Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze
Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid
in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die
den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche
in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de
Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der
fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche
afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van
Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers
gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote
zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de
sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer
Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub
Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper
vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn
de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want
hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar
men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg,
over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij
heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal
nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd,
Whymper's boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige
energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.
Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de Elberfelder Hütte door
een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs
Staffelalp en den grooten Z'Mutt-gletscher, aan den voet van den
geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij
klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm,
Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en
sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn,
die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen
veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend
naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg
na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande
en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder
den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow's voet uit en
vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak
voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den
tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.
Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit
hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner
had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen
enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen
vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.
Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette
allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen
dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke
som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig
was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het
Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper
herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de
N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een
dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.
Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo
welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V.,
oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke
ontvangst, die mij ten deel was gevallen.
Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C.,
een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe
het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd
hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen,
om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke
berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs,
dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een
zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.
Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan
was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken,
de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale
mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de
bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme,
dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden
van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door
dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het
Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de
lage landen aan de zee.
De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij
een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan
ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft
gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche
Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.
's Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn,
waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865-Sept. 1909, en
beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««