Ja, bij STEINMETZ fungeren zelfs de „Grausamkeitsgenüsse” va

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als #vet#; |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |

| koppelteken. |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |

| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |

| |

+----------------------------------------------------------------+

OORLOGSFILOSOFIE.

OORLOGSFILOSOFIE

DOOR

LEO POLAK

_Privaat-docent in de Kennisleer aan de Universiteit van Amsterdam._

„De Eik is de Koning der bomen”,

zei de Mens.

„Precies”, zei het Varken, „aan de

vruchten kent men de boom”.

[drukkersmerk]

AMSTERDAM.—1915.—W. VERSLUYS.

BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ V/H ROELOFFZEN-HÜBNER & VAN SANTEN, AMST.

[Decoratieve illustration]

OORLOGSFILOSOFIE.[1]

[1] Voor de druk ietwat uitgewerkte Openbare Les, waarmee de schrijver

zijn colleges heeft geopend op 30 Oktober 1914.

I. INLEIDING. TEGEN STEINMETZ' METHODE.

De Amsterdamse Fakulteit van Letteren en Wijsbegeerte is op

tweeërlei speciale wijze bij de oorlog betrokken: Prof. GUSTAVE COHEN

demonstreert in Frankrijk als landsverdediger, in levenden lijve naar

wij hopen, de onberekenbare verspilling van begaafdheid en geestelike

vermogens, aan het huidig oorlogvoeren eigen en Prof. STEINMETZ gaf

in zijn „_Die Philosophie des Krieges_” wel de beste principiële

verdediging van de oorlog. Een en ander gaf mij aanleiding om de nieuwe

cursus te openen met een overdenking van het oorlogsvraagstuk aan de

hand van STEINMETZ' werk, dat hier dan tevens zijn weerlegging vinde,

zover dit in zo kort bestek mogelik is.

Want wie bij het woeden van de krijgsmoloch de zoete verzoenende

troost van diens verborgen, dieper redelikheid, rechtvaardigheid en

menslievendheid voor een gevaarlike illusie houdt, voor hem is het

plicht en ook een weinigje gemoedsbevrediging bij het dageliks gevoel

van materiële machteloosheid, hem altans geestelik zijn recht van

bestaan voor de toekomst te betwisten.

Men verwachte niet al te veel van onze titel, die slechts een terugslag

is op die van bovengenoemd boek—en op een algemener spraakgebruik:

de oorlogsverdediging nl. pleegt zich oorlogsfilosofie te noemen.

Geschiedde dit alleen op de gronden, die STEINMETZ voor zich aanvoert

in zijn voorrede: „nicht eine Streitschrift zu liefern war mein Ziel,

sondern eine Philosophie, d. h. eine Anstrengung nach allseitiger

und tiefster Erfassung der Probleme”, we zouden er vrede mee kunnen

hebben. Maar meest is wel een andere bijgedachte mee in 't spel: onder

filosofie plegen buitenstaanders een leer te verstaan, die vrede heeft

met alles, zelfs met oorlog, immers: alles heeft z'n vóór en z'n

tegen, alles ligt op zijn manier in de rede—en zo spreekt men dan

wèl van filosofiese berusting, onverschilligheid of kalmte, maar niet

van filosofiese opstandigheid... een eenzijdigheid, die de filosofie

zich niet mag laten aanleunen. Zo hoopt dan onze overdenking van het

oorlogsprobleem en onze kritiek op de „oorlogsfilosofie” niet minder

„filosofies” te zijn, dan deze zelf—al weten we wel, dat men van de

wijsbegeerte, de „Koningin” der wetenschappen, niet hoog genoeg kan

denken en dat haar alzijdigheid en diepte, haar beschouwing der dingen

„sub specie aeternitatis”, in het licht der eeuwigheid, een slechts van

verre te benaderen ideaal blijft.

Splitsen wij de wijsbegeerte naar de trant in Kennisleer, Metaphysica

en Ethica, dan zullen wij over „Oorlog en Kennisleer” heden niet

spreken, al brengt oorlog ons in aanraking met al de problemen van

methode, van biezondere wettelikheid in „natuur” en „geschiedenis” en

derg. En over „Oorlog en Metaphysica” wil ik hier slechts één opmerking

maken:

Hoezeer deze oorlog ons ook moge schokken, ons geestelik evenwicht

moeten wij er niet bij verliezen. Men heeft mij van geenszins

oppervlakkige zijde gevraagd, of mijn wereldbeschouwing tegen dit

gebeuren bestand was, er raad mee wist. En nu zou ik willen antwoorden:

wanneer deze oorlog iemands wereld- en levensbeschouwing geschokt

heeft, dan heeft hij aan hem een goed werk gedaan, dan is hij de

rechtvaardige rechter over het voze, vermolmde geweest, waarvoor

zijn verdedigers hem ook in de wereld daarbuiten houden. Want of wat

troepjes mensenkinderen op ons waanwijs aardbolletje elkaar eens weer

bestoken in oorlog dan wel in vrede, daar draait ons zonnestelsel

rustig om door, onze buurzonnen bekommeren er zich allicht nog minder

om en de kosmos blijft de kosmos, zinne-beeld van dezelfde eeuwige

werkelikheid. Maar ook van zuiver geestelik-menselik standpunt is er in

onze „vreedzame” maatschappij met haar worsteling om het bestaan zoveel

ontbering en verkwijning, zoveel stervens- en dervensellende, zoveel

wreedheid, onverdiend leed en triumferend onrecht, dat het probleem

van „het kwaad”, van „de zonde”, van levenstragiek en wereldbeschouwing

door oorlog of vrede niet gewijzigd, niet eens geraakt wordt. Zulke

problemen liggen dieper dan het slechts betrekkelik verschil tussen

chronies vredes- en akuut oorlogswee. In die zin heeft inderdaad oorlog

met wijsbegeerte niets te maken.

* * * * *

Over „Oorlog en Ethica” zullen wij het in hoofdzaak moeten hebben. We

raken hier de grote problemen van fatum en menselike wil, fatalisme en

determinisme, causaliteit en doelstelling, individu en gemeenschap, de

verhouding van nuttigheid en zedelikheid, sociaal utilisme en autonome

gezindheidsmoraal. Over dit alles zullen wij niet in den brede spreken,

maar in de loop van ons betoog zal het zich vanzelf doen gelden.

Doch op één punt moeten wij uitdrukkelik wijzen: de erkenning van

het oorzakelikheidsbeginsel, ook voor het terrein van het geestelik

en maatschappelik leven, m. a. w. het determinisme en de daaruit

voortvloeiende noodzakelikheid van alle gebeuren brengt geenszins

fatalisme mee, sluit 's mensen wil, menselik beraad en beleid, niet

buiten de oorzakelike faktoren van 's werelds verloop. Integendeel,

ons willen en bewust ingrijpen is evenzeer oorzaak als gevolg. Het

determinisme, wel verre van 's mensen verantwoordelikheid op te

heffen, is er grondslag en vooronderstelling van. En hoe sterk ook

de verleiding moge zijn om een verschijnsel als de oorlogsbanjir die

over hele volkeren losbreekt met elementair geweld, te beschouwen als

een natuurramp, als een fataliteit, die boven alle mensenmacht en 's

mensen aansprakelikheid uitgaat, uitdrukkelik dient hier vastgesteld:

oorlog is mensenwerk; niet door de natuur buiten de mens, maar door

verantwoordelike mensen wordt oorlog voorbereid, georganiseerd,

verklaard. Daarom heeft de mens, al is hij hier nog meer dan elders de

toverleerling, die de krachten, door hem zelf opgeroepen niet vermag

te bannen, rekenschap te vragen en te geven van 's oorlogs goed recht

en waardij. Of zoals STEINMETZ het uitdrukt: „Dem Kriege wird der

Prozess gemacht, der Gewaltige muss sich zur Verantwortung bequemen.”

De oorlog is als maatschappelik verschijnsel (zij het ook maatschappelik

zó als het onrecht een rechtsverschijnsel is) een probleem van de

_sociologie_, de „Sozialphilosophie” of maatschappijleer, de leer van

de menselike samenleving.

De oude spreuk van HERAKLEITOS, πόλεμος πατὴρ πάντων, strijd is de

vader van alles, door HEGEL en de zijnen reeds gebezigd voor hun

leer van begripsontwikkeling (tegenstrijdigheid als beginsel van

alle verandering en voortgang), heeft door de moderne evolutieleer,

door het Darwinisme, een geheel nieuwe zin en betekenis gekregen

voor de wetenschap van de levende natuur, met haar struggle for

life („strijd om 't bestaan”), haar natural selection („natuurlike

teeltkeus”) en haar survival of the fittest (het overblijven van de

best aangepasten), als de beginselen, die heel de ontwikkelingsgang van

de levende wezens beheersen, dank zij de vervulling dier drie algemene

ontwikkelingsvoorwaarden: variabiliteit, erfelikheid en isolement.

De sociologie nu, een betrekkelik jonge wetenschap, in hoofdzaak

evenzeer uit de 2e helft van de 19e eeuw afkomstig als het Darwinisme,

was reeds in oorsprong sterk naturalisties en biologies georiënteerd.

AUGUSTE COMTE, de grote positivist, was een van de grondvesters en de

peetvader der „sociologie”, die hij ook de „_physique sociale_” noemde,

terwijl ze voor een ander deel haar bloei te danken had aan het Engels

positivisme van HERBERT SPENCER en de zijnen. Tot in onze dagen is de

sociologie, tot haar eigen schade, overwegend naturalisties gebleven;

namen als GUMPLOWICZ en NIETZSCHE, DE LAPOUGE en zijn volgeling AMMON,

RATZENHOFER en HAYCRAFT spreken hier letterlik boekdelen. Tot het

inzicht in de eigen wettelikheid van het geestelik en maatschappelik

leven in tegenstelling tot de wetten der ruimtelike, kultuurloze

„natuur” begint de sociologie gelijk de psychologie zich eerst in de

laatste tijd op te werken (GIDDINGS, WUNDT, BARTH, RICKERT, SIMMEL,

TARDE, EISLER, ADLER). In plaats daarvan heeft zij te voren veelal

zonder bedenking de „natuurwetten” der ontwikkeling overgebracht

en toegepast op haar beschouwing van de maatschappij en aldus met

name zich verzet tegen de heersende „christelike” of „abstrakte”

zedeleer van algemene naastenliefde, van medelijden en „hulp aan het

zwakke”. De natuur „leert”, dat de zwakken en zieken moeten ondergaan,

en niet op de been gehouden, hygiëne leidt tot rasontaarding, is

wreedheid in plaats van mededogen; kracht en strijd, niet zwakheid

en liefde zijn nodig voor het geluk van het nageslacht, voor de

wetenschappelike „Enkelkult” die de oude „Ahnenkult” moet vervangen.

Een zeker amoralisme kenmerkt dit naturalisme: geen gemoraliseer,

geen vage mensheidsidealen en utopieën, maar de natuur, de harde,

konkrete werkelikheid zelf, de velerlei levende zeden, (on)deugden en

tegenstellingen van onderscheiden volkeren en rassen.

In deze geest werd door tal van sociologen dan ook de oorlog op

„Darwinistiese” gronden verdedigd. Die leer in een notedop levert ons

b.v. AMMON, die in „_Die Gesellschaftsordnung_” over „Der Krieg und

die natürliche Auslese” schrijft: „Der Krieg wird von vielen Uebeln

begleitet, aber man sollte die Schilderung derselben nicht übertreiben.

In seiner Gesamtwirkung ist der Krieg eine _Wohlthat_ für die

Menschheit, da er das einzige Mittel bietet, um die Kräfte von Nation

zu Nation zu messen und der tüchtigsten den Sieg zu verleihen. Der

Krieg ist die höchste und _majestätischste_ Form des Daseinskampfes

und kann nicht entbehrt, daher auch nicht abgeschafft werden.”[2]

[2] Vgk. b. v. ook E. V. HARTMANN, _Das sittliche Bewusstsein_,

bl. 534/5.

In deze denksfeer nu beweegt zich gedeeltelik ook de dieper en

veelzijdiger oorlogsverdediging van STEINMETZ in zijn boek: „_Die

Philosophie des Krieges_” van 1907 en enige kleinere geschriften.[3]

Als sociaal-utilist weegt hij daarin zorgvuldig de essentiële voor- en

nadelen van oorlog tegen elkaar af om aldus zijn rekening, zijn „Fazit”

op te maken. „Das Verhältnis von Vorteil und Opfer entscheidet alles.”

[3] _Der Krieg als soziologisches Problem_, 1899 en _Die Bedeutung des

Krieges bei den Kulturvölkern_ (in Zeitschr. f. Sozialwissenschaft,

Mei en Junie 1914).

Tegen deze methode zelf doemen al dadelik twee grote bezwaren op.

Een _praktiese_ bedenking en een principieel _ethies_ bezwaar, beide

gericht tegen de beslissende, dwingende waarde van haar resultaten.

Vooreerst dan het prakties bezwaar tegen de geluksbalans van de

oorlog: we hebben hier te doen met louter _imponderabilia_, onweegbaar

op zichzelf, hoeveel te meer onopweegbaar tegen elkander. Wie wil,

om slechts enkele voorbeelden te noemen, de waarde van de levens

der gesneuvelden (waarbij eeuwig onvervangbare genieën en heroën

kunnen zijn), de slagveldellende, de angsten, zorg en schrik van

naastbestaanden, het leed van gebroken levens en gezinnen, „die

Demoralisation im Kriege und im Heere” wegen of vergelijken met de

nuttige lessen, die de nederlaag kan geven aan een verslagen volk of

met de mogelike zegeningen van oorlogs teeltkeus en richterschap?

Hoezeer zal dus elke utilistiese behandeling globaal moeten blijven,

meer letten op algemene strekking en richting van voor- en nadelen,

dan op de nooit overzienbare gevolgen in concreto. En hoe weinig

wetenschappelikheid, objektiviteit zal zelfs dan nog bereikbaar zijn,

hoe overwegend zal de rol blijven van levensaanschouwing, temperament,

algemene denk- en gevoelsfeer, subjektieve waardering. In elk geval

dienen dus alle kleine toevalligheden en bijkomstigheden die vóór of

tegen pleiten, buiten beschouwing te blijven en alleen de grote van

oorlog als zodanig onafscheidelike, inherente voor- en nadelen mee te

tellen. Deze nadelen zijn zo gruwelik, zo onloochenbaar, zo evident,

dat oorlog met goed geweten, zij 't ook met een bezwaard gemoed,[4]

slechts door hem kan worden verdedigd, die daartegenover verborgen,

slechts door dieper onderzoek en inzicht te bespeuren _onmisbare_

voordelen, een onvervangbare kulturele funktie voor de oorlog acht

weggelegd. En we vergeven zo iemand gaarne z'n kregeligheden tegen

„die gefühlsseligen Vorleuchter der öffentlichen Meinung”, tegen het

„hitzige Mitleid”, tegen de „sentimentale oberflächliche populäre

Beurteilung” der gevoelige wreed-kortzichtige zieltjes, die (de

vergelijking is reeds van LUTHER) een chirurgiese operatie wraken

om de pijn en het bloed! Neen, met hem willen wij een door de rede

beheerst gevoel—willen we zo nuchter en krities mogelik nagaan, of

inderdaad de oorlog voor zijn „unendliches Weh” en zijn stromen van

bloed het goed recht van de chirurg—zij het ook een chirurg tegen wil

en dank—kan opeisen en op welke gronden STEINMETZ het medelijden,

„das höchste dem Menschen zuträgliche Mitleid”, inroept... ten gunste

van de krijg. Maar wat STEINMETZ zelf in zijn artikel van 1914 weer

ietwat eenzijdiglik getuigt van de _voordelen_ van oorlog: „Ich halte

sie in ihrer unermesslichen Vielseitigkeit für unberechenbar gross”

(bl. 396)—kunnen wij datzelfde niet met hetzelfde recht zeggen van de

_nadelen_... en is daarmee niet reeds alle gemeet en gereken ten deze

veroordeeld?

[4] Zie de voorrede van STEINMETZ' boek. Wanneer we van schrijver

vernemen (bl. 157): „ich bin ein Feind der Jagd, weil sie mir

keinen adaequaten Gewinn im Tausche für die Leiden der Tiere und

die Verrohung der Menschen zu bieten scheint” begrijpen wij, wat

het hem moet kosten, een vriend van de oorlog te zijn.

Na ons prakties tans het ethies bezwaar: Het sociaal utilisme moge

vooralsnog de heersende leer zijn, ik acht het niet twijfelachtig

of deze eerste en grootse poging om tot een niet-dogmatiese,

wetenschappelike moraal te komen, is bestemd om te wijken voor

zuiverder ethiese methode, die de maatstaf van goed en kwaad, de

wetten van het behoorlike, van het „Sollen”, niet zoekt in enig

„Sein”, in enige werkelikheid buiten en behalve het oordelend zedelik

bewustzijn zelf, het methodies verhelderd zedelik zelfbesef. „De

zuivere ethica”, zo schreef ik in 1912, „is even vrij van naturalismen

en supranaturalismen, even exakt, empiries, algemeen geldig en

autonoom als de zuivere logica. Haar enig gebrek is, dat zij nog

niet bestaat. ‚Die Gesetze und Elemente des sittlichen Bewusstseins’

wachten nog op hun schrijver.” Tans hebben we, sinds 1914, al vast de

„_Einführung in die Ethik_” van HEYMANS, waarin het Utilisme wordt

overwonnen door een even zuiver als edel Objektivisme—dat trouwens

alom in opkomst is—in Duitsland bij menig Neokantiaan en de dezer

dagen overleden LIPPS, in Frankrijk o.a. bij FOUILLÉE en PARODI. La

vérité est en marche—rien ne l' arrêtera. Zo zal het utilisme wijken

voor de zekerheid, het klare weten, dat zedelikheid iets anders is en

blijft dan nuttigheid, ook daar, waar beide samenvallen, en dat, om een

voorbeeld te noemen, het recht van één onschuldig veroordeelde, hoe

weinig nuttig of sympathiek hij voor de rest moge zijn, gaat boven het

groepsbelang van duizenden (ik denk hier aan de Dreyfus-zaak), dat er

heroieke waarheid schuilt in het oude _fiat justitia, pereat mundus_,

dat KANT niet tenonrechte toornt tegen de „pharisäischen Wahlspruch:

‚es ist besser, dass ein Mensch sterbe, als dass das ganze Volk

verderbe’; denn wenn die Gerechtigkeit untergeht, so hat es keinen

Werth mehr, dass Menschen auf Erden leben.” Voor het zedelik oordeel

is zedelike grootheid en waarde, zedelike schoonheid en kracht, het

hoogste belang, zedelike verwerpelikheid het grootste kwaad. Zoveel

over ethiek en sociaal utilisme in het algemeen.

En wat nu de toepassing op oorlog en zijn geluksbalans in het biezonder

betreft—ik ben het eens met wat daaromtrent HEYMANS opmerkt[5]: Gelijk

de prostitutie een kwaad zou blijven, ook al kon worden aangetoond,

dat ze niet alleen het algemeen genotsaldo verhoogt, maar ook als

veiligheidsklep de gemiddelde zedelikheid bevordert, zo zou ook de

oorlog een kwaad blijven, welke ook de gevolgen waren, die daarvan voor

de mensheid kunnen worden verwacht. Immers, de oorlog is principieel

_een beslechting van geschillen, niet door het recht, maar door de

macht_. „En wat is omgekeerd de geheele strekking onzer zedelijke

cultuur, zoo niet deze: overal de heerschappij der macht door de

heerschappij van het recht te vervangen?” In de oorlog is _het recht

als zodanig uitgeschakeld_. Als het, toevallig, overwint, dan niet

omdat het recht is, maar omdat het de macht aan zijn zijde heeft. „Of

met één woord: _de oorlog negeert het recht_. Daarmede is de oorlog

zedelijk veroordeeld.”

[5] Zie „_De Oorlog en de Vredesbeweging_”, bl. 7/8.

Is daarmee nu ook STEINMETZ reeds weerlegd? Ja.... en neen. Neen, in

zover ook STEINMETZ recht wil boven macht, maar juist aan de oorlog een

„immanente”, „natuurlike” gerechtigheid meent te moeten toeschrijven,

veelzijdiger, rechtvaardiger dan alle beperkte, bevangen mensenrecht.

De redenering, die tot dit resultaat hem leidt en voorts tot de

gevolgtrekking, dat het even onmogelik als ongewenst is, ooit

rechtspraak te doen treden in de plaats van oorlog, heel dat redebeleid

hebben wij dus in de voornaamste plaats met alle vereiste zorg uiteen

te zetten en te toetsen.

II. DE OORLOGSRECHTVAARDIGING.

1. De Oorlogsnadelen. Gestoorde illusies.

Over de _nadelen_ van de oorlog kunnen wij kort zijn. Ze spreken

zelf luid genoeg. STEINMETZ wijdt er zes paragrafen aan waarin hij

achtereenvolgens bespreekt

1. De opzettelik geofferde mensenlevens.

2. De niet-opzettelik gemaakte slachtoffers, het indirekt door oorlog

veroorzaakt leed.

3. De ekonomiese nadelen: Zowel de akute (verwoestingen enz.) als de

chroniese (de oorlogsbudgetten en derg.).

4. De ekonomiese ontredderingen (Verwirrungen).

5. De demoralisatie onder dienst en in oorlog.

6. Het militarisme als steun van feodaliteit en absolute monarchie.

Een afzonderlik hoofdstuk wordt dan nog aan het belangrijk nadeel der

„_contra-selektie_”[6] gewijd.

[6] D. w. z. verkeerde selektie, die uitroeit wat men wil kweken en

kweekt wat dient uitgeroeid.

Over dit alles slechts enkele opmerkingen. Hoewel het moeilik is een

oordeel te vellen over een oorlog die nog in volle gang, ja misschien

nog eerst in z'n begin is, mogen we toch nu reeds zeggen, dat deze

oorlog het er vóór alles op schijnt aan te leggen, de troostrijke

illusies te verstoren, door STEINMETZ gekoesterd omtrent „Der künftige

Krieg”.

Het sub 6 genoemde zal volgens hem in de toekomst nagenoeg verdwijnen;

een gezonde demokratie duldt geen voor haar zelf gevaarlik leger. Soit.

Ook het onder 5 genoemde is volgens STEINMETZ bestemd om te

verdwijnen. Al kunnen we dat ook voor de demoralisatie onder

dienst in vredestijd toegeven, het zal nog wel enige tijd duren

eer het leger met z'n epidemies kruipen voor meerderen en trappen

op minderen, met z'n soldatenmishandelingen en schrikbarende

zelfmoordstatistieken, met z'n geslachtsziekten en z'n kazerneleven

het ideële volksopvoedingsinstituut geworden is, dat STEINMETZ met

V. LISZT e. a. er van verwacht. En voor de demoralisatie door de

oorlog zelf schijnen mij de reeds in deze oorlogsperiode voorgevallen

feiten stellig van dien aard dat ik STEINMETZ' uitspraak niet zou

durven onderschrijven, dat de Verrohungswirkung des heutigen Krieges

„unbedeutend” is of dat die Demoralisation bij een oorlog van

beschaafde volken „fast wegfallen” muss. Zijn gunstige verwachtingen

steunen in hoofdzaak op de criminaliteitstatistieken na de oorlogen uit

de laatste tijd; we zullen ook nu die statistieken moeten afwachten,

zonder te vergeten, hoe veel, en daarbij van het allerergste, ten

eeuwigen dage buiten alle berechting, buiten alle statistiek valt.

En één nadeel altans heeft STEINMETZ heel en al vergeten: de

demoralisering, de ontaarding van heel een volksgeest tegenover

het vijandelik volk als zodanig. Het is zeker erg, wanneer daar,

als bij het fort Loncin, één welgemikt mortiersprojektiel een

achthonderd jonge mannen tot lillend puin vergruizelt of wanneer

een paar torpedoschutters met gretig beleid een paar duizend man

doen verdrinken, om van het opzettelik verminken en vermorzelen der

duizenden en tienduizenden in de loopgraven nog te zwijgen, maar niet

minder erg is het krijsend leedvermaak, die „jubelende vreugde” over

zulk „schitterend succès”, als gold het giftig ongedierte in plaats van

onschuldige, zedelik gelijkwaardige, ja kultureel verwante medemensen.

Ik weet wel, dat dit leedvermaak minder de vijanden, dan de vijandelike

zaak geldt.... doch dat is juist het diep-onzedelike van oorlog, dat de

ene zaak door gemiddeld precies even goede mensen wordt gediend als de

andere, dat niet goed of kwaad, recht of onrecht, gelijk of ongelijk de

plaats in het ene gelid of het andere bepaalt, maar toevallig, van wil

of waarde onafhankelik nationaliteits-, of neen, staatsverschil.[7]

[7] Wee de onverlaat, die naar recht en geweten z'n plaats zou willen

kiezen.... aan de overzijde! Op straffe van eerloosheid en

dood wegens „landverraad” eist oorlog van hem gewetenloos

rechtsverraad: right or wrong, my country!

En zie nu die psychologie der oorlogsberichten, waarin de vijandelike

verliezen de zoete troost zijn voor elk échec, en pest, cholera,

tyfus, verraad, opstand, hongersnood kwistig over de vijand worden

uitgestrooid, dewijl de wens de vader is der gedachte.

Ja, bij STEINMETZ fungeren zelfs de „Grausamkeitsgenüsse” van de oorlog

als voordelen in de Lustbilanz! Men behoeft nog geen askeet te zijn om

dit hedonisties amoralisme te wraken en onzedelik genot te beschouwen

als een kwaad. Want geen ander leedvermaak is zedelik gerechtvaardigd

dan de verheuging over falende slechtheid, over teleurgestelde,

onbevredigde gemeenheid. En toch is haat, algemene, distinktieloze

haat, die aan onschuldige „vijanden” dood en verderf toewenst en

toedient nodig in en voor de oorlog; hoe feller die haat wordt

gestookt, desnoods met leugen en laster, des te vuriger het élan. Wat

hadden de Duitsers tegen de Belgen toen zij hen overvielen? Op z'n best

schaamte. Maar daar kwamen de verzonnen „Abschlachtungen der Deutschen

in Antwerpen”, kindermoord, vrouwenmishandeling, kerkhofschending,

bestialiteit... het spel kon beginnen. En we denken aan de gretig

geloofde en gekolporteerde putvergiftiging met cholerabacillen in Metz,

besmetting van de Müggelsee, dum-dums of ontplofbare kogels over en

weer, marteling van gevangenen en gewonden, kortom aan al wat nodig is

om de stemming op peil, op oorlogspeil, te houden.... hoewel dan „die

heutigen Kriege keinen erheblichen Verrohungseinfluss mehr ausüben.”

Omtrent het sub 3 en 4 genoemde, de ekonomiese nadelen, het

kapitaalverlies, de verwoestingen enz. erkennen we dat het oordeel of

de oorlog zijn kosten dekt en zelfs bovenmatig „goedkoop” moet heten

geheel afhankelik is van de waarde die men aan z'n voordelen hecht; het

enige waarop we moeten wijzen is dat altans deze oorlog nu reeds een

ontwrichting en ontreddering van het ekonomies leven, een werkeloosheid

en een volksverarming heeft gebracht als wel geen oorlog te voren.

En we zijn waarschijnlik nog maar aan het begin. Geen opleving, geen

herstel na de oorlog kan het nu geleden leed te niet doen. Maar laat

ons bij betrekkelike kleinigheden niet te lang stilstaan! Daar zijn

b.v. de verwoestingen. „Zum Glücke ist es wahrscheinlich, dass die

Zerstörungen im Kriegs-interesse jetzt erheblich geringer sind als sie

in früheren Jahrhunderten waren”... Oost-Pruisen, Noord-Frankrijk,

Russies Polen en België,—Leuven, Mechelen, Aerschot, Dinant, Namen,

Reims... We gaan verder.

We krijgen nu de dodenlijsten van de oorlog en al wat aan ellende

daarmee samenhangt. We betreden het terrein van de „_contraselektie_”,

die de gezonde gave normale jonge mannen, de keur en bloem der

volken wegmaait en de zieken, zwakken en gebrekkigen, het misgewas en

het uitgebloeide laat leven en telen. De lichting is kieskeurig...

de kogel niet, „Die Kugel wählt nicht”. Kogel, bom of granaat heeft

voor begaafdheid of genie, voor geest of gemoed, voor kennis of

karakter niet meer respekt dan voor elk willekeurig stuk levend

vlees. „Ja, die Besten, die Tapfersten sind hier gewiss besonders

im Nachteil”. We begrijpen, dat voor een selektionist deze „helaas

niet te schatten of te berekenen” contraselektie inderdaad „_ein sehr

bedeutender Uebelstand_” moet zijn, al pleit hij enige kwantitatieve

„mildernde Umstände”: het geringe percentage edelen en begaafden

(„Grob und ordinair sind meist die Toten, grob und ordinair auch die

Zurückbleibenden”, een schrale troost, vooral voor de betrokkenen),

de geringe afwijkingen, die voor afkeuring voldoende zijn, het feit,

dat volgens VON BLOCH (_Der Krieg_) in de laatste oorlogen door

ziekten en ontberingen—dus door seligerende faktoren—wel driemaal

zo velen omkwamen als door wapengeweld (maar blijkt niet reeds tans

en wordt niet voortdurend deze verhouding ongunstiger door de

verbetering enerzijds van de wapentechniek, anderzijds van verzorging

en verpleging?), het aantal vaders, dat sneuvelt, na dus zijn

selektie-dienst reeds te hebben verricht—een troost intussen, die

bij de met stijgende kultuur stijgende huweliksleeftijdsgrens steeds

geringer dreigt te worden.. Edoch: „_Der Haupttrostgrund ist aber, dass

am Ende doch nur relativ Wenige dem Kriege zu Opfer fallen, wenigstens

in den Kriegen civilisirter Grossstaaten_”. Veel of weinig is altijd

„relatief”. Wijsbegeerte noch wetenschap zal daarover twisten. Maar

welke maatstaf legt STEINMETZ aan—op wat voor verliescijfers is zijn

oordeel gebouwd? Op die van de oorlogen in Europa in de 2e helft van

de 19e eeuw, als de Pruisies-Oostenrijkse oorlog van 1866, waarin het

aantal doden wordt geschat op bijna 11000 Pruisen en ongeveer 3 maal

zoveel Oostenrijkers, de „bloedige” Krimoorlog, die 175000 doden en

gewonden opleverde (LEVASSEUR), doch inzonderheid de Frans-Duitse

oorlog, waarin de Duitse verliezen op ± 40.000 worden gesteld, de

Franse op ± 140.000, voor Duitsland dus 1 op de duizend inwoners! En

voor de toekomstoorlog heeft BERNDT („_Die Zahl im Kriege_” 1897)

STEINMETZ overtuigd, „dass Millionenschlachten sehr unwahrscheinlich

sind... dass die Verlustprozente keine grösseren sein werden als im

letzten grossen Kriege”. VON BLOCH's verwachtingen over de ungeheure

Verluste bij het moderne wapentuig in een toekomstige krijg acht

STEINMETZ „gründlich widerlegt” („vollständig verfehlt”) door zijn

beschouwing: „Die Bewaffnung ist gar kein Faktor in der Verlustgrösse

des Krieges”... „Je schrecklicher die Waffen, je blutiger die

Schlacht, um so kürzer und weniger blutig der Krieg”. Beschaafde

volken willen immers elkander niet meer verdelgen, ausmorden, maar

slechts onschadelik maken, demoedigen, een „vorteilhaften Frieden”

afdwingen. Geen volk zal méér lijden dan het dragen kan, men make

zich niet nodeloos ongerust, „Wenn die Verlustgrenze (elders: „die

Widerstandschwelle”) erreicht ist wird nachgegeben”. „_Verlustmaxima_”

zijn bereikt in de Russies-Japanse oorlog—maar daar stond „der Muschik

gegenüber dem Samurai, die wenig übertünchte Barbarei gegenüber dem

kaum verlassenen Mittelalter”—en die „maximale” verliezen bedroegen:

ruim 80.000 Japanners en ruim 30.000 Russen!

Wat leert ons nu de werkelikheid van de tans losgebroken oorlog?

Hoe onbarmhartig drijft hij de spot met STEINMETZ en BERNDT, hoe

grondig weerlegt hij hun illusies![8] Niet bij tienduizenden, bij

honderdduizenden, ja naar de laatste berichten reeds bij kwart en

halve millioenen dienen de verliezen geteld... in deze weinige maanden

tijds. De officiële Duitse verlieslijsten die ik zag, hadden reeds

vóór half Oktober, vóór de bloedbaden aan de Yser, bij Yperen en

Dixmuiden en vóór de terugtocht van Warschau een bedrag van meer dan

470.000 bereikt! Reeds tans zijn de verliescijfers _meer dan 10 maal

zo hoog_ als in '70/'71! Waar blijft nu STEINMETZ' Haupttrostgrund?

En we zijn, naar het schijnt, nog pas aan 't begin. Wat zal het

einde zijn? „Mürbe” gemaakt is nog geen der tegenstanders—wat zal

er deze winter overblijven van al die kostelike millioenen, van die

keur der keurvolken in de moordende, slopende loopgraven, in west en

oost? Ziet iemand redding of uitkomst? Zou STEINMETZ tans nog „die

ganze Sache wohl ein bischen zu sehr aufgebauscht” noemen? Parfois le

vraisemblable est l'ennemi du vrai: de werkelikheid heeft STEINMETZ'

„waarschijnlikheid” verslagen met JOTEYKO's „Phantasie”: „entre la

guerre d'hier et la guerre de demain un abîme est creusé”!

[8] Vgk. hoe STEINMETZ onder de „soziale Sukzessionsgesetze... induktiv

und einwandsfrei demonstriert”... zijn „Gesetz der abnehmenden

Kriegsverluste” opneemt, _Ph. d. Kr._ bl. 66 vv.

2. Oorlogs onmisbare kultuurfunktie.

Of in deze afgrond met STEINMETZ' Haupttrostgrund ook zijn

oorlogsgeestdrift verzonken is? Ik moet het betwijfelen. Want al

wekt zijn behandeling van het probleem, zijn wikken en wegen der

oorlogsnadelen de schijn—en al waant wellicht de schrijver zelf

in gemoede—, dat de betrekkelike zwaarte dier nadelen voor hem

gewicht in de schaal legt, zijn houding mede bepaalt[9]—dat alles

is niet meer dan schijn, zelfbedrog, oppervlakte-psychologie.

Immers, wanneer men met STEINMETZ de van oorlog onafscheidelike,

essentiële _voordelen_ ziet als eenvoudig _onmisbaar_, wanneer de

oorlog een even _onvervangbare_ als _onontbeerlike_ kulturele funktie

vervult—dan zinkt daartegenover elke eindige, d.w.z. elke voor volk

of mensdom _nog draagbare_ nadeelskwantiteit, ja voor STEINMETZ immers

„geradezu unendlich viel Entsetzliches”.... eenvoudig in 't niet.

Geen sentimentele illusies. Grote dingen moeten we groot zien.[10]

Oorlog, dat wil voor STEINMETZ zeggen leven en vooruitgang, de zedelike

verheffing van het mensdom—zonder oorlog stilstand, bederf, marasme,

dood. Ziedaar de voordelen, het heil, de zegen van de krijg.

[9] „Auch kommt es gerade und allein auf unsere Schätzung der dem

Kriege inhärenten Nachteile bei der schliesslichen Abwägung seiner

guten und schlechten Folgen an” (_Ph. d. Kr._ 13).

[10] De felle schets van 1899 (_Der Krieg als soziologisches Problem_)

is zuiverder van toon en opzet dan het breed uitgewerkt boek van

1907, dat met minutieus feiten- en cijfermateriaal toch slechts

voor de leus rekening houdt.

Wat VOLTAIRE van God zeide, zegt STEINMETZ van de oorlog: „Wenn es

keinen Krieg gäbe, müssten wir ihn erfinden!”

Betreden wij tans de weg die naar deze apologie, neen apotheose van de

oorlog leidt.

De kwintessens van het betoog luidt: _Oorlog is het enig middel tot

kollektieve selektie, de enige, die _(in tegenstelling tot de

selektie van individuen)_ zedelik werkt_.

De gedachtengang is deze:

De oermens is een aggressief wezen, d.w.z. hij heeft de drang tot

zelfbehoud (Selbstbehauptung, verweer) en tot machtsuitbreiding

(Selbsterweiterung, aanval) en de kracht en de wil (moed, wreedheid,

hebzucht) om die desnoods met geweld te veroveren op dierenwereld

en medemens. Zo heeft hij de strijd om het bestaan met roofdier en

mens-vijand kunnen en moeten voeren en winnen—en dank zij die

strijd met z'n survival of the fittest heeft hij al zijn vermogens,

heel zijn superioriteit tot ontwikkeling gebracht, niet alleen z'n

lichaams- en intellektuele krachten, maar ook z'n zedelike (sociale)

gevoelens, dank zij de groepvorming en groepselektie. Want in de

strijd geldt nu eenmaal het recht van de sterkste—Recht hat wer

gewinnt—en de zwakke individuen verenigen zich van oudsher tot sterke

groepen, horden, die dezelfde aggressiviteit, krijgszucht behoeven

en vertonen, en tot zelfbehoud (defensief) en machtsversterking of

bezitsverrijking (offensief) onderling oorlog voeren. Binnen de

groep ontstaat tussen de individuen zelf solidariteit en gevoel van

samenhorigheid, arbeidsverdeling, orde, gezag, vreedzame wedijver;

recht begint te treden in de plaats van macht en geweld—en heel de

hogere kultuur is aan die vorming en groei van groepen te danken, wier

hechtste cement de krijg tegen vijandelike groepen was. Want liefde,

meegevoel, gemeenschapszin was alleen mogelik jegens een betrekkelik

kleine kring van „naasten”, „eigen volk”, in tegenstelling tot de

vreemdelingen-vijanden (hostes) rondom—algemene mensenmin was (en is)

een ijdele frase.—Ziedaar de „kulturele funktie” van de oorlog als

„Triebkraft” der ontwikkeling voor het verleden, voor de geschiedenis

der mensheid. En meteen het inzicht voorbereid in zijn onmisbare

„wesentliche” funktie, die... „für alle Zeiten gültig ist”, zijn

zedelike noodwendigheid.

Immers: Wat is het principieel _zedelik_ verschil tussen de

individuele en de groepselektie? Het individu heeft om te winnen

zuiver individualistiese, egoïstiese eigenschappen nodig: zelfzucht,

hebzucht, haat jegens anderen, afgunst, geweldenarij, list en bedrog,

meedogenloosheid—de groep heeft om te zegevieren tal van belangrijke

_zedelike_ faktoren nodig—want winnen zal de hechtste, rijkste,

machtigste groep; de leden moeten derhalve trouw zijn aan elkaar,—er

moet verdraagzaamheid heersen, gemeenschapsgevoel, solidariteit,

toewijding, opofferingsgezindheid, eerlikheid, betrouwbaarheid en

vertrouwen, orde, gezonde organisatie, arbeidsverdeling,—en wat dies

meer zij. Derhalve moeten er zelfstandige, gescheiden, geïsoleerde

groepen zijn—zonder isolement geen groep, maar amalgamering en

atomisering en louter individuele selektie. En het enig middel tot

dergelijke voldoende isolering is onderlinge strijd, is _oorlog_. Die

alleen stoot enerzijds voldoende af en houdt anderzijds voldoende

bijéén, wekt de opperste solidariteit, doordien hij alle krachten

van het geheel en van de leden vergt, zelfs het leven. Dit laatste

vermag alleen de _staat_ met zijn dwang, niet een vrije vereniging van

gelijkgezinden voor beperkte doeleinden. Derhalve moeten er staten

en oorlogen zijn, die elkander vooronderstellen: zonder oorlog geen

staat, zonder staat geen oorlog. En zó wordt dan bij de statenstrijd,

in tegenstelling tot de kamp en wedstrijd der individuen, de „Messung

der Kräfte” tot een zedelik heil, macht tot recht.[11] Want als àlle

gemeenschapskrachten in het spel zijn, en dat is bij de krijg het

geval, is de beslissing ook alzijdig, wordt zegepraal of nederlaag het

eindresultaat van heel het staats- en volks-verleden, de straf voor

alle staatszonden, het loon voor alle staatsvoortreffelikheden, een

waar „Godsoordeel”, om te spreken met de Hegeliaan LASSON. Zo wordt de

oorlog de grote rechter, „der Krieg das Weltgericht”, hoog verheven

boven de rechtspraak der eenzijdige wijsneuzige mensjes: „Jeder Richter

urteilt einseitig, der Krieg allseitig”.

[11] Even oppervlakkig als onbillik tegenover STEINMETZ, is dus alle

verweer in deze trant: „Tegenover het ethisch nihilisme, dat macht

en recht doet saamvloeien, klemmen wij ons vast aan den Christus

Gods, die het verlorene zoekt en zich over het zwakkere ontfermt.”

Juist op gerechtigheid en barmhartigheid beroept zich STEINMETZ'

oorlogsfilosofie.

De oorlog vervult de wereldhistoriese roeping, te zorgen „dass ein

tüchtiges Volk an die Stelle eines schlaffen tritt”. Welbeschouwd

vergt oorlog, mits niet te frequent, en van enige militaire,

sociale en politieke fouten gezuiverd (volksleger in plaats van

kaste-militarisme), niets dan „eine sogar sehr billige Bezahlung für

seine ungeheueren Wohlthaten”.

Ten slotte: Nooit kan en mag—zo zou STEINMETZ antwoorden op het

betoog, dat oorlog de negatie van het recht is—nooit kan en mag

rechtspraak, mensenrecht, het immanent recht van oorlog vervangen.

Want het _recht_ slaat op het _verleden_, doet _behouden_, wat reeds

verworven was, de oorlog regelt en bepaalt de _toekomst_, zorgt voor

_nieuwe_ verwerving, het recht konstateert, de oorlog konstitueert,

het recht is een beginsel van stilstand en behoud, de oorlog een

stuwkracht in dienst der Selbsterweiterung, een beginsel van groei en

machtsontplooiing. Of, om met MAX SCHELER te spreken[12], het recht is

„_statisch_”, de oorlog „_dynamisch_”. En stilstand, rust wil zeggen

ontbinding, Verfaulung. Leven is groei, ontwikkeling. Zo wordt de

gedachte: scheidsgerecht in plaats van strijd, „zu blödsinnig, zu

hässlich um ernste Bestreitung zu verdienen”. Het is in het belang

der mensheid, dat geschillen tussen volken „Machtfragen bleiben und

keine Rechtsfragen werden”. Kracht en inspanning moeten beslissen,

niet „etwa Anciennetät”. Wat volgens STEINMETZ het socialisme zou

betekenen voor het individu, dat spiegelt de wereldvrede voor aan de

staten: „der ewige Schlaf des Menschheitspensionats”, een leventje

„ohne Kampf, ohne Anstrengung, ohne Verantwortung, ohne Ausmerzung!

Ein hehres Greisenideal: Verfaulung im Lehnstuhl!”—Zonder strijd,

zonder zelfhandhaving en aggressiviteit „Zurückdrängung des Besseren,

Erniedrigung des Typus, Tod.”—

[12] _Die Idee des Krieges_ (Neue Deutsche Rundschau, Okt. '14)

Zo luidt het pleit van de oorlog en zolang dit overeind staat kunnen

geen oorlogsslachtoffers, hoe talrijk ook, meetellen, mag geen

oorlogsmisère, hoe intensief en extensief ook, meewegen. Hic Rhodus,

hic salta.

III. DE KEPER.

1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog.

Wat hebben wij nu tot deze dingen te zeggen?

Allereerst richt ik mij tegen het imponerend betoog, dat recht

niet kan en mag in de plaats treden van oorlog. Het berust op een

onzuivere, valse tegenstelling: Tegenover de oorlog als stuwkracht,

verovering en geweld als middel en wijze van krachtsontplooiing en

bezitsverwerving staat niet het recht, dat nooit zulk een dynamiese

funktie voor zich heeft opgeeist, maar staan de _vele vreedzame

stuwkrachten_ en wijzen van bezitsvermeerdering en machtsverwerving,

van leven en wasdom, die de dynamiek der geschiedenis kent, bij

individuen, groepen, steden en staten: _tegenover roof en krijg_

staat, neen niet het recht, maar: rechtens en zedelik geregelde en

geoorloofde _arbeid_, _eerlike wedstrijd_, staat bij de volken het

gebruik van al hun kulturele, dus alle ekonomiese, wetenschappelike,

artistieke, morele krachten. Die vreedzame _wedijver met àlle

krachten_ maakt eenlingen en gemeenschappen groot en sterk—en de

geschiedenis der laatste eeuwen is het levend bewijs, hoe enkelingen,

geslachten, steden, verenigingen, industrieën, kerken en partijen

kunnen opkomen en ondergaan, veldwinnen, groeien en bloeien zonder roof

of verovering, zonder wapengeweld. Sinds hoe lang heeft Amsterdam of

Berlijn of b.v. Chicago geen oorlog gevoerd? Dus stilstand, bederf,

ontbinding, dood? Het lijkt er vooralsnog niet naar. Zeker, strijd

is nodig, wedstrijd en selektie—daarover zijn wij het eens, dat is

de waarheid in STEINMETZ' betoog. Maar allerminst is het recht, is

arbitrage in de plaats getreden van de stedenoorlog als stuwkracht

der ontwikkeling! En misplaatst is dus de spot van STÖRK met de

voorstanders van internationale arbitrage: „das Weltgericht setzt

fortan Weltgeschichte”, misplaatst STEINMETZ' apostrofe: „Ist dieser

Gedanke nicht der verrückteste, der je ausgeheckt wurde: die Zukunft

der Rassen und Völker, der ganzen Menschheit durch Richterspruch nach

Schätzung und Gesetzesparagraphen gelenkt! Wie wenig zeugt diese

entsetzliche Illusion von Ehrfurcht vor den höchsten Interessen der

Menschheit, vor der Zukunft der Völker!”

Welk een wonderlik eenzijdige, povere geschiedbeschouwing! Neen, wat

de wereldgeschiedenis maakt, wat de rassen en volken leidt zonder

statenoorlog, zonder wapengeweld, zal evenmin recht of arbitrage

zijn, als rechtspraak tans de drijfkracht is die de machts- en

bezitsverhoudingen der enkelingen en groepen wijzigt, hun opkomst,

aanzien, eer en ondergang bepaalt, waar alle fysiek geweld, alle

doodslag en roof hun rechtens en feitelik is ontzegd. Gebleven is

immers de strijd om 't bestaan. Gebleven is, en blijven moet, de zegen

van „Gefahr, Not und Kampf”, van inspanning, wedijver en wedstrijd,

kortom van selektie. Andere dan fysieke krachten konden zich doen

gelden en beslissend worden, op edeler vermogens seligeerde de strijd,

waar organisatie en samenwerking anarchie en verdeeldheid verving.

Veranderd is alleen de wijze en het terrein van strijdvoeren, zijn

alleen de middelen van Selbstbehauptung en Selbsterweiterung. Het recht

vervangt niet, maar vervormt de strijd. Selektie wordt door recht niet

opgeheven, maar verschoven. En wat is zelfs het socialisme anders dan

het streven, de anarchiese strijd om individuele, materiële winst met

zijn verderfelike selektie-gevolgen door middel van organisatie te

vervangen door een des te heviger, immers algemener strijd van hoger

selektief allooi op alle terreinen der kultuur?

De vraag is dus alleen of 't in strijd is met de dynamiek der historie,

dat ook de staten hun „Selbsterweiterung” ééns zullen moeten zoeken

zonder wapengeweld en verovering. Daarop luidt dus ons antwoord:

neen—_arbeid_ met alle kulturele vermogens en vreedzame, recht en

rechten eerbiedigende _wedijver_ is in de plaats getreden van roof

en geweld bij individuen, stammen, gemeenten, steden, provincies,

staatjes en verenigde staten; in het histories karakter van „dynamiese”

oorlog en „staties” recht ligt niets hoegenaamd wat ons noopt te

geloven aan een verbreking van deze historiese lijn. Integendeel.

Dezelfde historiese machten en invloeden voorspellen gevolgen in

dezelfde richting. Dezelfde ekonomiese en kulturele faktoren, die de

rechtsgemeenschappen, waarbinnen militaire grenzen zijn uitgewist, en

met de militaire zelfstandigheid oorlogsmogelikheid, oorlogsaanleiding

en oorlogsbelang zijn verdwenen, steeds omvattender hebben gemaakt,

zullen ook voortaan de volken- en staten-kringen uitbreiden, waarbinnen

arbeid, recht en vrede zullen treden in plaats van roof, geweld en

krijg. De gelegenheid maakt de dief—de gelegenheid maakt de oorlog,

gelijk alleen de duelzede (b.v. in Duitse studentenkorpsen) dageliks

duelaanleiding, duelbelang, duelnoodzakelikheid schept.

En ook dit dienen wij hier te bedenken, dat de „dynamiese”

oorlog—de _veroveringsoorlog_ is, de belangenoorlog, die door

regeringen en volken reeds tans om 't hardst wordt verloochend met

leuzen van zelfverdediging en geschonden heilig recht, die nog

slechts door verdwijnende minderheden van belanghebbenden met hun

buitensporig, verouderd en ten dode gedoemd machtsoverwicht wordt

gewild, en doorgedreven tegen het belang, de wil, de rechtszin

van de kultuurvolken zelf, in hun overgrote meerderheid, die hem

verfoeit, die hem zedelik te boven, er te redelik en te goed voor

is. Van deze „dynamiese”, „expansieve”, dus op roof en buit beluste

volksgeweldpleging geldt inderdaad en letterlik, wat SCHOPENHAUER

schreef in algemener zin: „Diese Raubthiere des menschlichen

Geschlechts sind die erobernden Völker, welche wir, von den ältesten

Zeiten an bis auf die neuesten, überall auftreten sehn, mit wechselndem

Glück, indem ihr jeweiliges Gelingen und Misslingen durchweg den

Stoff der Weltgeschichte liefert, daher eben Voltaire Recht hat zu

sagen: Dans toutes les guerres il ne s'agit que de voler. Dass sie

sich der Sache schämen geht daraus hervor, dass jede Regierung laut

betheuert, nie anders als zur Selbstvertheidigung die Waffen ergreifen

zu wollen. Statt aber die Sache mit öffentlichen, officiellen Lügen zu

beschönigen, die fast noch mehr, als jene selbst, empören, sollten sie

sich, frech und frei, auf die Lehre des Machiavelli berufen.”—Zoveel

over de veroveringsoorlog—waarbij ik nog buiten bespreking laat het

Norman-Angellisme, voor zoverre dat betoogt, hoe „verovering” ook

ekonomies een onding is geworden, waarbij meer verloren dan gewonnen

wordt, dank zij het moderne krediet-systeem en de steeds inniger en

veelzijdiger internationale ekonomiese afhankelikheid, zodat „The great

Illusion” dient overwonnen, als zoude militaire en politieke macht

een volk commerciële en sociale voordelen schenken of als ware het

ekonomies nog mogelik, kolonies te „bezitten”, de rijkdom van een ander

volk met wapengeweld inplaats van ekonomiese mededinging duurzaam te

bemachtigen of te vernietigen. „Die Menschenseele hat kein theureres

Gut als die Illusion” zegt ergens MAX NORDAU. Volgens NORMAN ANGELL

is wel de duurste van al die illusies the great illusion. „War does

not pay”. Bevestigt dieper ekonomiese studie deze beschouwing, dan is

daarmee het ekonomies doodvonnis over de oorlog geveld.

Maar genoeg van de veroveringsoorlog en zijn gewaande

histories-dynamiese noodzakelikheid.

2. De kollektieve selektie.

En nu het allesbeheersend, beslissend punt: _de kollektief-selektoriese

funktie_, de oorlog als onmisbaar opvoeder en volkenrichter.

Oorlogsfilosofie · 第 1 / 8 段