De muziek viel in, en de kinderen liepen stoeiend verder. Anneke
hield eerst een poosje Nelly aan de hand, maar de meisjes losten haar
om de beurt af en ook liepen de onderwijzeressen wel met haar gearmd.
Het blinde kind genoot volop, misschien nog wel meer dan de anderen,
want zij was maar zoo bitter weinig gewoon.
"Jakkes, wat is dat?" riep een van de meisjes uit, toen zij een
glibberig voorwerp op het strand zag liggen.
"Een kwal!" zei de meester. "Blijf er maar af!"
"Ik denk er niet over om het op te rapen!" lachte Anneke. "Bah, wat
vies!"
Velen liepen mooie schelpen en horentjes te zoeken, die er in
overvloed over het strand verspreid lagen, en Dik speelde met zijn
vrienden vlak langs de aanrollende golven en sprong weer haastig weg,
als zij hem over de voeten dreigden te spoelen.
Dat spelletje gingen de andere jongens ook doen, en menigeen werd
door de golven verrast en haalde een natte voeten. Maar daar werd
niet over getreurd; zij gaven er niets om. Thuis zouden zij wel weer
droge kousen aantrekken.
De meester vond het echter minder prettig, en daarom gaf hij verlof,
dat zij hun kousen en schoenen mochten uittrekken.
[Illustratie]
"Dan blijven zij tenminste droog," dacht hij. En hij had wel gelijk,
-- maar de jongens gingen nu veel verder in het water, zoodat hun
broeken al heel gauw drijfnat werden, en dat was niet veel beter.
Maar 't was warm weer, dus 't zou wel zoo erg veel kwaad niet kunnen.
't Ergste was, dat Bruin Boon allebei zijn kousen verloor, zonder het
op te merken. Hij miste ze pas, toen Wijk aan Zee bereikt was, maar
toen was het te laat.
Schreeuwend zat hij op een zandhoop.
"Wat is er?" vroeg de meester.
"'k Heb mijn kousen verloren," jammerde Bruin.
"Jij hebt ook altijd wat, Bruin," bromde de meester. "Nu, er is niets
aan te doen, je bent ze kwijt. Ze zullen wel hier of daar in de zee
liggen of op het strand zijn aangespoeld, maar je moogt ze niet gaan
zoeken. Ik sta niet toe, dat een van de jongens zich van den troep
verwijdert. Huil nu maar niet, -- ik zal er nog eens over denken, wat
ik doen kan."
Ja, zij hadden thans Wijk aan Zee bereikt, waar een aantal badstoelen
aan het strand stonden, met heeren of dames er in, die zaten te lezen
of te handwerken. En er waren badkoetsjes, waarin de menschen, die in
zee wilden gaan, zich konden ontkleeden. Dan werd het koetsje door
een paard een eindje in het water gereden, en een oogenblik later
kwamen de menschen er uit om een frisch bad te nemen. Dik vond het
aardig, om dat alles aan te zien.
De kousen en schoenen der kinderen werden bij elkaar in een tentje,
waar snoep- en speelgoed te koop was, in bewaring gegeven, en de
meester huurde van een strandknecht drie badstoelen voor zich en de
beide juffrouwen, want zij waren moede en warm geworden van de
wandeling.
"Zijn er veel badgasten van 't jaar?" vroeg de meester aan den
badknecht.
"O, dat gaat wel, mijnheer," was het antwoord. "Maar in Zandvoort en
Scheveningen zullen er wel meer zijn," liet hij er lachend op volgen.
"Dat denk ik wel," zei de meester. "Daar is het veel drukker."
"Zeker, mijnheer, -- maar hier is het veel rustiger, en daarom geven
velen de voorkeur aan Wijk aan Zee boven Scheveningen bij voorbeeld.
Hier komen ze eens echt lekker uitrusten, begrijpt u?"
"O juist," zei de meester. "Kooplieden, die drukke zaken hebben, en
zieken..."
"Zeker, dat is zoo, -- maar ook groote geleerden, die geestelijk
vermoeid zijn. Ziet u, dien grijzen heer daar, -- in dien badstoel? Hij slaat nu
juist zijn krant om.--"
"Ja, -- ik zie hem. Is dat een geleerde?"
"Ja mijnheer, dat is professor Donders, uit Utrecht. Hij komt hier
bijna elken zomer, en zoo zijn er meer. Naast hem zit een professor
uit Amsterdam, een vriend van hem."
De meester betaalde de huur voor de badstoelen en begaf zich naar de
kinderen.
"Mogen we hier baden, meester?" vroegen ze.
"Ja, -- maar bij elkander blijven, hoor. Ik ga even het dorp in..."
"M'st'r, we hebben zoo'n dorst!" klaagden er sommigen.
"Daar weet ik raad op. Ik zal maken, dat er voor ieder over een half
uurtje een glas heerlijke limonade wordt gebracht. En hoor eens,
weten jullie nog wel, dat ik je onlangs, toen we het over Utrecht
hadden, gesproken heb over een wereldberoemden professor in de
oogheelkunde..."
"Profester Donders!" zei Dik.
"Juist, Dik. Kijk -- ginds zit die beroemde man, -- dáár -- in dien
badstoel: Hij zit de courant te lezen. Vinden jullie het niet
aardig, zoo'n beroemden man te zien?"
Ja, dat vonden zij allen, maar veel notitie namen zij niet van hem.
De meester vroeg de twee dames, goed toezicht te houden gedurende
zijn afwezigheid, en de kinderen gingen op bloote voeten in de zee
loopen. Hun gejoel en gejuich klonk ver in het rond.
Nelly was alleen achtergebleven, en Dik stond naast haar. Hij hield
haar hand in de zijne en zijn blik onafgebroken op den beroemden man
in den badstoel gericht. Zijn gezicht stond hoogst ernstig en
blijkbaar was hij in gedachten verdiept.
"Wat hebben ze een pleizier, hè Dik?" zei het blinde meisje, dat het
gejuich der kinderen hoorde.
Maar Dik gaf geen antwoord. Hij had niet eens gehoord, dat Nelly wat
tegen hem zeide.
"Wat hebben ze een pleizier, hè Dik?" zei ze nog eens, en zij gaf
hem een rukje aan zijn hand.
"Wat? -- Wie?" vroeg Dik, blijkbaar nog in gedachten verdiept.
Maar opeens greep hij haar hand stevig vast, en zei:
"Kom Nelly, -- ga meê, ---- hierheen!"
En hij trok haar haastig voort naar den badstoel, waarin de
wereldberoemde man gezeten was.
Daar bleef hij staan en hij trok aan de klep van zijn pet, wat hij
altijd deed, als hij een gewichtig plan koesterde.
Maar hij zei niets, -- en de professor las in zijn krant.
Opeens keek de geleerde man echter op en toen zag hij den dikken
jongen staan met het meisje aan zijn hand, en hij merkte op, hoe de
jongen hem onafgebroken aanstaarde.
Hij moest er even om lachen.
Dik bleef hem aanstaren, zonder iets te zeggen, en weer trok hij de
klep van zijn pet dieper in zijn hals.
De professor lachte nogmaals. Hij vond dien dikzak bijzonder
vermakelijk.
Maar opeens wees Dik naar zijn pet, bij wijze van groet, en zei:
"Mijnheer -- Profester -- ik --"
"Wel jonge, wat is er?" vroeg de heer. "Wou jij me wat vragen?"
"Ja m'st'r, --" zei. Dik, die vreemde heeren bij vergissing bijna
altijd den titel van meester gaf, omdat hij dien heel hoog vond.
De heer glimlachte er om. "Nu, -- wat dan?" vroeg hij vriendelijk,
toen Dik bleef steken.
"M'st'r, -- Profester," zei Dik, -- "meester zegt, dat u zoo beroemd
is, omdat u blinde menschen weer ziende kunt maken...."
De heer lachte nogmaals, en nu trok het zijn aandacht, dat Dik een
meisje aan de hand hield, dat half achter hem was blijven staan.
"Zoo," zei hij, "zegt de meester dat? En wat wil je nu?"
"M'st'r, -- Profester, dit meisje is blind," zei Dik, terwijl hij
Nelly een weinig naar voren trok. "Wil u haar ook beter maken?"
De heer keek thans zeer ernstig.
"Wie heeft je bij me gezonden?" vroeg hij.
"Niemand, m'st'r," zei Dik. "Ik ben zelf gekomen."
"Is dat meisje je zusje?"
"Neen m'st'r -- Profester -- 't is mijn buurmeisje. We wonen hier ver
vandaan op een dorpje, en de meester heeft ons op school over u
verteld..."
"Zoo, zoo!" zei de heer vriendelijk. Hij strekte de hand uit naar het
blinde meisje en vervolgde:
"Breng haar eens bij me, jongen."
Dik deed het. Hij voelde Nelly's hand beven in de zijne. De professor
keek het kind in de oogen en tilde haar oogleden op. Hij vroeg
allerlei dingen aan het meisje, en sprak toen een poosje geen enkel
woord meer. Herhaaldelijk tilde hij haar oogleden op en Nelly moest
haar oogen bewegen. Dik keek in de grootste spanning naar alles, wat
hij deed. Toen verzonk de professor in diep gepeins, dat kon Dik, die
geen oog van hem afwendde, duidelijk zien. Dik beefde van spanning.
Eindelijk zag hij, dat de professor zijn blik op hem richtte, en toen
wees hij uit pure beleefdheid naar zijn pet, en vroeg:
"Kan het, m'st'r?"
De geleerde man glimlachte.
"Mijn beste jongen," zei hij vriendelijk, -- "dat weet ik nog niet. Ik
zou haar oogen eerst eens op mijn gemak moeten onderzoeken, en dat
kan ik hier niet doen, dat moet in Utrecht gebeuren en ik heb er
allerlei instrumenten bij noodig. -- Maar dit kan ik je wel zeggen,
m'n jongen, dat ik herstel zeker niet onmogelijk acht..."
Dik, die Nelly's hand weer in de zijne genomen had, voelde, dat die
sterk begon te beven, en toen hij Nelly aankeek, zag hij, dat ze
doodsbleek geworden was.
De vriendelijke heer vervolgde:
"Dit zou ik natuurlijk niet zeggen, als ik er geen goede redenen voor
had. Je kon er wel eens groote vreugde van beleven, dikke jongen, dat
je mij hier een visite hebt gemaakt..."
"Hoeveel kost het, m'st'r?" vroeg Dik. "Nelly is maar een...."
Nu lachte de heer hardop.
"'t Is vermakelijk!" mompelde hij. "Hoor eens, kereltje, ik maak even
graag arme menschen weer beter, als rijke, en 't kost niets, hoor. Ga
maar vroolijk spelen met je kornuiten, en vraag den meester, of hij
straks eens even bij me wil komen."
Dik's hart klopte van blijdschap in zijn borst als een hamer. Hij nam
zijn pet heelemaal van zijn hoofd, wat hem maar een enkelen keer in
zijn leven overkwam, en zei:
"Dank u vel, m'st'r -- Profester -- dank u wel."
En Nelly stamelde, door haar vreugdetranen en snikken heen:
"O, -- wat ben ik u dankbaar,... ik weet haast niet..."
"Jawel, 't is goed, kinderen. Gaat maar vroolijk spelen, heel
vroolijk, want het is vandaag een gelukkige dag voor je."
Hij gaf Dik en Nelly een hand, en het tweetal begaf zich naar den
meester, die juist uit het dorp terugkeerde, waar hij limonade had
besteld voor de kinderen en kousen had gekocht voor Bruin Boon, die
toch niet barrevoets bij zijn moeder kon terugkomen.
En toen de meester hoorde, wat Dik gedaan had, keek hij den jongen
een poosje sprakeloos van verbazing aan, tot hij hem eindelijk op den
schouder klopte en zei:
"Dik, hoe het in je hoofd opgekomen is, weet ik niet, maar je bent
een wonderbaarlijke jongen en je hebt een hart, van goud."
En hij spoedde zich naar den beroemden man in den badstoel en bleef
wel langer dan een kwartier met hem praten.
Dik en Nelly waren stil van vreugde, en zonder spreken klom Dik met
haar tegen een hooge duin op, zoals Dik haar beloofd had. En toen zag
hij, dat groote tranen het meisje langs de bleeke wangen vloeiden,
tranen van blijdschap en geluk.
"O, Dik!" zei ze herhaaldelijk. "Wat ben ik blij, dat je dàt gedaan
hebt!"
Na een uurtje keerden zij naar het strand terug, en alle jongens en
meisjes keken Nelly en Dik aan, want de meester had aan Anneke
verteld, wat Dik gedaan had en dat de professor wel haast met
zekerheid kon voorspellen, dat hij Nelly het gezicht terug zou kunnen
geven, en allen waren er opgetogen over en bewonderden Dik, die uit
eigen beweging naar den beroemden man gegaan was om hem te vragen, of
hij Nelly beter wilde maken.
Dik plaste weldra met Piet en Jan door het water, dat de droppels hem
om de ooren spatten, en Nelly zat bij de dames in het zand voor de
strandstoelen, en dacht over het groote geluk, dat er misschien voor
haar was weggelegd.
's Middags om vijf uur werd de vroolijke troep weer verzameld, om de
huisreis te aanvaarden. Zij wandelden het dorp door, naar de tram,
waar de wagens reeds gereed stonden. De meester had het alles zoo
vooruit besteld. En toen allen goed en wel gezeten waren, zette de
tram zich in beweging. 't Was een heerlijk ritje naar Beverwijk, waar
zij veel te vroeg aankwamen naar hun zin.
"Zoo'n dag moest tweemaal zoolang duren als een gewone schooldag,"
zei Piet van Dril.
"Er moest nooit een einde aan komen," zei Jan Vos.
Vier, aan vier liepen zij het stadje door, met muziek die zoo
vroolijk blies, dat alle Beverwijkers even voor de ramen kwamen, om
naar hen te kijken, en een juichkreet steeg uit den kindertroep op,
toen zij bij het omslaan van een hoek plotseling de boot voor zich
zagen, waarvan de vlaggetjes vroolijk wapperden als om hen te
begroeten.
Zoodra zij aan boord waren, werd er proviand uitgedeeld, want de
meester en de onderwijzeressen begrepen wel, dat zij allen flink
honger zouden hebben gekregen. De kadetjes met koek lieten zich dan
ook uitstekend smaken en Dik at er meer op, dan ooit.
De huisreis werd nog veel vroolijker, dan de heenreis was geweest. De
muziek speelde schoolliedjes, die de kinderen uit volle borst
meêzongen, en er werden allerlei spelletjes gedaan en gedanst en
gesprongen uit den treure.
En toen het dorp in het gezicht kwam, waar het op de brug zwart zag
van de menschen, die op de aankomst van de boot stonden te wachten,
toen werd het een wuiven en juichen en joelen zonder einde. De
menschen aan den wal werden er zelfs door medegesleept en voelden
zich, of zij zelf aan den prettigen tocht hadden deelgenomen. Zoo
leven de moeders in het geluk hunner kinderen.
Eindelijk lag de boot aan wal, en de kinderen stapten van boord en
bedankten den meester en de dames voor den heerlijken dag, dien zij
hadden gehad, en keerden opgetogen naar huis terug. Neen, dezen dag
zouden zij nooit van hun leven vergeten.
En toen Nelly door Anneke bij haar moeder werd gebracht, die
natuurlijk ook bij de aankomst aanwezig was, toen sloeg zij haar
armen om haar moeders hals en snikte haar toe, terwijl vreugdetranen
haar langs de wangen vloeiden:
"O Moeder, -- O Moedertje -- wat ben ik gelukkig!"
En 's avonds kwam de meester bij hen aan huis, en vertelde, dat de
beroemde professor allen moed gegeven had, dat Nelly later zou kunnen
zien, en dat zij in begin October, als de vacanties aan de
hoogeschool afgeloopen waren, in het ooglijdersgesticht te Utrecht
kon worden opgenomen, om zich onder zijn behandeling te stellen.
Wat heerschte er toen een onbeschrijflijke vreugde in het huisje van
den eenvoudigen smid! 's Avonds gingen zij gezamenlijk naar de buren,
om Dik hun dank te betuigen, voor hetgeen hij gedaan had.
[Illustratie]
En moeder Trom had ook al tranen in haar oogen, en vader Trom plukte
aan zijn vlassige bakkebaardjes en beweerde tegen zijn vrouw, "dat
Dik een bijzonder kind was, en dat was-ie!"
Het bleek later, dat de beroemde geleerde goed gezien had, want nog
vóór Sinterklaas keerde Nelly uit Utrecht terug met oogen, waarvoor
de wereld zich in al haar schoonheid ontplooide en die schitterden
van een ongekend geluk.