Vreemd bezoek

Den volgenden dag was het een Zaterdag, en op Zaterdag was er op het

dorp, waar Dik woonde, nooit school.

Dat trof Dik, want hij was dien nacht wel tienmaal wakker geworden en

had aan zijn aap liggen denken, en kon bijna niet meer in slaap

komen. Hij viel soms wel in een lichte sluimering, maar begon dan van

zijn aap te droomen en werd herhaaldelijk weer wakker. Want hij was

dolblij met het beest in de eerste plaats, omdat hij het zeer

belangwekkend vond in het bezit te zijn van zoo'n vreemd beest, dat

ongetwijfeld al zijn kameraden hem benijden zouden, -- maar ook omdat

hij er niet aan twijfelde, of hij zou hem wel aan den apenman van het

beroemde circus kunnen verkoopen, en dan zou hij er licht zooveel

voor krijgen, dat het ongelukkige buurmeisje aan het schoolfeest zou

kunnen deelnemen, -- althans als de meester het goed vond.

Hij was 's morgens vroeger dan ooit uit zijn bed, en nadat hij zich

frisch gewasschen had en eenige stevige boterhammen naar binnen had

gewerkt, ging hij naar het konijnenhok, waarin Caesar opgesloten zat.

Ook voor dezen had hij een flink ontbijt medegenomen, wat tengevolge

had, dat Caesar hem vriendelijk verwelkomde. Uit al zijn handelingen

was duidelijk op te maken, dat Dik hem heel goed beviel en dat hij

hem graag als meester accepteerde.

"Goeden morgen, Caesar!" riep hij den aap toe, terwijl hij de

boterham langs de tralies van het hok bewoog. "Wat zeg je daarvan?

Lekker, hè. Kom er maar uit, hoor, je hoeft den heelen dag niet in

dat benauwde hok te zitten."

Dik bond hem een lange, tamelijk dunne lijn aan zijn halsband en gaf

hem een stuk brood. In een wip zat de aap hem op zijn schouder, met

het sneetje brood in zijn handen. Hij wist er goed raad mede, en keek

onder het eten naar de duiven, die verschrikt rondom Dik vlogen, doch

hem op geen stukken na durfden genaken, uit vrees voor dat leelijke,

vreemde beest, met zijn kwaadaardige gezicht.

"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw, en hij vloog brutaal op

Dik's hoofd. Gerrit was tamelijk onbeschaamd uitgevallen en blijkbaar

voor geen klein geruchtje vervaard. Hij keek den aap een poosje aan,

en pikte naar hem.

De aap grijnsde, stak zijn hand uit en...

"Pik, pik!" deed de kauw in den poot van den aap.

Caesar vond dat blijkbaar niet onaardig en pakte met een vlugge

beweging de kauw beet.

Toen was Holland in last.

De kauw schreeuwde zoo hard hij kon, maar de aap gaf er niets om en

greep in elke hand een vleugelpunt en trok de vleugels zoo wijd

mogelijk uit elkaar.

Toen schommelde hij het kauwtje aan zijn eigen vleugels heen en weer,

waarbij hij den vogel allerakeligst toegrijnsde. De aap vond het

spelletje veel aardiger dan de kauw, en Dik moest er ook smakelijk om

lachen.

Eindelijk wierp Caesar de kauw in de hoogte en keek haar grijnzend

na.

Dik liep met den aap op zijn schouder het dorp in, naar Piet van

Dril, maar eer hij de smederij bereikt had, had hij wel al twintig

jongens en meisjes om zich heen.

"Dik heeft een aap! Dik heeft een aap!" juichten zij om het hardst,

en een paar wilden Caesar aan zijn poot trekken of zijn kop aaien.

Maar die grappen waren gauw uit, want Caesar gaf Dirk Wobbe een

venijnige krab over zijn hand, en Bruin Boon trok hij zoo hard aan

zijn oor, dat Bruintje moord en brand schreeuwde, Hij werd spierwit

van schrik.

Maar met Dik was hij de beste maatjes, en Dik kon met hem doen, wat

hij wilde. Wat moest Piet van Dril lachen, toen hij Dik de smederij

zag binnenstappen met Caesar op zijn schouder. Piet vroeg dadelijk

aan zijn moeder om een paar centen, om wat nootjes voor hem te

koopen, en toen werd Piet ook dadelijk een van Caesar's beste

vrienden. Hij en Dik gingen met hem door het dorp wandelen en hadden

heel wat bekijks. Dik en zijn aap waren belangwekkende figuren

geworden op het eenvoudige dorp, waar nog maar zelden of nooit 'een

aap te zien was geweest. Dik had de geheele dorpsjeugd achter zich,

en de aap had het nog nooit zoo goed gehad, want het regende noten en

koekjes om hem heen. Ieder beijverde zich om thuis wat lekkers voor

hem te gaan halen.

De aap lustte eindelijk absoluut niets meer en hij was bijna even

rond en dik als -- zijn nieuwe baas, en deze had per slot van

rekening zijn zakken vol met koekjes en suikerklontjes, die hij van

de kinderen voor zijn aap gekregen had.

[Illustratie]

Ja ja, Dik was plotseling een nog veel belangwekkender personage

geworden, dan hij ooit was geweest, tot opeens al zijn glorie

verdween en niemand meer eenige notitie van hem nam.

Wat was er gebeurd?

Plotseling had Jan van Bakel uitgeroepen: "Jongens, kijk eens, daar

ginds, ver voorbij de kerk, -- kijk eens, wat een groote stoet daar

aankomt...."

Iedereen keek in de aangewezen richting, maar niemand kon goed

onderscheiden, wat er eigenlijk in aantocht was, want een groote

stofwolk, die zich tot hoog boven de hoogste boomen verhief, omgaf

den naderenden stoet.

"Het paardenspel komt! Het paardenspel komt!" riep Jan Vos de anderen

toe, en het klonk als een juichkreet.

"Ja, ja, het paardenspel komt! Daar is het spel!" riepen nu ook de

anderen en -- in minder dan geen tijd stond Dik met zijn aap alleen

op den weg.

"Ja, daar is het!" zei Dik. Hij liep zoo hard hij kon naar huis, borg

Caesar in het konijnenhok en ijlde den weg op, den grooten stoet

tegemoet.

Wel verbazend, wat een wagens!

Dik keek zijn oogen haast uit, en hij wist bijna niet, of hij waakte

of droomde.

Voorop reden niet minder dan vier herauten in schitterende kleeding

van zijde en fluweel, met kousen bijna zoo lang als hun beenen,

waarvan de voeten in puntige, kostbare laarsjes gesloten waren, en

zij hadden sierlijke mantels om de schouders en baretten met groote

veeren op het hoofd. Zij bliezen op lange, koperen bazuinen, die

schetterende tonen voortbrachten, zooals Dik nog nooit had gehoord,

en die stellig over het gansche dorp weerklonken.

"Prachtig! Prachtig!" mompelde Dik. Hij ontroerde er van.

Op de herauten volgde een open rijtuig, getrokken door zes paarden,

bereden door jockeys. In dat rijtuig zat een heer met een hoogen hoed

op en een zwart pak aan.

Dat was de Directeur, Mr. Sänger in eigen persoon, en Dik bewonderde

in hem den meest beroemden man van geheel Amerika en gansch Europa.

Achter hem volgde een stoet van dames en heeren te paard, die met

elkander praatten en lachten, maar Dik kon er geen woord van

verstaan.

Plotseling hielden de bazuinen op met schetteren en viel het groote

muziekcorps in, dat op een langen wagen had plaats genomen. De mannen

bliezen hun wangen op tot luchtballons en schetterden, dat het een

aard had. De groote trom bomde zoo hard als het ergste onweer en de

trommen ratelden, dat het een lust was om te hooren.

[Illustratie]

Daarna volgde een enorm groote wagen, waarboven Dik de koppen van

twee olifanten zag uitsteken. Hij zag, hoe de dieren hun lange

slurven over den rand staken, en vroeg zich af, welke van die twee

slurven het geweest zou zijn, die den oppasser had doodgeslagen.

Dik kreeg een gevoel in zijn binnenste, of hij moest gillen, zoo mooi

en buitengewoon vond hij dat alles, en zijn bewondering steeg ten

top, toen er een wagen volgde, die zorgvuldig met luiken afgesloten

was, maar bovenaan kon hij toch zien, dat de zijkanten uit tralies,

en wel heel dikke tralies bestonden. En toen plotseling een vreemd,

eigenaardig, nooit door hem gehoord brullend geluid van uit den wagen

tot hem doordrong, begreep hij, dat dit het gebrul van een leeuw

moest zijn en dat die wagen de leeuwenkooi was.

Toen volgde er een rijtuig met honden en apen, en daarachter kwamen

ontzaglijk groote wagens met allerlei materiaal voor de tent en de

stallen.

Dik liep tusschen de andere jongens met den stoet mede, en hij kon

van verbazing bijna niet spreken. Hij had een ongekend, vreemd gevoel

in zijn binnenste en het scheen hem toe, dat er iets verwonderlijks

om hem heen gebeurde.

Och, och, wat bracht de komst van het wereldberoemde paardenspel een

opschudding in het dorp teweeg. Zoodra de schetterende tonen der

bazuinen gehoord werden, liepen de huizen om zoo te zeggen in een

oogenblik leeg. Geen oud vrouwtje bleef er bij het spinnewiel.

Iedereen begaf zich op den weg, om naar den stoet te kijken, en als

er dien dag dieven in het dorp geweest waren, hadden zij al heel

gemakkelijk hun slag kunnen slaan, want vele huizen waren totaal

onbewaakt en niet eens gesloten. Maar er waren in Dik's dorp nooit

dieven.

Ja, ja, de stoet veroorzaakte een geweldige opschudding in het dorp.

De klerken van het raadhuis hadden hun krukken verlaten en waren naar

buiten gesneld, de smids hun hamers neêrgeworpen, de metselaars hun

troffels in de kalk gezet, de timmerlieden hamer en nijptang in den

steek gelaten. Neen, niemand bleef er aan het werk en iedereen stond

aan den weg.

En dat was juist de bedoeling van den wereldberoemden Directeur

Sänger, die wel wist, hoe hij de menschen lokken moest.

De stoet sloeg bij de brug den hoek om en hield halt bij het stuk

weiland achter het Café "Goud uit schuim" Want daar zou de tent

worden opgeslagen en de voorstelling door het onovertroffen en

wereldvermaarde gezelschap worden gegeven.

Een krachtige stoot op de bazuinen gaf het teeken, dat de plaats van

bestemming bereikt was, en nu bleek het al dadelijk, hoe goed alles

door Mr. Sänger was georganiseerd. Onmiddellijk na den schetterenden

bazuinstoot hield alles halt. De dames en heeren lieten zich van hun

paarden glijden, waarvan de dames de teugels aan de heeren

overreikten, die de paarden naar het Café brachten en daar op stal

zetten. De dames keken naar het spel niet meer om, maar begaven zich

naar een van de goederenwagens en voorzagen zich, zooals Dik dacht,

elk van een wandelstok. Zij liepen naar de drie bruggen, die over de

beide elkaar kruisende kanalen lagen, schroefden tot Dik's verbazing

de knoppen van de stokken, trokken deze uit elkander, en zie, daar

waren zij opeens in het bezit van zulke prachtige hengels, als Dik

nog nooit gezien had. Zij deden een blauw kunstvliegje aan den

kleinen haak en lieten dat behendig over het water scheren.

Dik lachte er om, want op die manier had hij nog nooit zien hengelen,

maar zijn verbazing werd nog grooter, toen hij zag, hoe een baars aan

de oppervlakte kwam en met een sprong het snel voortbewegende

vliegje, en daarmede den haak, doorslikte. De baars was gevangen.

Piet en Jan stonden er ook naar te kijken, maar niet lang, want hun

aandacht werd geheel in beslag genomen door de drukte aan den weg.

Dadelijk na den bazuinstoot sprongen de werklieden van de

bagagewagens en sjouwden balken en planken aan, die zij over de sloot

legden tusschen den weg en het weiland.

"Zeg, die brug is gauw klaar," zei Dik.

"Alles gaat op wieletjes!" zei Piet. Hij praatte nooit van wieltjes,

maar zei altijd wieletjes.

Toen werd er een ontzaglijk lange paal naar het veld gedragen en

midden op het terrein diep in den grond geplant. Er waren steunijzers

aan dien paal bevestigd, waar men de voeten op kon zetten, om naar

boven te klimmen, en de paal had aan het boveneinde een wiel, met op

bepaalde afstanden zware, ijzeren haken.

Tal van werklieden waren intusschen al bezig, om een groot aantal

palen in cirkelvorm in den grond te planten. 't Ging alles

vliegensvlug, zoo vlug, dat de jongens het zich haast niet begrijpen

konden, hoe het mogelijk was. Natuurlijk deden zij pogingen om op het

veld te komen, maar Mr. Sänger, die nauwlettend op zijn personeel

toezag, gaf hun duidelijk te verstaan, dat zij er geen boodschap

hadden.

Er werd een reusachtig groot zeil aan een takel naar boven geheschen

en aan de verschillende haken vastgemaakt. Toen bracht men met

vereende krachten het zeil over de palen, die intusschen al van boven

tot beneden met een ander zeil waren bespannen. In enkele uren was de

tent kant en klaar, en zelfs waren toen de stallen ook reeds gereed.

De leeuwenkooi werd er in gereden, evenals de wagen met honden en

apen en de olifanten-reiswagen, -- en toen was er voor de jongens al

bitter weinig meer te zien. De rijpaarden werden naar de stallen

overgebracht.

De menschen, die van den opbouw der tent en van de stallen getuigen

waren, stonden compleet verbaasd over zulk werken.

"Dat gaat op zijn Amerikaansch!" riep Van Dril vol bewondering uit.

"Zoo iets heb ik van mijn leven nog niet gezien! Niemand gijpt

verkeerd; en ieder weet precies, wat hij doen moet. 't Is

reusachtig!"

"En dat is het!" zei Dik's vader, die er ook even naar stond te

kijken.

[Illustratie]

En terwijl er met reusachtige snelheid aan het opbouwen van de tent

en de stallen werd gewerkt, gingen vlugge boden door het dorp rond

met stijfsel en kwast, en plakten overal, waar zij er maar

gelegenheid toe vonden, kolossale reclame-biljetten aan, waarop in

verschillende kleuren de onmogelijkste toeren stonden afgebeeld. 't

Zag zwart van de menschen voor die biljetten, die de verwachtingen op

het hoogst spanden. En velen, die in het geheel niet van plan geweest

waren, om naar het paardenspel te gaan, werden bekeerd, en namen zich

vast voor, 's avonds een kijkje te gaan nemen. Zóó iets moois, als

hier werd aangeboden, zou in hun dorp wel nooit meer te zien zijn.

Om twaalf uur was alles gereed, en de arbeiders konden hun

welverdiende rust nemen. 't Was druk op het dorp, want de

vreemdelingen wandelden in groepjes heen en weer en bezochten de

winkels, om zich van versnaperingen te voorzien. De winkel van den

banketbakker was in minder dan geen tijd uitverkocht, zoodat

Herstraten en zijn beide knechts met ongewonen spoed aan het werk

gingen, om nieuwen voorraad te bakken.

"Ja, ja," zei de bakker, "ieder vischt op zijn getij! Dat doet de

beroemde Mr. Sänger, en dat doe ik ook."

Er stond overal aangeplakt, dat er 's middags, te beginnen om twee

uur, een reclame-optocht niet alleen door het dorp, maar zelfs door

een groot deel van den polder zou worden gehouden, om de artisten aan

de bewoners voor te stellen.

Wel, wel, wat een vreemde Zaterdag werd dat! 't Leek wel een Zondag,

en de vrouwtjes geraakten in zoo'n opgewonden, feestelijke stemming,

dat zij al vroeg hun Zondagsche kleêren aantrokken, en een

wandelingetje gingen maken, om eens naar de drukte en al het vreemde

gedoe te kijken, En Van Dril besloot om 12 uur de smederij maar te

sluiten en de knechts vrij-af te geven, want er werd toch haast niet

gewerkt, -- en toen baas Meyer dat hoorde, sloot hij den

timmermanswinkel ook, en ten slotte werkte er 's middags niemand

meer. 't Werd compleet een feestdag, nog veel grooter feestdag, dan

bij de jaarlijksche harddraverij.

Dik kwam bijna een uur te laat thuis voor 't eten, en dat gebeurde

hem zelden of nooit, want hij had altijd een gezonden eetlust, --

maar Moeder zei er niets van en 't eten stond nog niet eens op tafel,

daar Moeder zelf ook een poosje de straat op geweest was, om eens een

kijkje te nemen.

"O Moeder, wat prachtig! Wat prachtig!" zei Dik opgetogen.

"En dat is het!" zei zijn vader. "Wat een werkers! Wat een werkers!"

"Ja Dik, 't is een groote bedoening," zei Moeder.

[Illustratie]

"Gaan we er heen vanavond?" vroeg Dik.

"Neen, neen, -- daar hebben we geen geld voor," zei Moeder.

"En dat hebben we," bevestigde Trom. Maar hij keek lang niet

vroolijk; het was hem aan te zien, dat hij er dolgraag heen zou

willen.

"Jammer," zei Dik. "Wat zal het er mooi wezen!"

"O, maar jij hebt zelf wel geld genoeg," zei Moeder. "Je hebt pas je

drie konijntjes verloot, -- en van ons mag je gerust gaan."

"En dat mag je," zei zijn vader.

Dik's gelaat betrok. O, de verleiding was zoo sterk voor hem, en al

wel tienmaal had hij in den loop van den morgen gedacht:

"Waarom zou ik niet gaan? 't Is toch mijn eigen geld?"

Hij weifelde nog een oogenblik en wilde toen juist zeggen, dat hij

zijn geld dan maar voordat doel zou gebruiken, toen de deur openging

en hij Nelly zag binnenkomen, met de handen uitgestrekt, om zich niet

te stooten.

"Is u hier, buurvrouw?" vroeg ze.

"Ja, Nelly, -- hier ben ik."

"O, -- ik wou vragen, of Dik al thuis is. Ik wou zoo graag de duifjes

voeren."

"Ja, -- goed," zei Dik. "Kom maar mee. -- Neen Moeder, ik ga niet,

vanavond. U weet wel, waarvoor ik het geld gebruiken wil. Kom Nelly,

-- dan gaan we."

Zijn medelijden met het arme, ongelukkige kind, dat hij zoo graag een

mooien dag in haar droevig leven wilde bezorgen, had de overwinning

behaald.

En verheugd, dat hij thans vast besloten was, het geld voor geen

ander doel te besteden, vertelde hij aan Nelly, hoe hij onverwachts

in het bezit gekomen was van een grooten aap, en hij haalde hem uit

het hok, -- maar zij mocht hem niet streelen, want Dik was bang, dat

het beest haar misschien kwaad zou doen.

Na een poosje werd hij geroepen om te eten. Nelly keerde naar haar

huis terug, en de aap werd weer in zijn hok opgesloten. Zoodra het

maal afgeloopen was, spoedde Dik zich naar buiten, om naar den

optocht te gaan kijken.

[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]

Elfde Hoofdstuk.

Dik neemt onverwachts deel aan den optocht.

"Kom Caesar, ga je meê naar den optocht kijken?" zei hij, terwijl

hij het hok van den aap opende. Eerst had hij zijn konijnen van een

goeden voorraad voer voorzien, want hij wist niet, wanneer hij weer

thuis zou komen, en nu hield hij Caesar een flinke snede brood voor.

"Hier heb je wat lekkers," zei Dik.

Maar Caesar bedankte. Hij had 's morgens zooveel gegeten, dat hij nu

nog in het geheel geen trek had.

"Hier dan, -- een nootje?" vroeg Dik, die zijn zakken nog vol

lekkernijen had van 's morgens.

Caesar greep de noot aan, sprong op Dik's schouder, en ging de

lekkere vrucht op zijn gemak kraken.

Zoo gingen ze naar de tent, en daar krioelde het van de jongens en

meisjes die het in huis al evenmin konden uithouden als Dik. Piet en

Jan en zijn andere kameraden waren er ook al.

"Er is nog niets te zien, Dik," zei Piet. "Wat hebben ze den ingang

mooi gemaakt, hè? Vlaggen met sterren en strepen...."

"Ja, Amerikaansche vlaggen," zei Dik.

"En wil ik je eens wat zeggen?" merkte Jan Vos op. "Ze spreken lang

niet allemaal Engelsch, hoor. Er zijn Franschen en Duitschers bij, en

ik heb ook duidelijk Hollandsch gehoord..."

"Dat is nog zoo dom niet bedacht van den Directeur," zei Dik "Zoo

komt hij overal gemakkelijk met de taal terecht. Voor Holland heeft

hij Hollanders in zijn dienst, voor Duitschland Duitschers, voor

Frankrijk Franschen. 't Is een slimmerd, die Mr. Sänger."

"En rijk!" zei Piet van Dril. "Zeg Dik, alle paarden zijn in de

stallen gebracht, en zooeven zag ik een clown aan den ingang staan,

heelemaal in 't wit, met roode, ronde plekken er op, en een wit

gezicht met zwarte strepen en een rooden neus, met een puntmuts

op..."

"Die neus?" lachte Dik. "Stil Caesar, koest hoor!"

"Loop naar de maan," zei Piet. "Die clown natuurlijk! Kijk, daar komt

hij weer."

Inderdaad verscheen er een clown aan den ingang, en nauwelijks zag

hij Dik met zijn aap, of hij wenkte Dik toe, dat hij bij hem moest

komen. Maar Dik kon niet gelooven, dat hij hèm bedoelde.

"Hij roept je, Dik!" zei Piet.

"Wel neen..."

"Ja wel!" zei Jan Vos, "kijk maar. O jé, Dik, daar komt hij!"

't Was waar; toen Dik niet naar den clown kwam, kwam de clown naar

Dik. Hij lachte op de meest dwaze manier, nam zijn puntmuts in zijn

hand, maakte een diepe buiging voor Dik, stak hem de rechterhand toe,

en zei:

Dik Trom en zijn Dorpsgenooten · 第 17 / 28 题