OOK EEN MANIER VAN DOODENVEREERING.

Op de utrechtsche zendingstentoonstelling, waar zooveel interessants

te zien was, werden veel korwars vertoond, zooals onze lezers weten,

houten beeldjes, die vereering genieten op Nieuw Guinea vooral, omdat

de zielen van afgestorvenen erin heeten te wonen. Maar daaronder waren

enkele, die bijzonder de aandacht trokken of verdienden te trekken,

namelijk beeldjes met een extra groot hoofd, zoo groot, dat een echte

menschenschedel erin bewaard kon worden. De piëteit tegenover den

doode strekt zich daar dus uit tot het behouden en bewaren van een

stuk van het duurzaamste gedeelte van zijn stoffelijk hulsel.

Daarin gaat men nu soms nog verder op Nieuw Guinea en bewaart

niet alleen den schedel, maar vult dien weer aan met een stof, die

de vergane vleeschdeelen moet voorstellen, zoodat een hoofd wordt

verkregen en in eere gehouden. Er was op de tentoonstelling zulk een

zeer bijzonder voorwerp, de reconstructie van een menschenhoofd, en

het was voor de eerste maal, dat men deze wijze van schedelvereering

of doodenvereering leerde kennen als op het groote oostelijkste eiland

van onze bezittingen bestaande.

De schedel was afzonderlijk op een voetstuk gezet en men had er

den vorm van een menschenhoofd aan hergeven, door de vleeschdeelen

te vervangen door klei en door een houten neus in de neusholte te

zetten. Volgens een medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant komt

die manier van aanvulling voor op verschillende plekken van de aarde,

waar schedelvereering bestaat. Er is iets niet onaantrekkelijks in

deze wijze van instandhouding van het minst vergankelijke deel van

des menschen stoffelijk wezen, het geraamte, en dan van het geraamte

juist die beenderen, waarin bij het leven het edelste deel van den

mensch is geborgen, dat wat hem eigenlijk tot mensch maakt en hem in

staat stelt tot het in gemeenschap treden met zijn medeschepselen,

en met al die verschijnselen, die zich om hem heen openbaren.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 310 / 353 题