Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het
Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies
dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de
monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus
binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het
zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten
tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt,
waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens
kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de
vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door
de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.
Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend
jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners
hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland
zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van
de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar
hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische
vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking
landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden
in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.
Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er
zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van
het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het
bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige
oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling
voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de
Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed
staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan
volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de
inzittenden flink dooreen schudt.
Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich
diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt;
maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit
rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door
de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat
de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak
vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt,
zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig
maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders
zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken,
daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan
zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten
van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte
oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn
strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór
sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.
De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat
het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat
door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet
men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde
broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben
inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige
springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.
Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote
eiland heeft een overouden vuurtoren, waar de reizigers vroeger
gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter
de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren
dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de
eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personen
naast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis
omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan
er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo
gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.
Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord-
of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte,
dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien
minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat
vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks
twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in
de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door
doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote
kosten aangebracht.
Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur
rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde
eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil
gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een
bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze
daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige
rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee
uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft
laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden
te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer
uit is te wekken.