miskennen niet het belang van strijd, van wedijver en selektie voor
maatschappij zowel als natuur, voor heel de geschiedenis èn de
toekomst der kultuur, al zal geen bezonnen evolutionist zover gaan, de
fittest, de best-aangepasten, reeds daarom als de besten, de edelsten
te beschouwen, de martelaar te verachten voor zijn geweldenaar; de
hoogste aanpassing aan het milieu is aanpassing van het milieu; en
edele persoonlikheid gaat liever onder, dan zich aan te passen; „Es
ist das Unkraut, das überall gedeiht” (SCHELER).—En voorts: men kan
de zegeningen der fysieke krachtmeting tussen mens en roofdier, mens
en mens (het oude homo homini lupus), stam en stam, volk en volk, de
zegeningen van het vuistrecht, familieveten, bloedwraak en oorlog
dankbaar erkennen, de geschiedenis dier krachtmetingen zien als
iets anders dan een „lelike domheid, waarvan slechts de proporties
groot zijn”—en toch als historicus het historisme voldoende te
boven zijn, om te beseffen, dat deze dankbaarheid evenmin voor het
behoud, voor de toekomst van de oorlog pleit, als tegen de historiese
vervanging van clanveten, bloedwraak en stamverantwoordelikheid
door strafrechtspleging en persoonlike schuld. Ook vrouwenroof en
mensenoffers, slavernij, adel, inquisitie hebben hun plicht gedaan...
en hun tijd gehad. En mocht dus ook de oorlog eens de weg der
bloedwraak gaan—dan zal de geschiedenis zelf hem uitluiden met haar
lijfspreuk: „Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan—der Mohr kann gehn.”
Tans ter zake. Om de kollektieve oorlogselektie op de keper te
beschouwen—en te wijzen A: op de door STEINMETZ vergeten _zedelik_
werkende faktor der _individuele_ selektie en daarnaast op de gunstig
werkende faktoren van de vreedzame maatschappelike strijd, en B: op de
door STEINMETZ vergeten faktoren, die de _oorlogselektie deels zedelik
bederven deels te niet doen_.
Beide punten samen zijn nodig en voldoende om aan oorlog selektief en
zijn onontbeerlikheid en zijn recht van bestaan te ontnemen.
A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en selektieverbetering
zonder oorlog.
Aanvaardt men de met goede gronden gestaafde leer van SCHOPENHAUER en
HEYMANS, dat het individueel karakter, de zedelike persoonlikheid,
gegeven in de onderlinge machtsverhouding van zedelike en onzedelike
neigingen, vrijwel onveranderlik is, dan krijgt de selektie voor de
zedelike vooruitgang een allesbeheersende betekenis: fundamentele
zedelike verbetering is niet mogelik van het verdwijnend individu,
maar slechts van de blijvende mensheid, doordien en in zoverre de
minderwaardigen geringer kansen hebben op voortplanting en propagering
van hun eigenschappen in de nakomelingschap dan de hogerstaanden,
indien derhalve het percentage dezer laatsten wast, hoe weinig ook,
met elk nieuw geslacht. Voldoende zorgt voor deze percentsgewijze
uitroeiing van de slechtere elementen zeer zeker noch de huidige
overheersende ekonomiese wedstrijd, waarin factoren van intellekt
(kennis, scherpzinnigheid, tegenover onwetendheid en domheid)
en temperament (aktiviteit en bezonnenheid tegenover luiheid en
wispelturigheid) nog wèl, maar van karakter niet, of altans niet minder
ten kwade (ruim geweten, zelfzucht, meedogenloosheid) dan ten goede
de doorslag geven, noch de weinig betekenende opzettelike eliminering
door het strafrecht, zelf weer voor een belangrijk deel afhankelik van
non-selektieve ekonomiese faktoren.
Maar wij hebben gelukkig één grote blijvende kracht, die er op gericht
blijkt, de zedelike minderwaardigheid verhoudingsgewijs uit te roeien:
dat is de groter aantrekkelikheid van het goede boven het slechte,
gelijk die tot uiting komt in de _sexuele teeltkeus_. Hier werkt de
zielkundige waarheid, dat werkelike goedheid, karakterschoonheid,
edele persoonlikheid aantrekt en echte slechtheid, gemeenheid,
laagheid afstoot... zowel de slechten als de goeden. Want slechtheid
is niemands einddoel, is enkel middel. „Auch des Egoist wertet die
Liebe höher als die Selbstsucht, auch der Unzuverlässige zicht die
Wahrheit der Lüge vor: aber sie nehmen Selbstsucht und Lüge gleichsam
mit in den Kauf, um irgend welche Genüsse oder Vorteile zu erzielen.”
(HEYMANS) Deze waarheid en de daarop gegronde verwachting, dat ook bij
de huwelikskeuze, hoe zeer ook dikwerf resultaat van hartstocht of
berekening, van uiterlikheden, van allerlei raison en tort, toch het
zedelik goede van weerszijden „ceteris paribus” voorrang en voorkeur
zal vinden boven het minderwaardige, toch het liebens-würdigste ook
het liebenswürdigste, het beminnenswaardigste het beminnelikste zal
blijken, die verwachting vindt haar bevestiging in het enig daaromtrent
ingesteld wetenschappelik onderzoek, van HEYMANS en WIERSMA[13].
Voor tal van zedelike eigenschappen werd een hoger percentage bij
gehuwden dan bij ongehuwden gekonstateerd, zodat, in verband met een
onderzoek omtrent de biezondere erfelikheid dezer eigenschappen uit de
gevonden cijfers „auf eine Zunahme sittlich wertvoller und eine Abnahme
sittlich verwerflicher Eigenschaften von 1 bis 1.5% pro Generation
geschlossen werden kann”.[14] Zo ziet dan HEYMANS in deze kracht der
sexuele selektie, die stijgt met elk bereikt resultaat, met de steeds
hoger waardering der persoonlikheid boven stand en bezit, met de
steeds vrijer, natuurliker en veelzijdiger omgang van meisjes en jonge
mannen, met verdiept en verhelderd zielkundig onderscheidingsvermogen,
de grote waarborg van een steeds sneller en ongestoorder zedelike
vooruitgang—van „_de zelfopvoeding der mensheid_”.[15] En wij voor
ons konkluderen uit dit betoog: het huwelik is een bolwerk tegen de
oorlog.—Hier wordt het wonder werkelikheid, das Unzulängliche hier
wird es Ereigniss: deugden die het individu schaden in de strijd om
het bestaan: onbaatzuchtigheid, opofferingsgezindheid, eerlikheid,
waarheidsliefde... die dus hun eigen graf graven—ze bouwen ook hun
eigen huis, houden de soort en zich zelf in stand.
[13] _Beiträge zur speziellen Psychologie_, 9: Die selektorische
Wirkung der Ehe, Z. f. Psych. 62.
[14] Wat ook op deze cijfers moge zijn af te dingen, de richting van
betoog, en onderzoek schijnt mij onaanvechtbaar.
[15] Zie _Einführung in die Ethik_, 1914, §32.
Voor het karakter zelf, dus voor het diepste zedelik wezen van de
mens, zijn innerlike, eigenlike, zedelike wil en waarde blijft dus
_erfelikheid_ en _dodelike_ selektie: uitsluiting van de voortplanting,
van overwegend belang, indien we wijziging uitgesloten, zedelikheid
niet aan- of afleerbaar, opvoeding _hier_ dus machteloos achten. Het
tegendeel echter is het geval met het zedelik levensgedrag, het doen
en laten van de mens, zijn karakteropenbaringen, de levensresultaten
van zijn zedelike aanleg, die immers evenzeer als de aangeboren
geestelike, intellektuele begaafdheid zowel in z'n ontwikkeling
belemmerd, verstikt worden, eeuwig latent en kiem blijven kan als tot
z'n volle recht en ontplooiing komen. We betreden hier het terrein
van levenservaring en levensmilieu, van opvoeding en onderwijs, van
verleiding en bekering, die de voorstellingswereld, de denkbeelden,
de beweegredenen, wijzigen en beheersen, heel het motievenspel, dat
de sluimerende neigingen wakker roept, het karakter doet reageren met
wil en besluit. Hier heerst de zgn. _naboots_-selektie, die zonder
erfelikheid (ideeën, denkbeelden worden niet aangeboren) en zonder
lichamelike krachtmeting en uitroeiing door geestelik propageren
en elimineren, door evenzeer opzettelik als automaties aankweken,
door heel het maatschappelike systeem van denkbeeldverspreiding en
ideeënstrijd, van bewuste en onbewuste invloedoefening des te sneller
en zekerder voor de kulturele vooruitgang zorgt. Tot dit gebied behoort
alle verworven kennis en deugd, intellektuele en zedelike bekwaamheid,
alle begrip en inzicht, dus ook alle aanleerbare „socialiteit” (VAN
EMBDEN), gemeenschapszin als „inzicht in het nut van en toewijding aan
krachtig gemeenschapsleven”, de kunst, te gehoorzamen en te leiden,
verdraagzaamheid, ontvankelikheid voor lof en blaam, eer en schande,
solidariteitsgevoel en stiptheid, ijver en volharding, „altruïsme” als
belangstelling in andermans lief en leed, trouwe plichtsvervulling
en al wat ooit scholing en beproeving zal vermogen, al wat ooit
de levenstrijd aan morele kracht en het gemeenschapsleven aan
maatschappelikheid kan schenken.
Heel die verworvenheid nu, hoewel niet erfelik, is voor het
kultuurpeil, voor de zedelike en geestelike vooruitgang van het mensdom
van niet te overschatten belang—want al moet hier elk jonggeborene
en elke nieuwe generatie van voren af aan beginnen, evenwel—dank
zij enerzijds de „nabootszin” en „suggestibiliteit”, anderzijds het
veelzijdig georganiseerd maatschappelik stelsel van onderwijs en
opvoeding in gezin en school, bond en kerk, stad en staat, omgang
en verkeer, mondeling en in geschriften—kan één mensenleeftijd
het gemiddeld peil bereiken en verwerven waarvoor de mensheid alle
voorafgaande geslachten nodig heeft gehad. Het door de eeuwen
opgestapeld kapitaal aan kennis en maatschappelike deugd, aan zeden en
gewoonten, idealen en overtuigingen, instellingen en organisaties, aan
recht en kunst, wetenschap en wijsheid, al die schatten der kultuur, ze
liggen voor elk geslacht gereed:
„Was du ererbt von deinen Vätern hast
Erwirb es um es zu besitzen.”
Die _verwerving_, waarop dus na de _overerving_ en tezamen met de
_scheppende voortbrenging_ alle voortbestaan en vooruitgang berust,
vereist _arbeid_, _inspanning_, _strijd_, van enkelingen en groepen,
zowel tegen onpersoonlike machten: de eeuwige strijd tegen de natuur
(honger, ziekten, mikroben), tegen domheid en gemeenheid, tegen
verslapping en ontmoediging, verleiding en bederf, als tegen andere
enkelingen en groepen, in één woord: tegen onze vriend de vijand, die
ons de nodige noden en gevaren, de zegen der ontbering, vooralsnog niet
doet ontberen. Deze strijd noopt tot steeds intensiever en extensiever
groepvorming. Zie de ekonomiese worsteling, met wereldomspannende
ondernemingen en maatschappijen, trusts, kartels, werkgeversbonden
en arbeidersorganisaties, zie de politieke strijd der partijen, de
godsdienstige kamp der kerkgenootschappen onderling en met hun zich
organiserende tegenstanders, zie die duizendvoudig georganiseerde
speciale strijd tegen afzonderlike maatschappelike euvelen en kwalen
en voor al die biezondere belangen en behoeften, die tot vereniging en
groepsgewijze botsing leiden.
Welke krachten nu deze groepenstrijd gaande houden—welke
belangeneenheid en tegenstelling voor de groepvorming zelf, voor
binding en isolering zorgt, behoeft hier niet nader onderzocht—immers
dit ene staat vast: oorlog, militaire krachtmeting, is het niet. En
dezelfde sociale deugden die de staat behoeft om sterk te zijn en
zijn oorlog te winnen, die vergt het vrije verenigingsleven en de
vrije vreedzame groepenstrijd met zijn eisen van verdraagzaamheid,
toewijding, vertrouwen en betrouwbaarheid, solidariteit, ijver,
onbaatzuchtige krachtsinspanning, payer de sa personne, in één woord
maatschappelikheid. Niemand blijft buiten alle groepsverband, niemand
kan slagen in volkomen isolement, ieder ondergaat de eisen en de
reakties van het gemeenschapsleven, van kennissenkring en openbare
mening, met hun seligerende machtsmiddelen van onverschilligheid,
verachting, af-keer, schande, boykot, en daartegenover vriendschap,
sympathie, hulp, eer, aanzien, invloed, macht. De sluwsten,
zelfzuchtigsten en schijnheiligsten hebben ook tans reeds niet
overal en niet voortdurend succès—in het dageliks omgangs- en
maatschappelik leven werkt en seligeert ook tans reeds mee—hoe
honderdvoudig overvleugeld ook—diezelfde reine voorkeur, die de
geslachtelike teeltkeus adelt. Maar machtiger werkt stellig ook nu
reeds—trots alle straks aan te duiden gebreken—de wedijver der vrije
groepen. Deze vrije verenigingen heten „kleiner”, „eenzijdiger” dan de
staat. Het voordeel schijnt mij groter dan het nadeel, dat door hun
verscheidenheid nog wordt gereduceerd. Ze bieden des te beter waarborg
voor eensgezindheid en geestverwantschap, voor echte vrijwillige volle
toewijding. Maar de staat kan alles, zelfs het leven van zijn burgers
opeisen? Och ja—voor de staat _offert_ men, desnoods, zijn vermogen,
zijn gaven, zijn leven.... aan gezin, partij, kerk, wetenschap, kunst,
_wijdt_ men zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven. Voor de staat kan
men sterven, maar wie kan leven voor de staat? Maar dwang en tucht
zijn onmisbaar: „Der freie Verein verhält sich paedagogisch zum Staate
wie das Concubinat der freien Liebe zur Ehe.” Een matig gelukkig
beeld: Wee het huwelik bij de gratie zijner onontbindbaarheid. Tucht
en dwang willen wij evenmin missen als huwelik en staat. Maar het
huwelik, dat zich zonder dwang en de staat die zich zonder oorlog
niet kan handhaven, is ons noch dwang noch oorlog waard. En de vraag
van STEINMETZ: Waartoe zonder oorlog nog de staat, „der ja nichts
tun darf”? zou waarlik het „mangelnde Verständnis für das Wesen des
Staates” verraden, dat hij de vredesvrienden verwijt, indien we
niet wisten, dat hier als elders slechts de pleiter voor de oorlog
vergeet, wat de socioloog beter weet dan de meesten. De staat is het
gezagsorganisme van een volksgeheel,—dat in dienst kàn worden gesteld
van velerlei volksbelang—maar altijd en uiteraard één eigen funktie
heeft: rechtsbedéling: verwezenliking en handhaving der rechtsorde.
Zonder gezag geen recht, maar anarchie, d.w.z. het „recht” van de
sterkste, van brute macht en geweld,—zo in de volkerenverhouding en in
het ekonomies leven. Daarom zijn we vóór de staat op dezelfde grond als
we tegen de oorlog zijn—wanneer ons blijken zal, dat groepsmacht en
staatsgeweld allerminst pseudoniem zijn van gerechtigheid.
Hebben we dus, na de zedelike faktor der individuele selektie, gewezen
op de gunstig-gerichte faktoren van de vrije groepenstrijd,—we willen
in de 3e plaats nog opmerken, dat heel deze vreedzame maatschappelike
evolutie selektief vooralsnog erbarmelik slecht is—doch voor radikale
principiële verbetering vatbaar. Zegenrijk toch zal deze selektie eerst
dan ten volle zijn, wanneer de besten de meeste kans van slagen hebben,
wanneer de edelsten en begaafdsten, de hoogste, kloekste, vrijste,
fijnste geesten en karakters, de vinders en scheppers, de denkers en
zieners, maar ook de mannen en vrouwen van de daad, de organisatoren,
de durvers en de kundigen... de leiders en overwinnaars worden, dus
aanhang, invloed, macht en eer verwerven.
Tans echter beheerst vooralsnog de ekonomiese worsteling, de
inkomensverwerving, het maatschappelik ontwikkelingsproces; deze werkt
slechts gedeeltelik selektief (armoede, ondergang zonder persoonlike
„schuld”, rijkdom, succès zonder persoonlike „verdienste”: gouden wieg)
en kweekt voor zover selektief naast goede zeer slechte hoedanigheden
en bederft door haar gebreken al de andere selekties; derhalve dient
deze ekonomiese strijd verdrongen (van staatswege verstrekking
van kosteloos onderwijs, ook middelbaar en hoger; kosteloze
openbare boekerijen en leeszalen, kosteloze gezondheidsverzorging,
rechtsbescherming, kiesrecht zonder welstandseisen, presentiegeld
enz.) en vervangen door ekonomiese samenwerking, koöperatie,
socialisering—en zover dat niet of nog niet mogelik is, altans
gezuiverd van non-selektieve „voorgiften” (erfrecht enz.) en tot
ietwat minder laakbaar selektief gehalte („ekonomisering” van de
gemeenschapszin) gelouterd[16].—Zo leiden ook hier vele wegen naar
het selektief maatschappelik ideaal van „loon naar verdienste”, van
het Saint-Simonisties: A chacun selon ses capacités, à chaque capacité
selon ses oeuvres.[17]
[16] Zie deze punten bij D. VAN EMBDEN, _Darwinisme en Democratie_
en daarnaast de sociaal-demokratiese maatschappijkritiek en
program-eisen.
[17] STEINMETZ zelf geeft op een weinig enthousiast ogenblik—_of bij
wijze van palinodie_?—toe, dat de „eeuwige vrede”, het vervallen
van oorlog en kollektieve selektie, niet ontaarding en dood,
maar slechts vertraging van vooruitgang zou brengen: „Es gäbe
dann weiter nur Personalauslese. Ich behaupte gar nicht, dass
diese bloss egoistische oder höchstens egotistische Eigenschaften
züchtet, ich verkenne auch die Möglichkeit keineswegs, sogar ohne
alle Selektion zu einer gewissen, wenn auch wahrscheinlich nicht
erblichen Erhöhung unserer Kollektiveigenschaften, nur auf dem
Wege der Erfahrung und Erziehung zu gelangen”... „Sonst sehnt man
sich mit Recht nach grösserer Schnelligkeit des Fortschritts,
warum sollte man jetzt auf ein Beschleunigungsmittel Verzicht
leisten?” (blz. 215, _Ph. d. Kr._)
B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft.
En tans de faktoren, die de kollektieve oorlogselektie deels zedelik en
geestelik bederven, deels te niet doen.
a. Geen groepsuitroeiing meer.
Ware het noodzakelik gevolg van de oorlog „dass ein tüchtiges Volk
an die Stelle eines schlaffen tritt”—dan zou deze respektabele
prestatie mogelik met alle oorlogsoffers niet te duur betaald zijn.
Maar hoorden we niet juist, dat onze geciviliseerde oorlogen gelukkig
(want het was minder wreed) geen uitroeiingsoorlogen meer zijn—dat
het overwonnen volk wel gedemoedigd, niet meer verdelgd wordt? Wat
blijft er dan over van die fraaie fraze? Eigenlik niets. Geen van de
huidige volken of staten van Europa heeft niet z'n oorlog of oorlogen
gehad de laatste paar eeuwen: vernietigd, vervangen is er geen.
Toegegeven, een ogenblik, dat het verliezend volk „slap”, het winnende
„flink” was—Boeren en Engelsen, Engelsen en Nederlanders, Grieken
en Turken, Turken en Russen, Russen en Japanners, NAPOLEON's volken
en Russen, Zweden en Russen, Noren en Zweden, Zweden en Denen, Denen
en Duitsers, Duitsers en Fransen (NAPOLEON), Fransen en Duitsers,
Italianen en Oostenrijkers, Oostenrijkers en Italianen, de Balkanstaten
onderling (de daar wisselende flinkheid en slapheid valt moeilik bij
te houden), de Krimoorlogsvolken (wie was daar slap?)—wie van al deze
flinke bekwame zegevierders is in de plaats getreden van een van al
deze slappe minderwaardige verslagenen? Hoeden wij ons dus voor de
_misleidende schijn_, als zoude de oorlogselektie _de zwakkere_ (dus
naar wij nog een ogenblik toegeven: minderwaardige) _groep vernietigen,
dodelik seligeren, „ausmerzen”_.[18] Maar dan wordt dadelik heel
de richting der selektie twijfelachtig: zal en moet die zwakke,
minderwaardige groep van de nederlaag nòg zwakker, nog ellendiger, nog
minder waard worden, dan wel juist sterker, zedelik en geestelik beter?
Is het gevolg van de nederlaag groepverzwakking, dan is dat tevens
een verergering, verslechtering—is het gevolg opleving, versterking
der onbekwame groep, dan wordt doelbereiking en voortplanting van
betrekkelik minderwaardigen door oorlog weer niet belemmerd, maar
zelfs bevorderd.[19] Selektief gunstig kan oorlog dus in elk geval nog
slechts daardoor werken, dat het percentage zedelike en geestelike
kracht na de oorlog bij winnaar en verliezer samen genomen groter
is dan te voren—wat moeilik met goede gronden zou zijn te staven,
gegeven ook de individuele contra-selektie—en waarbij het dan nog
twijfelachtig zou blijven, welke betrekkelike vermeerdering van het
deugdelik element opweegt tegen de volstrekte dodelike vermindering,
die bovendien met het aantal mededingers de waarde van het selektief
produkt doet dalen.—Het dradenweefsel der werkelikheid is inderdaad te
subtiel voor globale machtspreuken.
[18] Vgk. _Ph. d. Kr._ 255, oorlogen tussen kultuurvolkeren kunnen
„keine ausmerzende Wirkung üben”.
[19] STEINMETZ zelf laat nu eens herhaalde nederlagen „Verfall und
Verderben” brengen (p. 255), elders weer de nederlaag voor beide
behoeden—gelijk de zege zowel een zegen kan zijn als zelfs „dem
Sieger zum Verderben werden” (257). Het kan gebeuren „dass die
Sieger den Besiegten weichen müssen”!
„Bei steigender Kultur und zunehmender Volksmasse verlaufen alle
diese Prozesse der Auslese immer subtiler” (258). Wat blijft er
dus over van het eenzijdig schema, van de globale frase?
b. Contraselektieve faktoren?
We resumeren nog even: de (gewelddadige) groepenkrachtmeting is slechts
dan „recht”, oorlog slechts dan te rechtvaardigen, wanneer (militaire)
groepsovermacht uitsluitend berust op, leidt tot superioriteit van de
leden.
Wij erkennen het element van waarheid in het betoog, dat de talrijkheid
en grootte, de rijkdom, de wapenmacht van een volk niet zo „materieel”,
niet zo onafhankelik van zijn zedelik en geestelik peil zijn, als het
oppervlakkig schijnt: zedelike krachten, sociale deugden zijn nodig om
een groot volk bijeen te brengen en te doen blijven, om de bevolking
gezond en op peil te houden, om volkswelvaart (bloei van landbouw,
handel, industrie) te verwerven en te handhaven; zelfs het bemachtigen
en exploiteren van de gunstigste, vruchtbaarste bodem gaat niet om
buiten alle persoonlike hoedanigheden, zij het dan ook veelal van
verre voorvaders; en voldoende bewapening vergt niet te onderschatten
offers, intelligentie, organisatie; ondeugden als korruptie, luiheid,
nepotisme, volksverdomming en volksuitmergeling, machtsmisbruik,
rechteloosheid, kortom, al wat rot is in het groot organisme, verzwakt
een staat ook militair...
Dat is één zijde van de zaak.
Nu de keerzijde.
Genoemd dient allereerst, al acht ik voor mij het punt nog niet
beslissend, dat in de groepskrachtmeting niet alleen (het zal ons
hoofdargument worden) non-selektore faktoren heersen, maar dat de
hooggeroemde kollektieve selektie zelfs faktoren van _contra-selektie_
schijnt te bevatten: er zijn belangrijke zedelike eigenschappen, die
de zeer grote groepsmacht tegenwerken, fnuiken, en kleine groepen voor
opgaan in grotere massa's behoeden en stand doen houden: dat zijn de
individualisties gerichte deugden van „autonomie”: zelfstandigheid,
eigen oordeel en objektiviteit, onafhankelikheid, fierheid,
zelfrespekt, oppositiemoed... al wat indruist tegen de kuddegeest en
de massamacht. En ik herinner mij, eens gelezen te hebben, „_dat de
groep wel steunen kan, maar niet sterker maakt, integendeel, en dat te
meer, naar mate zij grooter en machtiger is. De sterkste meest helpende
groep maakt haar leden het zwakst._” Zo zou de zege der sterkste
groep—dus de kollektieve krachtmeting (die oorlog heet)—de zwakste,
afhankelikste individuen kweken! Welk een contraselektie, voor ieder,
wiens ideaal de „sterken, edelen, kloeken, vrijen” zijn! En toch was
die dat schreef ook een groot socioloog, wiens autoriteit door Prof.
STEINMETZ wel niet zal worden gewraakt. Het was Prof. STEINMETZ.
Maar toen was niet de verdediger van de oorlog, van de groepsmacht
aan het woord, die zich keert tegen gebrek aan „Staatsgefühl”,
tegen „den übertriebenen Individualismus unserer Kulturvölker”,
maar... de individualistiese bestrijder van socialistiese groeps- en
staatsmacht![20] Wie van beiden heeft nu gelijk? Ik zou zeggen, geen
van beiden in zijn eenzijdigheid. Beide tendenties dienen erkend.
De werkelikheid en de sociologie en Prof. STEINMETZ blijken ruimer
en wijzer dan zijn oorlogsfilosofie.[21] De vraag is nu maar, of de
contraselektore dan wel de gunstige faktoren der kollektieve selektie
de overhand hebben. Wie durft dat eens en voor al, of zelfs maar
globaal beslissen? Wie zonder zekerheid ten deze nog oorlogsverdediger
zijn?
[20] „_Kritiek op de proletarische Moraal van Mevr._ ROLAND HOLST.”
[21] En zelfs deze erkent nog even (bl. 216): „Die grössere kollektive
Kraft fällt durchaus nicht immer mit der grösseren Kraft der
Individuen zusammen”. Zie onder, bl. 54. noot.