruld gaas. ’t Was zorgvuldig
weggestopt. Ingrid moest goed toezien eer ze ontdekte, dat het een paar
groote vleermuisvleugels waren, die ze op die manier trachtte te
verbergen. ’t Meisje werd nog nieuwsgieriger naar vrouw Zorg dan te
voren en probeerde haar gezicht te zien; maar ze stond in den tuin te
kijken, dus dat was onmogelijk. Maar zooveel zag Ingrid toch, toen ze
de hand naar juffrouw Stava uitstrekte, dat ze één vinger had, die veel
langer dan de andere was en dat aan ’t eind daarvan een groote, kromme
klauw zat.
„Is alles bij het oude hier op het landgoed?” vroeg ze.
„Ja, Mevrouw,” antwoordde juffrouw Stava.
„Jelui hebt geen bloemen geplant en geen boomen verzet? Je hebt de brug
niet gemaakt, of ’t gras uit de laan geschoffeld?”
„Neen, Mevrouw.”
„Dat is zooals ’t behoort,” zei vrouw Zorg.
„Jelui hebt toch niet beproefd de ertsaders te vinden, of ’t bosch om
te hakken dat over den akker groeit?”
„Neen, Mevrouw.”
„En de put is niet schoongemaakt.”
„Neen, de put is niet schoongemaakt.”
„Hier is het goed,” antwoordde vrouw Zorg. „Hier heb ik het uitstekend.
Over een paar jaar zal ’t hier zoo zijn, dat mijn vogels in het heele
huis kunnen wonen. Jelui zijt heel goed voor mijn vogels, juffrouw.”
Juffrouw Stava boog eerbiedig bij dien lof.
„Hoe gaat het hier verder?” vroeg vrouw Zorg. „Hoe heb jelui Kerstfeest
gevierd?”
„Op onze gewone manier,” zei juffrouw Stava. „Mevrouw de barones zit
stil te breien, dag in, dag uit, denkt alleen aan haar zoon en weet er
niets van, dat ’t een feestdag is. Kerstavond is voorbijgegaan als
ieder andere dag. Geen geschenken, geen lichtjes!”
„Geen denneboom, geen Kerstmaal?”
„Geen kerkgang ook, Mevrouw; niet eens een licht in ’t venster op
Kerstmorgen.”
„Waarom zou Mevrouw de barones ook de geboorte van Gods zoon vieren, nu
God haar zoon niet eens wil genezen?” zei vrouw Zorg.
„Ach neen, waarom zou ze!”
„Nu heb jelui hem weer thuis, denk ik. Is hij misschien wat beter?”
„Neen hij is niet beter. Hij is nog even schuw.”
„Doet hij nog steeds als een boer? Komt hij niet in de kamer?”
„Neen, wij kunnen hem niet in de kamer krijgen; hij is bang voor zijn
moeder, zooals u weet.”
„Hij eet in de keuken, en slaapt in de knechtskamer?”
„Ja, dat doet hij.”
„En jelui weet niet, hoe je hem beter zult maken.”
„Neen, we weten niets, we kunnen niets.”
Vrouw Zorg zweeg een oogenblik. Toen ze weer sprak, klonk haar stem
hard en scherp.
„Dat is nu alles wel heel mooi, juffrouw Stava, maar ik ben toch nog
niet heelemaal tevreden hier.”
Op ’t zelfde oogenblik wendde ze zich om en keek Ingrid scherp aan.
Ingrid week verschrikt achteruit. Vrouw Zorg had een klein, rimpelig
gezicht, van boven af ineengedrukt, zoodat de onderkaak haast niet
zichtbaar was. Ze had tanden als die van een zaag en veel haar op de
bovenlip. De wenkbrauwen liepen borstelig ineen. Haar huid was
heelemaal bruin.
Ingrid vroeg zich verwonderd af of juffrouw Stava niet zien zou wat zij
zag. Vrouw Zorg was geen mensch. Ze was maar een dier.
Vrouw Zorg opende de lippen, toen ze Ingrid zag, zoodat de tanden
glinsterden.
„Toen zij daar hier aankwam,” zei ze tot juffrouw Stava, „geloofden
jelui, dat ze gezonden was. Je zaagt het aan haar oogen, dat zij
gezonden was om hem te redden. Zij had slag met krankzinnigen om te
gaan. Nu, hoe is dat gegaan?”
„’t Is in ’t geheel niet gegaan. Ze heeft niets gedaan.”
„Daar heb ik voor gezorgd,” zei vrouw Zorg.
„’t Was mijn verdienste, dat jelui er niet over gesproken hebt, waarom
ze hier blijven mocht. Als ze dat geweten had, zou ze zich niet
allerlei rooskleurige illusies gemaakt hebben van hem te ontmoeten,
dien ze liefhad. Had ze die hoop niet gekoesterd, dan had ze nu die
vreeselijke teleurstelling niet gehad. Als die haar niet met
machteloosheid geslagen had, zou ze misschien wel wat voor den
krankzinnige kunnen doen.
„Maar nu heeft ze niet naar hem omgezien. Ze haat hem, omdat hij niet
die is, die hij wezen moest. Dat is mijn werk, juffrouw Stava, mijn
werk.”
„Ja, Mevrouw heeft haar werk goed gedaan,” antwoordde juffrouw Stava.
Vrouw Zorg nam haar kanten zakdoek en droogde haar roode oogleden af.
Dat scheen een beweging van vergenoegdheid te zijn.
„U heeft geen comedie te spelen, juffrouw,” zei ze toen. „U vindt ’t
toch niet prettig, dat ik die kamer daar voor mijn vogels in beslag
genomen heb. U vindt het ook niet prettig, dat ik gauw ’t heele huis
krijg. Dat weet ik wel. U en uw meesteres hebben mij willen bedriegen.
Maar nu is het voorbij.”
„Ja,” zei juffrouw Stava. „U kunt nu gerust zijn. ’t Is heelemaal
voorbij. De jonge heer gaat vandaag weg. Hij heeft zijn ransel gepakt
en dan gaat hij zeker. Alles wat Mevrouw de barones en ik in den heelen
herfst gedroomd hebben is voorbij. Niets is er gedaan. Wij meenden, dat
ze hem ten minste zou bewogen hebben om thuis te blijven, maar
niettegenstaande alle weldaden, die we haar bewezen hebben, heeft ze
niets voor ons gedaan.”
„Ja, ze heeft zich treurig gedragen, dat weet ik,” zei vrouw Zorg.
„Maar in alle geval moet ze nu weg. Ik zal daar met Mevrouw de barones
over spreken.”
Mevrouw Zorg begon zich de trappen op te sleepen op haar wankelende
beenen.
Bij elke treê lichtte ze de vleugels wat op, alsof dat hielp. Ze had
zeker veel liever willen vliegen.
Ingrid liep achter haar. Ze werd op een wonderlijke manier door haar
aangetrokken en bekoord. Al was ze de schoonste vrouw ter wereld
geweest, dan had ze niet meer lust gehad haar te volgen.
Toen Ingrid het kleine salon binnentrad, zat vrouw Zorg naast de
barones in de sofa en fluisterde vertrouwelijk met haar, alsof ze
lieve, oude vriendinnen waren.
„Je kunt immers wel begrijpen, dat je haar niet bij je moet houden,”
zei vrouw Zorg vleiend. „Je kunt immers niet eens een bloem in je tuin
verdragen, je kunt dus zeker ook niet hebben, dat er een jong meisje
bij je in huis is. Zoo’n jong ding brengt toch altijd wat vreugde en
vroolijkheid mee, maar dat past niet meer voor je.”
„Neen, daar zit ik juist aan te denken.”
„Bezorg haar een betrekking als juffrouw van gezelschap ergens anders,
maar houd haar niet hier.”
Ze stond op om afscheid te nemen.
„Ja, dat was maar wat ik je zeggen wou,” zei ze. „Hoe gaat het je over
’t geheel?”
„Alsof messen en scharen me door ’t hart gaan,” antwoordde de barones.
„Ik leef enkel in hem, zoolang hij thuis is. ’t Is erger dan anders,
véél erger deze keer. Ik kan ’t niet lang meer uithouden...”
Ingrid sprong op. Ze hoorde de bel van de barones. Ze had zóó in haar
fantasie verdiept gezeten, dat ze verwonderd was, dat de oude dame daar
alleen zat en dat er geen zwarte koerierslee voor de deur stond.
De barones had gebeld om juffrouw Stava, maar die kwam niet. Ze
verzocht Ingrid naar haar kamer te gaan om haar te roepen. Ingrid ging,
maar ’t kleine kamertje met de blauwe gordijnen was leeg. ’t Meisje
wilde toen naar de keuken gaan om daar te vragen waar juffrouw Stava
was, maar vóór ze nog de deur opende, hoorde ze Hede praten. Ze bleef
staan. Ze kon niet verdragen hem te ontmoeten.
Maar toch was ze in tweestrijd. Hij kon ’t toch niet helpen, dat hij
niet degeen was, dien ze wachtte. Ze moest probeeren iets voor hem te
doen. Ze moest hem bewegen thuis te blijven. Vroeger had ze nooit dien
tegenzin tegen hem gevoeld. Hij was immers zoo vreeselijk niet.
Ze bukte en keek door ’t sleutelgat.
Hede zat aan de tafel te eten. En ’t ging hier al juist als overal
elders. De dienstmeisjes praatten met hem om zijn wonderlijke verhalen
te hooren.
Ze vroegen hem met wie hij nu trouwen zou.
Hede glimlachte, het stond hem wel aan daarnaar gevraagd te worden. „Ze
heet Graflelie, zooals je weet,” zei hij.
Neen, ’t dienstmeisje wist niet, dat ze zoo’n mooien naam had.
„Nu, maar waar woont ze dan?”
„Ze heeft geen thuis en geen hoeve,” zei Hede, „ze woont in mijn zak.”
’t Dienstmeisje zei dat ’t een prettig huis moest wezen; en vroeg naar
haar ouders.
„Ze heeft geen vader en geen moeder,” zei Hede. „Ze is zoo fijn als een
bloempje en is in een tuin gegroeid.”
Tot nu toe sprak hij tamelijk helder, maar toen probeerde hij te
beschrijven hoe mooi zijn meisje was en toen raakte hij heelemaal in de
war. Hij zei een massa woorden, maar ze waren wonderlijk
dooreengehaspeld. Men kon zijn gedachtengang niet meer volgen, maar hem
zelf deed dit gepraat blijkbaar groot genoegen. Hij straalde van genot
en lachte.
Ingrid haastte zich weg. Ze kon dit niet uithouden. Ze kon niets voor
hem doen. Ze was bang voor hem. Ze had een afkeer van hem.
Maar ze was nog niet bij de trap toen ze al weer berouw had. Hier had
ze zooveel genoten; maar zij wilde niets teruggeven. Om haar weerzin te
overwinnen trachtte ze in gedachte Hede in een heer te veranderen. Hoe
zou hij er vroeger wel uitgezien hebben in mooie kleeren met goed
gekamd haar. Ze sloot de oogen een poos en dacht na. Neen, dat was
onmogelijk. Ze kon hem zich niets anders voorstellen dan hij was.
Op ’t zelfde oogenblik had ze de omtrekken van ’t geliefde gezicht vóór
zich. Daar was het, links van haar, wonderlijk duidelijk. Maar deze
keer lachte het niet De lippen trilden van smart en een vreeselijk
lijden sprak uit de lijnen bij den mond.
Ingrid bleef midden op de trap staan en staarde het aan. Daar was ’t
luchtig en licht, niet beter vast te houden dan een zonnestraal, die
door een geslepen glas in de lichthoorn valt, maar even zichtbaar, even
duidelijk. Ze dacht aan haar fantasie van zooeven, maar dit was heel
anders. Dit was werkelijkheid.
Toen ze het gezicht een poos had aangezien, begon het de lippen te
bewegen, te spreken, maar ze hoorde geen geluid. Toen beproefde ze te
zien wat het zeide, ze probeerde de woorden van de lippen te lezen,
zooals dooven doen, en dat gelukte haar.
„Laat me niet heengaan,” zeiden de lippen. „Laat me niet heengaan!”
Wat een angst! Als iemand aan haar voeten gelegen en om zijn leven
gesmeekt had, zou ’t haar niet dieper hebben kunnen ontroeren. Ze
beefde van ’t hoofd tot de voeten. ’t Was ’t hartverscheurendste wat ze
nog ooit gevoeld had. Nooit zou ze geloofd hebben, dat iemand kon
smeeken met zulk een griezeligen angst.
En telkens weer smeekten de lippen: „Laat me niet heengaan.” En telkens
werd de angst grooter!—
Ingrid begreep er niets van. Ze stond steeds onbeweeglijk, door een
onbeschrijflijk medelijden aangegrepen.
Ze voelde dat het voor hem, die zóó smeekte meer dan ’t leven gelden
moest. ’t Moest de redding van zijn ziel zijn.
De lippen bewogen zich niet meer. Ze bleven half open staan in slappe,
doffe wanhoop.
Toen ze die wezenlooze uitdrukking aannamen, gaf Ingrid een schreeuw en
tuimelde een paar treden terug van de trap. Ze herkende het gezicht van
den krankzinnige, juist zooals ze het pas gezien had.
„Neen, neen, neen!” riep ze. „Dát kan niet waar zijn. Dat mag, dat kan
niet! ’t Is onmogelijk, dat hij het is.”
Op ’t zelfde oogenblik verdween het gezicht. Ze zat misschien wel een
heel uur op de koude trap en schreide in radelooze wanhoop. Maar
eindelijk kwam de hoop weer boven, een liefelijke, verheffende hoop.
Zij waagde weer het hoofd op te heffen.
Alles wat er gebeurd was, wees er op dat zij hem redden zou. Daarom was
ze hierheen geleid. Zij zou het groote, groote geluk hebben hem te
redden!
In het kleine salon sprak de barones met juffrouw Stava. ’t Klonk zoo
aandoenlijk hoe ze haar smeekte, haar zoon over te halen, om nog een
paar dagen hier te blijven.
Juffrouw Stava deed haar best hard en stroef te zijn. „Hem dat vragen
kunnen we wel,” antwoordde ze, „maar Mevrouw weet wel dat niemand hem
bewegen kan langer te blijven dan hij zelf wil.”
„We hebben immers geld genoeg. Hij hoeft immers in ’t geheel niet weg
te gaan. Wilt u hem dat niet zeggen, juffrouw?”
Op ’t zelfde oogenblik kwam Ingrid binnen. De deur ging zacht open. Ze
gleed met lichten, zwevenden tred door de kamer. Haar oogen
schitterden, als zag ze iets heerlijks, heel ver weg.
Toen de barones haar zag, fronsde ze de wenkbrauwen. Er kwam een
begeerte over haar om wreed te zijn, om op haar beurt iemand pijn te
doen.
„Ingrid,” zei ze, „kom eens hier. Ik moet met je over je toekomst
praten.”
’t Meisje had haar guitaar gehaald en was op ’t punt de kamer uit te
gaan.
Zij keerde zich naar de oude barones.
„Over mijn toekomst,” zei ze en streek zich over ’t voorhoofd. „Mijn
toekomst is immers al bepaald,” ging ze voort met een droevigen lach.
En toen ging ze zwijgend de kamer uit.
De oude dame en juffrouw Stava zagen elkaar verwonderd aan. Zij
begonnen te overleggen, waarheen ze het meisje zouden zenden.
Maar toen juffrouw Stava in haar kamer kwam zat Ingrid daar op haar
guitaar te spelen en liedjes te zingen. En Hede zat vlak over haar te
luisteren met een zonnige uitdrukking in heel zijn gezicht.