"I-a! -- I-a!"
En toen werd het een algemeen gebalk in de tent en een gelach, zooals
er nog maar zelden gehoord was.
De ezel wist niet meer, hoe hij het had, en rende plotseling met een
vaart vooruit, en nauwelijks had hij den burgemeester bereikt, of de
Directeur, die het spelletje aan den ingang met het grootste genoegen
had aangekeken, trad den circus binnen, en riep:
"Ho!"
Lachend drukte hij Dik de hand, en deze ontving uit de handen van den
burgemeester de vier rijksdaalders.
De tent daverde van het applaus, en Dik boog met een leuk gezicht
naar alle kanten. De clown liep al buigende achter hem aan.
Dik rammelde met de vier achterwielen, toen hij bij Piet en Jan
terugkwam, en hij knikte zijn moeder toe, die hem trots toelachte. En
zijn vader zei tegen zijn moeder:
"Griet, onze Dik is toch een bijzonder kind, -- en dat is-ie!"
"'t Is me een mooie grap!" zei Piet van Dril, die tranen in zijn
oogen had van het lachen. "Je bent er op een vrijkaartje ingekomen en
je gaat met vier rijksdaalders naar huis!"
Eindelijk was het gelach bedaard en werd ieders aandacht in beslag
genomen door het laatste nummer van het programma.
't Was een belangwekkend schouwspel.
De zware leeuwenkooi werd door de twee olifanten tot in het midden
van den circus getrokken. Daar werden de olifanten afgespannen en
door de cornaks naar de stallen teruggebracht. Vlugge bedienden namen
de luiken van den wagen weg, en toen waren de leeuwen voor allen
zichtbaar.
Velen vonden het nu wel een beetje angstig in de tent, want zij
vroegen zich af, wat er wel gebeuren zou, als er eens een van die
dieren ontsnapte.
De leeuwen, die rustig lagen te slapen, werden wakker en rekten zich
uit. Blijkbaar hadden zij eerst wel wat hinder van het schelle licht
in de tent, maar dat ging spoedig voorbij.
Twee bedienden, gewapend met een geladen geweer, traden binnen en
namen ieder aan een kant van de kooi plaats.
"Zeker om ze dood te schieten, als zij den temmer aanvallen," dacht
Dik.
"Zeg Dik, zie je dat? Ze hebben ook nog pistolen in hun gordel," zei
Piet van Dril.
"Revolvers," zei Dik.
Toen verscheen de temmer in den circus. Hij begaf zich naar de kooi.
Daar bleef hij even staan en boog naar alle kanten.
't Werd doodstil in de tent. Ieder verkeerde in spanning, en velen
bedachten hoe het dien jongen man wel te moede moest zijn, nu hij op
het punt stond om in de kooi te gaan bij de leeuwen, die reeds zijn
vader en grootvader hadden verslonden, zooals het gerucht ging.
Aan de rechtervoorzijde hing een klein ijzeren laddertje.
De temmer sloeg het naar beneden, want het kon om twee scharnieren
draaien, en klom er tegen op. Met een vlugge beweging opende hij een
smal deel van den getralieden zijwand, en vóór de menschen goed
gezien hadden, hoe het in zijn werk ging, stond de man in de kooi en
was de deur achter hem gesloten.
Hij had een kleine zweep in de hand, anders niets, maar in zijn
gordel stak ook een revolver.
Zoodra hij binnengetreden was, weerklonk er een geweldig gebrul uit
de kooi, dat de geheele tent vulde en menigeen een siddering door de
leden joeg.
De temmer bleef doodstil staan, keek de leeuwen met fonkelenden blik
aan, en gebood er een, bij hem te komen. Maar de leeuw gehoorzaamde
hem niet.
De man herhaalde zijn bevel, en onwillig kroop de leeuw naar hem toe.
Voor zijn voeten bleef hij liggen.
De temmer liet zich door het schrikkelijke dier een poot geven, en
het beest moest voor hem mooi-zitten als een hondje, en eindelijk
liet hij hem zijn grooten muil openen, en de temmer stak zijn hand
daarin, en eindelijk tot ieders ontzetting zelfs zijn hoofd.
Eén hap, -- en hij was er geweest.
Maar de leeuw hapte niet. En toen begaf de temmer zich tusschen de
andere leeuwen, die rustig waren blijven liggen, en hij joeg ze met
zijn zweep overeind en sloeg hen, zodat zij woest werden en een
bloeddorstig gebrul lieten hooren.
[Illustratie]
't Werd angstig om er naar te kijken.
De leeuwen werden hoe langer hoe boosaardiger en renden om den temmer
heen en klemden zich aan de tralies vast, en een er van sprong tegen
de getraliede zoldering aan en sloeg met zijn klauw naar hem.
Nu werd het inderdaad gevaarlijk voor den temmer.
Zonder de dieren een oogenblik uit het oog te verliezen, trok hij
zich meer en meer naar het deurtje terug. De leeuwen brulden van
woede en gaven alle blijken, dat zij zich met een sprong op hem
wilden werpen...
Toen klonk plotseling een schot, en -- de temmer had het hok reeds
verlaten en stond weer naast den wagen, buigende naar alle kanten.
't Ging zoo snel in zijn werk, dat Dik later niet eens wist te
vertellen, hòè het gegaan was.
En nauwelijks had het schot weerklonken, of hij hoorde een gierend
geluid achter zich, en omziende, bemerkte hij, dat het schot tevens
het sein was geweest om de tent af te breken, want het zeil, dat
rondom de palen gespannen was, was reeds naar beneden gehaald.
De menschen verlieten meer dan voldaan het beroemde paardenspel van
den beroemden Mr. Sänger, en keerden naar huis terug.
En Dik ging meer dan opgetogen met zijn vader en moeder mede, terwijl
hij de rijksdaalders liet rammelen, die hem in zijn diepen broekzak
zaten.
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Veertiende Hoofdstuk.
Het schoolfeest.
Het was de laatste dag vóór de zomervacantie, maar -- er zou geen
school gehouden worden, want het was de dag van het groote
schoolfeest, waarnaar de jongens en meisjes al zoo lang hadden
gehunkerd.
Alle kinderen van de school zouden er aan deelnemen, daar had de
meester wel voor gezorgd. Er waren wel eenige kinderen geweest, die
onmogelijk hadden kunnen sparen, maar de anderen hadden wat méér
bijgedragen, en voor hetgeen er toen nog te kort was, had de meester
eenige gegoeden aangesproken, die het hem met alle genoegen hadden
gegeven. Zij zouden het meer dan jammer gevonden hebben, als die
allerarmste kinderen niet hadden kunnen meêgaan.
Dik was 's morgens al vroeg in de weer, om voer voor zijn konijnen te
snijden, en Nelly hield hem daarbij, als gewoonlijk gezelschap,
evenals Gerrit, die voor zijn ontbijt zorgde, en herhaaldelijk riep:
"Dag Dik! Hier is Gerrit! Dag Helly! Hier is Gerrit!"
De vreugde stond Nelly op het gelaat te lezen en telkens zei ze:
"O Dik, wat ben ik blij, dat ik meê mag! Je weet niet, hoe blij ik
ben!"
En Nelly wist niet, hoe blij Dik was, omdat hij het ongelukkige
meisje dezen feestdag had bezorgd.
Nelly zag er nu al veel gezonder uit, dan toen zij pas op het dorp
was komen wonen. Zij kreeg al weer een blosje op haar wangen en 't
was haar aan te zien, dat er bij haar thuis al geen gebrek meer
geleden werd. Zeker, weelde heerschte daar nog niet, want Vader en
Moeder waren aan het sparen om de gemaakte schuld in Amsterdam af te
doen, maar zij konden zich door Vaders verdiensten toch al weer
voldoende voeden, en Vader werd ook alweer veel sterker. Zijn baas
was zeer met hem ingenomen, want hij bleek iemand te zijn, die zijn
vak volkomen verstond en ijverig van aard was. Geen moeite was hem te
veel, om de tevredenheid van zijn baas te verwerven, en hij kreeg
dikwijls overwerk, omdat Van Dril hem in de gelegenheid wilde
stellen, zijn schuld spoedig af te doen.
Nelly zag er nu wàt lief uit in haar Zondagsche jurk en met haar
mooie krullende haren, waar Moeder blijkbaar heel wat werk van had
gemaakt. Zij was zoo grootsch, dat ze niet op het gras wilde gaan
zitten uit vrees, dat zij zich vuil zou maken.
Piet van Dril was ook al op zijn mooist, toen hij bij hen kwam om te
kijken, of de stoomboot nog niet op komst was.
"Is de boot er nog niet, Dik?" vroeg hij.
"Neen," zei Dik. "'t Wordt tijd voor hem, hè? Zeg, verbeeld je eens,
dat hij niet kwam."
"'t Is niet te hopen," zei Piet. "Wat zouden we dan moeten beginnen!"
"Dag Dik! Dag Helly! Hier is Gerrit!" riep de kauw uit de verte.
Piet van Dril lachte.
"Zoo, is hij hier ook?" zei hij. "Zeg Dik, weet je nog wel van dien
middag, toen hij in school kwam? Wat hebben we toen gelachen, zeg!"
"Of we!" zei Dik.
"O," zei Nelly, "dat was diezelfde middag, dat je die muis bij je
hadt, hè?"
"Ja," zei Dik, die met grooten ijver gras sneed. "Om nooit te
vergeten...."
"En toen je zoo lang hebt school moeten blijven," zei Nelly.
"Zoo," zei Piet van Dril, "je weet het nog goed."
Dik stond op. Zijn voorraad was groot genoeg.
Plotseling riep Piet, die met zijn hand boven de oogen het kanaal
aftuurde:
"Zeg, kijk eens, Dik, daar ginds in de verte..."
"Ha ja," zei Dik, "een rookwolk! Daar komt de boot. Ik ga me
dadelijk verkleeden, want met het grassnijden mocht ik mijn
Zondagsche pak niet aan hebben van Moeder. Kom Nelly, -- ga je meê?"
Zij gingen haastig naar huis. De kauw vloog hen na en riep:
"Dag Dik! Dag Helly! Hier is Gerrit!"
"Ja ja, hoor, 't is goed!" riep Dik. "Ik heb geen tijd, om me met je
te bemoeien."
Hij voerde zijn duiven en voorzag de ruiven van zijn konijnen voor
den heelen dag van gras, en toen ging hij naar binnen om zich te
verkleeden.
Een uurtje later was het heel druk aan den waterkant, voor de school.
Alle vrouwtjes van het dorp stonden daar, om naar de boot te kijken,
die rijk met vlaggetjes versierd was, en om de vreugde van de
kinderen te zien, die nu op de speelplaats waren en hunkerden naar
het oogenblik, waarop zij aan boord zouden gaan.
De grootste jongens, waaronder ook Dik, droegen de trommels met
besmeerde kadetjes en krentenbroodjes aan boord, en Piet van Dril
torste met Jan Vos een mand vol met flesschen limonade. Anderen
belastten zich met de noodige glazen, om die naar de boot te brengen.
De twee schooljuffrouwen liepen met de grootste meisjes op de
speelplaats heen en weer, -- en iedereen zag er even vroolijk en
opgewekt uit.
De meester hield natuurlijk nauwlettend toezicht op alles, wat er
gebeurde. Eindelijk kwamen er ook zeven muzikanten op de speelplaats,
met bolle wangen en koperen instrumenten, en zij hadden groene
uniformen aan en reusachtige Duitsche petten op het hoofd. Er was een
groote en een kleine trom bij.
Moeder Elswater kwam met Nelly aan den arm naar den meester toe.
"Zoo Nelly, ben je daar?" zei de meester, terwijl hij haar een hand
gaf. "Ben je blij, dat je meêgaat?"
"O ja, meester, dolblij!" zei Nelly.
"Ze heeft vanmorgen haast niet kunnen eten van blijdschap, meester,"
zei vrouw Elswater. "Niet waar, kind?"
"O, die zullen er wel meer zijn," zei de meester lachend. "Maar dat
is niets, hoor, we hebben daar op gerekend, en zoodra we afgevaren
zijn, krijgt ieder al een lekker broodje met kaas."
[Illustratie: De kinderen wuifden naar de menschen, die aan den wal
stonden. (Bladz. 225.)]
"En meester," zei vrouw Elswater wat zachter, -- "ik ben wel een
beetje ongerust, -- want u weet --"
"Jawel, jawel," zei de meester, "heb maar geen zorg. De boot is
rondom met vlechtdraad afgezet, zoodat het onmogelijk is, om
overboord te vallen; en bovendien zullen wij wel op haar letten. --
Anneke! -- Anneke!"
Anneke kwam op een drafje aanloopen.
"Jullie kennen elkaar, hè?" zei de meester. "Mag Nelly..."
"O ja, m'st'r," zei Anneke, terwijl zij den arm van Nelly in den
haren nam. "We hebben al afgesproken, dat we met ons allen voor haar
zorgen zullen."
"Zoo, je bent een beste meid, hoor," zei de meester.
Toen riep hij alle kinderen om zich heen, zette hen in rijen van
vier, en onder een vroolijken marsch ging het voorwaarts naar de
boot. Zelf bracht de meester Nelly aan boord en toen volgden alle
anderen. En toen de marsch ten einde was, begonnen de kinderen te
zingen en te juichen, en zij wuifden naar de menschen, die aan den
wal stonden en riepen:
"Hoezee! Hoezee!"
En de menschen wuifden lachend terug en riepen ook:
"Hoezee! Hoezee!"
De loopplank werd ingehaald, de stoomfluit gierde, en toen zette de
boot zich in beweging onder de schetterende tonen der muziek.
Ha, dat was een genot, en menig jong moedertje aan den, wal had nog
wel graag mede gewild met het levenslustige troepje daar aan boord.
De menschen keken de boot na en wuifden, tot zij haast uit het
gezicht was, en zij waren vol lof voor den meester en de
onderwijzeressen, die zich zooveel moeite wilden getroosten, om den
kinderen zoo'n prettigen dag te bezorgen.
En een prettige dag zou het worden, daar behoefden zij niet aan te
twijfelen, want het was prachtig weer en de zon zette alles in een
feestgloed.
Zoo lang de boot tusschen de huizen van het dorp doorvoer, kwam er
aan het gejuich geen einde, want overal kwamen de menschen voor de
ramen of naar buiten, om de kinderen toe te wuiven, en de vlaggetjes
wapperden zoo vroolijk en de muzikanten bliezen er zoo lustig op los.
Nelly genoot meer dan zij zeggen kon van de schetterende tonen der
muziek en het vroolijke kindergezang en van het gejuich en gejoel om
haar heen.
Zoodra de boot het dorp verlaten had, kregen de meester en de dames
het druk, want toen moesten er broodjes worden rondgedeeld en kreeg
elk kind een flink glas melk. De meester wist wel, dat velen van
blijdschap 's morgens maar weinig of in het geheel niet hadden kunnen
eten. En de glazen moesten na het gebruik weer frisch worden
omgespoeld, wat ook een heel werk was. Gelukkig hielpen de grootste
meisjes daar ijverig aan mede, want anders zou het voor de
onderwijzeressen ongetwijfeld àl te druk zijn geworden.
Onder muziek, gepraat en gelach voeren zij tusschen welige landouwen
door, waar vurige klaprozen en blauwe korenbloemen pronkten tusschen
het golvend graan en bereikten eindelijk den ringdijk van den polder.
Daar was een sluis, die toegang gaf tot een breede rivier, en de
kinderen vonden het aardig te zien, hoe de boot langzaam in de sluis
rees, tot zij het peil van de rivier had bereikt. Toen werden de
sluisdeuren geopend en vervolgden zij hun tocht.
Ha, hier werd het veel levendiger op het water. Zij passeerden groote
aken en tjalken, waarvan er sommige hoog beladen waren, en zij kwamen
andere stoombooten tegen, waarvan het dek geheel bezet was met
passagiers, daar met dit mooie weer bijna niemand beneden in de
kajuit wilde zitten.
[Illustratie]
En dan werd het een gewuif en gejuich zonder eind, en wuifden de
menschen van de andere booten terug.
"Hoera! Hoera!" klonk het dan uit honderd monden, en iedereen keek
lachend naar de blijde kindergezichten, die er zoo gelukkig uitzagen
en waarop de vreugde te lezen stond.
De meester vond het niet noodig, dat de kinderen stokstijf op hun
plaats bleven zitten, want hij had de noodige voorzorgen genomen, dat
niemand over boord kon vallen, of zij moesten al op de banken langs
het boord gaan staan. Maar dat verbood hij met de grootste
beslistheid en hij dreigde den eersten den besten, die het toch
durfde wagen, naar beneden in de kajuit te zullen sturen, waar hij
dan gedurende de geheele reis in zijn eentje mocht zitten.
De kinderen mochten zich dus vrij bewegen, en daar maakten zij graag
gebruik van. De onderwijzeressen bedachten allerlei spelletjes, die
zij op het dek konden doen, en zoodoende hadden zij IJmuiden bereikt,
eer zij er erg in hadden.
Daar zouden zij van boord gaan, om langs het strand naar Wijk aan Zee
te wandelen, en de boot zou intusschen naar Beverwijk varen, om daar
de kinderen weer op te wachten voor de huisreis.
Maar voor zij van boord gingen, mochten zij zooveel eten, als zij
maar wilden, want het zou lang duren, eer zij weer op de boot terug
kwamen, en 't was onmogelijk, om de gesmeerde broodjes naar Wijk aan
Zee mede te nemen. Nu, 't was dan ook ongelooflijk, hoeveel sommige
kinderen konden eten, maar -- zij kregen ook alle dagen thuis lang
niet zulke lekkere broodjes als hier aan boord. Bovendien kreeg
iedereen nog een paar Amsterdamsche korstjes om op den wandeltocht
mede te nemen.
Toen allen verzadigd waren, gingen zij van boord, en werd de
wandeling aanvaard.
Maar o, hoe verbaasd keken zij op, toen zij het strand bereikt hadden
en daar plotseling de groote, onmetelijke zee voor zich zagen. De zon
speelde met de rustelooze golfjes zoodat zij wel van vloeibaar goud
schenen, en hooge golven dicht bij het strand met hun schuimende
koppen kookten en woelden, en stortten zich onder luid gebruis over
elkander, om dan in brede deining naar het strand te vloeien. 't Was
een grootsch gezicht, waarvan zij diep onder den indruk kwamen,
zoodat zij ophielden met praten en lachen, en ademloos het schoone
schouwspel aanstaarden. Want velen van hen hadden nog nooit de zee
gezien en nog nooit haar onvolprezen majesteit bewonderd.
"Dàt is pas mooi," zei Dik zacht tegen Piet en Jan, die zijn
onafscheidelijke kameraden waren. "'t Lijkt alles wel zilver en
goud."
"Zie je die schepen in de verte?" zei Jan Vos.
"Ja, zeilschepen, maar stoombooten ook!" zei Piet van Dril. "Ik zie
er een met drie schoorsteenen."
[Illustratie]
Anneke met Nelly aan haar arm kwam bij hen staan.
"Prachtig, hè!" zei Anneke opgetogen. "Heb je ooit zoo iets moois
gezien?"
"'t Is -- 't is veel mooier dan het paardenspel," zei Dik zacht. "O,
dat zou nog al wat schelen."
"En wat ruikt het hier eigenaardig," zei Nelly. "Ik ruik de zeelucht.
Zijn de duinen hier hoog?"
De kinderen keken elkander een oogenblik aan en voelden allen een
groot medelijden met het blinde meisje, dat van al het schoone hier
aan het strand niets kon zien.
"Ja," zei Dik, "heel hoog. Zeg Nelly, als we te Wijk aan Zee zijn,
zal ik met je tegen een duin opklimmen en er je bovenop brengen. Dan
zul-je wel merken, dat ze hoog zijn."
"Komt kinderen, voorwaarts!" riep de meester. "Een vroolijke marsch
asjeblieft, muzikanten, want het is nog een flinke wandeling. --
Kinderen, je behoeft niet in de rij te loopen, als je maar zorgt,
niet achter te blijven."