"Yes, Sir!" zei Dik.
De Amerikaan begreep thans volkomen, dat die dikke jongen hem met een
stalen gezicht voor den gek stond te houden. Hij deed een stap
voorwaarts en hief met een snelle beweging zijn rijzweep op, om er
hem een gevoeligen tik mede te geven.
Maar Dik was op zijn hoede. Hij glipte gebukt tusschen zijn vrienden
en de brugleuning door en maakte dat hij wegkwam.
Jan Vos en Piet van Dril gingen hem lachend achterna.
"Of jij Engelsch spreekt, Dik!" riep Piet hem toe.
"Wel, wat mankeerde er aan?" vroeg Dik lachend.
"Alles!" grinnikte Piet.
"Niets!" beweerde Dik. "Ik heb gezegd, dat hij mij woord voor woord
zou verstaan, en deed hij dat dan niet?"
"Jawel, maar je zei niets dan ja en neen!" zei Jan Vos.
"Juist," zei Dik. "De zaak was ook niet, dat hij mij niet verstond,
maar ik verstond hèm niet, -- daar zat hem de kneep."
De jongens zagen, dat de vreemdeling een poosje rondkeek en zich toen
naar het raadhuis begaf, zeker om den burgemeester te spreken.
"Maar nu is het toch wel zeker, dat het paardenspel hier komt," zei
Jan. "Wat zou die man hier anders op het raadhuis moeten doen?"
"Natuurlijk," zei Dik. "Ik meende het hem net te vragen, toen hij die
rijzweep ophief...."
"Ha, ha, ha, ha!" lachten Jan en Piet.
Zij gingen in het gras aan den kanaalkant zitten, om de terugkomst
van den vreemdeling af te wachten, maar hij bleef nog al lang weg.
"'t Is te hopen, dat de burgemeester beter Engelsch spreekt dan jij,
Dik," zei Piet van Dril.
"Er was op mijn Engelsch geen aanmerking te maken," zei Dik. "Hij
verstond me woord voor woord."
"O ja, ik bedoel, dat de burgemeester hem beter _verstaan_ zal dan
jij," zei Piet lachend.
"Dat hoop ik ook," zei Dik.
Eindelijk kwam de Amerikaan te voorschijn, en de jongens wezen
beleefd naar hun pet, want zij vonden hem thans een belangwekkend
personage.
Zijn boosheid was blijkbaar alweer verdwenen, want toen hij de
jongens herkende, lachte hij tegen hen. En tegen Dik hief hij
dreigend zijn zweep op, maar hij meende er niets kwaads mede.
Dik, Piet en Jan volgden hem op de hielen, om te zien, waarheen hij
ging, maar heel ver behoefden zij niet te loopen, want dicht bij de
brug liep hij den stal in van Café "Goud uit schuim," haalde een
mooi rijpaard naar buiten, gaf den stalknecht een fooi, en wierp zich
met een vlugge beweging in den zadel.
"Ha, wat een prachtig beest," zei Dik, die een groot liefhebber van
paarden was. "Kijk eens, wat steigert hij!"
"Ja, een fijn paard, hoor," zei Piet. "Hoepla, -- daar gaat hij!"
De ruiter gaf zijn paard de sporen en reed in een vluggen draf den
weg op naar Haarlem.
De jongens oogden hem na.
"Wat kan dat paard loopen!" zei Dik. "Heel wat harder dan de paarden
van den molenaar."
"Die zijn te dik," zei Piet. "'t Zijn Belgische werkpaarden, goed om
zware vrachten te trekken. -- Maar dit is een fijn raspaardje, zie
je, dàt is het verschil. Zag je zijn dunne pooten wel?"
"Zeker," zei Dik. "'t Zal wel een van de circuspaarden zijn. Waar zou
het spel komen te staan? Op de markt zal het niet gaan, vanwege al
die palen."
"Vader denkt, dat het op het stuk weiland komt, hier achter het
Café. Dat is een mooie gelegenheid. Ruimte in overvloed!"
De jongens liepen de brug over naar de markt.
"Wat zullen we eens gaan doen?" vroeg Jan Vos. "'t is nog veer te
vroeg, om naar huis te gaan."
"Willen we een poosje in den boom gaan zitten?" zei Dik.
Midden op de markt stond een groote boom, waarin de jongens zich
dikwijls vermaakten, misschien wel, omdat Flipsen nooit wilde hebben,
dat zij er in klommen. Welke reden hij daarvoor had, kon niemand
begrijpen, want het was een reusachtige boom, die er niets van te
lijden had en desnoods best een stootje kon velen. Zelfs de
burgemeester had al meer dan eens tegen Flipsen gezegd, dat hij niet
zoo op de jongens moest vitten, want dat er toch waarlijk zooveel
kwaad niet in stak, dat zij soms wel eens in dien boom speelden.
Maar Flipsen wilde het nu eenmaal niet hebben; hij was een lastige
man, die van de jongens niets verdragen kon.
"In den boom gaan zitten?" vroeg Jan Vos. "En als Flipsen dan komt?"
"Dan stil blijven zitten," zei Dik. "Maar hij zal ons niet eens zien,
want het loover is zoo dicht, dat wij zoo goed als onzichtbaar zullen
zijn."
"Weet je wat?" zei Piet van Dril. "We scheppen onze klompen vol water
en nemen die meê naar boven. Als Flipsen dan komt, zetten wij hem in
een stortbad..."
"Grappig!" zei Dik. "Op een anderen keer. Laten we nu maar kalm in
den boom gaan zitten, -- dan ziet hij ons niet, al komt hij er langs.
Geef me een pootje, Jan! Die stam is mij te dik om er in te klimmen."
"Wacht even, -- wie loopt daar zoo mal langs den weg?" vroeg Piet van
Dril. "Hij kruipt meer, dan hij loopt....."
"Een malle verschijning!" zei Dik. "Kijk, 't is Mulder, de vrek! Wat
zou hem schelen? Hij houdt zijn handen in zijn lenden, -- 't lijkt
wel, of hij vergaat van de pijn...."
"En wat loopt hij krom!" zei Jan Vos.
"En wat kijkt hij benauwd," merkte Piet van Dril op. "Zou hij naar
den dokter gaan?"
"Kun-je begrijpen!" zei Dik lachend. "Naar den dokter? Dat kost
immers geld? -- Neen, naar den dokter ongetwijfeld niet!"
"Laten we kijken!" zei Piet. "Wacht, hij gaat de brug over. Mijnheer
houdt zich vast aan de leuning, -- mijnheer kan haast niet verder en
wrijft zich over den rug, mijnheer ziet bont en blauw in zijn
gezicht, zie je dat?"
"Jongens," zei Dik, "dan is er eergisteren wat gebeurd, je weet toch
wel, 's avonds, toen we slootje-gesprongen hebben en toen we zoo'n
raar geschreeuw hoorden in zijn tuin...."
"Mijnheer gaat naar den burgemeester!" vervolgde Piet van Dril. "Zie
je wel, hij gaat het raadhuis binnen. Ha -- ha, -- mijnheer kan haast
den stoep niet opkomen."
Piet van Dril had gelijk. Mulder ging naar den burgemeester, om zich
over Flipsen te beklagen.
"Wel Mulder? Wat is er?" vroeg de burgemeester. "Ga zitten."
Mulder nam heel voorzichtig op een stoel plaats en kreunde daarbij
van de pijn. Toen zag de burgemeester hoe vreeselijk toegetakeld de
man er uitzag, en hoewel hij in het geheel geen sympathie voor den
ouden gierigaard voelde, kreeg hij nu toch medelijden met hem.
[Illustratie]
"Au au, -- o -- o -- wat een pijn!" kreunde Mulder, terwijl hij ging
zitten.
"Maar man, wat zie je er uit?" riep de burgemeester hem toe. "Je
gezicht is bont en blauw, en -- maar, wat is je overkomen?"
"Ja, ja, wat is me overkomen?" zei Mulder met een pijnlijk gezicht.
"Ik kom me beklagen, burgemeester..."
"Beklagen! Is er bij je ingebroken en hebben ze je mishandeld?"
"Neen, -- o, wat een pijn, -- ingebroken niet, maar mishandeld wel,"
kermde Mulder. "Dat heeft Flipsen me geleverd!"
"Flipsen?" riep de burgemeester ongeloovig uit. "Je vergist je
ongetwijfeld, Mulder, hoe wou Flipsen er toe komen, om een van de
burgers uit onze gemeente zoo te mishandelen? -- Want ik moet
toegeven, dat je mishandeld bent, Mulder, -- en erg mishandeld ook."
"O, ik verga van de pijn," kreunde Mulder. "Bijna twee dagen heb ik
in bed gelegen, omdat het me onmogelijk was op te staan. Maar nu kon
ik het niet langer uithouden, -- ik wilde dien man aanklagen,
burgemeester, opdat hij voorbeeldig gestraft worde...."
"Maar Mulder, -- Flipsen toch zeker niet?"
"Flipsen, en niemand anders," zei Mulder. "Hij zou zich 's avonds,
dat was eergisteren, in mijn tuin opschuilen, om op de jongens te
passen, die voor den zooveelsten keer weer mijn boomgaard eens wilden
plunderen. Ik had die kwajongens bij toeval afgeluisterd, toen zij
die afspraak maakten. Flipsen had er wel geen zin in, maar toen ik
hem liet merken, dat ik van plan was bij u te gaan klagen, als hij
het niet deed, koos hij eieren voor zijn geld. --"
Mulder zuchtte diep, want onophoudelijk flitsten hem hevige
pijnscheuten door zijn lichaam.
"En zoo kwam hij dan," vervolgde hij na een poosje, "erg boos, dat
kan ik u verzekeren, want hij was, zooals hij zelf zei, juist van
plan geweest, dien avond eens rustig bij zijn vrouw te blijven
rooken..."
"Nu, zoo prettig was het ook niet voor hem," vergoelijkte de
burgemeester. "Flipsen is een ijverig man, dat zal iedereen toegeven.
Hij is eerder te ijverig, dan te lui, en maakt zich daardoor juist
vele vijanden. En 't zou heusch niet erg zijn, als hij ook eens een
avondje rustig thuis kon blijven..."
"Daar betalen wij onze belastingcentjes voor, burgemeester," zei
Mulder, die juist weer een hevigen scheut door zijn rug kreeg. "Au,
au, o, wat een pijn!"
"Maar nu weet ik nog niet..." hernam de burgemeester.
"Ik zal 't u vertellen," zei Mulder. "Toen het al heel laat geworden
was en ik van Flipsen niets meer bemerkte, besloot ik even te gaan
kijken, of hij er nog was, en toen sprong me die nijdigaard
plotseling op mijn lijf, smeet mij tegen den grond, en sloeg mij met
zijn gummi-stok bont en blauw. Ik dacht niet anders, of hij wilde mij
doodslaan. Mijn beenderen kraakten me in mijn binnenste. Ik kom
daarom een aanklacht tegen dien man doen. Hij dient ontslagen te
worden."
"Och kom," zei de burgemeester, "'t zal een vergissing van Flipsen
geweest zijn. Misschien meende hij wel, dat hij een van de
vruchtendieven te pakken had."
"Een vergissing, -- au, o, wat een scheut, -- onmogelijk,
burgemeester. Toen hij me op zoo'n verschrikkelijke manier met zijn
gummi-stok bewerkte, heb ik hem wel tienmaal toegeschreeuwd, dat ik
Mulder was, maar hij wilde mij niet hooren. Hij sloeg me opzettelijk,
omdat hij nijdig op mij was, en ik eisch zijn ontslag, -- op staanden
voet. Of anders zal ik een strafvervolging tegen hem laten instellen
wegens moedwillige mishandeling."
"Dat is uw zaak," zei de burgemeester, terwijl hij op een tafelschel
tikte.
De concierge verscheen.
"Legels, ga naar Flipsen en zeg hem, dat hij onmiddellijk hier moet
komen."
"Flipsen is ziek, burgemeester...."
"Erg ziek?"
"Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij zich bezeerd heeft, -- nog al
erg."
"Zoo, -- nu, weet je wat, ga hem vragen, of hij in staat is om hier
te komen. Je moet zeggen, dat het een ernstige zaak geldt."
"Jawel, burgemeester."
Er werd tusschen den burgemeester en Mulder niet veel meer gesproken.
De laatste liet herhaaldelijk een dof gekreun hooren.
Na enkele minuten verscheen Flipsen, met een dik verband om zijn
hals.
"Wel, Flipsen, wat scheelt je?" vroeg de burgemeester, "Heb je je
bezeerd?"
Flipsen keek schuin naar Mulder en deze schuin naar Flipsen.
"Ja, burgemeester, ik heb me bezeerd," zei Flipsen.
"Zoo, hoe komt dat?"
"Dat weet ik niet, burgemeester," zei Flipsen, die het inderdaad niet
wist. Herhaaldelijk keek hij naar het misvormde gezicht van Mulder,
dat een heele rist groene en blauwe strepen vertoonde. De leelijke
vrek was er niet mooier op geworden, ja, Flipsen vond dat hij hem nog
nooit zoo leelijk ontmoet had.
De burgemeester werd een beetje boos over dat antwoord van Flipsen.
"Weet je 't niet? Dat is al heel wonderlijk...."
"Ik weet het heusch niet, burgemeester," zei Flipsen, wiens gelaat
bij elke beweging een pijnlijken trek kreeg.
"Nu, als je 't me niet zeggen wilt, moet je dat zelf weten," hernam
de burgemeester op hoogen toon. "Flipsen, deze man komt zich over je
beklagen. Hij zegt, dat je hem eergisteren-avond zoodanig mishandeld
hebt, dat hij er twee dagen van te bed heeft gelegen en nog maar
ternauwernood loopen kan. Hij eischt, dat je op staande voet
ontslagen wordt, of hij zal een strafvervolging tegen je beginnen
wegens moedwillige mishandeling. Wat heb je daarop te antwoorden?"
Flipsen keek in de grootste verbazing beurtelings den burgemeester en
den vrek aan. Blijkbaar wist hij in de verste verte niet, wat van
deze beschuldiging te denken.
"Hoor je me niet?" vroeg de burgemeester. "Of wist je dit soms ook al
niet?"
"Ik, -- burgemeester, -- neen, op mijn woord, -- ik weet het niet. Ik
heb Mulder voor 't laatst ontmoet in mijn eigen tuin op mijn eigen
bank, toen hij mij kwam vragen een oogje in het zeil te houden, omdat
hij zeker wist, dat de jongens 's avonds in zijn tuin wilden komen om
zijn vruchten te kapen. Na dat oogenblik heb ik Mulder niet meer
gezien, dat verklaar ik op mijn ambtseed, burgemeester."
"'t Wordt nu nog erger, burgemeester," zei Mulder. "Hij doet op die
manier nog een valschen eed ook, want hij heeft me dienzelfden avond
in mijn tuin zoo onbarmhartig afgeranseld, dat ik vreesde te zullen
sterven...."
Flipsen kreeg een flikkering in zijn oogen, en ondanks zijn pijnen,
een spottend lachje om zijn lippen.
"Ha, ha, Mulder, -- ben jij dat geweest?" vroeg hij. "Ik verkeerde
tot nog toe in de heilige overtuiging, dat ik Dik Trom of een van die
andere lieverdjes te pakken had gehad...."
"Neen, man, dat weet je wel beter..." viel Mulder in. "Ik heb je wel
honderdmaal toegeroepen, dat ik Mulder was..."
"Geen woord van gehoord!" riep Flipsen uit, die een paar maal in een
lach geschoten was, maar zich onmiddellijk weer bedwongen had uit
respect voor den burgemeester.
Deze keek beurtelings Mulder en Flipsen aan, en begreep van de heele
zaak maar bitter weinig. "Hoor eens, -- vertel me eens kort en goed,
Flipsen wat er gebeurd is. Ik begrijp er nu nog niet veel van."
"Och, Mulder had me gevraagd eens een oogje..."
"Jawel, jawel, dat weet ik nu al. Je ging dus in den tuin van Mulder
en verborg je daar ergens, niet waar?"
"Juist burgemeester, in een donker boschje, dicht hij de aardbei- en
frambozenplanten."
"En toen?"
"Daar heb ik gezeten, tot het pikdonker geworden was," hernam
Flipsen, "en daar de jongens niet kwamen, meende ik juist naar huis
te gaan, toen ik dicht bij me eenig geritsel hoorde..."
"Dat was ik!" zei Mulder met een zucht.
"Dan kroop je over den grond...." zei Flipsen.
"Neen, ik liep, want ik wilde eens kijken, of je er nog was."
"Neen man, dat is niet waar," hield Flipsen vol. "Ik hoorde eenig
geritsel en zag toen iemand over den grond voortkruipen naar de
frambozen...."
"Maar Mulder, waarom kroop je over den grond?" vroeg de burgemeester.
"Ik kroop niet!" zei Mulder.
"Je kroopt wèl!" hield Flipsen vol, "en daar ik dacht, dat je Dik
Trom of een van de andere jongens waart, ben ik op je rug gesprongen
en heb je een pak slaag gegeven, als nog nooit iemand van mij gehad
heeft."
"'t Is Mulder nog aan te zien," zei de burgemeester, die slechts met
moeite een lach bedwingen kon. "'t Is dus gewoon een vergissing
geweest, Mulder, -- een vergissing, die het gevolg was van je
onvoorzichtigheid, om kruipende naar Flipsen te gaan. Dat was een
malle onderneming van je, Mulder..."
"Hoe kwam je daar toch toe?" vroeg Flipsen met een spottend lachje.
"Zoo maar," zei Mulder. "Ik zal toch wel door mijn eigen tuin mogen
kruipen, als ik dat verkies!"
"Van mij wel," zei Flipsen. "Maar wil ik je eens zeggen, waarom je
het deedt? Je was zeker bang, dat ik aan je aardbeiën en
frambozen...."
"Ha, ha, ha, ha!" barstte de burgemeester uit, en hij kon maar niet
tot bedaren komen, want hij zag duidelijk aan Mulders gezicht, dat
Flipsen den spijker op den kop had geslagen.
"Alsof je daar te goed voor was!" zei Mulder, die wel zag, dat
ontkennen hem toch niet baten zou.
"Ha, ha, ha, ha, 't is te mal, ha, ha, ha, ha," schaterde
burgemeester. "Dus je gingt de politie beloeren... ha, ha, ha, en
kreeg toen... ha, ha, ha --"
En toen barstte ook Flipsen in lachen uit, wat hem zoo'n pijn in zijn
hals deed, dat hij er zijn beide handen op moest leggen.
"Lach jij maar," zei Mulder nijdig. "Je hebt me half dood geslagen,
dat geef ik toe, maar mijn aap..."
"Jouw aap?" riep Flipsen uit, voor wien het raadsel, wie hem zoo
onverwachts besprongen had, nog niet opgelost was, "jouw aap?"
"Ja, juist, 't was mijn aap, die je zoo toegetakeld heeft, dat je het
uitpiepte van de pijn...."
"Jouw aap?" herhaalde Flipsen. "Was het jouw aap, die me op mijn rug
sprong en me zijn nagels in mijn nek plantte en me de ooren bijna van
mijn hoofd beet..."
"Houd op -- houd op -- ha, ha, ha, ha!" lachte de burgemeester, --
"ik krijg nog een ongeluk van het lachen -- ha, ha, ha, ha! 't Is
meer dan mal, -- 't is -- ha, ha, ha, ha!"
Mulder stond kreunend op en liep zonder groeten de deur uit, en
Flipsen stond ook op, -- maar hij moest wel lachen, of hij wilde of
niet.
"Dat die vrek mij, de politie, beloeren kwam en bij ongeluk Dik's pak
slaag in ontvangst moest nemen...!"
"Ha, ha, ha, ha!" lachte de burgemeester. "Ga maar weg, Flipsen, ik
heb je niet meer noodig -- ha, ha, ha, ha!" --
Flipsen vertrok. Weldra had hij Mulder, die maar heel moeilijk loopen
kon, ingehaald, en de beide invaliden liepen naast elkander verder.
Zij spraken geen enkel woord, want Mulder was te boos, en Flipsen
moest telkens lachen.
Toen zij de markt passeerden, kwamen Dik Trom, Jan Vos en Piet van
Dril op een drafje naar hen toe loopen, en Dik zei tot Flipsen:
"Flipsen, er zit een groote aap in den boom, hier op de markt."
"Een aap?" zei Flipsen, en er ging hem een rilling over den rug. "Een
aap, zeg je?"
"Een aap?" vroeg Mulder. "Dat is mijn aap!"
"Hoe weet je, dat er een aap in den boom zit?" vroeg Flipsen.
"Omdat we er in wilden klimmen, en toen zagen we hem. 't Is een
kwaadaardige, hoor," zei Dik.
"Of hij kwaadaardig is!" bromde Flipsen, terwijl hij voorzichtig met
zijn hand over het verband om zijn hals streek. "Wat doe jij in dien
boom te klimmen? Ik heb het je immers wel honderdmaal verboden?"
"Maar we waren er weer veel gauwer uit dan er in, Flipsen," zei Dik.
"Dat beest kwam zoo nijdig op ons af, dat we ons hals over kop uit
den boom hebben laten vallen."
"Waar zit dat creatuur?" vroeg Flipsen. "Zit hij hoog?"
"O neen," riep Piet van Dril, "hij zit nu op bijna den ondersten tak!
Kijk maar, daar zit hij! Ziet u hem? -- Dáár!"
[Illustratie]
"Ja, ja, ik zie het mormel..."
"Wou je hem vangen, Flipsen?" vroeg Dik.
"Dank je hartelijk," zei Flipsen, terwijl hij nogmaals met zijn hand
over zijn nek streek. "Mulder zal hem wel vangen; 't is zijn aap,
zegt hij immers zelf."
Mulder zag, dat de aap kwaadaardig naar hem zat te kijken en hem af
en toe toegrijnsde.
"Hij kan voor mijn part gaan, waar hij wil," zei Mulder. "Ik wil dat
monster niet meer in mijn tuin hebben...."
"Maar als 't jouw aap is, ben jij verantwoordelijk voor zijn daden,"
zei Flipsen. "Als hij iemand mishandelt, zul-jij de doktersrekening
te betalen hebben."
"Dat moest er nog bijkomen!" zei Mulder. "Ik had nog liever! Ik wil
dien aap niet meer terughebben, zeg ik je immers! Mijnentwege mag je
hem doodschieten..."
"Doe het zelf," bromde Flipsen. "Ik ben je knecht niet."
"Mag ik hem hebben, Mulder?" vroeg Dik Trom opeens.
"Jij? Wou jij hem hebben, Dik?" vroegen Piet en Jan tegelijk.
"Ik wel," zei Dik. "Als Mulder hem kwijt wil..."
"Goed, -- ik schenk hem je," zei Mulder, die blij was, dat hij hem
aan een ander kon overdoen.
"Dik Trom," zei Flipsen, "wees gewaarschuwd, want het is een
gevaarlijk dier."
"Dat zie ik wel," zei Dik. "Maar ik ben niet bang..."
"En hoe Moet je hem vangen?" vroeg Flipsen weer,
"O, dat zal zoo moeielijk niet gaan," zei Dik. "Zeg Jan en Piet,
blijven jullie hier, om op hem te passen? Ik ga gauw even naar huis,
-- in een wip ben ik weer terug."
"Hè, hè, hè, hè -- ik ben hem kwijt gelukkig!" lachte de vrek.
"En dien Dik Trom zal hij nog vermoorden, -- net goed! -- Net goed!"
Mulder ging naar huis en liet bij elken stap een kreunend geluid
hooren. En Flipsen bleef ook niet langer, want met den aap wilde hij
liever niets meer te maken hebben, en ook wilde hij er liever geen
getuige van zijn, als hij Dik of een ander een ongeluk toebracht.
"Die jongen krijgt hem toch nooit," dacht Flipsen. "En wie weet, waar
het beest morgen al zit. Hij zal hier gauw genoeg vandaan zijn."
Dik kwam spoedig terug met een droogstok van het bleekveld, en een
stevig touw. Zijn hengel had hij medegenomen naar huis.
"Hoe wil je hem vangen, Dik?" vroegen Jan en Piet nieuwsgierig.
"O, dat zal gemakkelijk genoeg gaan, als jullie me maar helpen. Kijk,
hier heb ik een stevig stuk touw, -- dat bind ik aan het einde van
den stok, -- zóó. Dat zit stevig, hè?"
"En of!" zei Piet van Dril.
"'t Is maar een kort touw, zie je. Nu bind ik er nog een lang touw
ook aan. Waartoe dat dienen moet, zul-je straks wel zien. Nu maak ik
in het korte touw een strik..."
"Ha, ha!" lachte Piet. "Ik snap je! Een lasso, hè?"
"Ja, maar een korte," zei Dik. "Zie zoo, -- nu gaan we er op af!
Kijk, den stok met den strik omhoog! Als hij nu maar niet
wegloopt..."
"Hij loopt niet weg," zei Piet. "Daar is het een te nijdig beest
voor."
"Juist mijn idée," zei Dik. "Kijk, de strik komt vlak voor zijn kop.
Neem je hengelstok, Piet, en leidt zijn aandacht af..."
"Ja, ja, -- juist," riep Piet. Hij raapte zijn hengelstok van den
grond op en zwaaide er mede langs den kop van den aap.
Kees beet er naar en maakte zich tot den strijd gereed.
In den strik had hij geen erg. Dik maakte van het juiste oogenblik
gebruik en liet hem den strik over zijn kop glijden. Toen trok hij,
zoo hard hij kon.
De strik klemde den aap om den hals, Jan hielp Dik trekken en op 't
volgende oogenblik viel Kees op den grond.
"Grijp jij nu het lange touw, Piet," zei Dik. "Dan houd jij hem
daarmede aan den eenen kant in bedwang en ik aan den anderen."
"Goed begrepen!" riep Piet, en Jan Vos liep in 't rond te springen
van plezier. De aap kon niet heen of weer, en kreeg het benauwd in
den strik, die hem stijf om zijn keel zat.
"Houd den stok even vast, Jan!" zei Dik, en toen ging hij onbevreesd
op den aap toe, deed hem een hondenketting, die hij voor dat doel had
meegebracht, aan zijn halsband, maakte den strik los, en riep:
"Allo! Allo! Hup Caesar, allo, allo!"
Kees had het vreeselijk benauwd gevonden in den strik en hij vatte
voor Dik, die hem daaruit verloste, dadelijk een groote genegenheid
op.
Zoodra hij zijn adem teruggekregen had, en dat was binnen enkele
seconden het geval, sprong hij overeind, klauterde tegen Dik op en
ging hem op zijn schouder zitten, zooals hij dat ook gewoon geweest
was bij den neef van Mulder, den matroos. Hij erkende Dik dadelijk
als zijn meester en was hem dankbaar, dat hij hem uit den benauwden
strik verlost had.
Dik bracht hem in gezelschap van Piet en Jan, die de hengels en den
droogstok droegen, naar huis, waar hij zijn moeder bijna een
doodschrik op het lijf joeg met den nieuwen huisgenoot. "Maar Dik, --
ben je dwaas! Wat moeten wij met dien aap beginnen?"
"Moeder, -- ik heb een plannetje," zei Dik. "Heb maar geduld. Heeft
u niet wat eten voor hem? Een stukje brood, of zoo iets."
"Maar ik begrijp niet...."
"Ik houd hem maar een paar dagen, Moeder," zei Dik. En toen
fluisterde hij haar in het oor:
"Morgen of overmorgen komt het paardenspel hier. Daar is ook iemand
bij met gedresseerde apen, en die zal mij voor dezen wel zooveel
geven, dat Nelly met het schoolfeest mee kan, begrijpt u?"
Hij zei het zacht, want Jan en Piet behoefden niet te weten, dat hij
voor het blinde meisje aan het sparen was. Dat was nergens goed voor.
Moeder glimlachte en knikte hem goedkeurend toe.
"En waar moet hij blijven?" vroeg zij.
"Ik heb nog een leeg konijnenhok," zei Dik. "Daar kan hij vannacht
wel in. Kom Caesar, hier is brood! Ga je meê?"
Met hun drieën brachten zij Kees achter het schuurtje, en toen Dik
wat brood in het leege konijnenhok neerlegde, sprong Kees er uit
eigen beweging in, want hij had grooten honger.
Toen gingen de jongens naar huis; het was al laat geworden. Dik was
verbazend in zijn schik met het geschenk van den gierigen Mulder.
1) Woon je hier?
2) Ja, mijnheer.
3) Ha, dat is goed...
4) Neen, mijnheer.
5) Ken je den burgemeester?
6) Waar woont hij?
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Tiende Hoofdstuk.