BESTIJGING VAN DEN BROCKEN IN DEN WINTER.

Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te

reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft

gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik,

in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte

vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg

uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer 's avonds

te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken,

ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.

In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in

den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen

meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer,

die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld,

waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de

tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.

In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die

het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg

bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven;

onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende,

dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half

uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts

van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in

licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons

aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine,

onaanzienlijke huizen.

Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die

kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in

een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De

veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok

werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van

een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin

met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen

weder aan, en de vaart kon beginnen.

Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger

Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en

drong in steeds dikker massa's op ons in, tot we ons in een echten

sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren

de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij

den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden

geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen,

scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als

door duizend naalden.

Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid

ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden

gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat

bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen

wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met

nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan

langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de

sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit

de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.

De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het

oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich

begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel

drong door de boomen. De maan kwam op.

Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.

En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig

was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan,

terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top

hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer,

dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door

den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In

het Noorden schitterde de Groote Beer.

We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die

724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte

van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver

uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück

geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder

werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg

Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te

hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad,

om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen

waren sterk beijzeld.

Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw

dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den

nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het

Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station

voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in

noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten

vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker

werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten

afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp

in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.

Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt,

ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken,

waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we

dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme

achterkamertje in de nabijheid van de kachel, om de nog aan de riemen

hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er

aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en

eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al

weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo,

maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe

en goedkeuring over ons voornemen.

Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de

maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit

het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste,

en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een

groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het

tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht

door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond

knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.

Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet

en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht;

de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang

zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de

boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht

toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen

we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was;

daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil

omhoog tusschen de boomen.

Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den

pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen,

eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt,

daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde

boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter

ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij,

daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De

top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons,

met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur

was tusschen sneeuwmuren opengehouden.

Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner

open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij

de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten

op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de

hal, met de groote plakkaten over table d'hôte, aansluitingen van

spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek

en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde

Kerstboom!

Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van

het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als

vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond,

zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen

evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het

was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden

bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden

we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend

suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren

in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad,

waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging,

om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle

sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te

komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.

Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg

en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter

ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds

avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon,

en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat

mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden

in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het

station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In

de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het

stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 332 / 353 题