EEN BESTIJGING VAN DEN POPOCATEPETL.

In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen

de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den

Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet

nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te

erlangen over het zonnige land.

Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in

April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest

geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht

naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het

van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan

eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij

Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna

zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van

de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de

lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap

wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het

vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa's omhoog.

De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen

bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige

leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat

honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van

weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een

ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als 's avonds de zon de toppen der

bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de

verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal

rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden,

draagpaarden en bedienden gehuurd.

De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door,

ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een

kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten

weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan

tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer

omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor

neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de

plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en

sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in

die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de

bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen,

potentilla's en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien

uit het gras opkeken.

Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en

als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het

pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er

dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden

hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het

werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het

ook reeds donker, want op Mexico's aardrijkskundige breedte duurt

de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een

rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den

zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan

doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor

alle comfort te zorgen.

In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl

gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt,

als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds

lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten

ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar

uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht

verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd

een vulkanisch asch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15

en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en

de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.

Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La

Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en

vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand

maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heeft

twee-en-een-half uur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In

April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw

is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel

geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is,

komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de

toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht

en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.

De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter;

de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen

onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen

omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden

torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar

zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar

staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen,

terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen,

die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren,

dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.

Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet

en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere

bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de

ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder

weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken,

dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe

schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen,

zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.

Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en

als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd

doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen

zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een

bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.

Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden,

kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te

verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland

niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 318 / 353 题