Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een
belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig
jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de
regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en
de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te
staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans
als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl
de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord,
Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging
de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen
traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht
te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze
hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won
zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den
weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij
in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne
mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.
Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand
gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste
directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859-1876);
daarna de heeren F. B. Löhnis (1876-1892), H. A. Hanken (1892-1894),
Job van den Have (1894-1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank
zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei
toegenomen.